id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.415 Rolnummer: A. 165708/X-12467 Zaak: Arrest 203415 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-11 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 203.415 van 29 april 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 203.415 van 29 april 2010 in de zaak A. 165.708/X-12.
- In zake:
- Thierry LEQUIME
- Annik IWEINS DE WAVRANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Gregory Verhelst kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
- de gemeente HULDENBERG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te 3080 TERVUREN Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Boomstraat 14, bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 2 september 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 8 juni 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg, waarbij aan de n.v. BARONES de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het verbouwen van een bestaande woning tot 15 woongelegenheden en één conciërgewoning te Huldenberg (Neerijse), Lindenhoflaan 3, kadastraal bekend sectie C, nr. 318/c. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 154.659 van 8 februari 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. X-12.467-1/12 De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 februari
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Valkeniers, die loco advocaten Peter Flamey en Gregory Verhelst verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Dany Socquet, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 31 december 2003 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de n.v. Barones bij het gemeentebestuur van Huldenberg een vergunning aan voor “verbouwing bestaand gebouw tot 15 woongelegenheden” op een perceel gelegen te Huldenberg (Neerijse), Lindenhoflaan 3, kadastraal bekend sectie C, nr. 318/c. X-12.467-2/12 3.
- Het voormelde perceel is overeenkomstig het op 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven gelegen in gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek omtrent de aanvraag van 9 januari 2004 tot 9 februari 2004 dienen onder meer de verzoekende partijen een bezwaarschrift in. 3.
- Op 11 februari 2004 geeft de cel Monumenten en Landschappen een voorwaardelijk gunstig advies. 3.
- Op 8 maart 2004 geeft de GECORO van Huldenberg een gunstig advies, waarbij gesteld wordt dat het voorgestelde aantal woongelegenheden niet verder mag opgedeeld worden en er een oplossing moet gezocht worden voor de opvang van de afvalwaters. 3.
- Op 23 maart 2004 verwerpt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg de bezwaarschriften en wordt een voorwaardelijk gunstig vooradvies verleend. In het vooradvies wordt verwezen naar een advies van de intergemeentelijke milieudienst van 3 december 2003 aangaande de noodzaak om de verwachte afvalwaters op te vangen en te zuiveren vooraleer deze in de Ijse terechtkomen. 3.
- Op 28 mei 2004 geeft de gemachtigde ambtenaar een voorwaardelijk gunstig advies. 3.
- Op 8 juni 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg de gevraagde vergunning onder voorwaarden. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Externe adviezen (...) - advies van de intergemeentelijke milieudienst interleuven aangaande de lozing van het afvalwater (...) X-12.467-3/12 Het voorgesteld verbouwingsproject ‘Kasteel van Neerijse’ met het bindend voorwaardelijk gunstig advies van de cel Monumenten en Landschappen, en met het gunstig advies vanwege de gemachtigde ambtenaar, is verenigbaar met de goede plaatselijke ordening en stemt overeen met de algemeen geldende en gangbare stedenbouwkundige regels en met artikel 195bis van het geldende decreet. De nieuwe bestemming zowel als de wijze waarop ze ingepast wordt binnen het historische gebouw, meer specifiek de aandacht die de bestemming en haar concrete uitwerking heeft voor de intrinsieke zowel als beeldbepalende waarde van het gebouw in zijn feitelijke parkomgeving, staan garant voor een passend handhaven van dit erfgoed naar de toekomst. In zover komt de aanvraag tegemoet aan een belangrijke bekommernis”. Onder meer de volgende voorwaarde wordt opgelegd: “7)- op minstens 2 m van de perceelsgrenzen een regenwaterput met inhoud in overeenstemming met de horizontale dakoppervlakte te plaatsen en te gebruiken om onder andere de uitputting van het grondwater tegen te gaan en het beperken van overstromingsgevaar bij hevige regenval. Een hydrofoor of andere pompinstallatie moet op de regenwaterput worden aangesloten. Het opgevangen regenwater dient minimum te worden gebruikt, met vaste leidingen, voor alle WC’s en alle wasmachines en de regenwaterput moet het hemelwater opvangen van minstens de helft van het dakoppervlak van het gebouw. (G.R. beslissing 25/05/1999); - zie bijlage - Tevens dienen de exacte capaciteit van regenwaterbuffering zowel als eventuele infiltratie zich te schikken naar de provinciale verordening hieromtrent”. 3.
- Op 7 november 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg een nieuwe vergunning aan de n.v. Barones tot het verbouwen van hetzelfde kasteel, ditmaal tot 10 woongelegenheden, conciërgewoning en garages. Het door de verzoekende partijen bij de Raad van State ingestelde vernietigingsberoep tegen de laatstgenoemde vergunning (zaak A. 186.861/X-13.640) is nog hangende. IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de verzoekende partijen 4.
- De verzoekende partijen stellen in het verzoekschrift het volgende over de tijdigheid van hun beroep: “De stedenbouwwetgeving voorziet niet in de kennisgeving/betekening van de bestreden beslissing aan derden belanghebbenden, die er enkel toe gehouden zijn vanaf het ogenblik van kennisname van het bestaan van de vergunning de nodige diligentie aan de dag te leggen binnen een redelijke termijn kennis te nemen van de omvang en de voor hen belangrijke overwegingen, tijdstip waarop de termijn voor het in rechte treden een aanvang neemt; Op datum van 27/07/2005 konden verzoekende partijen vaststellen dat op het terrein voorwerp X-12.467-4/12 van de bestreden beslissing containers werden geplaatst en op 01/08/2005 een aanvang werd genomen met het ruimen van puin afkomstig van de binnenzijde van het kasteel; Naar aanleiding van de aanvang der werkzaamheden hebben verzoekende partijen bij schrijven van 3 augustus 2005 aan verwerende partij inzage gevraagd in een gebeurlijk afgeleverde stedenbouwkundige vergunning en daarmee samenhangende externe adviezen; Op 4 augustus werd het nodige gedaan teneinde het bouwdossier op de gemeente Huldenberg in te kijken op de technische dienst; Evenwel werd geweigerd aan verzoekende partijen inzage te verlenen in het volledige bouwdossier en werd enkel de verleende vergunning voorgelegd; Het voorgaande in de wetenschap dat de bestreden beslissing veelvuldig gebruik maakt van een onrechtstreekse motivering door verwijzing naar externe adviezen en planologische attesten; De loutere inzage van het vergunningsbesluit liet verzoekende partijen derhalve geenszins toe de draagwijdte en de voor hen belangrijke motieven te distilleren; Naar aanleiding van de inzage van het dossier op de gemeente op 03/08/2005 werd overigens categoriek geweigerd een afschrift af te leveren van de bestreden vergunning; Bij aangetekend schrijven van 4 augustus 2005, overigens niet geprotesteerd door de gemeente Huldenberg dienden verzoekende partijen afschrift op te eisen met toepassing van de decretale regeling openbaarheid van bestuur en art. 63 DROG van het bestreden besluit en de externe adviezen, waarvan in het kader van de onrechtstreekse motivering in het bestreden besluit gebruik werd gemaakt; Het is pas bij schrijven van 24 augustus 2005 vanwege de gemeente Huldenberg, door verzoekende partijen ontvangen op 26 augustus 2005 dat een afschrift van de vergunning en de nodige stukken van het bouwdossier werden afgeleverd; De termijn bepaald in art. 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kon dan ook geen aanvang nemen in hoofde van verzoekende partijen voor de aanvang van de werken op het terrein, gebeurtenis waardoor zij dienden te vermoeden dat mogelijke een stedenbouwkundige vergunning werd verleend; Uw Raad zal tevens rekening willen houden met de tegenwerking die vanwege het gemeentebestuur werd gesteld waarbij afschrift van de bestreden beslissing werd geweigerd bij het zich aanbieden op de technische dienst en bovendien geen inzage in de overige stukken van het bouwdossier werd verkregen; De correcte draagwijdte van de vergunning en de eraan ten grondslag liggende motieven konden pas worden geëvalueerd door verzoekende partijen na ontvangst van het bundel van de gemeente op 26 augustus 2005; Het verzoek tot schorsing werd derhalve tijdig ingesteld”. De aangevoerde excepties 4.
- In haar memorie van antwoord werpt de eerste verwerende partij de volgende exceptie op: “II. NOPENS DE ONTVANKELIJKHEID RATIONE TEMPORIS Aangezien in deze dient te worden onderzocht of de verzoekende partijen met bekwame spoed en binnen de hiertoe voorziene termijn huidig verzoek tot nietigverklaring hebben ingediend. Inzonderheid dient te worden vastgesteld dat het bestreden besluit dateert van 8 juni 2004, waar het verzoekschrift slechts is toegekomen ter griffie van uw Raad op datum van 5 september
- X-12.467-5/12 Hierbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat de verzoekende partijen tevens een bezwaarschrift hebben ingediend in het kader van het openbaar onderzoek en deze procedure, zelfs middels tussenkomst van een raadsman, klaarblijkelijk zeer nauwlettend hebben Dat inzonderheid de verzoekende partijen, middels hun raadsman, hun bezwaarschrift hebben laten betekenen bij deurwaardersexploot op datum van 6 februari 2004 en dienvolgens na de behandeling van de bezwaarschriften en na ontvangst van alle vereiste adviezen (allen gunstig) het college van burgemeester en schepenen in zitting van 8 juni 2004 is overgegaan tot de toekenning van de stedenbouwkundige vergunning. Dat verzoekers niet aannemelijk kunnen maken dat zij dienvolgens geen enkele interesse meer zouden hebben betoond in het bouwdossier en zich verder niet meer hebben geïnformeerd omtrent de verdere evolutie van het bouwdossier. Uit de gegevens bijgebracht door het Vlaamse gewest dient te blijken dat er met de werken reeds een aanvang werd genomen ruim voor juli
- Dat de vordering aldus als onontvankelijk ratione temporis dient te worden afgewezen”. 4.
- In haar laatste memorie vraagt de eerste verwerende partij zich af of het beroep ten gevolge van de vergunning van 7 november 2006 niet zonder voorwerp is geworden. Beoordeling 4.
- De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement), de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij liggen, wanneer zij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van het algemeen procedurereglement ten grondslag ligt, eensdeels, en de X-12.467-6/12 noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning, bijvoorbeeld van de mogelijkheid die hem door het toentertijd geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw werd geboden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat. Het is dan weer zaak van de verzoekende partij in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn, via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning heeft proberen in te winnen. Uit de door de verzoekende partijen verstrekte gegevens blijkt dat zij binnen een redelijke termijn nadat zij het bestaan van de vergunning konden vermoeden, gebruik hebben gemaakt van hun recht om de verleende vergunning in te zien. Hun annulatieberoep is ingediend binnen de termijn van 60 dagen nadat ze inzage hebben gehad in de vergunning. De eerste verwerende partij verstrekt geen concrete gegevens waaruit kan blijken dat de verzoekende partijen reeds meer dan 60 dagen voor het instellen van het beroep kennis hadden van de inhoud van het bestreden besluit. Het loutere feit dat de verzoekende partijen tijdens de vergunningsprocedure een bezwaar hebben ingediend, toont geenszins aan dat zij eerder dan zij zelf stellen kennis hadden van het bestaan van de vergunning. 4.
- Het blijkt niet - en de eerste verwerende partij beweert ook niet - dat de bestreden vergunning ingetrokken is. Zoals gesteld (randnr. 3.9) wordt de vergunning van 7 november 2006 met een annulatieberoep voor de Raad van State bestreden. Het beroep is niet zonder voorwerp geworden. 4.
- De excepties worden verworpen. X-12.467-7/12 V. Onderzoek van het derde middel Uiteenzetting van het middel 5.
- Het derde middel wordt als volgt uiteengezet in het verzoekschrift: “Derde deel, genomen uit de schending van art. 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid, de beginselen van behoorlijk bestuur i.h.b. het zorgvuldigheidsbeginsel, en de formele motiveringsplicht zoals bepaald door art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; Doordat, de bestreden beslissing de verbouwing van een kasteel tot vijftien appartementen en een conciërgewoning vergunt zonder voorafgaandelijk de watertoets door te voeren; Terwijl, art. 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid de overheid verplicht in het kader van een vergunningsaanvraag na te gaan of de aanvraag een schadelijk effect kan hebben op de waterhuishouding, in welk geval door het opleggen van voorwaarden de schade moet worden beperkt of de vergunning moet worden geweigerd; Dat art. 8 §2 van het voormeld decreet een bijzondere motiveringsplicht inhoudt betreffende iedere beslissing inzake een plan, een vergunning of een programma, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid moeten worden getoetst; Dat de vergunningverlenende overheid over de appreciatiebevoegdheid beschikt na toetsing aan deze doelstellingen en beginselen te concluderen tot het gebrek aan enig schadelijk effect ten aanzien van de waterhuishouding, doch dit minstens dient te vermelden in het kader van de bijzondere motiveringsplicht; Dat nu art. 8 van het decreet in het algemeen alle beslissingen inzake vergunningen viseert, de resultaten van de watertoets ingevolge de motiveringsplicht steeds dienen te worden opgenomen, zelfs al zou de vergunningverlenende overheid de mening zijn toegedaan dat de vergunde werken geen enkele invloed hebben op de waterhuishouding; Dat in casu het perceel waarop het kasteel te Neerijse is gevestigd ontegensprekelijk is gelegen in een watergevoelig gebied, met name in de vallei van de rivier de Ijse, die vlak naast het kasteel en de woning van verzoekende partijen doorloopt; dat in het voorafgaandelijk advies van het College van Burgemeester en Schepenen dd. 23 maart 2004 verwerende partij zelf gewag maakt dat de oorsprong van het kasteel is gelegen in een omwaterd jachtpaviljoen; Dat uit de formele motivering geenszins blijkt dat aan de decretale verplichting van de watertoets werd voldaan, zodoende dat de formele motiveringsplicht is aangetast; Dat het decreet en zodoende de verplichting tot het doorvoeren van de watertoets in werking is getreden op 24 november 2003; Dat bij gebreke van waterbeheersplannen in elk geval dient getoetst te worden aan de doelstellingen en beginselen van het algemeen waterbeleid; Dat bij twijfel is voorzien in een verplichte adviesaanvraag nopens het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te voorkomen, te beperken, te herstellen of te compenseren; X-12.467-8/12 Dat de bepaling van art. 8 §1 overigens voldoende duidelijk en restrictief is zodat zij op zichzelf reeds verplichtingen oplegt en het uitvoeringsbesluit niet moet worden afgewacht teneinde de decretale voorschriften toe te passen; Dat de rechtspraak van Uw Raad overigens reeds aanvaard heeft dat de vergunningverlenende overheid de betrokken aanvraag aan een watertoets dient te onderwerpen in de zin van art. 8 §1 decreet betreffende het integraal waterbeleid, als het project een invloed kan hebben op de waterhuishouding; In de rechtspraak werd dit minstens reeds bevestigd voor wat betreft de opmaak van een plan zodoende dat hetzelfde geldt inzake de vergunningsaanvraag zoals bepaald in art. 8 van het decreet; De toetsing dient te geschieden en enig uitvoeringsbesluit moet niet worden afgewacht; In kwestie werd immers het betrokken plan geschorst omdat de toetsing niet was geschied;(...) Dat art. 8 van het decreet voorziet in een bijzondere formele motiveringsplicht, waarbij dient de blijken of de overheid haar beslissing wel degelijk aan de watertoets heeft onderworpen en of zij daarbij is uitgegaan van de juiste gegevens en zij op basis van die gegevens in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat het ontbreken ervan aanleiding geeft tot de onwettigheid van de overheidsbeslissing; Dat iedere zorgvuldige overheid geacht wordt de wet te kennen en met voldoende kennis van zaken haar beslissing af te wegen; dat in casu het decreet inzake het integraal waterbeleid reeds voldoende lange tijd in werking was getreden en zodoende het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden; Zodat, de in het middel opgenomen rechtsregels en beginselen zijn geschonden”. Beoordeling 5.
- Het geschonden geachte artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: decreet integraal waterbeleid) stelde ten tijde van het bestreden besluit het volgende: “§
- De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma's, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren. §
- De overheid houdt bij het nemen van die beslissing rekening met de relevante door de Vlaamse regering vastgestelde waterbeheerplannen, bedoeld in hoofdstuk VI, voor zover die bestaan. X-12.467-9/12 De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. (...)”. Onder “schadelijk effect” verstaat artikel 3, § 2, 17/ van het voormelde decreet: “(...) ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen”. 5.
- Uit deze bepalingen volgt dat een beslissing waarbij een vergunning wordt verleend een formele motivering dient te bevatten waaruit blijkt dat de in artikel 8, § 1 van het decreet integraal waterbeleid bedoelde watertoets is uitgevoerd. Uit die motivering moet meer bepaald blijken, hetzij dat uit het voorwerp van de vergunning geen schadelijke effecten kunnen ontstaan als bedoeld in artikel 3, § 2, 17/ van voormeld decreet, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat die door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld. Enkel met de formeel uitgedrukte motieven mag rekening worden gehouden. 5.
- De tweede verwerende partij betoogt dat de watertoets als instrument van het integraal waterbeleid bij het verlenen van milieu- en bouwvergunningen op het moment van de bestreden beslissing “nog niet operationeel” was. Deze stelling kan niet worden bijgetreden. Het decreet integraal waterbeleid is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 november 2003 en is derhalve, bij gebrek aan andersluidende bepaling, in werking getreden op 24 november
- Artikel 8, § 5 van het decreet integraal waterbeleid voorziet weliswaar in de mogelijkheid voor de Vlaamse regering om algemene richtlijnen uit te vaardigen of nadere regels vast te stellen, zowel in verband met de criteria om vast te stellen dat handelingen of activiteiten een schadelijk effect veroorzaken, als in verband met het bepalen van de gepaste voorwaarden om het schadelijk effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren, maar de Vlaamse regering wordt niet verplicht om terzake enig uitvoeringsbesluit te nemen. Ook bij gebrek X-12.467-10/12 aan een uitvoeringsbesluit zijn de betrokken overheden verplicht om in de in artikel 8, § 1 bedoelde gevallen de watertoets uit te voeren. De eerste verwerende partij kon bijgevolg op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit hoe dan ook geen vergunning meer afleveren zonder zich ervan te vergewissen dat aan de vereisten van het decreet integraal waterbeleid was voldaan. 5.
- Anders dan de verwerende partijen voorhouden volgt uit het opleggen van de voorwaarde om een regenwaterput met pompinstallatie aan te leggen, om het water uit deze put te gebruiken en om zich te schikken naar het gemeentelijk reglement en de provinciale verordening niet dat het bestreden besluit een formele motivering bevat waaruit blijkt dat de watertoets is uitgevoerd. Uit het voormelde artikel 3, § 2, 17/ van het decreet integraal waterbeleid blijkt immers niet dat de watertoets beperkt zou zijn tot de aspecten waarop de voornoemde voorwaarde betrekking heeft. Dat de bestreden vergunning “geen volumeuitbreiding van het kasteel tot gevolg heeft” en dat “de bestemmingswijziging naar 15 + 1 louter residentiële woonentiteiten hoe dan ook geen grotere afvoer van afvalwater tot gevolg kan hebben dan de bestemming als hotel”, zoals de eerste verwerende partij opwerpt, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Deze motieven dienden immers, overeenkomstig artikel 8, § 2 van het decreet integraal waterbeleid, uit het bestreden besluit zelf te kunnen worden afgeleid, vermits enkel met de in dat besluit formeel uitgedrukte motieven rekening mag worden gehouden. 5.
- Het derde middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van 8 juni 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg, waarbij aan de n.v. BARONES de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het verbouwen van een bestaande woning tot 15 woongelegenheden en één conciërgewoning te Huldenberg (Neerijse), Lindenhoflaan 3, kadastraal bekend sectie C, nr. 318/c. X-12.467-11/12
- De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig april 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.467-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.415 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.659 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div