id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.230 Rolnummer: A. 193415/XIV-31262 Zaak: Arrest 203230 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-17 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:38 Fiche Arrest nr 203.230 van 23 april 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 203.230 van 23 april 2010 in de zaak A. 193.415/XIV-31.
(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen. 11. Nopens de subsidiaire bescherming 11.1. De verzoekende partij roept in “Vierde middel: Schending van de motiveringsver- plichting van artikel 62 vreemdelingenwet. Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Schending van artikel 48/4 Vreemdelingenwet.” 11.2. De verzoekende partij voert aan “In Sri Lanka heerst momenteel een burgeroor- log. Deze oorlog woedt het hevigste in Noord-Sri Lanka waar verzoekers vandaan komen. Toch blijken Tamils over heel het land, ook in Colombo, gevaar te lopen. Dit blijkt onder meer uit de Cedoca documenten uit het administratieve dossier. Als Tamils riskeren verzoekers nog steeds vervolgd te worden door het Srilankese leger of door de paramilitaire groeperingen. De oorlog woedt nog steeds erg hevig waardoor deze actoren erg repressief te werk gaan. (…) Er is dan ook geen sprake van dat verzoekers elders in Sri Lanka een veilig toevluchtsoord zouden vinden. Bovendien wensen verzoekers nogmaals te benadrukken dat de vervolging plaats kan vinden over het hele land” en wijst op een nota van het Belgisch Comité voor Hulp aan Vluchtelingen en het jaarrapport 2008 van Amnesty international. Ter terechtzitting legt verzoekende partij een update van een rapport van het UNHCR van april 2009 neer. 11.3. Met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus dient te worden vastgesteld dat voor iedere vorm van internationale bescherming, ook voor de subsidiaire bescherming, de plicht tot medewerking berust op de verzoeker. Deze dient ter staving van zijn verzoek zo spoedig mogelijk alle nuttige elementen noodzakelijk voor de beoordeling van zijn verzoek in te dienen. Deze elementen behelzen onder meer alle documenten van verzoeker en die van relevante familieleden met betrekking tot identiteit, nationaliteit, landen en plaatsen van eerder verblijf, eerdere asielverzoeken, reisroutes en reisdocumenten (richtlijnconforme interpretatie van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet met artikel 4, lid 1 en 2 van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004). Bij het ontbreken van deze elementen dient een aannemelijke verklaring gegeven te worden. 11.4. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoekers hun voorgehouden identiteit niet staven door middel van identiteitsdocumenten en dat hun voorgehouden recent verblijf tot 2005 in Sri Lanka en vlucht naar België geenszins kunnen overtuigen. De verzoekende partij schendt derhalve de medewerkingsplicht en laat na een correct beeld te geven van hun verblijfsrechtelijke status voor hun aankomst in België. Overigens zijn hun verklaringen dermate ontoereikend dat getwijfeld kan worden over een band met Sri Lanka en hun staatsburgerschap. De verzoekende partij maakt bijgevolg niet aannemelijk dat de afweging van het reële risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2,
- a)
- b)en
- c)dient te gebeuren ten opzichte van de situatie in (het noorden en oosten van) Sri Lanka. De Raad moet haar oordeel steunen op de feiten en middelen aangevoerd door de verzoekende partij. Het is niet de taak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (R.v.St., X, nr. 136.692, 26 oktober 2004). 11.5. De verzoekende partij toont niet aan aanspraak te kunnen maken op de bepalingen van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, zoals ingevoegd bij artikel 26 van de wet van 15 september 2006, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 oktober 2006. XIV-31.262-10/13 12. De verzoekende partij roept in “Vijfde middel: Schending van art. 39 van Richtlijn 2005/85 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus.” 12.1. Verzoekers “stellen dat art. 39 voornoemd geschonden is doordat de termijn om beroep in te stellen slechts 15 dagen is” en “menen dat de termijn te kort is om een onderbouwd beroep te kunnen indienen.(…)Aangezien de afstand tussen Sri Lanka en België groot is en de communicatiemiddelen beperkt, is de termijn onvoldoende. Redelijkerwijze moeten verzoekers minstens een termijn hebben van één maand om hun beroep te kunnen voorbereiden. Zulks is temeer van toepassing daar de hoorplicht bij het CGVS niet van toepassing zou zijn en verzoekers niet in staat zijn te anticiperen op een eventuele negatieve beslissing.” 12.2. De verzoekende partij toont niet aan enigerwijs benadeeld te zijn, noch dat zij onvoldoende tijd had om het beroep in te dienen. De verzoekende partij gaat er bovendien aan voorbij dat zij ter terechtzitting nog nieuwe elementen kon aanbrengen en aanvullende stukken kon neerleggen en haar beroep toelichten doch zij slechts een algemeen rapport hebben neergelegd zonder dit nader toe te lichten of te concretiseren. 13. Er worden geen gegronde middelen aangevoerd. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”. 2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “ENIG MIDDEL: Schending van art. 57/6 van de Vreemdelingenwet. Machtsover- schrijding. Verzoekster stelt vast dat de initieel bestreden beslissing een beslissing betreft die werd ondertekend door de adjunct commissaris Generaal voor de Vluchtelingen, met name Eva Vissers. Dat op geen enkele wijze de wet toelaat dat een initieel bestreden beslissing genomen wordt door de adjunct. Dat deze onbevoegd is om zulks een beslissing te nemen. Dat het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de conclusies overneemt van de beslissing van de adjunct en derhalve gebaseerd is op een "aangetaste" beslissing. Dat in elk geval de onbevoegdheid de openbare orde aanbelangt en derhalve in limine litis kan worden opgeworpen. Dat art. 57/6 geschonden werd doordat de adjunct in de plaats van de Commissaris Generaal heeft getekend. Dat er sprake is van machtsoverschrijding in hoofde van de adjunct. Dat de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve dient te worden nietig verklaard.”; 2.2. Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord enkel stellen dat zij wensen te bevestigen dat zij volharden in de middelen en argumenten zoals vervat in hun inleidend verzoekschrift; XIV-31.262-11/13 2.3. Overwegende dat artikel 14, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State de samenvattende memorie invoert voor cassatieberoepen; dat voormeld artikel 14, derde lid, bepaalt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie.”; dat het alleen aan de hand van dit processtuk derhalve duidelijk moet zijn welke de precieze argumentatie van de verzoekende partij is; dat dit inhoudt dat de aangevoerde cassatiemidde- len er minstens summier, doch volledig in worden opgenomen; dat het in cassatiezaken dus niet voldoende is dat men door het indienen van een memorie van wederantwoord blijk geeft van zijn volgehouden belangstelling om de vernietiging van de aangevochten beslissing na te streven; dat bovendien in dit stuk de cassatiemiddelen moeten worden samengevat; dat de Raad van State uitspraak doet op basis van de samenvattende memorie; dat over een middel dat niet meer in deze samenvatting is opgenomen geen uitspraak dient gedaan; dat het dan ook niet volstaat te verwijzen naar het inleidend verzoekschrift of naar de hierin opgenomen uiteenzetting van de middelen; dat de thans voorliggende memorie van wederantwoord niet beantwoordt aan het bepaalde in artikel 14, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 2006; dat de verzoekende partij dan ook geen ontvankelijk rechtsmiddel aanvoert; 2.4. Overwegende dat, aangezien het enig middel niet ontvankelijk is, het beroep zelf niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. XIV-31.262-12/13 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwin- tig april tweeduizend en tien, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-31.262-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div