← België

Arrest 203243 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.243 Rolnummer: A. 190765/XIV-30871 Zaak: Arrest 203243 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-17 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:39 Fiche Arrest nr 203.243 van 23 april 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 203.243 van 23 april 2010 in de zaak A. 190.765/XIV-30.

  1. In zake : XXX, (alias XXX) die woonplaats kiest bij advocaat M. HADIEL HOLAIL, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX (alias XXX), van Iraanse nationaliteit, op 19 december 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 18.818 van 19 november 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3859 van 14 januari 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 december 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2010; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.871-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. HADIEL HOLAIL, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. BETTENS, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 27 december 2007 en zich op 8 januari 2008 vluchteling verklaart; dat de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 28 juli 2008 beslist tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus; Overwegende dat de verzoekende partij op 14 augustus 2008 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 19 november 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een vijfde middel onder meer opwerpt dat de redenering in het bestreden arrest om tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens ontstentenis van het wettelijk vereist rechtmatig belang te besluiten, een foutieve constructie en in strijd met de artikelen 48/3, 48/4 en 39/56 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) is, dat het aanvankelijk opgeven van een verkeerde identiteit op het commissariaat-generaal geen afbreuk kan doen aan het belang om een beroep tegen de beslissing van de commissaris-generaal in te stellen, dat in die beslissing overigens noch de Iraanse nationaliteit noch de seksuele geaardheid van de verzoekende partij worden betwist, dat de grond van de zaak in overweging had moeten worden genomen en dat geen motivering over de vluchtelingenstatus noch over de subsidiaire beschermingsstatus wordt gegeven; 2.
  4. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord in essentie stelt dat de vreemdeling enkel een beroep tegen de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan instellen wanneer hij blijk geeft van een benadeling of van een belang, dat dit belang persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd moet zijn, dat het niet door fraude mag zijn XIV-30.871-2/4 aangetast, hetgeen nochtans het geval is bij het bewust willen misleiden van de asielinstanties omtrent de identiteit, nationaliteit, of eerdere asielaanvragen van de vreemdeling, dat in het bestreden arrest op correcte wijze is vastgesteld dat de verzoekende partij op intentionele wijze heeft getracht de asielinstanties te misleiden aangaande wezenlijke elementen van haar asielaanvraag, zijnde haar identiteit, dat het belang niet geoorloofd en niet wettig is, zodat het beroep bij gebrek aan het vereiste belang overeenkomstig artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet niet-ontvankelijk is en dat aldus een terechte toepassing van het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” is gemaakt; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord toevoegt dat de kernvraag van heel de asielprocedure, namelijk of er een gegronde vrees voor vervolging is, niet door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is behandeld, dat het beroep tot nietigverklaring (sic) in casu zelf niet door bedrog is aangetast en dat zij wel degelijk een rechtmatig belang had bij haar beroep tegen de beslissing van de commissaris-generaal, daargelaten de vraag of het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” in overeenstemming met het EG-recht is; 2.
  6. Overwegende dat het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” er niet aan in de weg staat dat een vreemdeling, ten overstaan van wie door de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus is genomen, over het vereiste belang beschikt om die beslissing met een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan te vechten, tenzij zou blijken dat dat beroep zelf door bedrog is aangetast; dat de eventuele ongegrondheid van het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in casu wat betreft de redenen voor het aanvankelijk opgeven van een andere identiteit bij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, niet volstaat om dat beroep als niet-ontvankelijk omwille van het voornoemd algemeen rechtsbeginsel te beschouwen en om geen uitspraak te doen over de erkenning als vluchteling en over de subsidiaire beschermingsstatus; dat het vijfde middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  7. Vernietigd wordt het arrest nr. 18.818 van 19 november 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-30.871-3/4 Artikel
  8. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
  9. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.871-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.243 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.