id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:
Art 38
.5 TW [lees: artikel 38 quinquies van de tuchtwet)] stellen wij u een termijn van 7 werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van bijgaande stukken om, zo nodig, een aanvullend verweer in te dienen.” 3.
- Op 28 september 2006 komt bij de tuchtoverheid een conclusie van de verdedigers in, waarin zij vragen dat het hoofd van de voetbalcel van de lokale politie Antwerpen, diens medewerker en de stewards waarvan sprake in de door hen destijds afgelegde verklaringen, zouden gehoord worden. 3.
- Met een op 3 oktober 2006 gedateerde nota nodigt de tuchtover- heid de twee leden van de voetbalcel Antwerpen uit voor een hoorzitting op 6 oktober
- Met een - eveneens op 3 oktober 2006 gedateerde - nota deelt de hogere tuchtoverheid aan de verzoeker en diens verdedigers haar beslissing mee “om de termijn van vijftien dagen bedoeld in artikel 37 van de tuchtwet te verlengen tot de termijn die noodzakelijk is om de door u in uw conclusies gevraagde verhoren af te nemen”. In de nota wordt nog gesteld dat de stewards niet zullen gehoord worden vermits zij niet werden geïdentificeerd. IX-5545-4/15 3.
- Op 6 oktober 2006 worden de twee leden van de voetbalcel lokale politie Antwerpen gehoord. De dienstnota’s waarin het verloop van die verhoren zijn opgenomen dragen als uitgiftedatum 9 oktober
- 3.
- Met een op 11 oktober 2006 gedateerde nota bezorgt de tuchtoverheid de twee dienstnota’s van 9 oktober 2006 aan de verzoeker en diens verdedigers en brengt hij hen in kennis van de volgende beslissing: “Bij ontvangst van de Doc in Ref 1.17 en 1.18 beginnen de termijnen van de procedure terug te lopen.
Art 38
.5 TW stellen wij u een termijn ter beschikking van 7 werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van bijgaande stukken om, zo nodig, een aanvullend verweer in te dienen.” 3.
- Op 19 oktober 2006 komt bij de tuchtoverheid een eindconclusie van de verdedigers in, waarin onder meer wordt aangevoerd “...De verdediging stelt duidelijk dat de gewone tuchtoverheid [...], door manipulatie, misleiding en bedrog, zijn fetisj ten overstaan van [verzoeker] duidelijk heeft laten blijken...”; “...Door het bewust achterhouden van informatie door de gewone tuchtoverheid en het AIG, is de plicht tot onpartijdigheid eveneens geschonden. Zowel de gewone tuchtoverheid als het AIG hebben door het achterhouden zelf bepaald welke feiten zij ter kennis brachten. Door deze beoordeling van de gewone tuchtoverheid en het AIG, bij het selectief overmaken van de kwestige dossiers, hebben zij eigengereid gehandeld, waartoe zij niet toe zijn gemachtigd”. 3.
- Met een op 24 oktober 2006 gedateerde nota wordt de gewone tuchtoverheid, “ingevolge elementen in de eindconclusies”, door de tuchtoverheid uitgenodigd voor een hoorzitting die zal doorgaan op 26 oktober
- Met een -eveneens 24 oktober 2006 gedateerde- nota stelt de hogere tuchtoverheid de verzoeker en diens verdedigers in kennis van haar beslissing “...om bijkomend onderzoek te verrichten, met name het inwinnen van bijkomende inlichtingen bij DirJud Antwerpen. Commissaris van politie A. De Graeve wordt gemandateerd deze hoorzitting uit te voeren. U zal worden op de hoogte gebracht van het resultaat van dit verhoor.” 3.
- Op 26 oktober 2006 wordt de gewone tuchtoverheid door de gemandateerde van de hogere tuchtoverheid gehoord. Het verhoor wordt schriftelijk opgenomen in een dienstnota van 26 oktober
- IX-5545-5/15 3.
- Met een 27 oktober 2006 gedateerde dienstnota bezorgt de tuchtoverheid de dienstnota van 26 oktober 2006 aan de verzoeker en diens verdedigers en brengt hij hen in kennis van de volgende beslissing: “
Art 38
.5 TW stellen wij u een termijn ter beschikking van 5 werkdagen vanaf de ontvangst van bijgaande stukken om, zo nodig, een aanvullend verweer in te dienen.” 3.
- Op 6 november 2006 komt bij de tuchtoverheid een conclusie in, waarin de verdedigers onder meer aanvoeren dat de bij artikel 38sexies van de tuchtwet bedoelde beslissings- en kennisgevingstermijn verstreken is. Met een 9 november 2006 gedateerde nota, die de verzoeker nog dezelfde dag voor ontvangst aftekent, deelt de hogere tuchtoverheid aan de verzoeker haar beslissing mee om hem de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Die beslissing maakt het voorwerp uit van het onderhavig beroep tot nietigverklaring. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van artikel 38sexies van de tuchtwet, doordat hij laattijdig in kennis gesteld is van de beslissing waarbij hem een lichte tuchtstraf opgelegd wordt. Hij betoogt dat hij op 8 augustus 2006 het inleidend verslag betekend gekregen heeft zodat hij in beginsel vóór 23 september 2006 een voorstel van tuchtstraf moest ontvangen. In geval bijkomende onderzoeks- verrichtingen worden uitgevoerd of getuigen verhoord, wordt de termijn voor kennisgeving van het voorstel van tuchtstraf verlengd. Dergelijke termijnsverleng- ing moet “strikt worden toegepast” en betekent aldus “dat in geval van bijkomende verhoren de termijnverlengingen enkel worden aanvaard tot op het ogenblik dat het verhoor werd geacteerd en ondertekend. De periode die zich situeert tussen dat ogenblik en het moment waarop de verdediging kennis krijgt van die bijkomende IX-5545-6/15 stukken wordt bijgevolg aangerekend op de termijn van 15 dagen waarover de overheid beschikt om het strafvoorstel te formuleren en te betekenen.” Een correcte toepassing van artikel 38quinquies van de tuchtwet leidt voor het onderhavig geval volgens de verzoeker tot volgend resultaat: - de beslissing van 7 september 2006 om een getuige te horen heeft een termijnsver- lenging tot gevolg. Die loopt tot de hoorzitting van 13 september
- De acht volgende dagen heeft de beslissingstermijn gelopen, om dan weer onderbroken te worden tot 28 september 2006, dit zijn de 7 dagen waarbinnen de verzoeker zijn verweer kon indienen; - de beslissing van 28 september 2006 om een andere getuige te horen heeft opnieuw een termijnsverlenging tot gevolg. Die loopt tot de hoorzitting van 6 oktober
- De volgende zes dagen heeft de beslissingstermijn opnieuw gelopen, om dan weer onderbroken te worden tot 19 oktober 2006, dit zijn de 7 dagen waarbinnen de verzoeker zijn verweer kon indienen; - op 27 oktober 2006 is aan de verzoeker opnieuw kennis gegeven van een termijn van verweer, met name tegen het verhoor van 26 oktober 2006- en ook daardoor was er nogmaals een schorsing van 8 dagen. De verzoeker besluit aldus dat de verwerende partij in dit geval geen 15 maar 22 (8 + 6 + 8) dagen nodig gehad heeft om de vereiste kennisgeving te doen. In ieder geval kan de verwerende partij niet stellen dat bijkomende onderzoeksdaden de verjaring stuiten wanneer, zoals hier, die bijkomende onderzoeksdaden precies het gevolg zijn van de houding van de verwerende partij zelf, die bepaalde dossierstukken initieel niet in het tuchtdossier gevoegd heeft.
- De verwerende partij antwoordt dat de berekening van de verzoeker niet correct is. Zij stelt dat het bestuur op 21 september 2006 aan de verzoeker medegedeeld heeft dat de termijn verlengd werd: het gaat om 7 dagen, met name van 14 tot 21 september 2006, en bovendien heeft de tuchtoverheid stukken opgevraagd, zodat 14 en 15 september 2006 niet meegeteld mogen worden; op 11 oktober 2006 is de termijn opnieuw verlengd, met name voor vier dagen van 7 tot 10 oktober
- De laatste acht dagen waarnaar de verzoeker verwijst, vindt zij niet terug. Zij voegt daaraan toe dat het bestuur slechts na het laatste verhoor en de repliek daarop -die ingeleverd werd op 6 november 2006- over alle informatie beschikte zodat het bestreden besluit van 9 november 2006 binnen de redelijke termijn genomen is. IX-5545-7/15
- In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker nog dat de “optelsom van de tussenliggende dagen” 22 bedraagt zodat artikel 28sexies duidelijk geschonden is. Hij stelt nu dat de termijn die aan het verhoor van de getuige voorafgaat, niet aanzien kan worden als een schorsingsperiode. Ook de datum waarop de betrokkene zijn verweer tegen het getuigenverhoor overmaakt kan niet bij de berekening van de verlenging betrokken worden. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 38quater van de tuchtwet moet het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid zijn verweer indienen binnen de dertig dagen na de dag volgend op de ontvangst van het inleidend verslag. Overeenkomstig artikel 38sexies moet de tuchtoverheid een beslissing nemen en ter kennis brengen binnen de 15 dagen na afloop van de termijn van verweer. De termijn, waarvan sprake in artikel 38 sexies, is een vervaltermijn. Artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet voorziet in twee mogelijkheden om de beslissingstermijn van 15 dagen te verlengen. Eén daarvan is “de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen”. De wetgever beoogde daarmee het bestuur toe te laten in te gaan op niet-dilatoire of niet manifest ongegronde vragen van de verdediging om getuigen te verhoren en het bestuur op redelijke wijze toe te laten de ingewonnen gegevens bij zijn besluitvorming te betrekken (Parl. Doc. Kamer, 2001-2002, stuk 1823/001, p. 74 ad artikel 120 en stuk 1683/001, p. 27 ad artikel 118).
- In het arrest nr. 183.678 van 2 juni 2008 inzake Vanden Eynde heeft de Raad van State -met betrekking tot de identieke bepaling in de procedure bij de gewone tuchtoverheid- gesteld dat wanneer een bijkomend getuigenverhoor gehouden wordt nadat de betrokkene zich tegen het inleidend verslag verweerd heeft, de beslissings- en kennisgevingstermijn verlengd wordt met de periode die nodig is om de getuigenverklaring in te winnen en om ze aan de betrokkene ter kennis te brengen met de uitnodiging om binnen een bepaalde termijn, die minstens vijf werkdagen moet belopen, een aanvullend verweerschrift in te dienen. Die redenering wordt voor de onderhavige zaak overgenomen: de beslissingstermijn wordt verlengd met de dagen verlopen tussen de beslissing om een getuigenverhoor in te winnen tot de dag waarop het bestuur kennis krijgt van het verweer van de IX-5545-8/15 betrokkene tegen dat getuigenverhoor of uiterlijk de dag waarop de termijn van verweer verstrijkt.
- De duur van de verlenging is door de wet niet preciezer geregeld dan met een verwijzing naar “de noodzakelijke termijn”. De tuchtwet verplicht de tuchtoverheid te handelen binnen korte termijnen. In dat licht moet de discretionaire bevoegdheid van het bestuur om het verloop van het bijkomend getuigenverhoor te organiseren te regelen als zeer beperkt worden opgevat: elke vertraging is uit den boze; alles moet in het werk gesteld worden om de procedure zo vlug mogelijk af te handelen.
- Blijkens het middel is de verzoeker van oordeel dat de beslissings- termijn enkel verlengd wordt met de dagen gelegen tussen de vaststelling dat een getuigenverhoor georganiseerd zal worden en de hoorzitting; de periode van kennisgeving van het verhoor en het verweer kan niet tot schorsing van de beslissingstermijn leiden. Daargelaten de vaststelling dat het betoog en de berekening van de verzoeker duidelijkheid mist, faalt zijn stelling in rechte: ook gedurende de periode dat het bestuur de nodige werkzaamheden uitvoert om de betrokkene in kennis te stellen van het resultaat van het getuigenverhoor opdat hij zijn verweer zou kunnen doen gelden, is het gedwongen inert omdat de betrokkene vóór alles de mogelijkheid moet hebben om zijn verweer ten aanzien van de gegevens die uit het getuigenverhoor, zoals dat genotuleerd is, ter kennis van het bestuur te brengen.
- In dit geval staat buiten betwisting dat het inleidend verslag aan de verzoeker werd aangezegd op 8 augustus 2006 en dat de verzoeker zich daartegen kon verweren tot 7 september
- Op 8 september 2006 ving de beslissingstermijn voor het bestuur aan. De verzoeker heeft vervolgens tweemaal een getuigenverhoor gevraagd en het bestuur is daarop ingegaan; het heeft ook zelf een getuigenverhoor nodig geacht: - op 4 september 2006 is aan de verdedigers van de verzoeker medegedeeld dat de vooronderzoeker zou gehoord worden; hij is opgeroepen om op 13 september 2006 te getuigen. Daags na dit verhoor is het proces-verbaal opgesteld. Het proces-verbaal is, omdat ter zitting was aangekondigd dat het dossier zou aangevuld worden, pas op 21 september 2006 ter kennis van de verzoeker gebracht en dan had hij nog 7 werkdagen voor het indienen van zijn verweer, IX-5545-9/15 waarna de verzoeker op 28 september 2006 een nota van verweer ingediend heeft. Aangezien het bestuur gedurende die gehele periode bij gebrek aan alle beoordelingsgegevens geen stappen in het besluitvormingsproces kon zetten en het voldoende diligent de administratieve opdrachten vervuld heeft, kan aangenomen worden dat de beslissingstermijn dienovereenkomstig verlengd wordt; - op 3 oktober 2006 is aan de verdedigers van de verzoeker meegedeeld dat twee leden van de voetbalcel Antwerpen zouden gehoord worden; zij zijn op 6 oktober 2006 verschenen. Van dat getuigenverhoor is op 9 oktober -de eerstvolgende werkdag- proces-verbaal opgemaakt, het is op 11 oktober 2006 naar de verzoeker opgestuurd met de mededeling dat hij opnieuw 7 werkdagen kreeg voor het indienen van zijn verweer. De verzoeker heeft op 19 oktober 2006 zijn verweerno- ta bezorgd. Ook gedurende deze hele periode was de beslissingstermijn geschorst; - op 24 oktober 2006 is de gewone tuchtoverheid van de verzoeker opgeroepen voor verhoor op 26 oktober 2006 en op 27 oktober 2006 wordt de verzoeker verwittigd dat hij over 5 werkdagen beschikt om een verweernota in te dienen. Op 6 november 2006 wordt het verweer ingediend.
- De beslissingstermijn ving aan op 8 september
- Hij is door de schorsing van de termijn wegens de afwikkeling van bevolen getuigenverhoren geschorst in de periode van 8 tot 28 september, van 3 tot 19 oktober en van 24 oktober tot 6 november 2006, en dus met evenveel dagen verlengd. Er waren op 9 november 2006 elf dagen van de beslissingstermijn verstreken.
- De verzoeker wil doen aannemen dat de beslissingstermijn niet geschorst wordt wanneer de bijkomende onderzoeksdaden ertoe strekken de leemten te vullen die het bestuur bij de samenstelling van het tuchtdossier heeft gelaten. Die stelling vindt geen steun in de wet. Het bijkomend getuigenverhoor strekt ertoe de tuchtoverheid volledig voor te lichten en leemten in het onderzoek op te vullen. De tuchtoverheid oordeelt discretionair over de organisatie van dergelijk verhoor.
- Het middel is niet gegrond. IX-5545-10/15 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- Volgens de verzoeker is uit het onderzoek gebleken dat de gewone tuchtoverheid niet alle stukken medegedeeld heeft aan de hogere tuchtoverheid, ondanks haar verzoek daaromtrent. Het achterhouden van informatie heeft tot gevolg gehad dat de hogere tuchtoverheid niet op basis van een volledig dossier - eerder een gemanipuleerd dossier- heeft kunnen beslissen. Daarmee is de zorgvuldigheidsplicht geschonden en zijn haar rechten van verdediging aangetast.
- De verwerende partij antwoordt dat het tuchtdossier alle stukken bevat die betrekking hebben op de kennisneming en het onderzoek van de tenlaste gelegde feiten en die later bij de zaak gevoegd zijn. Zij wijst erop dat de verhoren die oorspronkelijk niet bij het dossier waren gevoegd, overgedaan zijn en dat daarmee het dossier volledig werd.
- In zijn memorie van wederantwoord houdt de verzoeker vol dat bepaalde stukken niet bij het dossier werden gevoegd. Hij verwijst naar de brief van 27 maart 2006 van de gewone tuchtoverheid aan het AIG en het antwoord van deze dienst d.d. 10 april 2006 met de bijlagen. Had hij ab initio deze stukken gekend, dan was er kans geweest op een ander resultaat. Beoordeling
- Op 29 juni 2006 adieerde de gewone tuchtoverheid de hogere tuchtoverheid middels het opstellen van een niet betekend (ontwerp van) inleidend verslag en voegde zij daarbij “de reeds opgestelde stukken in het vooronderzoek inzake betrokkene”. De brief van 27 maart 2006 van de gewone tuchtoverheid waarbij deze aan AIG vraagt een kopij van het onderzoek over te zenden alsook de brief van 10 april 2006 van AIG waarbij het eindverslag en de bijlagen ervan aan de gewone tuchtoverheid worden bezorgd, werden inderdaad niet aan de hogere tuchtoverheid bezorgd; ook in het verslag van de vooronderzoeker is er van die stukken geen sprake.
- In de brief van 10 april 2006 is vermeld dat de door de AIG afgenomen verhoren die de tuchtoverheid meende nodig te hebben, opnieuw IX-5545-11/15 moesten uitgevoerd worden overeenkomstig de bepalingen van de tuchtwet. Uit het verhoor van de gewone tuchtoverheid is gebleken dat zij, omwille van die vermelding, van oordeel was dat het dossier van AIG om procedureredenen niet mocht gebruikt worden, dat zij het dossier van AIG weliswaar te kennis bracht van de vooronderzoeker, maar met de uitdrukkelijke mededeling dat hij een nieuw dossier moest opstarten en dat het om die reden dan ook niet bij het dossier werd gevoegd.
- In de bestreden beslissing wordt dan ook terecht gesteld dat de gewone tuchtoverheid hoogstens een al te voorzichtige interpretatie heeft gegeven aan de brief van 10 april 2006, maar dat er uit later onderzoek is gebleken dat er van “achterhouden van informatie” of van een “gemanipuleerd dossier” geen sprake is. Verzoekers argument dat één en ander voor gevolg heeft gehad dat de hogere tuchtoverheid zelf niet op basis van een volledig dossier heeft kunnen beslissen, faalt in feite. Immers, op vraag van de verdediging werden de bijlagen bij het verslag AIG opgevraagd en aan het dossier toegevoegd; eveneens op vraag van de verdediging werd ook de brief van 27 maart 2006 en de brief van 10 april 2006 met bijlagen opgevraagd en bij het dossier gevoegd. Daarenboven werden de verzoeker en zijn verdedigers telkens in de gelegenheid gesteld om, naar aanleiding van de ontvangst van die aan het dossier toegevoegde stukken, een aanvullend verweer in te dienen.
- Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 38sexies van de tuchtwet en van de materiële motiveringsplicht. Hij betoogt dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar gelijkaardige feiten uit het verleden om te stellen dat hij niet de nodige lessen geleerd heeft, maar dat uit het dossier niet blijkt welke gelijkaardige feiten hem verweten worden en welke lessen hij niet zou geleerd hebben. IX-5545-12/15 Volgens de verzoeker stelt de bestreden beslissing ook ten onrechte dat de chefs niet op de hoogte zouden zijn geweest van zijn praktijken omdat het alom gekend is dat het mogelijk is toegangstickets voor voetbalwedstrij- den te verkrijgen, is het ook niet aangetoond dat hij een belangrijk financieel voordeel heeft gehad en dat hij de tickets voor zijn persoonlijke belangen gebruikt zou hebben omdat hij bij gebrek aan geïnteresseerden binnen het politiekorps de tickets gegeven heeft aan externe partners en relaties van de politiediensten.
- De verwerende partij antwoordt dat reeds van bij de aanvang van de tuchtzaak verwezen werd naar het verleden van de verzoeker en dat de verzoeker dit wist, zodat de motivering van de bestreden beslissing voor hem goed begrijpbaar was. De verzoeker heeft wel degelijk zelf verklaard dat zijn oversten niet op de hoogte waren van zijn handelen. De verwijzing naar het financieel voordeel steunt wel degelijk op een gegeven uit het dossier -de eigen verklaring van de verzoeker- en met de verwijzing naar het “persoonlijk belang” wordt gedoeld op de versprei- ding van de tickets onder zijn familie, vrienden en collega’s. Beoordeling
- In het verslag van de vooronderzoeker wordt er onder een luik “voorgaanden” verwezen naar de zware tuchtstraf van inhouding van wedde van 5% gedurende één maand die op 16 oktober 2002 aan de verzoeker werd opgelegd, met de vermelding dat de feiten waarvoor hij die sanctie heeft opgelopen eveneens betrekking hebben op zijn supporter zijn van GBA; met name bevond hij zich op 21 november 2001 in de neutrale zone rond het voetbalveld en maakte hij bij het scoren van het derde doelpunt van GBA een provocerende beweging in de richting van de Gentse supporters, hetgeen aanleiding gaf tot een woedeuitbarsting in het bezoekersvak. Ook in de bij het verslag gevoegde verklaring van het hoofd van de voetbalcel van de politie Antwerpen wordt er gewag gemaakt van het feit “dat het niet de eerste keer is dat er problemen zijn met de verzoeker in het kader van het voetbal”.
- In het inleidend verslag van de hogere tuchtoverheid wordt onder een luik “gegevens omtrent de persoon” gesteld wat volgt: “Tuchtverleden: 23-10-2002: 1 maand inhouding van de wedde aan 5% wegens: onbetamelijk gedrag tijdens een voetbalwedstrijd GBA-Gent, om als toeschouwer, in een neutrale zone, eigenmachtig te beslissen om de rol van politieagent te vervullen en zich toegang te verschaffen tot het stadion van GBA IX-5545-13/15 door middel van een vrije toegangskaart van deze club, een kaart die betrokke- ne had gekregen in functie van zijn taak als spotter.” Tijdens zijn verhoor op 13 september 2006 verklaarde de vooronderzoeker: “...[verzoeker] is een heel werkzaam element binnen de FGP- eenheid en dan moeten vaststellen dat hij tot 2x toe gelijkaardige feiten pleegt, is erg.” In het aanvullend verweerschrift dat de verdedigers indienden na kennisname van het proces-verbaal van de hoorzitting van 13 september 2006, wordt niet aangevoerd dat er in het dossier nergens melding wordt gemaakt van gelijkaardige feiten. De verzoeker kan thans niet ernstig voorhouden dat hij niet kon weten dat de verwijzing, in de bestreden beslissing naar het “het feit dat u in het verleden met gelijkaardige feiten werd geconfronteerd waaruit u blijkbaar niet de gepaste lessen hebt getrokken” betrekking had op de feiten waarvoor hij op 23 oktober 2002 tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd en, a fortiori, dat die motivering “foutief en materieel incorrect” is.
- Tijdens zijn verhoor door de vooronderzoeker op 4 mei 2006 verklaarde de verzoeker wat volgt: “U vraagt mij of mijn hiërarchische oversten op de hoogte waren van dit systeem, de context waarin ik deze kaarten kreeg. Dit is niet het geval omdat ik de kaarten, zoals reeds aangehaald, ten persoonlijke titel heb ontvangen en niet uit hoofde van mijn functie. In mijn huidige functie heb ik niets met voetbal te maken.” De verzoeker kan dan ook niet ernstig de materiële draagkracht betwisten van het in de bestreden beslissing opgenomen motief “dat u toegeeft dat uw chefs niet op de hoogte waren van deze praktijken”, waarmee gedoeld werd op het verdelen van kaarten onder familie, vrienden en collega’s.
- De verzoeker gaf tijdens zijn verhoor door de vooronderzoeker toe dat hij jaarlijks vijftien gratis abonnementen ontving onder de vorm van toegangs- tickets voor elke thuiswedstrijd. Een dergelijke gift maakt als dusdanig een belangrijk financieel voordeel uit, ook al hebben diegenen die de kaarten ontvingen de verzoeker IX-5545-14/15 daarvoor niet betaald en zou de verzoeker zelf “veeleer, net zoals andere politie- ambtenaren, een occasioneel bezoeker” geweest zijn.
- Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 april 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5545-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.263 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div