id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.336 Rolnummer: A. 188976/VII-37223 Zaak: Arrest 203336 - Milieuvergunningen - 29/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:40 Fiche Arrest nr 203.336 van 29 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 203.336 van 29 april 2010 in de zaak A. 188.976/VII-37.
- In zake:
- de BVBA CAPELLE
- Noël BORRA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laurent Proot kantoor houdend te Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BVBA VERMEERSCH CONSTRUCTIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mario Deketelaere kantoor houdend te Antwerpen Meir 24 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 juli 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 8 mei 2008 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 8 november 2007 houdende het verlenen aan de BVBA Vermeersch Constructie van de vergunning voor de verandering van een inrichting voor de constructie, het onderhoud en de herstelling van landbouwvoertuigen, gelegen aan de Provinciebaan 54 te Koekelare, gedeeltelijk gegrond worden verklaard. VII-37.223-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 8 september
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 maart
- Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Vandamme, die loco advocaat Laurent Proot verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Rudy Verschraegen, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Mario Deketelaere, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 14 mei 2007 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koekelare aan de tussenkomende partij een milieuvergunning met als voorwerp : VII-37.223-2/10 "lozen van 315 m³ huishoudelijk afvalwater per jaar in de gracht, via een IBA, een transformator met een individueel nominaal vermogen van 200 kVA, 4 heftrucks, 1 kraan, luchtcompressoren met een totaal geïnstalleerd vermogen van 30 kW, verplaatsbare gasflessen met een gezamenlijke waterinhoud van 2.500 l., 5.000 l. vloeibare stikstof in een bovengrondse tank, 7.000 l. mazout, 2.300 l. olie, 100 l. afvalolie, 1 brandstofverdeelslang, metaal-bewer- kingsmachines met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 109,10 kW, een ontvettingsbad van 200 l. en een verwarmingsinstallatie op mazout met een warmtevermogen van 309 kW en 90 kg giftige, zeer giftige en ontplofbare stoffen".
- Op 6 juli 2007 dient de tussenkomende partij bij de deputatie van de provincie West-Vlaanderen een regularisatieaanvraag in voor bepaalde onderdelen van de bestaande inrichting. Het voorwerp van deze aanvraag bestaat uit een stalplaats voor 20 voertuigen, de bovengrondse opslag van 3.000 liter mazout, een brandstofverdeelinstallatie, de opslag van 200 liter smeerolie, een stookinstallatie en diverse metaalbewerkingsmachines met een totale drijfkracht van 69,40 kW.
- Bij besluit van 8 november 2007 verleent de deputatie van de provincie West-Vlaanderen de gevraagde vergunning.
- Tegen dit besluit stelt de afdeling Ruimtelijke Ordening op 14 december 2007 beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. In het beroepschrift wordt gesteld dat een gedeelte van de bedrijfsactiviteiten bestaat uit het produceren, assembleren en installeren van industriële machines voor de voedingsverwerkende nijverheid, evenals van transportbanden en waterzuiveringsinstallaties. Dergelijke activiteiten zouden niet verenigbaar zijn met de bestemming agrarisch gebied.
- De verzoekende partijen stellen met een schrijven van 20 december 2007 eveneens beroep in. Zij wijzen in hun beroepschrift ook op de planologische onverenigbaarheid van de inrichting.
- In het kader van de beroepsprocedure worden meerdere adviezen uitgebracht : - de afdeling Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen, op 1 februari 2008 : ongunstig voor de activiteiten die verband houden met de productie van machines voor de voedingsverwerkende industrie; - de afdeling Milieuvergunningen, op 12 februari 2008 : gunstig; VII-37.223-3/10 - de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid, op 28 februari 2008 : ongunstig, wegens de "ruimtelijke onverenigbaarheid van de inrichting met de omgeving én de strijdigheid met de voor het terrein geldende planologische voorschriften"; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, op 11 maart 2008 : voorstel om de beroepen ongegrond te verklaren - er wordt evenwel voorgesteld om het beschikkend gedeelte van de milieuvergunning te wijzigen ten einde tot uiting te brengen dat de bedrijfsactiviteiten beperkt moeten blijven tot de herstelling en het onderhoud van landbouwvoertuigen en het landbouwtransport.
- Met een besluit van 8 mei 2008 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur worden de beroepen gedeeltelijk gegrond verklaard. De milieuvergunning wordt bevestigd maar er wordt als bijzondere voorwaarde toegevoegd dat de activiteiten beperkt dienen te blijven tot de herstelling en het onderhoud van landbouwmachines en het landbouwtransport en dat de constructie en de industriële productie van machines en toestellen niet zijn toegelaten. Dit is het bestreden besluit. De motivering ervan luidt als volgt : "Gelet op de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het gewestplan Diksmuide-Torhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 februari 1979; Overwegende dat de exploitatie het onderhoud en de herstelling van tractoren, machines met betrekking tot de landbouw en verwerking van teelten, alsook grasmachines omvat; dat er bijkomend wordt overgegaan tot het produceren, assembleren en installeren van industriële machines voor de voedingsverwerkende nijverheid; (...) Overwegende dat het bedrijf gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat volgens de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, een dergelijk gebied bestemd is voor de landbouw in de ruime zin, waar bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; dat de daar voorgestelde handelingen en werken de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar mogen brengen; dat er geen bijzonder plan van aanleg of verkaveling bestaat; Overwegende dat de inrichting gelegen is langs een vrij drukke verkeersweg met aan de linkerkant een natuurgebied met bos en aan de rechterkant enkele woningen; dat verder langs de weg nog een garage- en tuinbouwbedrijf aanwezig zijn; dat er tegenover de inrichting een landbouwbedrijf gelegen is; dat door de bestaande verspreide lintbebouwing aan de rechterkant, de doorkijk naar het landschap erachter grotendeels verhinderd wordt; dat er bijgevolg geen sprake is van een open landschap vanaf de Provinciebaan; VII-37.223-4/10 Overwegende dat para-agrarische bedrijven volgens artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp - gewestplannen en de gewestplannen eveneens niet grondgebonden kunnen zijn; dat het volstaat dat de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, slechts verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, op voorwaarde dat de activiteiten van het bedrijf beperkt blijven tot de herstelling en onderhoud van landbouwmachines en landbouwtransport; Overwegende dat in die zin het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing zeker moet aangepast worden; Overwegende dat het openbaar onderzoek 2 bezwaren opleverde; Overwegende dat het een bestaand bedrijf betreft; dat er tijdens het plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen geen geluids- of geurhinder afkomstig van het bedrijf kon waargenomen worden; dat er met de poorten gesloten gewerkt werd; Overwegende dat de inrichting gelegen is op ongeveer 400 m van het dichtstbijgelegen woongebied; dat gezien de ruime afstand tot het dichtstbijgelegen woongebied, de inrichting geen bovenmatige hinder zal veroorzaken ten opzichte van de omwonenden; Overwegende dat het bedrijf gelegen is naast een bos, maar dit op geen enkele wijze aantast; dat het bedrijf niets toevoegt aan het geluidsniveau van het vrij drukke verkeer van de Provinciebaan; Overwegende dat het materieel van klanten tijdelijk gestald wordt gedurende de periodes van niet-activiteit in de land- en tuinbouw; Overwegende dat het stallen van bedrijfsvoertuigen wordt uitgebreid tot 25 bedrijfsvoertuigen; dat deze gestald worden op een verharde ondergrond; Overwegende dat de opslag van P3-producten uitgebreid wordt met 3000 1 in een bovengrondse dubbelwandige tank; dat de bovengrondse dubbelwandige tanken voorzien zijn van een overvulbeveiliging en een lekdetectie; dat er één verdeelslang voor rode mazout bijkomt; Overwegende dat de metaalbewerkingsmachines uitgebreid worden met 69,40 kW; dat er gewerkt wordt in een ruime hal met gesloten deuren; Overwegende dat de afvalstoffen selectief worden ingezameld; Overwegende dat in de bestreden beslissing een waterparagraaf staat waarin voldoende is gemotiveerd dat de vergunningsplichtige activiteit geen schadelijke effecten veroorzaakt op het watersysteem en er bijgevolg voldaan wordt aan artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, meer bepaald de watertoets; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de exploitatie beperkt tot het onderhoud en de herstelling van landbouwvoertuigen en -machines, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen". Met de bestreden beslissing wordt voornamelijk als bijzondere exploitatievoorwaarde opgelegd dat de activiteiten van de tussenkomende partij moeten beperkt blijven tot de herstelling en het onderhoud van landbouwmachines VII-37.223-5/10 en landbouwtransport en dat uitdrukkelijk de constructie en de industriële productie van machines en toestellen niet wordt toegelaten. IV. Ontvankelijkheid Eerste exceptie Standpunt van de partijen
- De tussenkomende partij werpt als eerste exceptie op dat de verzoekende partijen hun respectieve hoedanigheid van eigenaar en bewoner van de woning aan de overzijde van de inrichting niet staven. Beoordeling
- Zoals de verzoekende partijen terecht opmerken schrijft het algemeen procedurereglement nergens voor dat de in het inleidend verzoekschrift vermelde hoedanigheid en woonplaats aan de hand van officiële stukken moet worden bewezen. Te dezen zijn de verzoekende partijen door de in het verzoekschrift tot nietigverklaring vermelde gegevens volledig geïdentificeerd. De opgave van die gegevens maakt het voor de tussenkomende partij mogelijk om het bestaan van de vereiste hoedanigheid te betwisten, hetgeen zij nalaat te doen. De exceptie wordt verworpen. Tweede exceptie Standpunt van de partijen
- In een tweede exceptie voert de tussenkomende partij aan dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het rechtens vereiste belang. De eerste verzoekende partij zou op haar bedrijfszetel te Diksmuide geen rechtstreekse hinder kunnen ondervinden door de vergunde exploitatie, en de tweede verzoeker zou van zijn woonplaats geen rechtstreeks zicht hebben op de inrichting en evenmin zou hij hinder kunnen ondervinden door de vergunde activiteiten die plaatsvinden binnen een bestaand bedrijfsgebouw. In fine van haar exceptie stelt de tussenkomende partij nog dat het feit dat het administratief beroep van de verzoekende partijen ontvankelijk werd bevonden daaraan geen afbreuk doet. VII-37.223-6/10 In de laatste memorie voegt de tussenkomende partij nog toe dat het niet aan haar is om een negatief bewijs inzake de mogelijke hinder te leveren, en dat de verzoekende partijen in concreto hun belang moeten aantonen. Beoordeling
- De tussenkomende partij betwist niet dat de eerste verzoekende partij eigenaar is van een woning aan de overzijde van de vergunde inrichting en evenmin dat de tweede verzoeker die woning bewoont. Evenmin betwist de tussenkomende partij dat de betrokken woning gelegen is in de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting. Het eigendomsrecht van een onroerend goed in de nabijheid van een hinderlijke inrichting levert op zich een voldoende belang op om de milieuvergunning voor die inrichting aan te vechten. Wat betreft de tweede verzoeker is het, gelet op de beperkte afstand tot het vergunde bedrijf, aannemelijk dat hij op zijn woonplaats hinder kan ondervinden door de exploitatie. Aangezien het ontvankelijkheidsonderzoek van een annulatieberoep losstaat van het onderzoek van de ontvankelijkheid van een administratief beroep tegen een in eerste aanleg verleende milieuvergunning, is het ten slotte niet relevant of de verwerende partij in het kader van de afhandeling van het administratief beroep heeft onderzocht of de verzoekende partijen rechtstreekse hinder kunnen ondervinden door de betwiste exploitatie. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 14.
- In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 2, § 1, derde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van artikel 15.4.6.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, "van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek van de materiële motiveringsplicht", en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. VII-37.223-7/10 Zij betogen dat de vergunde inrichting onbestaanbaar is met de bestemming van landschappelijk waardevol agrarisch gebied en dat aan de planologische onverenigbaarheid niet kan worden geremedieerd door het opleggen van een bijzondere voorwaarde waarbij enkel para-agrarische activiteiten worden toegelaten. Zij zetten in de eerste plaats uiteen dat de verwerende partij bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag het esthetisch criterium volledig heeft veronachtzaamd en dat aan het planologisch criterium evenmin is voldaan omdat de activiteiten van de tussenkomende partij geen agrarisch of para-agrarisch karakter hebben en het in realiteit gaat over een regulier metaalverwerkend bedrijf. Zij stellen dat slechts een klein deel van het cliënteel verbonden is met de agrarische sector. Voorts betogen zij dat de inrichting ofwel bestaanbaar is met de bestemmingsvoorschriften, en dan vergunbaar is, ofwel niet bestaanbaar is met die voorschriften, in welk geval zij niet vergunbaar zou zijn, ook niet na het opleggen van een bijzondere voorwaarde. 14.
- De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord in essentie dat door het verlenen van de vergunning geen afbreuk wordt gedaan aan het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag, aangezien de para-agrarische en de niet-para-agrarische activiteiten van de inrichting afzonderlijk kunnen worden vergund en dat bij de beoordeling van het planologisch criterium determinerend is wat uiteindelijk wordt vergund, en niet wat werd aangevraagd. 14.
- De tussenkomende partij voegt in haar memorie nog toe dat zij de constructie en/of productie van landbouwmachines enkel nog door een zustervennootschap laat uitoefenen, op een nieuwe locatie. Wat betreft het esthetisch criterium stelt zij dat het bestreden besluit uitdrukkelijk oordeelt dat de inrichting geen afbreuk doet aan de schoonheidswaarde van het landschap, aangezien dit wordt gekenmerkt door een vrij drukke verkeersweg, meerdere bedrijven en lintbebouwing. 14.
- In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen dat wordt voorbijgegaan aan hun fundamentele kritiek dat het in essentie gaat om een metaalverwerkend bedrijf dat niet bestaanbaar is met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en dat de metaalverwerkende activiteiten niet kunnen worden opgesplitst in landbouwgerelateerde en niet-landbouwgerelateerde activiteiten. VII-37.223-8/10 14.
- De verwerende partij argumenteert in de laatste memorie waarom het uitoefenen van activiteiten die de herstelling en het onderhoud van landbouwmachines en landbouwtransport betreffen, volgens haar probleemloos kunnen worden afgesplitst van de activiteiten van constructie en industriële productie van niet met landbouw gerelateerde machines en toestellen. Zij wijst er op dat slechts bijkomend werd beoogd ook over te gaan tot het produceren, assembleren en installeren van industriële machines voor de voedingsverwerkende nijverheid en dat het oordeel over de stedenbouwkundige onverenigbaarheid van de bijkomende activiteiten niet hetzelfde oordeel hoeft te impliceren ten aanzien van de hoofdactiviteit. Het feit dat de aanvrager voor de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie heeft verklaard dat de beoogde exploitatie een volledig para-agrarisch karakter heeft, verhindert volgens haar niet dat de vergunning toch gedeeltelijk wordt vergund "tot beloop van het planologisch vergunbare". Uit het feit dat de toegestane drijfkracht ook zou kunnen worden aangewend voor de vergunde para-agrarische activiteit, kan volgens de verwerende partij geen gevolgtrekking worden gemaakt ten aanzien van het ondeelbaar karakter van de vergunningsaanvraag. 14.
- In haar laatste memorie preciseert de tussenkomende partij dat de minister zich enkel uitspreekt over de vergunbaarheid van hinderlijke activiteiten, en niet van de gebouwen waarin die activiteiten zullen plaatsvinden, dat het betrokken gebouw ingevolge een ministerieel besluit van 9 april 2009 inmiddels is vergund, en dat de "weigering van de productie van metaalconstructie" praktisch geen enkele weerslag heeft op de inrichtingen die nodig zijn voor het uitoefenen van de toegelaten "landbouwgerelateerde activiteiten". Beoordeling
- De verzoekende partijen wijzen geen rechtsregel aan waaruit zou voortvloeien dat de bevoegde overheid een vergunningsaanvraag ofwel geheel moet inwilligen ofwel geheel moet weigeren. Zij maken evenmin aannemelijk dat de betrokken aanvraag ondeelbaar is. De verwerende partij handelde dan ook niet onwettig door de aanvraag in te willigen in de mate dat zij verenigbaar is met de planologische bestemming van het gebied waarin de inrichting is gelegen. Te dezen blijkt dat door het opleggen van de exploitatievoorwaarde de vergunningverlenende overheid het para-agrarisch karakter van het bedrijf heeft willen verzekeren, zodat VII-37.223-9/10 het, overeenkomstig de planologische voorschriften, in het betrokken gebied kon worden toegestaan. Het besreden besluit motiveert waarom de vergunningverlenende overheid van mening is dat de inrichting wel degelijk in het betrokken landschap kan worden ingeplant. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat deze redengeving feitelijk onjuist is, noch dat zij kennelijk onredelijk is. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig april tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Luc Hellin VII-37.223-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.336 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div