← België

Arrest 203327 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.327 Rolnummer: A. 181910/X-13221 Zaak: Arrest 203327 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 04:40 Fiche Arrest nr 203.327 van 28 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 203.327 van 28 april 2010 in de zaak A. 181.910/X-13.

  1. In zake: Marc VAN DE VELDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Clercq kantoor houdend te 9000 GENT Antwerpenplein 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 22 maart 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 15 januari 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, waarbij het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lovendegem tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 25 augustus 2005, houdende toekenning van de stedenbouwkundige vergunning tot het oprichten van een magazijn aan de Bierstal te Lovendegem, kadastraal bekend sectie A, nrs. 1923/c en 1924/d, wordt ingewilligd, en geen vergunning wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. X-13.221-1/11 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart
  4. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat David De Bruyne, die loco advocaat Tom De Clercq verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De verzoeker is eigenaar van een perceel grond gelegen aan de Bierstal te Lovendegem, kadastraal bekend sectie A, nrs. 1923/c en 1924/d. Het betrokken perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen in agrarisch gebied en ligt tevens in een vergunde verkaveling.
  7. In 1995 vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lovendegem een bouwvergunning voor het bouwen van een magazijn op het voormelde perceel. Deze aanvraag wordt geweigerd op 21 december
  8. Op 3 oktober 1996 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lovendegem wel een vergunning voor het bouwen van een magazijn, met een oppervlakte van 281,22 m², op het meer vermelde perceel. Deze vergunning wordt op 2 oktober 1997 met één jaar verlengd. X-13.221-2/11
  9. Op 27 augustus 2001 wordt door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lovendegem een ongunstig stedenbouwkundig attest nr. 2 afgeleverd voor het bouwen van een magazijn op het meer vermelde perceel.
  10. Op 20 februari 2002 dient de verzoeker opnieuw een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een magazijn, dit keer met een oppervlakte van 2433 m². Deze aanvraag wordt door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lovendegem op 25 februari 2002 geweigerd.
  11. Vervolgens dient de verzoeker een nieuwe bouwaanvraag in voor het bouwen van een magazijn, die leidt tot een weigering door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lovendegem op 10 juni
  12. Het door de verzoeker tegen de voormelde weigeringsbeslissing ingestelde beroep wordt door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 19 september 2002 ingewilligd. Het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de voormelde beslissing wordt door de bevoegde Vlaamse minister op 11 februari 2003 verworpen en de verzoeker wordt een voorwaardelijke vergunning verleend. Bij arrest nr. 123.776 van 2 oktober 2003 schorst de Raad van State de tenuitvoerlegging van de laatst vermelde beslissing. Bij arrest nr. 128.807 wordt deze beslissing door de Raad van State vernietigd.
  13. Ingevolge de voormelde vernietiging neemt de bevoegde Vlaamse minister een nieuwe beslissing over verzoekers vergunningsaanvraag, waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd en de gevraagde vergunning wordt geweigerd.
  14. Op 13 september 2004 dient de verzoeker een nieuwe aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een magazijn op het meer vermelde perceel in. Deze aanvraag wordt op 27 december 2004 door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lovendegem geweigerd.
  15. Op 2 februari 2005 dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lovendegem nogmaals een vergunningsaanvraag in voor het bouwen van een magazijn. Dit magazijn heeft een oppervlakte van 1770 m². X-13.221-3/11
  16. Tijdens het openbaar onderzoek dat over de voormelde aanvraag wordt gehouden, worden drie bezwaarschriften ingediend, die door het college van burgemeester en schepenen deels gegrond, deels ongegrond worden bevonden. De Gecoro verleent op 19 mei 2005 een negatief advies over de aanvraag. Op 30 mei 2005 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lovendegem de gevraagde vergunning te verlenen.
  17. Op 17 juni 2005 dient de verzoeker tegen de voormelde weigeringsbeslissing van het college een beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. Op 25 augustus 2005 willigt de bestendige deputatie dit beroep in en verleent zij een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van het magazijn.
  18. Op 13 september 2005 dient het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lovendegem tegen de voormelde vergunningsbeslissing een beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.
  19. Op 8 maart 2006 vindt een hoorzitting plaats en bij het bestreden besluit van 15 januari 2007 willigt de bevoegde Vlaamse minister het beroep van het college van burgemeester en schepenen in. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  20. De verzoeker roept in een enig middel de schending in van “rechten van verdediging”, van “beginselen van behoorlijk bestuur”, van het “wettigheidsbeginsel”, de “motiveringsplicht” en het “objectiviteitscriterium” : “- Vooreerst dient gewezen te worden op het nogal vage karakter van de verkavelingsvoorschriften zeker wat de strook voor tuinbouw en magazijnen (betreft) waar als bestemming gewoonweg wordt opgegeven dat de oprichting is toegelaten voor serres, bergplaatsen en magazijnen en de hoogte van deze constructies dient te worden beperkt tot maximum 5,00 meter met inbegrip van de bekappingen, dat alle buitengevels zullen worden opgetrokken in baksteenmetselwerk. In haar arrest nummer 93.109 van 7 februari 2001 overwoog de Raad omtrent een bijzonder plan van aanleg dat ook leed aan vaagheid, dat de X-13.221-4/11 vergunningverlenende overheid elke bouwaanvraag dient te beoordelen op haar verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening en plaatselijke aanleg. Deze beoordelingsvrijheid wordt echter begrensd door de stedenbouwkundige voorschriften van de geldende plannen van aanleg. Een verwijzing naar de verenigbaarheid met de voorschriften van een plan van aanleg kan slechts volstaan ter motivering van de verenigbaarheid van de bouwaanvraag met de goede ruimtelijke ordening en plaatselijke aanleg in de mate dat deze voorschriften dermate gedetailleerd zijn dat zij aan de vergunningverlenende overheid geen eigen beoordelingsruimte meer laten. De stedenbouwkundige voorschriften van het betrokken bijzonder plan van aanleg zijn beperkt tot algemene criteria met betrekking tot de plaatsing van de gebouwen, bouwhoogte en de welstand van de gebouwen. Aangezien deze criteria dermate ruim en algemeen zijn, heeft de vergunningverlenende overheid een grote beoordelingsbevoegdheid, doch dit mag niet resulteren in het opleggen van nieuwe en bijkomende voorwaarden die geen grondslag vinden in de voorschriften zoals opgenomen in het bijzonder plan van aanleg of de verkaveling en die op geen objectieve en controleerbare maatstaven gebaseerd zijn. Verzoeker meent dat dit in casu het geval is en de stelling van het college van burgemeester en schepenen, zoals gevolgd door de Minister, niet correct is en niet op objectieve maatstaven is gegrond. - Het college van burgemeester en schepenen van de Gemeente Lovendegem stelt dat Bierstal een verblijfsgebied is waar zwaar verkeer moet worden geweerd en de aanvraag van verzoeker strijdig is met de goede ruimtelijke ordening. Het magazijn dat voorwerp uitmaakt van de vergunning zou voor overlast zorgen doordat het een constante aan- en afvoer van goederen of werf- en bouwmaterialen met zich zou meebrengen, waardoor het rustige karakter van het gebied zal worden verstoord, terwijl het magazijn van de verzoeker volgens de gemeente een zware belasting van het verkeer zal teweegbrengen . Deze stelling berust op een bewust verkeerde voorstelling van de feiten door de gemeente, gezien de activiteiten van verzoeker haar genoegzaam gekend zijn. Verzoeker is een alleenwerkend aannemer van bouwwerken, die geen personeel in dienst heeft en gewoonweg al zijn werk- en bouwmateriaal op een propere en veilige manier wil opbergen. Het door verzoeker op te richten magazijn zal enkel dienst doen als opslagplaats, het is dus geen verkooppunt, noch een productieplaats. Het staat dan ook vast dat deze activiteiten weinig of geen bijkomend doorgaand verkeer met zich zullen meebrengen en dit absoluut niet als een bijkomende belasting kan worden aanzien. Hierbij moet worden opgemerkt dat de Bierstal een openbare weg is die parallel ligt met de Grote Baan, de N9, en de Bierstal dan ook veelvuldig als sluipweg wordt gebruikt, waardoor er heel veel doorgaand verkeer is en de agrarische ligging met zich meebrengt dat er veel doorgaand verkeer is van tractoren en hun aanhangwagens. Het is dan ook op niets gebaseerd om te stellen dat het magazijn van verzoeker een ernstige belasting van het doorgaand verkeer met zich zou meebrengen. - De Gemeente stelt dat de toegang tot het perceel een verharde strook heeft van 3 meter, daar waar de eigenlijke breedte van de oprit 4 meter bedraagt. De brandweer stelt dat wegen op privaat terrein een vrije breedte en hoogte van 4 meter moeten hebben. Op grond hiervan stelt de Gemeente dat dit bezwaar gedeeltelijk gegrond is. Deze argumentatie is weinig duidelijk. X-13.221-5/11 Het staat vast dat er een vrije doorgang is van 4 meter breed, die slechts over een breedte van 3 meter verhard is. Bijgevolg is de aanvraag op zich al in overeenstemming met de veiligheidsvoorschriften van de Brandweer, die nergens stellen dat de vereiste doorgang van 4 meter ook verhard dient te zijn. Hoe dan ook heeft verzoeker tegenover de Bestendige Deputatie uitdrukkelijk gesteld dat hij bereid is om de doorgang over de volle breedte van 4 meter te verharden, voorwaarde die de Bestendige Deputatie aan de verleende vergunning heeft verbonden. Dit argument houdt dan ook geen stand. - De Gemeente stelt verder nog dat het door verzoeker geplande magazijn een zware ruimtelijke ingreep en een onderbreking van de zichtassen met zich zou meebrengen en dit een afbreuk zou doen aan de plaatselijke aanleg van de eerder landelijke omgeving en kleinschalige bebouwing. Deze argumentatie is niet enkel totaal in strijd met de destijds verleende verkavelingsvergunning, doch slaat bovendien ook nergens op. Uit de voorliggende plannen van verzoeker blijkt dat het project derwijze zal worden uitgevoerd zodat het perfect geïntegreerd is in het actuele landschap. Er wordt een groenscherm voorzien, zodat het gebouw op zich geen visuele hinder met zich zal meebrengen en de constructie overschrijdt geenszins de maximaal voorziene hoogte van 5 meter. Hierdoor is het onmogelijk dat er een onaanvaardbare visuele hinder zou worden veroorzaakt voor de omwonenden en de bestaande zichtlijnen. Het spreekt voor zich dat een magazijn, serre of bergplaats een grotere oppervlakte beslaat dan een gezinswoning, waarbij meteen moet worden opgemerkt dat hier geen sprake is van bovenliggende verdiepingen, hetgeen wel het geval is bij de omliggende gezinswoningen, die niet alleen twee verdiepingen tellen, doch ook nog een eens een zolderverdieping met puntdak en daardoor reeds heel wat hoger uittorenen boven het te bouwen magazijn van verzoeker. De vraag stelt zich dan ook welke soort bebouwing de grootste visuele hinder met zich meebrengt. Het komt verzoeker voor dat hier twee maten en gewichten worden gehanteerd, alleszins dat de genomen beslissing niet gebaseerd is op objectieve en onpartijdige argumenten nu de gemiddelde gezinswoning hoger is dan het magazijn van verzoeker, terwijl het magazijn van verzoeker wel een afbreuk zou doen aan de waardevolle zichtassen en de bouw van zijn magazijn zou maken dat men vanaf die plaats de kerk van Belzele niet meer zou kunnen zien. Het negatieve advies van de Gecoro wordt ook nog aangehaald, waarin men het heeft over een belemmering van het interessante historische beeld van het geklasseerde monument ‘De Lieve’. Dergelijke argumentatie slaat nergens op en is trouwens algeheel in strijd met de destijds verleende verkavelingsvergunning en ook in strijd met de inlichtingen welke de Gemeente Lovendegem omtrent dit goed op 26 oktober 2000 aan notaris Vanderplaetsen verstrekte, waarin gesteld wordt dat het goed in een geen enkele beschermingslijst is opgenomen (het maakt geen deel uit van of is geen beschermd monument, geen beschermd stads- of dorpsgezicht, geen beschermd landschap, geen beschermd duin- gebied of als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, niet opgenomen in het archeologisch patrimonium, noch in een bosbeheersplan). Uit het omgevingsplan blijkt trouwens dat het te bouwen magazijn als het ware ingebed ligt tussen de bebouwing aan de Bierstal en de Lievestraat en de Lieve zelf nog heel wat verder gelegen is en niet eens zichtbaar op foto’s uit de omgeving. - De Minister heeft deze argumentatie gevolgd en het standpunt van het college van burgemeester en schepen bijgetreden, terwijl deze in 2003 nog een vergunning verleende voor hetzelfde bouwwerk, mits een aantal voorwaarden X-13.221-6/11 werden in acht genomen en waarbij de argumenten van de omwonenden dat het project onverenigbaar zou zijn met de ruimtelijke omgeving van tafel werden geveegd. Meer nog, er werd uitdrukkelijk gesteld dat gezien er een 4 meter brede weg naar het achtergelegen perceel werd voorzien om dit in tweede bouworde bereikbaar te maken, de aanpalende eigenaars verondersteld worden te weten dat er achter hun woning een magazijn zou komen daar deze zone voorzien is in hun verkaveling. Thans gaat de Minister, niettegenstaande de huidige aanvraag werd aangepast aan de destijds door de Minister opgelegde voorwaarden, een totaal tegenstrijdige beslissing nemen (aan) deze van 11 februari
  21. Dergelijke houding getuigt niet van een consistent, éénduidig en doorzichtig beleid. In het bestreden Ministerieel Besluit is - behoudens de verwijzing naar de argumenten van het college van burgemeester en schepenen - amper enige motivatie hieromtrent terug te vinden. Daar waar de vroegere aanvragen ingediend door verzoeker nog ruimte voor interpretatie lieten, is dit thans niet meer het geval en werden deze voldoende concreet omschreven. Zo is in de aanvraag duidelijk gesteld dat het magazijn enkel dienst zal doen als opslagplaats voor de materialen en het werkgerief van verzoeker, die een eenmans-aannemingsbedrijf heeft en wordt uitdrukkelijk gesteld dat er geen andere activiteiten zullen worden uitgeoefend. Totaal in strijd met de bewoordingen van de aanvraag oppert de Minister het vermoeden dat een magazijn van dergelijke omvang impliceert dat er veel zal af- en aangereden worden door zware vrachtwagens die de omgeving zwaar zullen belasten en dat niet enkel verzoeker gebruik zal maken van dit magazijn, doch wel meerdere personen tegelijkertijd omdat er zes parkeerplaatsen voorzien zijn voor het magazijn. Het mag duidelijk zijn dat de genomen beslissing onwettig is wanneer deze gebaseerd is op vage en onbewezen vermoedens, die geen enkele grondslag hebben, meer nog waarvan de onjuistheid blijkt uit de inhoud van de aanvraag zelf. Verzoeker is een aannemer, die een eenmanszaak runt en zonder personeel werkt en een magazijn wenst om zijn bouw- en werkmaterialen te kunnen opslaan, met uitdrukkelijke uitsluiting van enige andere activiteit. Dat er voor het magazijn meerdere parkeerplaatsen voorzien werden, wijst geenszins op het feit dat er meerdere personen gebruik zouden maken van het magazijn en kan zelfs niet als een vermoeden in die zin worden gebruikt, nu dit enkel is ingegeven uit praktische overwegingen, teneinde voldoende plaats te hebben om het laden en lossen aan het magazijn zonder veel gemanoeuvreer mogelijk te maken. Het vermoeden dat er overmatige hinder voor de omwonenden zou zijn ingevolge constant af en aanrijdende vrachtwagens is dan ook totaal uit de lucht gegrepen, nergens op gebaseerd is en volkomen in strijd met de door verzoeker ingediende aanvraag. Hier gaat de overheid uit van de kwade trouw van de aanvrager, die iets anders zou doen dan hetgeen in zijn aanvraag gemeld, hetgeen uiteraard niet kan worden vermoed, tenzij daarvoor ernstige en overeenstemmende aanwijzingen zouden zijn, hetgeen in casu niet het geval is. - Verder stelt de Minister nog dat de oppervlakte van het te bouwen magazijn een schaalbreuk met de omgeving zou creëren, hetgeen zou indruisen tegen de geest van de verkaveling en wat een negatieve impact zou hebben op de voorliggende woningen. Een magazijn is een opslagplaats voor te leveren of te gebruiken goederen. Dit impliceert dan ook dat verzoeker er allerlei bouwmaterialen moet kunnen X-13.221-7/11 opslaan in functie van zijn professionele activiteiten als aannemer van bouwwerken. Het moet voor verzoeker dan ook mogelijk zijn om in het magazijn zand, cement, kiezelstenen, bakstenen en allerhande werkmateriaal waaronder stellingen, cementmolens, een kraan, een takel, kraanelementen, kruiwagens, een vrachtwagen, boren, metalen kuipen en dergelijke meer op te slaan. Dit alles neemt veel plaats in en wenst verzoeker allemaal in zijn opslagruimte onder te brengen, teneinde te vermijden dat er buiten het magazijn allerlei zaken zouden moeten worden gestockeerd. De beoordeling van de Minister dat het magazijn onevenredig groot zou zijn, is dan ook niet alleen in strijd met de van toepassing zijnde voorschriften, het is daarenboven ook onjuist en nergens op gebaseerd om te stellen dat de opsteller van de verkaveling dergelijke oppervlakten destijds niet voor ogen zou gehad hebben. Stellen dat dit gebouw zou indruisen tegen de geest van de verkaveling is dan ook nergens op gebaseerd en dat het zou moeten worden verwezen naar een daarvoor geschikt bestemmingsgebied, zoals een KMO-zone, is volkomen in strijd met de verkaveling, die deze zone uitdrukkelijk voorziet voor gebouwen bestemd voor opslagplaatsen en magazijnen, zonder dat enige beperking qua oppervlakte wordt voorzien. Verzoeker heeft dit perceel aangekocht net omdat het specifiek voorzag dat er een magazijn kon gebouwd worden. Dat men hem thans, niettegenstaande de termen van de verkavelingsvergunning, boudweg naar een KMO-zone verwijst, is totaal onaanvaardbaar en komt er op neer dat verzoeker dacht een perceel te hebben aangekocht waar een magazijn kon op gebouwd worden, terwijl men het in de praktijk degradeert tot een akkerland. - Verder stelt de Minister nog dat de toegangsweg naar het magazijn, gelegen tussen twee residentiële loten met een breedte van 3 à 4 meter en een lengte van 63,30 meter toegankelijk via een gemeenteweg waarlangs enkel residentiële bewoning voorkomt, niet als een aangepaste weg voor dit soort activiteiten kan worden aanzien. De Minister stelt nog dat een magazijn van dergelijke omvang doet vermoeden dat er met vrachtwagens zal worden aan- en afgereden en gezien er zes parkeerplaatsen werden voorzien, blijkt dat niet enkel de aanvrager zelf dit magazijn zal gebruiken, maar er meerdere personen tegelijkertijd gebruik van zullen maken, hetgeen hinderlijk kan zijn voor de omgeving. Dat de weg gelegen is tussen twee residentiële loten is uiteraard te wijten aan de ligging ervan, evenals de breedte en lengte van de voorziene toegangsweg. Deze eigenschap is volkomen vreemd aan de door verzoeker ingediende aanvraag en kan dan ook niet als een argument tegen verzoeker gebruikt worden, om de eenvoudige reden dat dit volledig buiten de wil van de aanvrager gelegen is. Het mag dan ook duidelijk zijn dat de ‘vermoedens’ welke de overheid gebruikt om de vergunning te weigeren nergens op gebaseerd zijn en dienvolgens geen wettelijke grondslag hebben en derhalve niet als ernstige bezwaren kunnen worden weerhouden. Gelet daarop meent verzoeker dat de vergunning ten onrechte werd geweigerd”. Beoordeling
  22. Een middel bestaat uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel naar het oordeel van de verzoeker door het bestreden besluit wordt geschonden. X-13.221-8/11 De verzoeker geeft geen voldoende en duidelijke omschrijving van de wijze waarop volgens haar de “rechten van verdediging” en het “wettigheidsbeginsel” door het bestreden besluit geschonden zijn. In zoverre de schending van deze rechten en dit beginsel wordt aangevoerd, is het middel niet ontvankelijk. Dit laatste geldt onverminderd voor de door de verzoeker aangevoerde schending van het “objectiviteitscriterium”, dat de Raad van State niet als rechtsregel bekend is, alsook van de “beginselen van behoorlijk bestuur”, zonder precieze aanduiding welk algemeen beginsel van behoorlijk bestuur de verzoeker geschonden acht. De verzoeker voert tevens de schending aan van de “motiveringsplicht”, zonder verduidelijking of hiermee de formele dan wel de materiële motiveringsplicht wordt bedoeld. De verwerende partij heeft het middel als een schending van de formele motiveringsplicht begrepen. Ten einde de rechten van de verdediging van deze partij te vrijwaren, kan de aangevoerde schending enkel als een schending van de formele motiveringsplicht worden begrepen, die te dezen moet geacht worden te zijn afgeleid uit een schending van het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet).
  23. Aan de motiveringsplicht, zoals die ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold op grond van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet, is voldaan wanneer de uitspraak over het bouwberoep duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het de aanvrager mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen, dat hij met andere woorden kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen.
  24. De bevoegde minister doet ingevolge de devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep over dat beroep uitspraak op grond van een eigen beoordeling van de aanvraag. De kritiek van de verzoeker op het standpunt van het college van burgemeester en schepenen over de aanvraag kan niet dienend worden ingeroepen. Hetzelfde geldt voor verzoekers kritiek op het negatief advies van de Gecoro. X-13.221-9/11
  25. Na het kwestieuze perceel op concrete wijze te hebben beschreven, alsook de situering ervan binnen de onmiddellijke en de ruimere omgeving, overweegt de verwerende partij in het bestreden besluit onder meer dat “de oppervlakte van het magazijn (...) in verhouding tot de omliggende bebouwing en het agrarische landschap erachter zeer groot (is) en (...) een schaalbreuk in de omgeving (creëert)”, dat “de woningen (...) een gemiddelde bebouwde oppervlakte van ca. 150 m² (hebben), dat “een magazijn met een grootte van 1170 m² (...) hiertegenover onevenredig groot (is)”, dat “de geplande bebouwing, een bedrijfsgebouw in tweede bouworde, (...) een grote impact op het landschap (heeft) en (...) een negatieve invloed (zal) hebben op de voorliggende woningen”. De verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij bij de voormelde motieven is uitgegaan van gegevens die in rechte of in feite onjuist zijn, dat zij die niet correct heeft beoordeeld, of dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is. Evenmin toont hij aan dat de voormelde motieven in strijd zouden zijn met de verkavelingsvoorschriften. De voormelde redengeving volstaat als een afdoende motivering in de zin van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. De kritiek van de verzoeker op de overwegingen in het bestreden besluit die zijn gestoeld op “de geest van de verkaveling” en luidens dewelke een “dergelijke grootschalige bebouwing” naar “een geschikt bestemmingsgebied, zoals een KMO-zone” dient te worden verwezen, doet aan het voormelde geen afbreuk. Met eerst in de memorie van wederantwoord en derhalve laattijdig aangevoerde argumenten kan bij de beoordeling van het middel geen rekening worden gehouden.
  26. In zoverre verzoekers kritiek gericht is tegen de overwegingen van het bestreden besluit met betrekking tot het niet aangepast zijn van de toegangsweg en het gebruik dat van het kwestieuze magazijn zal worden gemaakt, heeft het middel betrekking op overtollige motieven, en is het onontvankelijk.
  27. In zoverre de verzoeker betoogt dat het bestreden besluit tegenstrijdig is aan het besluit van de verwerende partij van 11 februari 2003, gaat hij eraan voorbij dat het laatst vermelde besluit bij ’s Raads arrest nr. 128.807 van 4 maart 2004 werd vernietigd en derhalve moet geacht worden nooit te hebben bestaan. Het middel is ongegrond. X-13.221-10/11 BESLISSING
  28. De Raad van State verwerpt het beroep.
  29. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig april 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.221-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.327 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.