id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.316 Rolnummer: A. 195704/XII-6128 Zaak: Arrest 203316 - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen - 27/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-29 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-30 04:40 Fiche Arrest nr 203.316 van 27 april 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 203.316 van 27 april 2010 in de zaak A. 195.704/XII-6128 In zake: Fatima BALI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Eric Van Der Mussele en Yolanda Vanden Bosch kantoor houdend te Antwerpen Stoopstraat 1, bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen Belanghebbende partijen:
- de STAD ANTWERPEN, DISTRICT BORGERHOUT,
- Mary PRENEEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te Leuven Vaartstraat 68-70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- Met een “verzoekschrift in vernietiging”, ingediend op 2 maart 2010, vraagt Fatima Bali - dat de Raad van State de beslissing van 22 februari 2010 van de Raad voor verkiezingsbetwistingen van de provincie Antwerpen vernietigt waarbij inzake haar ontslag als lid van het districtscollege te Borgerhout “[d]e behandeling van het geding wordt geschorst tot ons de in kracht van gewijsde beslissing over de ingestelde strafprocedure wordt overgelegd”, - en dat de Raad van State, de zaak tot zich trekkend, overgaat tot de ongeldigverklaring en vernietiging van “de zogenaamde aanvaarding” van haar ontslag als districtsschepen. XII-6128-1\9 II. Rechtspleging
- Om de sub 10 vermelde reden is de ingediende vordering niet te beschouwen als een “beroep als bedoeld bij artikel 76bis van de gemeentekieswet”. Niet het koninklijk besluit van 15 juli 1956 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld bij artikel 76bis van de gemeentekieswet is van toepassing, maar het algemeen procedurereglement. Als zodanig is dit algemeen procedurereglement evenwel volstrekt onaangepast om de Raad van State in staat te stellen, zoals artikel 13, tweede lid, van het gemeentedecreet vereist, “binnen zestig dagen” uitspraak te doen over het beroep tegen de uitspraak van de Raad voor verkiezingsbetwistingen. De enkele omstandigheid dat de Raad van State dit euvel te dezen heeft kunnen ondervangen, door de termijnen voor het indienen van de memories met toepassing van het artikel 91 van het algemeen procedurereglement extreem in te korten, belet niet dat het om een noodgreep ging die beslist uitzonderlijk moet blijven. In het auditoraatsverslag wordt in dit verband bijgevolg niet zonder reden overwogen: “Het laat zich echter licht aanzien [...] dat één en ander niet voor veel herhaling vatbaar is en het -in de beleidsbrief van de minister voor in de loop van het kalenderjaar 2010 aangekondigde- Vlaams kiesdecreet voor de lokale verkiezingen, moet dan ook de gelegenheid bij uitstek voor de Vlaamse overheid zijn om de [...] procedureproblemen, uit te klaren”.
- De Raad van State heeft op 11 maart 2010 overeenkomstig artikel 91 van het algemeen procedurereglement beslist de termijn voor het indienen van een memorie van antwoord door de belanghebbende aan wie het beroep ter kennis is gebracht en voor het indienen van een memorie van wederantwoord of toelichtende memorie op acht dagen te bepalen. De belanghebbende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Bart Weekers heeft een verslag opgesteld. XII-6128-2\9 De Raad van State heeft op 9 april 2010 overeenkomstig artikel 91 van het algemeen procedurereglement beslist de termijn voor het indienen van een laatste memorie op vijf dagen te bepalen. Verzoekster en de tweede belanghebbende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april
- Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Eric Van Der Mussele, die verschijnt voor de verzoekende partij, adviseur Sandy Peeters, die verschijnt voor de eerste belanghebbende partij, en advocaat Johan Verstraeten, die verschijnt voor de tweede belanghebbende partij, zijn gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Na de districtsraadsverkiezing van 8 oktober 2006 in het district Borgerhout, Antwerpen, wordt verzoekster op 16 januari 2007 door de districtsraad als districtsschepen verkozen. Op 22 december 2009 neemt de voorzitter van de districtsraad kennis van de brief waarmee verzoekster haar ontslag als districtsschepen indient. Dit wordt dezelfde dag aan onder anderen de leden van het districtscollege meegedeeld. Verzoekster reageert, nog altijd op 22 december 2009, dat dit “een vergissing [moet] zijn” en dat zij “geen enkele ‘ontslagbrief’ of wat dan ook in die richting [heeft] ondertekend, laat staan opgestuurd of bezorgd”, zodanig dat XII-6128-3\9 niemand een ontslagbrief van haar kan hebben ontvangen of er kennis van genomen kan hebben. Terzake wordt door verzoekster op 20 januari 2010 klacht neergelegd met burgerlijke-partijstelling, bij de onderzoeksrechter te Antwerpen, wegens valsheid in geschrifte en gebruik van een vals stuk, en misbruik van vertrouwen door met een vals stuk te willen doen geloven dat zij haar ontslag gaf als districtsschepen. Op 21 januari 2010 vraagt verzoekster aan de Raad voor verkiezingsbetwistingen van de provincie Antwerpen om “[v]ast te stellen dat geen ontslag door verzoekster is aangeboden aan de Voorzitter van de Districtsraad te Borgerhout die dan ook ten onrechte en niet gemotiveerd, minstens onjuist gemotiveerd, een zogenaamd en onbestaand ontslag heeft aanvaard” en om de beslissing van ontslagaanvaarding te vernietigen. De Raad voor verkiezingsbetwistingen besluit op 22 februari 2010 de behandeling van het geding inzake verzoeksters ontslag als districtsschepen te schorsen totdat “de in kracht van gewijsde [gegane] beslissing over de ingestelde strafprocedure wordt voorgelegd”. Onder meer wordt overwogen dat de raad dient uit te maken of verzoekster ontslag heeft genomen uit haar mandaat, dat het daartoe cruciaal is te weten of de ontslagbrief van haar uitgaat, dat door verzoeksters klacht bij de onderzoeksrechter een strafprocedure is gestart waarin bepaald zal worden of de handtekening onder de ontslagbrief echt is, dat die uitslag bindend zal zijn, dat het logisch is het geding te schorsen tot het bevoegde rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan, en dat het geding zijn verder beloop zal kunnen krijgen nadat de partijen deze uitspraak bezorgden. Van dit besluit wordt op 23 februari 2010 kennis gegeven aan verzoeksters raadsman, met een brief waarin de aandacht wordt gevestigd op artikel 13, tweede lid, van het gemeentedecreet, volgens welke bepaling tegen de uitspraken van de Raad voor verkiezingsbetwistingen binnen acht dagen na de kennisgeving een beroep mogelijk is bij de Raad van State. XII-6128-4\9 IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
- Verzoekster appelleert in het verzoekschrift formeel aan artikel 85septies van de gemeentekieswet en de artikelen 13, tweede lid, en 273, § 3, van het gemeentedecreet.
- In haar memorie van antwoord wijst tweede belanghebbende partij er vooreerst op dat de Raad van State bij de beroepen tegen de beslissingen van de Raad voor verkiezingsbetwistingen optreedt als een rechter met volle rechtsmacht. Aangezien zij uit de vermeldingen van het verzoekschrift “alleen maar [kan] afleiden dat een beroep tot vernietiging op basis van artikel 14 is ingediend”, is derhalve de ingediende vordering onontvankelijk. Is de vordering toch ontvankelijk en wordt de bestreden beslissing niet bevestigd, dan moet volgens tweede belanghebbende partij in elk geval het dossier opnieuw naar de Raad voor verkiezingsbetwistingen worden verzonden “teneinde verder te oordelen”, op straffe van anders partijen in strijd met artikel 6 van het EVRM een aanleg te ontnemen.
- In de memorie van wederantwoord blijft verzoekster verwijzen naar de artikelen 85septies van de gemeentekieswet en 13, tweede lid, en 273, § 3, van het gemeentedecreet. Wel voegt zij er nu aan toe dat de zaak een “zaak van administratief cassatieberoep” betreft. Voorts blijft zij in het beschikkend gedeelte vragen dat de Raad van State haar beroep bij de Raad voor verkiezingsbetwistingen tot zich zou trekken, weze het dat zij thans eveneens vraagt dat “minstens” de zaak naar de Raad voor verkiezingsbetwistingen wordt teruggewezen “om opnieuw recht te doen”.
- In de laatste memorie, dan, sluit verzoekster zich kennelijk aan bij het auditoraatsverslag, waarin wordt geoordeeld dat de bestreden beslissing van de Raad voor verkiezingsbetwistingen een vonnis alvorens recht te doen is, dat ook daartegen beroep bij de Raad van State mogelijk is, dat het om een beroep in volle rechtsmacht gaat, dat de bestreden beslissing van de Raad voor verkiezings- betwistingen evenwel geen “onderzoeksmaatregel” in de zin van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek beveelt, en dat uit de artikelen 2 en 1068, eerste lid, van XII-6128-5\9 het Gerechtelijk Wetboek volgt dat “het geschil zelf nu dus aanhangig [is] bij de Raad van State, waarbij er uiteraard geen sprake van kan zijn [...] van enige schending van artikel 6 van het EVRM, dat immers geen recht op een dubbele aanleg bepaalt”. Beoordeling
- Met haar verzoekschrift beoogt verzoekster een beroep in te stellen als bedoeld in artikel 85septies van de gemeentekieswet en in artikel 13, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 273, § 3, van het gemeentedecreet.
- Artikel 85septies van de gemeentekieswet -net als voorheen artikel 76bis- betreft de betwisting van de eigenlijke verkiezing van de gemeenteraad. Is weliswaar, krachtens artikel 114 van de gemeentekieswet, die bepaling van overeenkomstige toepassing op de verkiezingen voor de districtsraden, geen enkel voorschrift verklaart ze ook van toepassing inzake het ontslag van een districtsschepen. Het artikel 85septies laat zich dan ook niet betrekken op de bestreden beslissing.
- Wat het ontslag van een districtsschepen betreft wordt echter wel nuttig verwezen naar artikel 13 van het gemeentedecreet, dat gelet op artikel 273, § 3, van het gemeentedecreet ook van toepassing is op de districtsraden en hun leden. Dit artikel 13 voorziet met betrekking tot het ontslag van een schepen in een beroep waarbij de Raad van State -overeenkomstig 16, 1/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State- uitspraak doet in volle rechtsmacht (Memorie van toelichting bij het decreet van 23 januari 2009 tot wijziging van het gemeentedecreet, Parl.St. Vl.Parl. 2008-2009, nr. 1946/1, 5).
- Het artikel 13, eerste lid, bepaalt onder meer wat volgt: “Onverminderd de bepalingen van de Gemeentekieswet doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, uitspraak over geschillen die rijzen in verband met de afstand, het verval, het ontslag of de verhindering van het mandaat van gemeenteraadslid, voorzitter van de gemeenteraad of schepen”. XII-6128-6\9 Het tweede lid, dat door het decreet van 23 januari 2009 tot wijziging van het gemeentedecreet is toegevoegd, luidt: “Tegen de uitspraken van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, is binnen een termijn van acht dagen na de kennisgeving een beroep mogelijk bij de Raad van State. Dat beroep is niet schorsend. De hoofdgriffier van de Raad van State deelt het beroep binnen acht dagen na de ontvangst ervan mee aan de betrokkene en aan de gemeente in kwestie. De Raad van State doet uitspraak binnen zestig dagen. Het arrest van de Raad van State wordt door de zorg van de hoofdgriffier onmiddellijk ter kennis gebracht van de betrokkene, de provinciegouverneur en de gemeente”.
- Luidens de memorie van toelichting bij het decreet van 23 januari 2009 tot wijziging van het gemeentedecreet (ibidem), werd de verwijzing naar de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State expliciet opgenomen “voor alle duidelijkheid”. Wat meer bepaald het ontslag van een schepen betreft, strekte zij er aldus toe duidelijk aan te geven dat een beroep kon worden ingediend tegen de in het eerste lid bedoelde beslissing waarmee de Raad voor verkiezingsbetwistingen over het geschil dat over dit ontslag is gerezen “uitspraak doet”.
- De Raad van State ziet geen reden waarom voor de interpretatie van wat te dezen moet worden verstaan onder een beslissing waarmee over het geschil “uitspraak” wordt gedaan, anders geoordeeld zou moeten worden dan in het geval waarin de Raad voor verkiezingsbetwistingen overeenkomstig artikel 85quinquies van de gemeentekieswet “uitspraak” doet over de bezwaren inzake de verkiezing van de gemeenteraad. Zoals de Franstalige tekst van het artikel 75 van de gemeentekieswet, waarop dat artikel 85quinquies teruggaat, doet kennen, betekent “uitspraak” doen: de zaak beslechten (“statue sur les réclamations”, “se prononce dans les trente jours de l’introduction de la réclamation”). Ook uit het arrest Gemeenteraadsverkiezing Bilzen, nr. 52.505 van 24 maart 1995, valt af te leiden dat als beslissing waarmee over de bezwaren uitspraak wordt gedaan -en waartegen beroep bij de Raad van State openstaat- alleen die beslissing te beschouwen is waarmee de bezwaren afgehandeld worden - namelijk de verkiezingen al dan niet worden geldig verklaard en de zetelverdeling of rangorde gewijzigd. XII-6128-7\9
- In dit licht is slechts de uitspraak waarmee de Raad voor verkiezingsbetwistingen het geschil in verband met verzoeksters ontslag werkelijk beslist, te beschouwen als een uitspraak waartegen het artikel 13 te dezen in de mogelijkheid van een beroep bij de Raad van State voorziet. Het bestreden besluit kan bezwaarlijk als zo een beslissing worden beschouwd. Integendeel stelt het besluit een oordeel over het geschil juist uit tot later. Meer bepaald wordt de behandeling van het geding geschorst totdat een in kracht van gewijsde gegane beslissing zal zijn ontvangen in de strafprocedure die moet uitwijzen of de handtekening onder de ontslagbrief echt is.
- Bijgevolg moet -ambtshalve- worden vastgesteld dat de door verzoekster ingediende vordering onontvankelijk is. Een beroep op het artikel 1050 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat in alle zaken hoger beroep kan worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen, kan dat niet verhelpen. De regels van het Gerechtelijk Wetboek zijn immers aanvullend van toepassing, terwijl het vermeld artikel 1050 onverenigbaar is met de hiervoor in aanmerking genomen interpretatie van het artikel 13 van het gemeentedecreet inzake geschillen zoals het voorliggende. Overigens doet de hierna uitgesproken verwerping er niet aan af dat de gebreken van de bestreden beslissing desgevallend tegen de eigenlijke (eind)beslissing kunnen worden aangevoerd. BESLISSING De Raad van State verwerpt het beroep. XII-6128-8\9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 27 april 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6128-9\9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.316 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div