← België

Arrest 203229 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.229 Rolnummer: A. 192854/XIV-31197 Zaak: Arrest 203229 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-17 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:38 Fiche Arrest nr 203.229 van 23 april 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 203.229 van 23 april 2010 in de zaak A. 192.854/XIV-31.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 2 juni 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 26.561 van 28 april 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4628 van 2 juli 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 december 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 maart 2010; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-31.197-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché S. DUPONT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Chinese nationaliteit, komt op 19 september 2005 België binnen en vraagt op dezelfde dag om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 5 mei 2006 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoekster tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 22 mei 2006 hoger beroep aan bij de toenmalige Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  6. Op de zitting van 22 april 2009 wordt verzoekster gehoord. 1.
  7. Op 28 april 2009 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest waarbij aan verzoekster de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. Dit arrest luidt als volgt: “
  8. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  9. Verzoekster die volgens haar verklaringen België binnenkwam op 19 september 2005, verklaart er zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
  10. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwerpt verzoeksters asielaanvraag bij beslissing van 5 mei 2006, verstuurd op 8 mei
  11. 1.
  12. De feiten aan de basis van verzoeksters asielaanvraag werden door de bestreden beslissing als volgt weergegeven: “U verklaarde over de Chinese nationaliteit te beschikken, afkomstig te zijn uit de stad Lhasa in de Tibetaanse Autonome Regio (TAR), Volksrepubliek China. XIV-31.197-2/9 U verliet China in 1987 omdat u vreesde vervolgd te worden voor uw deelname aan een pamflettenactie en u wou uw kinderen niet naar een Chinese school sturen. Daar zouden ze immers onderricht krijgen in de Chinese ideologie en de Chinese taal moeten leren. Ook was u misnoegd omdat u tijdens uw derde zwangerschap een abortus en sterilisatie had moeten ondergaan. U trok via Nepal naar India. U verbleef illegaal in India. Omdat u bij ieder politiecontrole 100 of 200 roepies moest betalen om niet naar de Volksrepubliek China te worden teruggestuurd verliet u India en kwam u naar op 17/09/
  13. Op 18/09/2005 arriveerde u in België. Ter staving van uw asielrelaas legde u twee attesten van “Nelen Khang” (“Reception Centre”) neer, een medisch attest, een attest van “the Office of The Chief Representati- ve”, een attest van de “Office of the Sub-Tibetan Freedom Movement”, een attest van de Regional Tibetan Volunteer Working Committee” en een attest van de “Regional U-Tsang Cholkha” neer.” Het aldus weergegeven feitenrelaas wordt door de verzoekende partij niet betwist. 1.
  14. De bestreden beslissing stelt vast dat verzoekster er niet in geslaagd is haar vrees voor vervolging in de zin van het vluchtelingenverdrag of een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in de subsidiaire bescherming aannemelijk te maken en baseert zich daarvoor op volgende gronden: - verzoekster wijzigde meermaals haar asielrelaas, hetgeen er op duidt dat zij de Belgische autoriteiten op intentionele wijze poogt te misleiden en dit ondanks de kans die aan verzoekster werd gegeven om na de aanvankelijke fraude alsnog haar werkelijke verhaal te vertellen, waardoor er dan ook helemaal geen geloof aan haar asielmotieven kan worden gehecht; - de door verzoekster neergelegde documenten kunnen de appreciatie van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet wijzigen.
  15. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  16. In de verweernota van 21 maart 2007 stelt verweerder dat het verzoekschrift ingediend door advocaat L. WELLENS geen uiteenzetting van middelen bevat terwijl dit een substantiële vereiste van het verzoekschrift is. 2.
  17. De verzoekende partij heeft inhoudelijke kritiek op de motieven van de bestreden beslissing zodat zij in wezen op ontvankelijke wijze de schending van de materiële motivering opwerpt (RvS 20 november 2001, nr. 100.939). De exceptie van onontvankelijkheid wordt derhalve verworpen. Verwerende partij bevestigt ter zitting dat zij de exceptie niet langer handhaaft.
  18. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
  19. Verzoekster geeft aan dat zij tijdens het tweede verhoor bij het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de werkelijke waarheid heeft verteld. Zij herhaalt vervolgens dat zij in 1987 vanuit Tibet naar India is gereisd om haar kinderen in India naar een school te laten gaan waar de Tibetaanse ideologie en taal wordt onderwezen en dat zij tijdens haar derde zwangerschap een abortus en sterilisatie heeft moeten ondergaan. Zij benadrukt dat zij nooit de bedoeling heeft gehad om de Belgische autoriteiten op intentionele manier te misleiden, doch dat zij zich heeft laten misleiden door de mensen rondom haar die haar ervan overtuigden een verhaal op te hangen in verband met politieke problemen en die meenden dat het beter was te vertellen dat zij nog maar pas uit Tibet gevlucht was. Het is pas tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat zij beseft heeft dat ze de waarheid diende te vertellen. Verzoekster geeft verder aan dat toen zij na het tweede verhoor vernam dat er verder onderzoek noodzakelijk was, zij opnieuw in paniek geslagen is en daardoor opnieuw hetzelfde verhaal vertelde als op de Dienst Vreemdelingenzaken. XIV-31.197-3/9 3.1.
  20. De verklaringen van de kandidaat-vluchteling kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The law of refugee status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84). De verklaringen moeten plausibel zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten. De bewijslast berust in beginsel bij de kandidaatvluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas. Bij het ontbreken van dergelijke elementen dient er een aannemelijke verklaring gegeven te worden. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 54). Van een kandidaat-vluchteling mag worden verwacht dat hij voor de diverse asielinstanties coherente, gedetailleerde en volledige verklaringen aflegt en dat hij de feiten die de aanleiding vormen van zijn vlucht uit zijn land van herkomst op een zorgvuldige, nauwkeurige en geloofwaardige wijze weergeeft, zodat op grond hiervan kan worden nagegaan of er aanwijzingen zijn om te besluiten tot het bestaan van een risico voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Bovendien mag van een kandidaat-vluchteling verwacht worden dat hij de asielinstanties van het onthaalland, bevoegd om kennis te nemen van en te oordelen over verzoekers aanvraag tot hulp en bescherming, van bij het begin in vertrouwen neemt door een waarheidsge- trouw relaas uiteen te zetten. Verzoekster geeft echter zelf aan dat haar verklaringen niet de volledige waarheid zijn omdat zij zich heeft laten beïnvloeden door andere asielzoekers die haar ervan overtuigden een verhaal op te hangen in verband met politieke problemen en die meenden dat het beter was te vertellen dat zij nog maar pas uit Tibet gevlucht was. Verzoekster beweerde op de Dienst Vreemdelingenzaken d.d. 17 januari 2006 in 2003 te zijn vertrokken uit Tibet omwille van politieke problemen. Tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 maart 2006 beweerde zij dat zij reeds in 1987 de “TAR” had verlaten omdat zij haar kinderen niet naar een Chinese school wou sturen en omdat zij een abortus en sterilisatie had moeten ondergaan. Bij het invullen van de vragen- lijst d.d. 30 maart 2006 verklaarde zij echter dat zij haar land ontvluchtte omwille van haar deelname aan een pamflettenactie. Hieruit kan evenwel worden afgeleid dat verzoekster de Belgische asielinstanties opzettelijk heeft willen misleiden. De valse verklaringen die verzoekster aflegde betreffen immers geen details, maar maken wel degelijk de kern uit van haar asielaan- vraag en worden op geen enkele aannemelijke en afdoende wijze verschoond. Het voorgaande heeft tot gevolg dat eveneens kan getwijfeld worden aan de geloofwaardigheid van verzoeksters huidige verklaringen. 3.1.
  21. Uit het geheel van bovenvermelde elementen die steun vinden in het admini- stratieve dossier, niet op aanvaardbare wijze weerlegd door de verzoekende partij, kon de Commissaris-generaal op redelijke en afdoende wijze met draagkrachtige motieven en verwijzend naar de juiste rechtsgrond, besluiten tot de ongeloofwaardigheid van verzoekers beweerde asielrelaas zodat de voorgewende vrees voor vervolging niet aannemelijk is. 3.1.
  22. Met het verzoekschrift tot voortzetting dat door verzoekster d.d. 23 januari 2007 werd ingediend voegt zij een aantal foto’s waaruit volgens haar duidelijk blijkt dat zij uit Tibet afkomstig is met als gevolg dat zij bij een terugkeer naar China zal vervolgd worden omwille van het feit dat zij in 1987 uit Tibet gevlucht is naar India vermits zij wilde dat haar kinderen de Tibetaanse ideologie en cultuur leerden. Verder geeft zij aan dat het algemeen geweten is dat Tibetanen niet aanvaard worden in China en dat aan hen de Chinese taal en ideologie worden opgedrongen. XIV-31.197-4/9 3.1.
  23. De bestreden beslissing stelt uitdrukkelijk dat de Chinese origine van verzoekster niet wordt betwist maar dat er geen enkel geloof kan worden gehecht aan haar asielrelaas gezien zij dit voor de asielinstanties, verschillende malen wijzigde. De door verzoekster voorgelegde foto’s, die zouden bewijzen dat zij uit Tibet afkomstig is, kunnen haar asielrelaas gelet op bovenstaande vaststellingen niet geloofwaardig maken. Een verwijzing naar een algemene situatie volstaat niet om aan te tonen dat verzoekster in haar land van herkomst werkelijk wordt bedreigd en vervolgd of dat er wat haar betreft een reëel risico op lijden van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming bestaat. Deze vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade dient in concreto te worden aangetoond en verzoekster blijft dienaang- aande in gebreke. 3.1.
  24. Het ter zitting neergelegde originele stuk uitgaande van het ‘office of the reception centres’ doet aan bovenvermelde appreciatie geen afbreuk aangezien het enkel bevestigt dat verzoekster op 31 januari 1987 in het ontvangstcentrum van Nepal werd geregistreerd. 3.1.
  25. In acht genomen wat voorafgaat, kan in hoofde van de verzoekende partij geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A

(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen. 3.
  1. Met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus kan tenslotte worden opgemerkt dat, om hiervoor in aanmerking te komen, verzoekster het bestaan van zwaarwegende gronden voor een reëel risico op ernstige schade moet aantonen bij terugkeer naar haar land van herkomst. Verzoekster laat echter na in haar verzoekschriften ook maar enig element aan te brengen waarom zij in aanmerking zou kunnen komen voor een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet zodat de Raad derhalve niet kan overgaan tot een beoordeling dienaangaande. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”.
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  3. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “Eerste middel: Schending van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet en het zorgvuldigheidsbeginsel Verzoekster kan zich niet verzoenen met het bestreden arrest van de RVV. De motiveringsplicht waaraan de raad voor vreemdelingenbetwistingen onderworpen is, meer bepaald krachtens artikel 39/65 vreemdelingenwet houdt in dat de administra- tieve rechtbank de middelen en argumenten beantwoordt ingeroepen door de verzoekende partij, ten minste indien de raad deze verwerpt. Deze motivering moet de rechtsonderhorige en de raad van state, gevat met verzoek tot verbreking, in staat stellen zich er van te verzekeren of te controleren dat de rechtbank alle elementen van het dossier onderzocht heeft en daadwerkelijk geantwoord heeft op de argumenten die werden naar voor geschoven (r.v.st. (11ek) nr. 184,167, 13.06.2008, rev.dr.étr., 2008, afl.148, 257, noot). De rvv heeft in huidig arrest geen rekening gehouden met alle elementen van het dossier en aldus niet daadwerkelijk geantwoord op de argumenten die verzoekster naar voren heeft geschoven. XIV-31.197-5/9 Op 22.05.2006 diende verzoekster een beroep in bij de vaste beroepscommissie omdat zij niet akkoord was met de beslissing van het cgvs. Op 18.10.2006 werden bijkomende nieuwe stukken verzonden naar de vaste beroepscommissie die het relaas van verzoekster ondersteunden, meer met name over de abortus die zij onderging in Tibet op het ogenblik dat zij 8 maanden zwanger was. Bij dat schrijven, dat voor de goede orde bij huidig cassatieberoep wordt gevoegd, zaten volgende stukken: • Medisch attest van Dr. B. Van Bulck d.d. 31.08.2006 • Foto's baarmoeder van verzoekster De raad voor vreemdelingenbetwistingen heeft in haar arrest met bovengaande stukken geen rekening gehouden. Op geen enkele wijze wordt in het bestreden arrest verwezen naar deze stukken d.d. 18.10.
  4. Dat het bestreden arrest aldus met deze stukken geen rekening gehouden heeft hoewel dit een zeer belangrijk element is in het asielrelaas van verzoekster. Dat gelet op het voorgaande de RVV bij het beoordelen van het dossier van verzoekster aldus is uitgegaan van de verkeerdelijke feitelijke gegevens en op deze wijze ook verkeerdelijk tot haar beslissing is gekomen aangezien zij is uitgegaan van de verkeerde feiten en geen rekening heeft gehouden met deze stukken. Hoewel deze nieuwe stukken duidelijk werden overgemaakt aan de vaste beroepscom- missie laat de bestreden beslissing van de rvv na hierop in te gaan hoewel dit een belangrijk element is in het asielrelaas van verzoekster. Het arrest van de RVV heeft met deze stukken totaal geen rekening mee gehouden zodat het om deze reden dient vernietigd te worden. Gelet op het voorgaande is het arrest van de RVV dan ook een schending van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Artikel 39/65 bepaalt het volgende: . De uitspraken van de Raad zijn met redenen omkleed. Ze worden ondertekend door de voorzitter en een lid van de griffie. Een tussen- of een einduitspraak wordt aan de partijen ter kennis gebracht volgens de modaliteiten bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit koninklijk besluit kan eveneens de gevallen bepalen waarin kan worden volstaan met een kennisgeving aan de in het geding zijnde administratieve overheden van het dispositief en het voorwerp, alsook de vorm waarin en de voorwaarden waaronder deze beperkte kennisgeving geschiedt en de wijze waarop deze uitspraken voor deze partij in hun totaalversie toegankelijk zijn. De uitspraken van de Raad zijn toegankelijk voor het publiek in de gevallen, in de vorm en onder de voorwaarden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Raad zorgt voor de publicatie ervan in de gevallen, in de vorm en onder de voorwaarden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dat de beslissing van de RVV onterecht genomen werd en zij de motiveringsplicht bepaalt zoals in artikel 39/65 van de vreemdelingenwet flagrant schendt. De motivering van het arrest van de RVV moet pertinent en draagkrachtig zijn en antwoorden op de argumenten en elementen die verzoekster heeft aangevoerd in het beroepsverzoekschrift en de nieuwe stukken die verzoekster per brief van haar raadsman verzond op 18.10.
  5. Dat de RVV m.b.t. deze elementen van het dossier niet geantwoord heeft en zij op dit vlak dan ook zwaar in gebreke gebleven is. Dat verzoeker dan ook meent dat zijn beroep niet op een zorgvuldige wijze werd behandeld. Dat verzoeker dan ook met aandrang vraagt huidige beslissing te willen vernietigen omwille van de gebrekkige motivering m.b.t. de stukken die verzoekster per brief verzond aan de vaste beroepscommissie d.d. 18.10.2006 en onzorgvuldige behande- ling.”; XIV-31.197-6/9 2.
  6. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord enkel stelt dat zij zich niet akkoord kan verklaren met het verweer van de tegenpartij en voor het overige integraal het in haar inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt; 2.
  7. Overwegende dat, zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord terecht opmerkt, het zorgvuldigheidsbeginsel een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is en het aldus van toepassing is op zuiver administratieve beslissingsprocedures, doch niet op procedures voor administratieve rechtscolleges zoals de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen; dat artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat “[d]e uitspraken van de Raad (...) met redenen omkleed (zijn)”; dat artikel 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken onderzoekt steeds of hij de bestreden beslissing kan bevestigen of hervormen. De geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken onderzoekt slechts de nieuwe gegevens als [aan de twee volgende voorwaarden] is voldaan: 1/ deze nieuwe gegevens zijn opgenomen in het oorspronkelijk verzoekschrift of, indien met toepassing van [artikel 39/72, § 2], een verzoek tot tussenkomst wordt ingediend, in het verzoekschrift tot tussenkomst; 2/ de verzoeker of de tussenkomende partij in het geval bedoeld in artikel 39/72, § 2, moet aantonen dat hij deze gegevens niet vroeger heeft kunnen inroepen in de administratieve procedure. In afwijking van het tweede lid en desgevallend van artikel 39/60, tweede lid, kan de Raad met het oog op een goede rechtsbedeling, beslissen om elk nieuw gegeven in aanmerking te nemen dat hem ter kennis wordt gebracht door de partijen, met inbegrip van hun verklaringen ter terechtzitting, onder de cumulatieve voorwaarden dat: 1/ deze gegevens steun vinden in het rechtsplegingsdossier; 2/ ze van die aard zijn dat ze op een zekere wijze het gegrond of ongegrond karakter van het beroep kunnen aantonen; 3/ de partij aannemelijk maakt dat zij deze nieuwe gegevens niet eerder in de procedure kon meedelen. (...).”; dat het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 overweegt: “(...) Hoewel de bewoordingen van het derde lid van artikel 39/76, § 1, van de wet van 15 december 1980 (...) en met name het gebruik van het werkwoord ‘kan’, het mogelijk lijken te maken dat de Raad beslist om geen rekening te houden met nieuwe gegevens, zelfs wanneer de drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld, moet die bepaling, teneinde in overeenstemming te zijn met de wil van de wetgever om aan de Raad een bevoegdheid met volle rechtsmacht ter zake toe te kennen, in die zin worden gelezen dat zij de Raad ertoe verplicht elk nieuw gegeven te onderzoeken dat de verzoeker voorlegt en dat van dien aard is dat het op zekere wijze het gegronde karakter van het beroep kan aantonen, en daarmee rekening te houden. (...)”; XIV-31.197-7/9 dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster bij brief van 18 oktober 2006 stukken heeft neergelegd, meer bepaald een medisch attest en medische foto’s; dat deze stukken niet worden vermeld in het thans bestreden arrest; dat nu hij verplicht is elk nieuw gegeven te onderzoeken, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn weigering om een dergelijk gegeven in aanmerking te nemen in het arrest dient te motiveren; dat in casu uit het bestreden arrest niet blijkt of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet heeft toegepast overeenkomstig de in het arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 van het Grondwettelijk Hof gegeven interpretatie; dat artikel 39/65 van de Vreemde- lingenwet werd geschonden; dat het enig middel, in de mate het ontvankelijk is, gegrond is, BESLUIT: Artikel
  8. Vernietigd wordt het arrest nr. 26.561 van 28 april 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  9. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschre- ven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
  10. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwin- tig april tweeduizend en tien, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. XIV-31.197-8/9 De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-31.197-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.229 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.