← België

Arrest 203339 - Prijzen - 29/04/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.339 Rolnummer: A. 183831/VII-37658 Zaak: Arrest 203339 - Prijzen - 29/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:40 Fiche Arrest nr 203.339 van 29 april 2010 Economische zaken - Prijzen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 203.339 van 29 april 2010 in de zaak A. 183.831/VII-37.

  1. In zake: de CVBA INTERGEMEENTELIJKE MAATSCHAPPIJ VOOR OPENBARE GEZONDHEID IN HET GEWEST KORTRIJK (IMOG) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ivan Lietaer kantoor houdend te Kortrijk President Rooseveltplein 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-François De Bock kantoor houdend te Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 4 juni 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de minister van Economie van 6 april 2007 waarbij gedeeltelijk wordt ingegaan op een prijsverhogingsaanvraag voor het dienstjaar 2007 van de tarieven voor de aanvoer van groenafval door derden. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. VII-37.658-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 april
  4. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ivan Lietaer, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Joy Moens, die loco advocaat Jean-François De Bock verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De verzoekende partij is een intercommunale maatschappij die diverse afvalstoffen inzamelt en verwerkt. Op 8 februari 2007 dient zij in toepassing van de artikelen 3 en 4 van het ministerieel besluit van 20 april 1993 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen een aanvraag tot prijsverhoging in voor groenafval aangevoerd door derden voor het dienstjaar
  7. De aangevraagde tarieven zijn de volgende : - T1N gewoon (zachte snoei) 41.13 euro - T2N hard (zacht groen) 56,01 euro - T3N moeilijk (harde snoei) 56,01 euro - T4N gewoon (wortelstellen) 78,28 euro - T5N hard (niet selectief groen) 97,33 euro VII-37.658-2/7
  8. In vergadering van 21 februari 2007 brengt het Bestendig Comité van de Commissie tot regeling der prijzen een advies uit waarbij de volgende tarieven worden voorgesteld : - T1N zachte snoei 35,00 euro - T2N zacht groen 45,00 euro - T3N harde snoei 45,00 euro - T4N wortelstellen 65,00 euro - T5N niet selectief groen 75,00 euro
  9. Op 6 april 2007 beslist de minister van Economie aangaande de prijsaanpassing het volgende: "Op datum van 12 februari 2007 heeft de Prijzendienst de prijsverhogingsaanvraag ontvangen die u heeft ingediend op grond van het ministerieel besluit van 20 april 1993 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen. Dit dossier werd behandeld conform de voorschriften van artikel 2, §4 van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen. Overeenkomstig artikel 5 van het ministerieel besluit verleen ik u toelating tot het toepassen van de volgende prijzen (excl. BTW en excl. Milieuheffing): T1N zachte snoei: 35,00 euro/t T2N zacht groen: 45,00 euro/t T3N harde snoei: 45,00 euro/t T4N wortelstellen: 65,00 euro/t T5N niet selectief groen: 75,00 euro/t Deze beslissing houdt rekening met de inflatie sinds de voorgaande prijsverhoging en laat u toe een deel van de in het verleden geleden verliezen te recupereren. U bent nog verplicht de werkelijke prijzen die u naar aanleiding van deze toelating zal aanrekenen, aan de Afdeling Prijzen en Mededinging te notifiëren, en dit uiterlijk de dag van toepassing. Gelieve de juiste toepassingsdatum te vermelden". Deze beslissing vormt het voorwerp van het voorliggend annulatieberoep. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 6.
  10. De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke VII-37.658-3/7 motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het zorgvuldigheidsbeginsel. In een eerste onderdeel stelt zij dat zonder verdere motive- ring verwezen wordt naar de toepasselijke reglementaire bepalingen en naar het aanvraagdossier, terwijl de beslissing waarbij een prijsverhogingsaanvraag niet volledig wordt ingewilligd en waarbij het bestuur over een discretionaire bevoegdheid beschikt, afdoende gemotiveerd moet worden. Volgens de verzoekende partij lijken de in de bestreden beslissing vastgestelde prijzen willekeurig en werd niet nauwkeurig gemotiveerd waarom afgeweken werd van de aangevraagde prijsverhogingen. De feitelijke overwegingen zijn volgens haar niet draagkrachtig en afdoende en zouden een standaardformulering vormen. In een tweede onderdeel werpt de verzoekende partij op dat de bestreden beslissing onzorgvuldig werd voorbereid, terwijl artikel 2, § 4 van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen nochtans voorziet in de mogelijkheid voor de minister om bij het nemen van maatregelen in het kader van zijn prijsbeleid de nodige inlichtingen te eisen of onderzoekingen ter plaatse te laten doen door zijn ambtenaren. De gegevens die door de verzoekende partij werden verstrekt in het aanvraagdossier zouden onvoldoende zijn onderzocht en betrokken in de bestreden beslissing en er zou geen zorgvuldige belangenafweging zijn gedaan. 6.
  11. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat het eerste onderdeel van het eerste middel onontvankelijk is omdat de verzoekende partij tegelijk de schending van de formele en van de materiële motiveringsplicht inroept. Zij stelt daarnaast dat de aanvraag van de verzoekende partij gedeeltelijk werd ingewilligd en dat de motiveringsvereiste ten aanzien van een dergelijke gedeeltelijk positieve beslissing minder streng is voor de overheid. De juridische grondslag voor de beslissing alsmede de feitelijke gegevens waarmee rekening werd gehouden, werden vermeld zodat de formele motiveringsverplichting werd nagekomen. Zij verwijst naar het administratief dossier waarin de documenten werden bijgevoegd die de motieven van de bestreden beslissing schragen. VII-37.658-4/7 Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel wijst de verwerende partij erop dat zij advies heeft ingewonnen bij het Permanent Comité van de Commissie voor Prijsreglementering en bij haar eigen administratie aan wie het volledige aanvraagdossier werd overgemaakt. 6.
  12. In de memorie van wederantwoord merkt de verzoekende partij op dat zij nergens de gelijktijdige schending van de formele en de materiële motiveringsplicht heeft ingeroepen. Zij heeft enkel gesteld dat de bestreden beslissing niet afdoende werd gemotiveerd. Zij stelt daarnaast dat de bestreden beslissing, voor wat betreft het gedeelte van de prijsverhogingsaanvraag dat niet wordt ingewilligd, een negatieve beslissing is zodat de motivering op dit punt in feite en in rechte afdoende moet zijn. Dit geldt volgens haar des te meer omdat het aanvraagdossier omtrent deze prijsverhoging uitvoerig gestoffeerd en gemotiveerd was. Voorts kan volgens de verzoekende partij geen rekening worden gehouden met de motivering die vermeld is in een advies waaruit de verwerende partij in haar memorie van antwoord citeert. Dit advies is tot op heden onbekend aan de verzoekende partij en de draagwijdte ervan werd niet overgenomen in de bestreden beslissing, noch werd ernaar verwezen. Een gebrek aan motivering kan blijkens de verzoekende partij niet later in de memorie van antwoord worden rechtgezet. Zij stelt nog steeds niet te weten waarop de voorgestelde bedragen zijn gebaseerd. Bij gebrek aan afdoende motivering is het volgens haar ook niet bewezen dat de minister van Economie zich heeft gebaseerd op de in de memorie van antwoord vermelde adviezen. 6.
  13. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de beoordeling van de formele motivering moet gebeuren in het licht van alle gegevens van het administratief dossier. De motivering van de bestreden beslissing is volgens haar beknopt maar afdoende. Zij stelt dat een bestuur niet verplicht is alle door de partijen aangevoerde feitelijke en juridische argumenten te beantwoorden. Beoordeling
  14. De verzoekende partij moet worden gevolgd waar zij stelt dat zij in het eerste onderdeel van het eerste middel enkel een schending van de formele motiveringsplicht inroept en geen schending van de materiële motiveringsplicht. De VII-37.658-5/7 geuite kritiek heeft betrekking op het te summiere karakter van de formele motivering van de bestreden beslissing. De exceptie mist feitelijke grondslag en moet worden verworpen. Uit het bestreden besluit wordt afgeleid dat de procedure van artikel 2, § 4, van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen werd gevolgd, en dat bijgevolg advies werd gevraagd aan de Commissie tot Regeling van de Prijzen. Dit advies werd opgenomen in het administratief dossier. Uit de stukken blijkt dat dit advies werd overgenomen in de bestreden beslissing. Hoewel het in de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk wordt gesteld, wordt hieruit afgeleid dat de minister zich heeft aangesloten bij de in het advies voorgestelde bedragen voor de prijsverhoging. Het advies zelf is evenwel niet gemotiveerd voor wat betreft de voorgestelde bedragen. Het vermeldt enkel de toegekende bedragen, maar er is geen bespreking opgenomen van het aanvraagdossier, noch een reden waarom niet de gevraagde bedragen worden toegekend, noch enige verantwoording voor de door de Commissie voorgestelde bedragen. Slechts indien dergelijk advies zelf voldoende gemotiveerd is en aan de betrokkene ter kennis wordt gebracht, kan worden volstaan met een summiere motivering waarbij de overheid zich aansluit bij het advies. In casu kon de minister van Economie de prijsverhogingsaanvraag afwijzen of geheel of gedeeltelijk aanvaarden. Uit dergelijke ruime beslissingsbevoegdheid volgt dat in de beslissing over de prijsverhogingsaanvraag motieven moeten worden opgegeven die voldoende duidelijk, concreet, nauwkeurig en draagkrachtig zijn. De bestreden beslissing steunt enkel op het volgende motief: "Deze beslissing houdt rekening met de inflatie sinds de voorgaande prijsverhoging en laat u toe een deel van de in het verleden geleden verliezen te recupereren". Deze uiterst summiere formulering laat niet toe de redenen te kennen waarom de minister van Economie meende niet volledig te kunnen ingaan op de door de verzoekende partij uitvoerig gemotiveerde prijsverhogingsaanvraag. Daarenboven bepaalt artikel 4, § 2 van het ministerieel besluit van 20 april 1993 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen dat de aanvraag tot een prijsverhoging, om ontvankelijk te zijn, onder meer, een becijferde verantwoording van de verhoging en de evolutie van de kostprijselementen moet bevatten. Ook op VII-37.658-6/7 grond van deze bepaling wordt aangenomen dat de beslissing over de prijsverhoging een beoordeling zou inhouden van de door de verzoekende partij becijferde verantwoording en dat zou worden aangegeven op welk punt de ingediende verantwoording niet kan worden gevolgd. Het eerste middel is gegrond. BESLISSING
  15. De Raad van State vernietigt het besluit van de minister van Economie van 6 april 2007 waarbij gedeeltelijk wordt ingegaan op een prijsverhogings- aanvraag voor het dienstjaar 2007 van de tarieven voor de aanvoer van groenafval door derden.
  16. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  17. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig april tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Luc Hellin VII-37.658-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.339 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.