← België

Arrest 203245 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.245 Rolnummer: A. 190913/XIV-30803 Zaak: Arrest 203245 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-17 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:39 Fiche Arrest nr 203.245 van 23 april 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 203.245 van 23 april 2010 in de zaak A. 190.913/XIV-30.

  1. In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 59 B tegen : XXX die woonplaats kiest bij advocaat J. COCQUYT, kantoor houdende te 2100 DEURNE, Van Dornestraat 201 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, op 30 december 2008 (griffiestempel) heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 19.300 van 26 november 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3840 van 13 januari 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-30.803-1/6 Gelet op de beschikking van 6 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 oktober 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat L. RENTMEESTERS, die loco advocaat J. COCQUYT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij op 24 februari 2008 een aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie indient; dat de minister van Migratie- en Asielbeleid op 23 juni 2008 een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten neemt; Overwegende dat de verzoekende partij op 18 juli 2008 een beroep tot nietigverklaring tegen de voornoemde beslissing van 23 juni 2008 indient; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die beslissing met een arrest van 26 november 2008 vernietigt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de jurisdictionele motiveringsplicht en het recht van verdediging als algemene rechtsbeginselen opwerpt; dat zij aanvoert dat de motivering van het bestreden arrest manifest onvoldoende is omdat er helemaal niet uit blijkt om welke redenen de huidige verwerende partij volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “met haar betoog dat ‘(de minister) er aan voorbijgaat dat de voorgebrachte stukken afkomstig zijn van de lokale Turkse autoriteiten en aldus officiële stukken zijn die niet kunnen gelijkgeschakeld worden met verklaringen van derden’ aannemelijk (maakt) dat de gemachtigde van de minister (...) op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag te weigeren en haar een bevel te geven om het grondgebied te XIV-30.803-2/6 verlaten”, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aangehaalde bepalingen en beginselen moet respecteren en ieder middel afzonderlijk en pertinent moet onderzoeken en beantwoorden, dat volgens de gemachtigde van de minister niet was voldaan aan de voorwaarde van artikel 40 bis van de Vreemdelingenwet, met name doordat het ten laste zijn van het bedoelde familielid niet wordt aangetoond bij gebrek aan bewijs van financiële stortingen uit het verleden, bij gebrek aan bewijs van onvermogen en omdat de aangebrachte documenten slechts eenvoudige verklaringen zijn die niet als afdoende bewijs worden aanvaard, dat de huidige verzoekende partij dit in de nota voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog eens heeft herhaald, dat daar in het bestreden arrest niet op wordt geantwoord doch dat enkel de kritiek van de huidige verwerende partij wordt herhaald, zonder te motiveren waarom het betoog van die partij volstond om tot de kennelijke onredelijkheid van de oorspronkelijke beslissing te besluiten, dat uit de summiere motieven van het bestreden arrest niet blijkt waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de oorspronkelijke beslissing heeft vernietigd, dat de huidige verzoekende partij aldus geen afdoende verweer kan voeren en de Raad van State evenmin zijn wettigheidstoezicht kan uitoefenen, dat niet op duidelijke en ondubbelzinnige wijze wordt vermeld waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen precies zijn beslissing steunt en dat de aangehaalde bepalingen en beginselen aldus worden geschonden; 2.1.
  4. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat in het bestreden arrest alle standpunten van de partijen zijn opgenomen en beantwoord, dat echter niet elk argument letterlijk moet worden beantwoord, dat aan de motiveringsplicht is voldaan wanneer duidelijk kan worden achterhaald om welke reden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn beslissing heeft genomen en dat in casu wel degelijk aan de motiveringsplicht is voldaan; 2.1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.1.
  6. Overwegende dat in de oorspronkelijk bestreden beslissing van de minister van Migratie- en Asielbeleid van 23 juni 2008 werd overwogen dat “betrokkene onvoldoende elementen (heeft) aangebracht die aantonen dat zij ten laste was van haar vervoegd familielid (financiële stortingen in het verleden)”, dat “betrokkene geen bewijs van onvermogen (heeft) voorgelegd” en dat “de aangebrachte documenten (...) niet als afdoende bewijs (worden) aanvaard, daar het eenvoudige verklaringen betreft”; XIV-30.803-3/6 Overwegende dat de huidige verwerende partij, oorspronkelijk verzoekende partij, voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer de schending van “het motiveringsbeginsel” had opgeworpen; dat zij daarbij naar de motivering van de voornoemde beslissing van 23 juni 2008 verwees en aanvoerde dat zij nochtans bewijzen aan de dienst Vreemdelingenzaken had overhandigd, zowel van het feit dat haar twee zoons haar regelmatig geld opstuurden om in haar onderhoud te voorzien toen zij nog in Turkije verbleef als van haar onvermogen, opgesteld door de plaatselijke Turkse autoriteiten; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dienaangaande in het bestreden arrest het verweer van de huidige verzoekende partij, waarin deze laatste uiteenzet waarom de verklaringen van het districtshoofd en dorpshoofd van Aktuluk inzake de financiële toestand niet zouden volstaan, citeert en ontkracht met de vaststelling dat het om een motivering a-posteriori gaat die de schending van de formele motiveringsplicht niet kan herstellen; dat de beslissing van 23 juni 2008 dergelijke motivering inderdaad niet bevat; dat in het bestreden arrest verder het standpunt van de huidige verwerende partij wordt gevolgd, met name dat de huidige verzoekende partij, oorspronkelijk verwerende partij, “er aan voorbijgaat dat de voorgebrachte stukken afkomstig zijn van de Turkse lokale autoriteiten en aldus officiële stukken zijn die niet kunnen gelijkgeschakeld worden met verklaringen van derden”; dat daarmee aan de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen is voldaan; dat geen schending van de rechten van verdediging blijkt in de zin dat het verweer van de huidige verzoekende partij niet zou zijn geëerbiedigd; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van artikel 39/2, § 2, van de Vreemdelingenwet opwerpt; dat zij aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in casu als annulatierechter slechts een marginale toetsing kon uitvoeren doch niet mocht optreden als rechter in hoger beroep en zich allerminst in de plaats van het bestuur mocht stellen om de appreciatie van de feiten over te doen, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in casu echter een eigen beoordeling van de stukken van huidige verwerende partij heeft gemaakt door te stellen dat die stukken als officiële stukken moeten worden aanzien, dat enkel het bestuur mag oordelen of de door de betrokkene voorgelegde stukken de door het bestuur gevraagde stukken uitmaken, dat Turkije over instanties beschikt die een bewijs van onvermogen (gebrek aan inkomsten en aan onroerende eigendom) vormen, dat het bestuur heeft geoordeeld dat in casu slechts eenvoudige verklaringen werden voorgelegd, dat het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet toekomt die appreciatie over te doen, dat de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus met het bestreden arrest werd XIV-30.803-4/6 overschreden, dat de minister bij het uitoefenen van zijn appreciatiebevoegdheid gebonden zou zijn door het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dat de bestuurlijke beoordelingsvrijheid aldus zou worden aangetast, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de grenzen van zijn annulatiebevoegdheid heeft overschreden en aldus in strijd met artikel 39/2, § 2 van de Vreemdelingenwet heeft gehandeld en dat hij heeft verwezen naar een motief van de oorspronkelijk bestreden beslissing dat er niet in staat, met name “verklaringen van derden”; 2.2.
  8. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich aan zijn marginaal toetsingsrecht heeft gehouden, dat hij moet nagaan of het bestuur in redelijkheid tot de genomen beslissing is kunnen komen en of er zich in het dossier geen gegevens bevinden die onverenigbaar met die vaststelling zijn, dat hij heeft geoordeeld dat de verklaringen van de plaatselijke Turkse autoriteiten bewijskrachtig zijn en niet zomaar van tafel kunnen worden geveegd en dat die beslissing perfect binnen de grenzen van de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen valt; 2.2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord niets wezenlijks aan het middel toevoegt; 2.2.
  10. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij het uitoefenen van zijn in artikel 39/2, § 2, van de Vreemdelingenwet vastgelegde bevoegdheid optreedt als annulatierechter en daarbij een marginale toetsing uitoefent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus niet bevoegd is om zijn beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de administratieve overheid, maar wel om na te gaan of die overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij ze correct heeft beoordeeld en of zij op grond van die feiten niet op kennelijk onredelijke wijze tot haar besluit is gekomen; Overwegende dat in het bestreden arrest wordt vastgesteld dat de verklaringen van het dorps- of districtshoofd, zijnde een Turkse lokale overheid, door de gemachtigde van de minister niet konden worden afgedaan als “eenvoudige verklaringen” en dat het kennelijk onredelijk was op grond van die redenering tot de verwerping van de aanvraag te besluiten; dat die vaststellingen betrekking hebben op de vaststelling van de juiste feitelijke gegevens en op het kennelijk onredelijke karakter van de beoordeling ervan; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich daarbij niet als rechter ten gronde heeft gedragen; dat het de minister immers vrijstaat de inhoud van de kwestieuze stukken te beoordelen en die beoordeling nader te motiveren, met dien verstande dat de stukken niet als XIV-30.803-5/6 “eenvoudige verklaringen” mogen worden afgedaan; dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat in het bestreden arrest de term “verklaringen van derden” in plaats van de in de beslissing van 23 juni 2008 genoemde “eenvoudige verklaringen” wordt gebruikt; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.803-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.245 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.