id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.332 Rolnummer: A. 92146/X-9558 Zaak: Arrest 203332 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-11 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:40 Fiche Arrest nr 203.332 van 28 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 203.332 van 28 april 2010 in de zaak A. 92.146/X-9558. In zake: 1. de v.z.w. ZUSTERS DER CHRISTELIJKE SCHOLEN, Rechtsgeding hervat door de DONCHESTICHTING SOCIALE PROJECTEN 2. de v.z.w. JEUGDZORG VAN DE ZUSTERS DER CHRISTELIJKE SCHOLEN MONTE ROSA, thans de v.z.w. MONTEROSA JEUGDZORG VAN DE ZUSTERS DER CHRISTELIJKE SCHOLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Van Passel en Ilse Cuypers kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Frankrijklei 146 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Van Geeteruyen kantoor houdend te 1080 BRUSSEL Leopold II laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 mei 2000, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 28 maart 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar en vernietiging van het besluit van 7 oktober 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij het beroep ingesteld door E.Z.T. Bogaerts, afgevaardigd beheerder namens de v.z.w. Zusters der Christelijke Scholen tegen het besluit van 6 mei 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven tot weigering van de vergunning voor het slopen van een garage met berging, het oprichten van een nieuwe garage met werkplaats en het uitbreiden met verblijfplaatsen van een opvangtehuis gelegen te Leuven, Heidebergstraat, op een perceel kadastraal bekend sectie D, nr. 87/e, ingewilligd wordt. X-9558-1/9 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 90.454 van 25 oktober 2000 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De DONCHESTICHTING SOCIALE PROJECTEN heeft op 26 januari 2010 een verzoek tot gedinghervatting ingediend, wat de eerste verzoekende partij betreft. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 maart 2010. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat An Valckenborgh, die loco advocaat Ilse Cuypers verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Wendy Gillard, die loco advocaat Steven Van Geeteruyen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-9558-2/9 III. Feiten 3.1. De rechtsvoorganger van de eerste verzoekende partij dient op 19 februari 1999 (datum van het ontvangstbewijs) bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven een aanvraag in tot het slopen van een werkplaats, verbouwen en uitbreiden van een opvangtehuis aan Heidebergstraat 163 te Leuven. 3.2. Het onroerend goed is volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven gelegen in parkgebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. 3.3. De gemachtigde ambtenaar verleent op 14 april 1999 een ongunstig advies : “(...) Het eigendom is volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij KB van 7 april 1977, gelegen in een parkgebied. Volgens de planologische voorschriften gevoegd bij het gewestplan moeten parkgebieden in hun staat bewaard worden of zijn bestemd om zodanig ingericht te worden, dat ze in de al dan niet verstedelijkte gebieden hun sociale functie kunnen vervullen. De omzendbrief dd. 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen vermeldt: ‘het is duidelijk dat slechts die werken en handelingen kunnen toegelaten worden, die strikt noodzakelijk zijn voor de openstelling, het behoud, verfraaiing en/of aanleg van het park. Aldus houdt artikel 14.4.4 geen absoluut bouwverbod in, maar beperkt het de bouwmogelijkheden niettemin aanzienlijk. Enkel deze handelingen en werken die behoren of bijdragen tot de inrichting van het parkgebied, zijn er toegelaten, met uitsluiting van alle werken en handelingen met een andere bestemming, weze het een residentiële, industriële, agrarische, commerciële en zelfs culturele bestemming....’ en verder ‘Parkgebieden zijn al evenmin gebieden waar gemeenschapsvoorzieningen of openbare nutsvoorzieningen moeten ingeplant worden (scholen, medische instellingen en dergelijke), ten ware de bestaande gebouwen hiertoe geschikt zouden zijn en de openstelling voor het publiek op langere termijn niet in het gedrang wordt gebracht.’ Het ingediend ontwerp voorziet de uitbreiding van een opvangtehuis, hetgeen strijdig met de planologische voorschriften gevoegd bij het gewestplan Leuven i.c. artikel 14 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. Bovendien is toepassing van artikel 43 J2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 onmogelijk daar een volumeuitbreiding van een gemeenschapsvoorziening hierin niet is op(ge)nomen. (...)”. X-9558-3/9 3.4. Op 6 mei 1999 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven de vergunning. Het verwijst hiervoor naar het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar en stelt bovendien : “Het betrokken perceel ligt volgens het gewestplan Leuven (KB van 7.04.1977) in een parkgebied. Het ingediende project is niet in overeenstemming met de planologische voorschriften gevoegd bij dit gewestplan Leuven betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, en volgens de omzendbrief van 8 juli 1997, (art. 14 betreffende de parkgebieden). Het betreft hier de uitbreiding van bestaande gebouwen die als dusdanig niet door de gemachtigde ambtenaar kan toegestaan worden”. 3.5. Op 7 oktober 1999 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het door de rechtsvoorganger van de eerste verzoekende partij tegen voornoemd weigeringsbesluit ingestelde beroep in te willigen en de vergunning te verlenen. 3.6. De gemachtigde ambtenaar stelt op 27 oktober 1999 tegen dit laatste besluit beroep in. 3.7. Met het bestreden besluit van 28 maart 2000 wordt het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingewilligd en wordt de vergunning van 7 oktober 1999 vernietigd. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet), van het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en vertrouwensbeginsel, van “het recht van verdediging” en van artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op de 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet). De verzoekende partijen betogen dat in het bestreden besluit wordt erkend “dat het kindertehuis moet beschouwd worden als een gemeenschapsvoorziening” maar de aanvraag “om een gans andere, niet eerder X-9558-4/9 opgeworpen of besproken reden” weigert. Zij achten om die reden “het recht om gehoord te worden ofwel de hoorplicht geschonden”. Zij stellen dat niet “de gelegenheid (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.