← België

Arrest 203230 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.230 Rolnummer: A. 193415/XIV-31262 Zaak: Arrest 203230 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-17 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:38 Fiche Arrest nr 203.230 van 23 april 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 203.230 van 23 april 2010 in de zaak A. 193.415/XIV-31.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. TIELEMAN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Sri Lankaanse nationaliteit, op 17 juli 2009 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van het arrest nr. 28.646 van 12 juni 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen; Gelet op de beschikking nr. 4788 van 27 juli 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 9 december 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 maart 2010; XIV-31.262-1/13 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. TIELEMAN, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché S. DUPONT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. XXX en XXX, van Sri Lankaanse nationaliteit, komen op 25 augustus 2005 België binnen en vragen op 26 augustus 2005 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  6. Op 27 oktober 2008 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen tot weigering van de vluchtelingenstatus en van de subsidiaire beschermingsstatus. Voormelde weigeringsbeslissingen worden op 1 december 2008 ingetrokken. 1.
  7. Op 25 februari 2009 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in hoofde van verzoekers een nieuwe beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en van de subsidiaire beschermingsstatus. 1.
  8. Verzoekers tekenen tegen deze weigeringsbeslissing op 12 maart 2009 hoger beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  9. Op de zitting van 26 mei 2009 worden verzoekers, bijgestaan door advocaat L. MICHIELSEN, loco advocaat J. TIELEMAN, gehoord. XIV-31.262-2/13 1.
  10. Op 12 juni 2009 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij aan verzoekers de vluchtelingenstatus en de subsidiaire bescher- mingsstatus worden geweigerd. Dit arrest luidt als volgt: “WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
  11. Over de gegevens van de zaak 1.
  12. Verzoekers kwamen volgens hun verklaringen op 25 augustus 2005 het Rijk binnen en dienden op 26 augustus 2005 een asielaanvraag in. Op 25 februari 2009 werd voor allebei een beslissing tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling en tot weigering van de subsidiaire beschermingsstatus genomen. Het onderhavige beroep is gericht tegen deze beslissing. 1.
  13. Het asielrelaas wordt als volgt weergegeven in de bestreden beslissingen: “U zou over de Srilankaanse nationaliteit beschikken en afkomstig zijn uit Jaffna. In 1995 zou u de streek rond Jaffna ontvlucht zijn. U zou naar Vavuniya getrokken zijn. U zou al jaren onder dwang de “LTTE” (Liberation Tigers of Tamil Eelam) ondersteund hebben. U zou als juwelier gewerkt hebben. In maart 2005 zou u juwelen zijn gaan verkopen. Op 12 maart 2005, op de terugweg, zou u meegenomen zijn door mensen van de Karunagroep. Ze zouden u ondervraagd en gemarteld hebben. Ze zouden uw geld hebben afgenomen en u beschuldigd hebben van spioneren voor de “LTTE”. Op 24 maart 2005 zouden ze u vrijgelaten hebben onder de voorwaarde dat u een grote som geld zou betalen. Toen u thuis kwam, zou gebleken zijn dat uw echtgenote Alakathnam Thamil Selvi (OV n/ 5.800.709) ondertussen meegenomen was door de “LTTE”. Zij zouden ook van haar geld geëist hebben. Bovendien werden jullie kinderen bedreigd. Jullie zouden besloten hebben om de komst van de Karuna- groepering, of de “LTTE” niet af te wachten en jullie zouden besloten hebben om Sri Lanka te verlaten. In augustus 2005 zouden jullie een vliegtuig genomen hebben, die na een tussenstop in een Arabisch land in Parijs aankwam. U diende hier een asielaanvraag in op 26 augustus
  14. Tijdens uw tweede gehoor van 3 februari 2009 legde u drie attesten en een omslag voor.” 1.
  15. De feiten worden niet betwist door de verzoekende partij.
  16. Over de gegrondheid van het beroep
  17. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oefent inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, met uitzondering van deze inzake EU-onderdanen, een bevoegdheid uit van volheid van rechtsmacht, die inhoudt dat hij het geschil in zijn geheel uitsluitend op basis van het rechtsplegingsdos- sier en toelaatbare nieuwe gegevens aan een nieuw onderzoek onderwerpt en als administratieve rechter in laatste aanleg uitspraak doet over de grond van het geschil (Wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, 95). Door de devolutieve kracht van het beroep is de Raad niet gebonden door de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund (RvS 30 oktober 2008, nr. 187.504). 3.
  18. De verzoekende partij beroept zich in een eerste en tweede middel op de “Schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten” en de “Schending van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.” Verzoekers “betogen dat onderhavig beroep geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten” en “menen dat zij recht hebben op een beroep met volle rechtsmacht en dat onderhavig beroep hieraan niet voldoet.” De verzoekende partij wijst op rechtspraak van het Hof van Justitie inzake “grondrechten zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voorvloeien als beginselen van Gemeenschapsrecht” en van het EHRM met XIV-31.262-3/13 betrekking tot “de eis van full jurisdiction” en besluit “dat de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereiste.” 3.
  19. Daargelaten dat verzoekers advocaat deze ingeroepen middelen niet minimaal kon toelichten bleek ze evenmin bekend met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof ter zake (GwH 27 mei 2008, nr. 81/2008). Uit deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de Raad over volle rechtsmacht beschikt wanneer hij optreedt op grond van artikel 39/2, §1 en dat de rechtszoekende niet van een daadwerkelijke jurisdictio-nele waarborg is beroofd. Op grond van artikel 39/2 van de voormelde wet van 15 december 1980 kan de Raad de beslissingen van het CGVS bevestigen, hervormen, of, in bepaalde gevallen, vernietigen. Het beroep heeft een devolutieve werking; het geschil wordt in zijn geheel bij de Raad aanhangig gemaakt. De Raad kan in voorkomend geval de beslissing van het CGVS hervormen, ongeacht op grond van welk motief deze werd genomen. In bepaalde gevallen kan de Raad de beslissing van het CGVS vernietigen: hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de bevestiging of hervorming van de bestreden beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Bovendien heeft het beroep van rechtswege een schorsende werking (artikel 39/70), met uitzondering van de asielaanvragen die door onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie worden ingediend. Ten slotte kan tegen elke eindbeslissing van de Raad een administratief cassatieberoep worden ingesteld bij de Raad van State. Het hoofdzakelijk schriftelijke karakter van de rechtspleging, vergezeld van de mogelijk- heid voor de partijen en hun advocaat om hun opmerkingen mondeling voor te dragen op de terechtzitting, zoals daarin is voorzien in artikel 39/60, tweede lid, doet geen afbreuk aan het recht op een rechterlijke toetsing en aan het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Hieraan wordt evenmin afbreuk gedaan door artikel 39/76, §1, tweede en derde lid, wanneer deze bepalingen worden geïnterpreteerd in die zin dat zij de bevoegdheid met volle rechtsmacht van de Raad niet beperken. 3.
  20. Het eerste en tweede middel zijn ongegrond.
  21. De verzoekende partij voert als derde middel de schending aan “van de motiverings- verplichting van artikel 62 vreemdelingenwet. Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Schending van artikel 1 Conventie van Genève en artikel 48/3 Vreemdelingenwet.”
  22. De bepalingen vervat in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet hebben tot doel de burger in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Uit het verzoekschrift blijkt ontegen- sprekelijk dat verzoeker kritiek uitbrengt op de inhoud van de motivering zodat hij een beweerde schending van deze motiveringsplicht niet dienstig kan inroepen. Aangezien verzoeker de beoordeling van de aangehaalde feiten door de Commissaris-generaal betwist, voert verzoeker de schending aan van de materiële motiveringsplicht, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht.
  23. Nopens de vluchtelingenstatus.
  24. Verzoekers leggen geen documenten neer ter adstructie van hun voorgehouden identiteit. Verzoekers beweren hun identiteitskaart te hebben achtergelaten in Sri Lanka, hun geboorteakte en huwelijksakte zouden hen zijn afgenomen door hun reisagent en een paspoort zouden zij nooit hebben gehad. Het bewijs van identiteit maakt een essentieel element uit in iedere procedure en verzoekers zijn ertoe gehouden de stukken waarover zij beschikken of kunnen beschikken voor te leggen. Verzoekers tonen niet aan waarom zij in de onmogelijkheid zijn hun identiteit genoegzaam aan te tonen. Dit klemt temeer gelet op de ongeloofwaardigheid van hun voorgehouden reisweg en de vaststelling dat zij contact onderhouden met Sri Lanka en aldus documenten konden XIV-31.262-4/13 laten overkomen. Het ontbreken van ieder begin van bewijs omtrent de identiteit of nationaliteit houdt een negatieve indicatie in met betrekking tot het asielrelaas.
  25. Inzake de reisweg stelt de bestreden beslissing: “Er dient door het Commissariaat- generaal (CGVS) te worden vastgesteld dat u er niet in bent geslaagd om uw vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming, geloofwaar- dig te maken, en dit omwille van volgende redenen. Zo kan er vooreerst geen enkel geloof worden gehecht aan de vluchtroute die jullie namen. Zo wist u vooreerst niets over de inhoud van het paspoort dat u gebruikte; u had het immers nooit in uw handen gehad (gehoorverslag CGVS 16/10/08 p. 3). Tijdens uw vorige gehoor voor het CGVS (dd. 21/10/05) beweerde u dan weer dat de naam op het paspoort een moslimnaam was en het adres was er een in Colombo (gehoorverslag CGVS 2005 p. 5). Ook verklaarde u later tijdens uw gehoor van 2008 plots dat jullie de paspoorten toch in handen kregen na aankomst in Parijs: de stewardessen zouden het paspoort van iedereen hebben bijgehouden en daarna teruggegeven (gehoorverslag CGVS 2008 p. 4). Daar u blijkbaar het paspoort toch in uw handen heeft gehad, had u dan ook alle kans om het even in te kijken. Daar u op het punt stond om voorbij de immigratiecontrole op een internationale luchthaven te gaan, lijkt dit aangewezen. U beweerde echter het paspoort niet ingekeken te hebben. Dit is niet geloofwaardig daar u steeds onderworpen had kunnen worden aan een identiteitscontrole. Ook uw beschrijving van de manier waarop u voorbij de immigratie in Parijs kwam is tegenstrijdig en weinig geloofwaardig. Waar u in 2005 nog beweerde dat u zonder meer en alleen (uw agent wachtte u op na de controle) voorbij de immigratie kon voorbij gaan zonder dat u gecontroleerd werd of zonder dat uw paspoort nagekeken werd, waren uw verklaringen in 2008 volledig anders (gehoorverslag CGVS 2005 p. 6). Plots beweerde u immers dat jullie agent jullie tegemoet kwam bij de controle en hij zou zich tot de immigratiediensten gewend hebben met jullie paspoorten (gehoorverslag CGVS 2008 p. 4). Uit informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie werd toegevoegd aan uw administratief dossier blijkt echter dat elke paspoortcontrole in de luchthaven van Parijs individueel gebeurt. Ook verschillende de verklaringen van uw echtgenote met die van u. Zij verklaarde immers dat jullie de paspoorten letterlijk nooit in handen kregen, ook niet na de landing in Parijs. Ze verklaarde dat de man die jullie opwachtte in de luchthaven van Parijs jullie paspoorten had (gehoorverslag CGVS 05/17079/B2008 p. 3). Er kan dus geen enkel geloof worden gehecht aan de door jullie beschreven vluchtroute. Er mag dan ook van uit gegaan worden dat jullie het moment wanneer en de manier waarop jullie Sri Lanka daadwerkelijk verlaten hebben, proberen verborgen te houden voor de Belgische asielinstanties, mogelijks daar u Sri Lanka al lang geleden verlaten heeft met een eigen paspoort. Deze vaststelling hypothekeert de geloofwaardigheid van jullie asielrelaas. Tijdens uw tweede gehoor voor het CGVS op 3 februari 2009 probeerde u een verklaring te geven voor uw duidelijk ongeloofwaardige vluchtroute, maar het enige dat u kon toevoegen was dat u vanuit het Arabische land tot België geholpen werd door een smokkelaar genaamd Ravi, die beloofde jullie naar Canada te brengen, maar die jullie in België achterliet (gehoorverslag CGVS 3/02/2009 p. 2). Dit element voegt echter niets substantieels toe, noch verklaart het uw ongeloofwaardige beschrijving van uw vluchtroute. 8.
  26. Verzoekers adstrueren evenmin hun reisweg en tonen niet aan wanneer zijn hun land verlieten en in Europa toekwamen terwijl zij, aangezien zij met het vliegtuig naar Europa reisden, op zijn minst in het bezit moeten zijn geweest van een vliegtuigticket, instapkaart of bagagelabel waaruit kan blijken met welke vlucht, wanneer en waar zij in Europa zijn aangekomen. Verzoekers gaan immers voorbij aan de herhaaldelijke, systematische en persoonlijke veiligheidscontroles aan de buitengrenzen van de Schengenzone en in het bijzonder op internationale vluchten -in het kader van een algemene politiek van versterkte controles aan de buitengrenzen van de Schengenzone en als maatregel in de strijd tegen het internationale terrorisme en illegale migratie. Voor zover zij verklaren deze hebben kunnen omzeilen dienen zij dit nauwgezet en XIV-31.262-5/13 overtuigend toe te lichten. Verzoekers beweringen dat zij “moesten beloven niets te vertellen over de wijze dat ze reisden. Ze werden bedreigd met geweld indien ze het wel zouden doen. Door de angst en verwarring hierover zijn verzoekers niet altijd duidelijk geweest in hun verklaringen. Verzoekers doen het hier opgenomen relaas over hun reisroute met angst in het hart” kunnen niet overtuigen. Immers, ze tonen niet aan dat de geheimhouding die hen werd opgelegd door de reisagent en de angst en verwarring die hiermee gepaard zou gaan hun perceptie dermate aantast dat dit tot gevolg heeft dat zij dienaangaande verklaringen afleggen die niet alleen individueel maar ook onderling tegenstrijdig zijn. Het is net redelijk te verwachten dat deze reisweg in hun geheugen gegrift zou zijn indien zij illegaal en clandestien dienden te reizen, gelet op het uitzonderlijk karakter van de gebeurtenissen en de ingrijpende invloed ervan op hun verdere leven. Verzoekers onwetendheden en tegenstrijdige verklaringen ondermijnen de geloofwaardigheid van hun voorgehouden reiswijze alsook de waarachtigheid van de asielmotieven in het bijzonder hun recente vertrek uit Sri Lanka alsook hun verklaringen illegaal gereisd te hebben en geen paspoort te kunnen voorleggen.
  27. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan geen geloof hechten aan verzoekers moeilijkheden in Sri Lanka: “Voorts verklaarde u de “LTTE” gesteund te hebben. Waar u in 2005 voor het CGVS nog duidelijk verklaarde dat u hen steunde sinds 1985, was uw antwoord in 2008 heel wat minder duidelijk (gehoorverslag CGVS 2005 p. 8). In 2008 verklaarde u eerst dat u de “LTTE” steunde sinds 1993, daarna wijzigde u dit naar 1991 en uiteindelijk hield u het op 1987 als begindatum van uw steun aan de “LTTE” (gehoorverslag CGVS 2008 p. 5). Ook verklaarde u duidelijk dat u enkel de “LTTE” steunde; u zou nooit en op geen enkele manier de Karunagroep gesteund hebben (gehoorverslag CGVS 2008 p. 5). Hier staat tegenover dat uw echtgenote duidelijk beweerde dat u persoonlijk de Karunagroep geld gaf wanneer ze dit eisten (gehoorverslag CGVS 05/17079/B 2008 p. 4). U verklaarde in maart 2005 ontvoerd te zijn door de Karunagroep. Op basis van de afstand die u aflegde en op basis van de verklaringen van buurtbewoners die u zeiden dat dit een Karunakamp was, gaat u ervan uit dat u in het kamp van Kokkadichcholai vastzat (gehoorverslag CGV S 2008 p. 6). Uit informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie werd toegevoegd aan uw administratief dossier blijkt echter dat dit kamp in maart 2005 reeds een jaar terug in handen was van de “LTTE”, waardoor het vooreerst uitgesloten is dat u in dit kamp werd vastgehouden door de Karunagroep. Ten tweede is het ongeloof- waardig dat de lokale bevolking niet zou weten wie dit kamp in handen zou hebben. Ook legde u tegenstrijdige verklaringen af i.v.m. de omstandigheden van uw ontvoering. Waar u in 2005 nog verklaarde ontvoerd te zijn door vier mannen in een “LTTE”-uniform (gehoorverslag CGVS 2005 p. 11), verklaarde u in 2008 dat het om zes tot zeven mannen ging die zowel in “LTTE”- uniformen, als burgerkleding, als in zwarte kledij gekleed gingen (gehoorverslag CGVS 2008 p. 5, 6). Er kan dus geen geloof worden gehecht aan uw ontvoering en aan uw beweerde vrees voor vervolging in Sri Lanka. Voorts dient er op gewezen te worden dat jullie, zoals bleek na jullie gehoor van 16 oktober 2008, ondanks een verblijf in België van reeds drie jaren, nog geen enkele inspanning hebben gedaan tot het verkrijgen van enig begin aan bewijs dat uw verklaringen zou kunnen ondersteunen. Uw bewering dat dit niet gaat gezien uw vrees voor de Karunagroep, is gezien bovenstaande vaststellingen ongeloofwaardig. U beweerde trouwens niemand gecontacteerd te hebben, terwijl uw echtgenote toch beweerde dat jullie contact hadden gehad met een collega van u, Kilii (gehoorverslag CGVS 2008 p. 2, CGVS 05/17079/B 2008 p. 2). U kunt dus noch uw identiteit, of nationaliteit, noch uw problemen of vluchtroute staven met enig document. Plots legde u tijdens uw bijkomend gehoor voor het CGVS (dd. 3/02/2009) drie attesten (twee Engelstaligen en één in het Tamil) en een omslag voor. U was echter nog steeds niet in staat om jullie identiteit te bewijzen waardoor u niet aannemelijk kunt maken dat deze attesten naar jullie refereren. Voorts kan men een aantal bedenkingen plaatsen bij deze documenten. Zoals u verklaarde zijn ze opgesteld door het dorpshoofd van Vavuniya en de vredesrechter uit Vavuniya; u zou beide mannen niet persoonlijk kennen en zij XIV-31.262-6/13 kenden u ook niet toen u nog in Sri Lanka verbleef (gehoorverslag CGVS 3/02/2009 p. 3). Daar het bevreemdend is dat deze u onbekende mannen een attest zouden opstellen, zonder dat ze u kennen, gaf u als verklaring dat ze beiden een onderzoek naar u gedaan zouden hebben. In dit licht is het dan ook bevreemdend dat gezien deze twee mannen een onderzoek gedaan hebben waarna ze overtuigd waren om een attest in uw voordeel uit te schrijven, ze niets over uw problemen zeggen in hun attesten, behalve de vage vermelding “threatening to their lives”, wat het duidelijk gesolliciteerde karakter van deze attesten benadrukt. Tenslotte dient nog opgemerkt te worden dat de twee Engelstalige attesten (het attest in Tamil is de vertaling van de brief van de vredesrechter met dezelfde inhoud) woordelijk dezelfde inhoud hebben. Het is onwaarschijnlijk dat twee individuen los van mekaar letterlijk dezelfde brief zouden opstellen voor een derde persoon. Deze vaststellingen breken ten zeerste de authentici- teit van deze documenten af. U kunt uw recente afkomst uit Chettikulam, Vavuniya dan ook niet aannemelijk maken middels een begin aan bewijs. Hoewel u beweerde daar toch ruim tien jaar gewoond te hebben, kan u zelfs geen objectief bewijsstuk hiervan voorleggen. Ook uw verklaringen in verband met uw recente afkomst uit die regio waren weinig overtuigend. U haalde drie voorbeelden aan van mannen die in uw regio ontvoerd waren, maar deze voorbeelden dienden duidelijk om uw eigen ongeloofwaar- dige ontvoeringverhaal te ondersteunen (gehoorverslag CGVS 3/02/2009 p. 5- 6). Het lijkt er dan ook eerder op dat uw kennis over deze voorvallen eerder voorbereid dan spontaan was. Andere voorvallen die u aanhaalde gebeurden reeds lang geleden of u bleef er vaag over (gehoorverslag CGVS p. 5, 6). Voorts is het bevreemdend dat u een ingrijpende gebeurtenis zoals de tsunami van december 2004 niet in de tijd kon plaatsen. U beweerde dat de tsunami plaatsvond na jullie vertrek uit de regio in augustus 2005 en jullie zouden in ieder geval niet geholpen hebben bij de tsunami (gehoorverslag CGVS 2009 p. 6). Hier staat tegenover dat uw echtgenote duidelijk verklaarde dat jullie ten tijde van de tsunami nog in Chettikulam waren, daar jullie voedselpakketten meegaven als steun (gehoorverslag CGVS 05/17079B, 3/02/2009 p. 4). Ook gaven jullie verschillende namen op voor de lokale “MP” (parlementslid): u beweerde dat dit Selvam Achaikalanathan was, terwijl uw echtgenote het had over Yugeswaran; en voor het dorpshoofd dat jullie dorp tien jaren lang bestuurde: u had het over Passupathy en uw echtgenote over Velummailum (gehoorverslag CGVS 2009 p. 4, CGVS 05/17079B 2009 p. 2, 3). Voorts is het opvallend dat u zo vaag bleef over de levensomstandigheden van de vluchtelingen in Chettikulam. U beweerde dat deze vluchtelingen nooit gedwongen geherlokaliseerd werden, wat niet overeen komt met objectieve informatie. Daar u zelf als vluchteling aangekomen bent in Chettikulam zou men van u toch meer informatie over dit onderwerp mogen verwachten (gehoorverslag CGVS 2009 p. 7). Tenslotte bleef u ook zeer vaag over de momenten waarop “hartals” werden afgekondigd, waarbij de lokale bevolking uit onvrede al het werk neerlegde, hoewel uw regio hiermee toch geregeld geconfronteerd werd (gehoorverslag CGVS 2009 p. 6). Ook de vaststelling dat uw echtgenote niet in staat was om zelfs bij benadering aan te halen wanneer het staakt het- vuren plaatsvond in Sri Lanka, breekt de geloofwaardigheid van jullie recente afkomst uit de regio af. Zij beweerde immers foutief dat er van 1996 tot 2002 een staakt-het-vuren was, en dat er na 2002 overal continue gevechten waren (gehoorverslag CGVS 05/17079/B, 2009 p. 3). Uw weinig spontane en soms ronduit foutieve kennis over gebeurtenissen die plaatsvonden in de regio van Vavuniya, doen een zeer sterk vermoeden ontstaan dat u deze regio al veel eerder verlaten heeft dan u zelf verklaarde. Daar er geen geloof kan worden gehecht aan enig element van uw asielrelaas en daar er getwijfeld kan worden aan de authenticiteit van de door u voorgelegde attesten, kan er geen enkel geloof worden gehecht aan uw bewering recent afkomstig te zijn uit Sri Lanka. Aangezien u het CGVS niet op de hoogte stelt van uw recente verblijfplaats en wat de directe vluchtaanleiding is voor uw vertrek uit die regio, kan er door het CGVS ook geen correct beeld gevormd worden van de eventuele subsidiaire bescherming die u nodig zou hebben. Het CGVS voegt er bovendien nog aan toe dat alhoewel in het noorden van het land sprake is van een intern XIV-31.262-7/13 gewapend conflict, dit niet het geval is voor andere delen van het land, zoals blijkt uit informatie waarover het CGVS beschikt en die aan het administratief dossier werd toegevoegd. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat u niet in het bezit bent van enig identiteits- en/ of reisdocument, waardoor uw identiteit en/ of reisweg niet kunnen worden nagegaan. De omslag die u voorlegt wijst enkel op correspondentie met Sri Lanka. 9.
  28. Verzoeker benadrukt dat hij op verschillende wijzen de LTTE heeft geholpen. “Doordat er verschillende tussenkomsten zijn geweest kon verzoeker niet direct één datum plakken op het begin van zijn hulp aan de LTTE. Dit verklaart de verwarring die in de bestreden beslissing aangehaald wordt aangaande de begindata van zijn hulp aan de LTTE.” Wat betreft zijn steun aan de Karuna-groep stelt verzoeker “Het gaat hier echter duidelijk niet om een tegenstrijdigheid. Verzoekers hebben nooit de Karuna groep gesteund. Toen eerste verzoeker evenwel ontvoerd werd door de Karuna groep had hij juwelen en geld op zak. Dit werd achtergehouden door de Karuna groep. Tweede verzoekster verwees naar die “betaling”. Tweede verzoekster stelde dat eerste verzoeker de Karuna groep geld gaf wanneer het geëist werd. Er is een groot verschil tussen steun verlenen en onder dwang betalingen doen. Eerste verzoeker daarentegen interpreteerde de vraag op een striktere wijze. Hij had immers nooit de Karuna groep gewild geholpen.” 9.1.
  29. Verzoeker wijzigt opnieuw zijn asielrelaas waar hij stelt in het verzoekschrift dat hij “de LTTE reeds in 1983” hielp. De diversiteit in zijn activiteiten kan de tegenstrij- digheden in zijn verklaringen niet vergoelijken, aangezien verzoeker aanvankelijk expliciet verklaarde “Ik steunde hen sinds ik in jaffna was, sinds 1993” (gehoorverslag CGVS, 16 oktober 2008, p.5) en pas naarmate werd doorgevraagd en hij geconfronteerd werd met zijn eerdere verklaringen, opwierp dat hij reeds eerder hulp bood. Uit het RvV 38 579 administratief dossier blijkt dat verzoekster verklaarde “na split hielpen we hen [Karuna en LTTE] beiden met geld als ze er om vroegen” (gehoorverslag 16.10.2008 A.T.S., p. 4) en verzoeker “hielp u karuna ooit op zelfde manier als ltte? Neen, nooit” (gehoorverslag 16.10.2008 J.S.K., p.5) wat klaarblijkelijk tegenstrijdige verklaringen zijn. Verzoekers pogingen in het verzoekschrift hun incoherente verklaringen post- factum te harmoniseren, kan de tegenstrijdigheid niet vergoelijken. 9.
  30. Verzoekers toelichting over zijn gevangenschap dat hij tijdens zijn verhoor duidelijk heeft “gezegd dat hij niet wist waar hij gevangenzat. Hij vermelde dat hij dacht dat het om Kakkadichcrolai ging. Het kan hem niet verweten worden dat hij foutief ‘gedacht” zou hebben. Het was enkel na aandringen van het commissariaat dat verzoeker stelde dat het misschien om het Kakkadichcholai kamp ging” vindt geen steun in het gehoorverslag aangezien hieruit geenszins blijkt dat verzoeker onder druk verklaringen zou hebben afgelegd en hij expliciet stelde “Achteraf hoorde ik dat ik vastzat in kokoaddycholai, na mijn vrijlating” (gehoorverslag.16.10.2008 J.S.K , p.6) 9.
  31. De bewijslast ligt in beginsel bij de kandidaat-vluchteling, die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas. Bij het ontbreken van dergelijke elementen dient hij hiervoor een aannemelijke verklaring te geven (UNHCR, Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status, 1992, nr. 196). Verzoekers menen dat het CGVS fout ging nu zij bij het eerste verhoor niet werden “verweten dat zij niet voldoende bewijselementen hebben aangebracht. Het is slechts tijdens het verhoor in 2008 dat hiervan melding wordt gemaakt. Ondertussen is het voor verzoekers uiteraard veel moeilijker om stukken aan te brengen die hun vluchtrelaas en hun verblijf in Sri Lanka tot augustus 2005 aantonen.” De verzoekende partij meent dat “Het Commissariaat” bijgevolg niet kan “verwachten dat verzoekers hun verhaal nog meer kunnen bewijzen” en “Het Commissariaat heeft verzaakt aan zijn bewijsplicht door de zaak van verzoekers niet dieper te onderzoeken. Er is immers voldoende informatie beschikbaar die verzoekers verhaal zoniet bevestigen, in elk geval ondersteunen.” 9.3.
  32. Verzoekers gaan eraan voorbij dat zij reeds in de beginfase van hun asielaanvraag werden gewezen op hun plicht tot optimale medewerking en de noodzaak van het XIV-31.262-8/13 voorleggen van bewijsstukken (verslag DVZ, stuk 16). Het gebrek aan documenten kan hen derhalve worden aangewreven te meer daar verzoeker een zakenman is en aldus bekend met bewijsstukken en documenten. Dit hypothekeert verder hun geloofwaardig- heid.
  33. Wat hun onwetendheid inzake hun streek van herkomst betreft, beperkt de verzoekende partij zich tot de bewering dat “Nochtans heeft eerste verzoeker veel informatie gegeven waarvan de bestreden beslissing geen melding maakt” en “Tweede verzoekster bevestigde grotendeels de kennis over Cheddikulam” maar geeft geen verklaring voor hun essentiële tekortkomingen in dit verband. Dat verzoeker een summiere kennis had inzake zijn voorgehouden regio van herkomst kan gezien de grote lacunes niet overtuigen en is hoe dan ook onvoldoende om zijn afkomst aan te tonen, aangezien dergelijke informatie ingestudeerd kan worden en geenszins een effectief verblijf vereist. 10.1.
  34. Wat hun verklaringen inzake de tsunami van december 2004 betreft stelt het verzoekschrift “Eerste verzoeker kon zich tijdens het verhoor niet goed meet herinneren of de tsunami plaatsvond na het vertrek van verzoekers of ervoor. Hij heeft zijn twijfel erover duidelijk geuit. Dit is niet zo verwonderlijk aangezien de tsunami niet in Cheddikulam zelf gevoeld werd. Het betrof nieuws van op afstand, van de kust. Aangezien verzoeker de tsunami zelf niet rechtstreeks beleefd had, kon hij zich niet herinneren of hij dit nieuws ontving toen hij in Cheddikularn verbleef of later toen hij al in Europa was. Het verwijt dat tweede verzoekster eerste verzoeker tegensprak daar waar ze vertelde dat ze voedselpakketten opstuurde naar de slachtoffers van de tsunami, is ook een onterecht verwijt. Filantropie en weldadigheidsactiviteiten zijn typisch vrouwelijk. Traditioneel worden dergelijke activiteiten toebedeelt aan de vrouwen. Door haar actievere rol, is het niet verbazingwekkend dat tweede verzoekster zich de tsunami nog goed herinnerde en ook kon vertellen wat ze voor de slachtoffers hadden gedaan. Eerste verzoeker zelf had echter niet deelgenomen aan dergelijke activiteiten.” 10.1.
  35. Het is niet ernstig dat verzoekers uiteenlopende verklaringen afleggen inzake ingrijpende en essentiële gebeurtenissen uit hun directe omgeving. De verzoekende partij gaat eraan voorbij dat een dergelijke dramatische gebeurtenis geen “nieuws op afstand” is maar henzelf, hun naaste omgeving, vrienden of familie direct aanbelangt. Dat de tsunami Cheddikulam niet trof kan hun tegenstrijdige verklaringen bezwaarlijk vergoelijken te meer nu verzoekers echtgenote beweert rechtstreeks betrokken te zijn bij de hulpacties. Deze laatste verklaringen komen dan ook verzonnen voor nu verzoeker hierover onwetend is en dergelijke acties, gecoördineerd en publiek verlopen. Het argument dat filantropie en weldadigheidsactiviteiten typisch vrouwelijk zouden zijn (sic) kan bezwaarlijk verzoekers onwetendheid vergoelijken en komt overigens lichtzinnig voor. De bestreden beslissing wijst terecht op de omvangrijke tekortkoming- en in beide verzoekers kennis over hun voorgehouden streek zodat niet enkel hun verblijf aldaar maar ook hun afkomst uit Sri Lanka kan betwijfeld worden. 10.
  36. Verzoekers bieden evenmin een aannemelijke verklaring voor de overige onwetendheden waar de bestreden beslissing op wijst. Verzoekster zou “minder bij de politiek betrokken en kent de namen van de politici niet goed” is bezwaarlijk een verklaring voor haar onwetendheid. Verzoekers zou anderzijds aan liefdadigheid doen waardoor ze minstens in aanraking zou moeten komen met de dorpsinstanties en al dan niet rechtstreeks, het dorpshoofd die hun dorp gedurende tien jaar bestuurde. Dat verzoekers “duidelijk de vraag niet goed begrepen” hadden en de verwijzing naar “de tijd die verstreek sedert het vertrek van verzoekers” kan niet verklaren waarom verzoekers onbekend zijn met fundamentele gegevens uit de dagelijkse realiteit die niet dienen ingestudeerd te worden en in het geheugen gegrift zijn zo verzoekers hiermee herhaaldelijk en jarenlang geconfronteerd werden. 10.
  37. Verzoekers legden drie attesten neer van de “Justice of the Peace” van Vavuniya waarin het voorgehouden asielrelaas bevestigd wordt. Dergelijke attesten dienen echter om enige bewijswaarde te hebben te worden ondersteund door geloofwaardige, overtuigende verklaringen. Overigens is merkwaardig dat verzoekers geen identiteitsdo- XIV-31.262-9/13 cumenten kunnen neerleggen maar toch, voor zover deze documenten enige waarde hebben, wel de officiële autoriteiten kunnen benaderen. Dit is in casu niet het geval. Verzoekers tonen hun identiteit en reisweg niet aan en zijn onwetend inzake essentiële gegevens die de kern raken van het dagelijks leven zodat aan hun beweerde afkomst niet geloofwaardig is en het asielrelaas bijgevolg evenmin kan overtuigen. 10.3.
  38. In acht genomen wat voorafgaat, kan in hoofde van de verzoekende partij geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A

(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen. 11. Nopens de subsidiaire bescherming 11.1. De verzoekende partij roept in “Vierde middel: Schending van de motiveringsver- plichting van artikel 62 vreemdelingenwet. Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Schending van artikel 48/4 Vreemdelingenwet.” 11.2. De verzoekende partij voert aan “In Sri Lanka heerst momenteel een burgeroor- log. Deze oorlog woedt het hevigste in Noord-Sri Lanka waar verzoekers vandaan komen. Toch blijken Tamils over heel het land, ook in Colombo, gevaar te lopen. Dit blijkt onder meer uit de Cedoca documenten uit het administratieve dossier. Als Tamils riskeren verzoekers nog steeds vervolgd te worden door het Srilankese leger of door de paramilitaire groeperingen. De oorlog woedt nog steeds erg hevig waardoor deze actoren erg repressief te werk gaan. (…) Er is dan ook geen sprake van dat verzoekers elders in Sri Lanka een veilig toevluchtsoord zouden vinden. Bovendien wensen verzoekers nogmaals te benadrukken dat de vervolging plaats kan vinden over het hele land” en wijst op een nota van het Belgisch Comité voor Hulp aan Vluchtelingen en het jaarrapport 2008 van Amnesty international. Ter terechtzitting legt verzoekende partij een update van een rapport van het UNHCR van april 2009 neer. 11.3. Met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus dient te worden vastgesteld dat voor iedere vorm van internationale bescherming, ook voor de subsidiaire bescherming, de plicht tot medewerking berust op de verzoeker. Deze dient ter staving van zijn verzoek zo spoedig mogelijk alle nuttige elementen noodzakelijk voor de beoordeling van zijn verzoek in te dienen. Deze elementen behelzen onder meer alle documenten van verzoeker en die van relevante familieleden met betrekking tot identiteit, nationaliteit, landen en plaatsen van eerder verblijf, eerdere asielverzoeken, reisroutes en reisdocumenten (richtlijnconforme interpretatie van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet met artikel 4, lid 1 en 2 van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004). Bij het ontbreken van deze elementen dient een aannemelijke verklaring gegeven te worden. 11.4. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoekers hun voorgehouden identiteit niet staven door middel van identiteitsdocumenten en dat hun voorgehouden recent verblijf tot 2005 in Sri Lanka en vlucht naar België geenszins kunnen overtuigen. De verzoekende partij schendt derhalve de medewerkingsplicht en laat na een correct beeld te geven van hun verblijfsrechtelijke status voor hun aankomst in België. Overigens zijn hun verklaringen dermate ontoereikend dat getwijfeld kan worden over een band met Sri Lanka en hun staatsburgerschap. De verzoekende partij maakt bijgevolg niet aannemelijk dat de afweging van het reële risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2,
  1. a)
  2. b)en
  3. c)dient te gebeuren ten opzichte van de situatie in (het noorden en oosten van) Sri Lanka. De Raad moet haar oordeel steunen op de feiten en middelen aangevoerd door de verzoekende partij. Het is niet de taak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (R.v.St., X, nr. 136.692, 26 oktober 2004). 11.5. De verzoekende partij toont niet aan aanspraak te kunnen maken op de bepalingen van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, zoals ingevoegd bij artikel 26 van de wet van 15 september 2006, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 oktober 2006. XIV-31.262-10/13 12. De verzoekende partij roept in “Vijfde middel: Schending van art. 39 van Richtlijn 2005/85 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus.” 12.1. Verzoekers “stellen dat art. 39 voornoemd geschonden is doordat de termijn om beroep in te stellen slechts 15 dagen is” en “menen dat de termijn te kort is om een onderbouwd beroep te kunnen indienen.(…)Aangezien de afstand tussen Sri Lanka en België groot is en de communicatiemiddelen beperkt, is de termijn onvoldoende. Redelijkerwijze moeten verzoekers minstens een termijn hebben van één maand om hun beroep te kunnen voorbereiden. Zulks is temeer van toepassing daar de hoorplicht bij het CGVS niet van toepassing zou zijn en verzoekers niet in staat zijn te anticiperen op een eventuele negatieve beslissing.” 12.2. De verzoekende partij toont niet aan enigerwijs benadeeld te zijn, noch dat zij onvoldoende tijd had om het beroep in te dienen. De verzoekende partij gaat er bovendien aan voorbij dat zij ter terechtzitting nog nieuwe elementen kon aanbrengen en aanvullende stukken kon neerleggen en haar beroep toelichten doch zij slechts een algemeen rapport hebben neergelegd zonder dit nader toe te lichten of te concretiseren. 13. Er worden geen gegronde middelen aangevoerd. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”. 2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “ENIG MIDDEL: Schending van art. 57/6 van de Vreemdelingenwet. Machtsover- schrijding. Verzoekster stelt vast dat de initieel bestreden beslissing een beslissing betreft die werd ondertekend door de adjunct commissaris Generaal voor de Vluchtelingen, met name Eva Vissers. Dat op geen enkele wijze de wet toelaat dat een initieel bestreden beslissing genomen wordt door de adjunct. Dat deze onbevoegd is om zulks een beslissing te nemen. Dat het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de conclusies overneemt van de beslissing van de adjunct en derhalve gebaseerd is op een "aangetaste" beslissing. Dat in elk geval de onbevoegdheid de openbare orde aanbelangt en derhalve in limine litis kan worden opgeworpen. Dat art. 57/6 geschonden werd doordat de adjunct in de plaats van de Commissaris Generaal heeft getekend. Dat er sprake is van machtsoverschrijding in hoofde van de adjunct. Dat de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve dient te worden nietig verklaard.”; 2.2. Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord enkel stellen dat zij wensen te bevestigen dat zij volharden in de middelen en argumenten zoals vervat in hun inleidend verzoekschrift; XIV-31.262-11/13 2.3. Overwegende dat artikel 14, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State de samenvattende memorie invoert voor cassatieberoepen; dat voormeld artikel 14, derde lid, bepaalt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie.”; dat het alleen aan de hand van dit processtuk derhalve duidelijk moet zijn welke de precieze argumentatie van de verzoekende partij is; dat dit inhoudt dat de aangevoerde cassatiemidde- len er minstens summier, doch volledig in worden opgenomen; dat het in cassatiezaken dus niet voldoende is dat men door het indienen van een memorie van wederantwoord blijk geeft van zijn volgehouden belangstelling om de vernietiging van de aangevochten beslissing na te streven; dat bovendien in dit stuk de cassatiemiddelen moeten worden samengevat; dat de Raad van State uitspraak doet op basis van de samenvattende memorie; dat over een middel dat niet meer in deze samenvatting is opgenomen geen uitspraak dient gedaan; dat het dan ook niet volstaat te verwijzen naar het inleidend verzoekschrift of naar de hierin opgenomen uiteenzetting van de middelen; dat de thans voorliggende memorie van wederantwoord niet beantwoordt aan het bepaalde in artikel 14, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 2006; dat de verzoekende partij dan ook geen ontvankelijk rechtsmiddel aanvoert; 2.4. Overwegende dat, aangezien het enig middel niet ontvankelijk is, het beroep zelf niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. XIV-31.262-12/13 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwin- tig april tweeduizend en tien, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-31.262-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.