← België

Arrest 203269 - Tucht (openbaar ambt) - 26/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.269 Rolnummer: A. 184803/IX-5733 Zaak: Arrest 203269 - Tucht (openbaar ambt) - 26/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-07 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 04:39 Fiche Arrest nr 203.269 van 26 april 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.269 van 26 april 2010 in de zaak A. 184.803/IX-5733 In zake : Luc BESSEMANS die woonplaats kiest bij het VSOA - Politie gevestigd te Brussel François Sebrechtslaan 61 tegen : de politiezone SINT-TRUIDEN - GINGELOM - NIEUWERKER- KEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christian Lemache kantoor houdend te Sint-Truiden Tongersesteenweg 60 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 14 augustus 2007, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 18 juni 2007 van de korpschef van de politiezone Sint-Truiden/Gingelom/Nieuwerkerken waarbij aan Luc Bessemans de lichte tuchtstraf van de waarschuwing wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april
  3. IX-5733-1/6 Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Elke Baillien, die loco advocaat Christian Lemache verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone Sint-Truiden/Gingelom/Nieuwerkerken. Op 4 mei 2007 stelt de korpschef tegen hem een inleidend tuchtverslag op waarin eerst een aantal feitelijke gegevens worden vermeld, om op grond daarvan een aantal tuchtfeiten te distilleren. De korpschef is van oordeel dat de feiten vaststaan, dat zij aan de verzoeker kunnen toegerekend worden en als tuchtvergrijp gekwalificeerd kunnen worden. Hij stelt voor aan de verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen. De verzoeker ondertekent op 9 mei 2007 het inleidend verslag voor ontvangst. 3.
  6. Op 7 juni 2007 dient de verzoeker een omstandig verweerschrift in waarin hij onder meer bezwaren in verband met het vooronderzoek aanvoert en waarin hij tevens uiteenzet waarom de feiten niet bewezen zijn. Hij besluit dat de eerste tenlastelegging niet bewezen is of minstens genuanceerd moeten worden en dat de twee andere tenlasteleggingen niet in aanmerking kunnen genomen worden omdat uit niets blijkt waarop ze gesteund zijn. Hij verzoekt dan ook om het dossier in alle redelijkheid zonder gevolg te klasseren. Aangezien de verzoeker er niet om vraagt, wordt hij niet gehoord. IX-5733-2/6 3.
  7. Op 18 juni 2007 wordt aan de verzoeker de beslissing betekend waarbij hem de lichte tuchtstraf van de waarschuwing wordt opgelegd. Dit is de bestreden beslissing, die dezelfde dag genomen is. De beslissing bevat volgende motieven: “Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 4, 32 en 33; Rekening houdend met de feitelijke elementen vervat in punt 2.
  8. van het dossier. Rekening houdend met de aangebrachte feiten vastgesteld door een hiërarchische meerdere tijdens de dienst en het informatieverslag hieromtrent. Rekening houdend met de verhoren en verklaringen van de getui- gen-collega’s Inspecteurs INP Sabbe, Bonneux, Stassart, Boulet, Froyen, Appeltans en Steven Vanharen. Rekening houdend met uw verweerschrift d.d. 7 juni
  9. Rekening houdend met uw blanco tuchtverleden.” IV. Onderzoek van het tweede middel, tweede onderdeel Standpunt van de partijen
  10. De verzoeker voert de schending aan van de deontologische code, van het zorgvuldigheidsbeginsel, het vermoeden van onschuld, de motiveringsver- plichting en de rechten van de verdediging. Hij stelt dat het hem ten laste gelegd feit uit twee onderdelen bestaat: enerzijds een gebeurlijk meningsverschil, anderzijds gebeurlijke alcoholintoxicatie. Volgens de verwerende partij wordt de alcoholintoxi- catie bevestigd door collega’s van de verzoeker, maar zoals hij reeds in zijn verweerschrift had aangekaart, blijkt dit niet uit hun verklaringen. Hij betwist deze tenlastelegging en kan zich ter zake beroepen op het vermoeden van onschuld; de loutere verklaring van een hiërarchische meerdere en een vermelding in een informatieverslag volstaan niet als bewijs.
  11. De verwerende partij antwoordt dat de tuchtoverheid discretionair de aangelegenheid beoordeelt en dat slechts een kennelijk onredelijke beslissing gesanctioneerd kan worden. Dit is hier niet het geval want de korpschef heeft volgens de wettelijke voorschriften en na afweging van de concrete belangen een beslissing genomen die overigens pertinent gemotiveerd is. De verzoeker heeft een verweerschrift ingediend en hij heeft afgezien van het recht om gehoord te worden; hij moet nu niet komen beweren dat zijn rechten van verdediging geschonden zijn of dat de korpschef geen rekening zou mogen gehouden hebben met de verklaring van B. Piron en van 7 collega-inspecteurs. IX-5733-3/6
  12. De verzoeker repliceert dat in de eerste e-mail van B. Piron aan het commando slechts sprake was van onbeschoft en leugenachtig gedrag van de verzoeker en niet van alcoholintoxicatie; dat geldt ook voor de vraag om inlichting- en die commissaris Gielen als tuchtofficier naar de getuigen gestuurd heeft. Hij herhaalt dat het helemaal onduidelijk is op welke gronden hem alcoholintoxicatie ten laste gelegd is kunnen worden, nu ook in de getuigenverklaring van zijn collega’s geen elementen daaromtrent voorhanden zijn en de getuigen daarover ook niet ondervraagd werden.
  13. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie nog dat de verzoeker niet vervolgd en gestraft werd voor alcoholintoxicatie, maar voor de discussie van 31 maart 2007 waarbij de verzoeker een volkomen ongepaste, arrogante en respectloze houding aangenomen heeft tegenover de bevoegde hoofdinspecteur, die moest instaan voor de werking van zijn interventieteam. De verzoeker moet zich als inspecteur aan de afspraken houden en mag niet toelaten dat personeelsleden later hun dienst beginnen. In dit geval heeft de verzoeker een houding aangenomen en minachtende en vernederende woorden gebruikt die niet stroken met de waardigheid van het ambt en heeft hij de leidinggevende capaciteiten van zijn chef ondermijnd. Die feiten heeft de tuchtoverheid bewezen geacht en niets meer. Beoordeling
  14. De bestreden beslissing bevat volgende uiteenzetting nopens de feitelijkheden waarop de tuchtvervolging gesteund is: “
  15. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen Op 31 maart was u als dienstoverste belast met de interventiedienst 22u00-06u
  16. De indeling van de ploegen hebt u besproken met de dispatcher van dienst INP Walter Sabbe. Eén dezer ploegen bestaat uit INP Steven Vanharen en INP Jos Depae. Deze laatste heeft de toelating om zijn dienst één uur later aan te vangen en werd vervangen door INP Kris Stassart. INP Steven Vanharen was evenwel niet aanwezig bij aanvang dienst. Ingevolge een vraag van HINP Bert Piron naar INP Steven Vanharen geeft u als antwoord dat deze vervangen werd door INP Kris Stassa(e)rt, alhoewel deze reeds INP Jos Depae verving. Verder deelt u HINP Bert Piron mee dat INP Steven Vanharen met uw toelating zijn dienst mag aanvatten om 23u00 en de leiding hiervan op de hoogte is. Op de mededeling van HINP Bert Piron dat hij bij de leiding zal nagaan of er toestemming werd gegeven, antwoordde u op arrogante toon dat hij er niets mee te maken had. In een daaropvolgende discussie deelde U HINP Bert Piron op een onbeschofte wijze mee dat hij zijn IX-5733-4/6 werk maar moest afmaken en hij niets aan U te zeggen had. Tevens liet U betrokkene weten dat u de chef van de ploeg was en zelf besliste. Op vraag van HINP Bert Piron hebt u INP Caroline Appeltans gevraagd om INP Steven Vanharen te telefoneren. Volgens HINP Bert Piron gedroeg u zich eveneens arrogant tegenover een collega INP Dominique Boulet die een andere collega INP Romain Raets aan het briefen was. Uw bewoordingen tegenover INP Boulet waren van die aard dat hij onmiddellijk op uw bureel moest komen, want dat uzelf de chef was en alles via u diende te passeren al zeggende ‘wat denkt dat menneke wel’ doelend op HINP Bert Piron. Volgens HINP Bert Piron en collega’s vertoonde u tekens van alcoholin- toxicatie zoals adem: alcoholgeur, agressieve houding, bloeddoorlopen ogen en soms moeilijke spraak.” De tuchtoverheid heeft daar de volgende tuchtfeiten uit gedistilleerd: “(Ik) meen dat de feiten vaststaan doordat u: de deontologische en wellevendheidsregels hebt overtreden, in casu : - u zich onbeleefd hebt gedragen tegenover een hiërarchische meerdere in tegenwoordigheid van collega’s - het leugenachtig verrechtvaardigen van het te laat op dienst komen van een collega belast met een interventiedienst - een ongepast gedrag en bewoordingen geuit te hebben tegenover een hiërarchische meerdere - en het niet aannemen van de voorbeeldfunctie van een dienstoverste met een negatieve weerslag op de medewerkers collega’s (...)”
  17. Gewis wordt in de uiteenzetting van de feiten op grond waarvan de tuchtfeiten worden omschreven, gewag gemaakt van “tekens van alcoholintoxica- tie”, maar dat gegeven is als zodanig niet weerhouden bij het formuleren van de tuchtfeiten. Ook in het inleidend verslag was dat niet gebeurd. De verzoeker gaat in de ontwikkeling van het middel dan ook volkomen ten onrechte uit van de stelling dat het hem gerichte verwijt “twee onderdelen (omvat), het eerste het gebeurlijk meningsverschil, het tweede de gebeurlijke alcoholintoxicatie”. De alcoholintoxicatie is ook niet als verzwarende omstandigheid in aanmerking genomen bij het beoordelen van de zwaarte van de straf. De verzoeker kan dan ook niet gevolgd worden waar hij aan het bestuur verwijt dat gegeven niet nader onderzocht te hebben. En in ieder geval wordt daarmee niet bewezen dat de tenlastelegging van het onaangepast gedrag niet terdege onderzocht zou zijn, zoals de verzoeker in zijn verweerschrift uiteenzette. IX-5733-5/6
  18. Het middelonderdeel is niet gegrond. Aangezien het auditoraatsverslag beperkt is tot het onderzoek van dit middelonderdeel, is er reden om het onderzoek van de zaak voort te zetten. BESLISSING
  19. De debatten worden heropend.
  20. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 april 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5733-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.269 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.524 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.