← België

Arrest 203567 - Tucht (openbaar ambt) - 03/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.567 Rolnummer: A. 176425/IX-5419 Zaak: Arrest 203567 - Tucht (openbaar ambt) - 03/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-11 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 203.567 van 3 mei 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.567 van 3 mei 2010 in de zaak A. 176.425/IX-5419 In zake : Johan LAGACHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de politiezone TIENEN-HOEGAARDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nathalie De Clercq kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 september 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 4 juli 2006 van het politiecollege van de politiezone Tienen- Hoegaarden waarbij de voorlopige schorsing bij ordemaatregel van Johan Lagache wordt opgeheven en hij wordt herplaatst naar de federale politie met het oog op zijn tewerkstelling in de 101-centrale te Brussel. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 165.501 van 4 december 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-5419-1/24 Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april 2010. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Nathalie De Clercq verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker is inspecteur van politie bij de politiezone Tienen- Hoegaarden. 3.2. Op 11 mei 2006 wordt aan de verzoeker meegedeeld dat hij verdacht wordt van strafrechtelijk vervolgbare feiten, dat er daarover een gerechte- lijk opsporingsonderzoek wordt gevoerd en dat het politiecollege het voornemen heeft hem een voorlopige schorsing op te leggen. Op 16 mei 2006 wordt de verzoeker door de korpschef gehoord. Hij verklaart dat hij in plaats van een schorsing te moeten ondergaan, perfect zou kunnen functioneren in het onthaal. IX-5419-2/24 Bij besluit van 23 mei 2006 van het politiecollege wordt de verzoeker voorlopig geschorst voor een periode van vier maanden. In dat besluit wordt overwogen:

  1. a)in een rubriek “motieven”: “Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier, Overwegende, enerzijds, het bestaan van een opsporingsonderzoek dat ten laste van u werd gelegd ingevolge het gerechtelijk dossier met notitienummer LE.43.L5.002415/2006 van 1 mei 2006; Overwegende, anderzijds, dat uw aanwezigheid in het korps van de lokale politie van de PZ Tienen-Hoegaarden onverenigbaar is met het belang van de dienst, doordat: - De feiten die u ten laste worden gelegd ernstig en zwaarwichtig zijn. - U een zware beroepsfout hebt gemaakt die deontologisch totaal onaan- vaardbaar is. - Door uw handelen de waardigheid, de onkreukbaarheid en de integriteit van het ambt in het gedrang komt met als gevolg een verlies aan vertrouwen van zowel uw oversten, uw collega’s als de bevolking. Overwegende dat aan de wettelijke voorwaarden inzake de voorlopige schorsing is voldaan.”
  2. b)in de rubriek “beslissing” : “Gelet op bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3 en 59 tot 65; Gelet op de elementen in rechte en in feite bedoeld in punt 4; Gelet op uw verhoor bedoeld in punt 6 dat niet van aard is om de elementen in rechte en in feite bedoeld in punt 4 te weerleggen; Gelet op het feit dat een tewerkstelling in een ander korps van lokale politie of in een dienst van de federale politie op dit ogenblik niet mogelijk blijkt te zijn en daarenboven, gelet op uw verhoor, voor u geen optie is. In onze hoedanigheid van hogere tuchtoverheid: Beslissen wij - u voorlopig te schorsen voor een duur van vier maanden De voorlopige schorsing die u wordt opgelegd: - houdt geen enkele inhouding van wedde in.” 3.3. Met een op 6 juni 2006 gedateerd mailbericht deelt de Cel Juridisch advies operaties van de federale politie aan de korpschef van de politiezone Tienen - Hoegaarden mee wat volgt: “Ik heb uw mail van heden in goede orde ontvangen. Een personeelslid kan zonder zijn instemming worden gedetacheerd, bvb naar een 101 centrale van een andere zone. Dergelijke detachering is niet tegenstrijdig met een lopende schorsing, nu enerzijds het belang van de dienst in de PZ Tienen hieronder niet lijdt en de calltaking een reglementaire opdracht is waarbij betrokkene nog slechts auditief in contact met het publiek komt. De feiten waarvoor thans een gerechtelijk onderzoek werd opgestart, kunnen zich normaliter niet meer voordoen. IX-5419-3/24 De statutaire bepalingen met betrekking tot een detachering zijn uiteraard van toepassing (verplaatsingen (meerkost) en maaltijden). Praktisch gezien moet er door de burgemeester een nieuwe beslissing worden genomen, waarin de uitvoering van de lopende schorsing wordt geschorst vanaf de aanvang van de detachering en dit voor de tijd van de detachering in het callcenter.” 3.4. Met een op 30 juni 2006 gedateerde brief roept de korpschef de verzoeker op om zich op 4 juli 2006 aan te bieden “bij het politiecollege, zetelend in de hoedanigheid van hogere tuchtoverheid”. 3.5. Op 4 juli 2006 ondertekent de verzoeker voor kennisneming en ontvangst een document van dezelfde datum met als onderwerp “kennisgeving opheffing voorlopige schorsing bij ordemaatregel (HTO) beslissing tot herplaatsing (afdeling)”. In dat document wordt een samenvatting gegeven van de antecedenten, wordt verwezen naar een mail van 29 juni 2006 van de federale politie en wordt de thans bestreden beslissing verwoord. Het document bevat volgende rubrieken; “(...) 6. Mogelijkheid tot tijdelijke herplaatsing Op 29 juni 2006 ontvangt korpschef HCF Pierre SCHIPPERS een E-mail van de directeur van de Mobiliteit en het Loopbaanbeheer van de federale politie waarin wordt medegedeeld dat de directeur-generaal van het personeel akkoord gaat met een detachering van Inp LAGACHE naar de federale politie met het oog op een inzetting in de ‘dienst 101 te Brussel Kolenmarkt’; dit ter vervanging van een personeelslid dat wegens redenen van sociale aard tijdelijk zal worden afgedeeld naar de politiezone Tienen-Hoegaarden. 7. Beslissing Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3 en 59 tot 65; Gelet op de elementen in rechte en in feite bedoeld in punt 4; Gelet op uw verhoor bedoeld in punt 6 dat niet van aard is om de elementen in rechte en in feite bedoeld in punt 4 te weerleggen; Gelet op het feit dat een tijdelijke tewerkstelling bij de federale politie, via het systeem van detachering, een opportuniteit is en daarenboven het akkoord heeft van de directeur-generaal van het personeel van de geïntegreerde politie; Gelet op het juridisch advies van HCP Jur Alain LINERS van DGP/DPS van de federale politie d.d. 06 juni 2006, waarin aan de korpschef wordt medegedeeld dat er geen bezwaar is tegen een detachering van een geschorst personeelslid, na opheffing van die schorsing, zelfs zonder diens instemming. In onze hoedanigheid van hogere tuchtoverheid: Beslissen wij ! De voorlopige schorsing voor een duur van vier maanden die u werd opgelegd op 23 mei 2006 en betekend op 24 mei 2006 wordt met onmiddellijke ingang opgeheven. ! Vanaf 05 juli 2006 wordt u voor onbepaalde tijd en minstens totdat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen, afgedeeld naar de federale politie met het oog op een tewerkstelling in de 101 centrale te BRUSSEL.” IX-5419-4/24 De verwerende partij legt met betrekking tot de bestreden beslissing ook twee uittreksels uit het register der beraadslagingen van het politiecollege (zitting van 4 juli 2006) neer. 3.6. Met een fax van 13 september 2006 deelt de procureur des Konings te Leuven aan de korpschef mee dat de verzoeker voor de correctionele rechtbank wordt gedagvaard wegens het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen. 3.7. De verzoeker is tewerkgesteld gebleven in de 101-centrale te Brussel tot 04 december 2007, datum waarop de 101-centrale te Brussel werd opgeheven en overgeheveld naar het CIC Brussel. Dientengevolge keert de verzoeker terug naar de politiezone Tienen-Hoegaarden. Bij beslissing van 25 februari 2008 wordt de verzoeker voorlopig geschorst voor een duur van vier maanden, met inhouding van wedde van 25 %. Tegen deze beslissing heeft de verzoeker een verzoek tot nietigverklaring ingediend gekend onder het rolnummer A.188.023/IX-5910. Deze voorlopige schorsing wordt telkens met vier maanden verlengd met de beslissingen van respectievelijk 26 juni 2008, 21 oktober 2008 en 17 februari 2009. Tegen elk van deze beslissingen heeft de verzoeker telkens een verzoek tot nietigverklaring ingediend gekend onder de rolnummers A.189.435/IX-6022 , A.190.800/IX-6168 en A.192.289/IX-6329. 3.8. In een vonnis van 11 september 2007 heeft de correctionele rechtbank van Leuven bepaalde tenlasteleggingen tegen de verzoeker bewezen geacht en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden met gewoon uitstel gedurende drie jaar en een geldboete van 550 euro of één maand vervangende gevangenisstraf. In beroep heeft het Hof van Beroep van Brussel bij arrest van 11 februari 2009 de tenlasteleggingen tegen de verzoeker bewezen geacht maar heeft het tevens de uitspraak van veroordeling gedurende een termijn van vijf jaar onder de voorwaarden bepaald in de wet betreffende het uitstel, de opschorting en de probatie opgeschort. IX-5419-5/24 3.9. Met een beslissing van 8 december 2009 legt het politiecollege de verzoeker het ontslag van ambtswege op. Er is de Raad van State geen beroep tegen deze beslissing bekend. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de bestreden beslissing geen verkapte tuchtsanctie is vermits het een tijdelijke ordemaatregel in het belang van de dienst is, in afwachting van het resultaat van het tuchtrechtelijk en/of strafrechtelijk onderzoek, zonder dat een uitspraak gedaan wordt over de schuld van de verzoeker. Voorts wijst ze erop dat uit de beslissing van het politiecollege van 23 mei 2006 waarbij de verzoeker voorlopig geschorst werd, blijkt dat de verzoeker op dat ogenblik niet op een andere plaats kon worden tewerkgesteld. Deze beslissing van 23 mei 2006 is niet door de verzoeker aangevochten en is dus definitief. Met de bestreden beslissing wordt een minder ingrijpende maatregel opgelegd met name tewerkstelling in een ander korps dan die in de beslissing van 23 mei 2006 met name de voorlopige schorsing. Bijgevolg rijst de vraag welk belang de verzoeker heeft bij het aanvechten van een minder ingrijpende maatregel. Het enig voordeel dat de verwerende partij hierin ziet is het feit dat een voorlopige schorsing gepaard gaat met een afwezigheid van arbeid. Dit voordeel kan echter bezwaarlijk als een geoorloofd belang beschouwd worden. Dienvolgens, zo besluit de verwerende partij, is het verzoek tot nietigverklaring onontvankelijk bij gebrek aan geoorloofd belang. 5. De verzoeker geeft geen repliek in zijn memorie van wederant- woord maar merkt in een brief van 20 april 2009 aan de auditeur-verslaggever het volgende op: “Terzake de vraag naar het actueel belang van cliënt bij zijn verzoek tot nietigverklaring van de beslissing dd. 04.04.2006 is het inderdaad correct dat de tewerkstelling in de 101 centrale te Brussel werd beëindigd op 04.12.2007. Echter zijn alle verdere verlengingen van de voorlopige schorsing op deze beslissing terug te brengen, nu hier erkend wordt dat het niet nodig is cliënt verder te schorsen, en cliënt heeft een duidelijk moreel nadeel ondervonden van deze overplaatsing (onder meer de scha en schande bij de collega’s van het korps) zodat hij op heden nog steeds een belang heeft bij het verzoek tot nietigverklaring.” IX-5419-6/24 In zijn laatste memorie voegt hij hier nog aan toe dat de ordemaatregel gebaseerd is op zijn gedrag en dat dit dan ook diens eer en goede naam raakt. Het strafonderzoek is niet zozeer krenkend voor de goede naam van de verzoeker omdat iemand onschuldig is tot zijn schuld bewezen is. Beoordeling 6. In zoverre de verwerende partij bedoelt dat de bestreden beslissing als ordemaatregel geen aanvechtbare rechtshandeling zou zijn, dient erop te worden gewezen dat een dienstaanwijzing bij ordemaatregel of in het belang van de dienst en die gebaseerd is op het gedrag van de betrokken ambtenaar, zoals te dezen het geval is, een aanvechtbare rechtshandeling is. 7. Uit het feit dat hij geen beroep aangetekend heeft tegen de beslissing van 23 mei 2006, kan niet worden afgeleid dat hij geen belang zou hebben bij zijn voorliggend beroep. De bestreden beslissing heeft een onderscheiden voorwerp, berust op eigen motieven en is daarom een afzonderlijk aanvechtbare rechtshandeling, onafhankelijk van de vorige beslissing. Voorts heeft de verzoeker de bestreden beslissing, die beslissend verband houdt met zijn gedrag, ondergaan zodat hem een moreel belang dient te worden toegeschreven niettegenstaande ze al opgehouden heeft uitwerking te hebben. 8. Zijn ontslag doet niets af van het feit dat de bestreden maatregel gesteund is op het persoonlijk gedrag van de verzoeker en hij dienvolgens zijn belang bij het beroep behoudt. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel 9. De verzoeker roept in zijn eerste middel de schending in van de motiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de artikelen 59 tot 65 van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet). IX-5419-7/24 De verzoeker stelt dat in de bestreden beslissing geen motief zou kenbaar gemaakt zijn voor de opheffing van de voorlopige schorsing en de herplaatsing; er is enkel sprake van het feit dat dit gebeurt met instemming van de federale politie. Voorts merkt de verzoeker op dat de opheffing van de voorlopige schorsing de erkenning inhoudt dat het niet meer noodzakelijk is hem uit de dienst te verwijderen. De bestreden beslissing doet zich dan ook voor als een verkapte tuchtsanctie temeer de bestreden beslissing gekoppeld is aan de gerechtelijke einduitspraak; de verwerende partij heeft trouwens aan de verzoeker diens dienstwapen, dienstkaart en badge niet teruggegeven niettegenstaande de voorlopige schorsing werd opgeheven. Op grond van artikel 44 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus (hierna: WGP) is enkel de korpschef, en niet het politiecollege, bevoegd voor het opleggen van enige maatregel ter vrijwaring van de goede werking van de dienst. Ten slotte merkt hij op dat het politiecollege van wie de bestreden beslissing uitgaat, in het kader van een tuchtprocedure slechts een voorlopige schorsing kan opleggen en dat het niet bevoegd is om enige andere, reglementair niet voorziene, ordemaatregel op te leggen. De bestreden beslissing vermeldt immers als rechtsgrond de artikelen 1, 3 en 59 tot 65 van de tuchtwet die enkel handelen over de voorlopige schorsing en waaruit blijkt dat tot op heden ter tijdelijke verwijdering uit de dienst enkel de voorlopige schorsing kan worden opgelegd. 9. De verwerende partij antwoordt in haar memorie van antwoord dat het evident is dat de motivering van de bestreden beslissing identiek is aan de motivering van de beslissing tot voorlopige schorsing aangezien beide beslissingen genomen werden ingevolge het opsporingsonderzoek lastens de verzoeker op grond waarvan geoordeeld wordt dat de verzoeker voorlopig niet meer kan functioneren in het korps van de lokale politiezone. Dit werd door de verzoeker niet gecontes- teerd naar aanleiding van de beslissing tot voorlopige schorsing. Die beslissing werd niet gemotiveerd als zou de verzoeker uit elke politiedienst moeten worden geweerd, maar wel dat dit functioneren onmogelijk was binnen de lokale politiezone. Dit blijkt voldoende uit de motivering van de beslissing tot voorlopige schorsing waarin expliciet gesteld wordt dat een tewerkstelling in een ander korps van de lokale IX-5419-8/24 politie of in een dienst van de federale politie niet mogelijk bleek te zijn. Uit de bestreden beslissing blijkt dat er een akkoord is met de directeur-generaal om de verzoeker in de dienst 101 te Brussel tewerk te stellen, en dat dit een opportuniteit is. Een herplaatsing in plaats van de schorsing is, aldus de verwerende partij, inderdaad een opportuniteit, niet in het minst voor de verzoeker. De verzoeker weet dus waarom hij tijdelijk niet kan functioneren in de lokale politiezone Tienen- Hoegaarden, en tevens waarom de voorlopige schorsing werd omgezet in een herplaatsing. Er is verder van enige tegenstrijdigheid geen sprake in de mate dat de verzoeker uit de bestreden beslissing afleidt dat de verwerende partij geoordeeld heeft dat hij wel nog zou kunnen functioneren; immers in beide beslissingen werd geoordeeld dat de verzoeker tijdelijk niet meer kon functioneren in het korps van de lokale politiezone Tienen-Hoegaarden. De verzoeker werd herplaatst op het ogenblik dat daartoe de mogelijkheid bestond. De bestreden beslissing is voorts geen verkapte tuchtsanctie. Noch in de beslissing tot voorlopige schorsing, noch in de bestreden beslissing wordt geoordeeld over de schuldvraag. Enkel is geoordeeld over het verder functioneren van de verzoeker in de lokale politiezone, in acht genomen het opsporingsonderzoek ten laste van de verzoeker wegens slagen en verwondingen aan arrestanten. De verwerende partij wijst er nogmaals op dat de verzoeker de beslissing tot voorlopige schorsing niet heeft betwist en niet heeft aangevoerd dat het een verkapte tuchtsanctie zou betreffen; er kan moeilijk worden aangenomen dat de herplaatsing als milderende maatregel een verkapte tuchtsanctie zou zijn. Het niet teruggeven van de dienstkaart en dergelijke komt, aldus de verwerende partij, door het feit dat de ver-zoeker zich vanaf 5 juli 2006 (dag waarop herplaatsing aanvang nam) ziek heeft gemeld en voor lange tijd in ziekteverlof is geweest. Wat de schending van artikel 44 WGP en van artikel 59 van de tuchtwet betreft, en de stelling van de verzoeker dat uit deze bepalingen volgt dat het politiecollege niet bevoegd is om een maatregel tot herplaatsing te nemen, merkt de verwerende partij op dat uit het arrest Van Opstal nr. 127.414 van 26 januari 2004 van de Raad van State voortvloeit dat de bepalingen van de tuchtwet niet beletten dat een personeelslid het voorwerp kan zijn van een verwijdering uit de dienst bij ordemaatregel waarvoor de korpschef in artikel 44 WGP zijn bevoegdheid vindt. Het is volgens de verwerende partij nooit de bedoeling van de wetgever bij de wijziging van artikel 59 van de tuchtwet geweest om de bevoegdheden van de burgemeester of het politiecollege te beperken tot deze specifieke ordemaatregel van IX-5419-9/24 de voorlopige schorsing; niettegenstaande het feit dat de minister van Binnenlandse Zaken nog specifieke ordemaatregelen dient te bepalen, dient te worden aangeno- men dat de burgemeester of het politiecollege, in afwachting van het tuchtonderzoek of strafonderzoek, bevoegd zijn tot het nemen van die ordemaatregelen die normaliter ook door de korpschef kunnen worden genomen. Voorts verwijst de verwerende partij naar artikel VI.II.73, 5/ van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: RPPol), waarin bepaald wordt: “De bevoegde overheid om te beslissen over een detachering of een terbeschikkingstelling is: ( ... ) 5/ van een korps van de lokale politie naar een korps van de lokale politie of naar de federale politie: de burgemeester of het politiecollege, na advies van de betrokken korpschef waaronder het betrokken personeelslid ressorteert.” De beslissing tot verplichte detachering van de verzoeker kon derhalve in elk geval genomen worden door het politiecollege op grond van voormelde bepaling. Wat de omzetting van een voorlopige schorsing naar een herplaatsing betreft wijst de verwerende partij erop dat de enige bevoegde overheid om de verzoeker voorlopig te schorsen het politiecollege was en dat deze derhalve ook de enige bevoegde overheid was om de voorlopige schorsing te milderen tot een herplaatsing. Ten slotte wijst de verwerende partij erop dat in de notulen van het politiecollege, zitting 4 juli 2006, “tewerkstelling van INP Lagache Johan in het CSD Brussel- dienst 101” in de aanhef verwezen wordt naar onder meer de beslissing van de korpschef om het betrokken personeelslid te werk te stellen bij het CSD Brussel - dienst 101; hieruit leidt ze af dat het de korpschef is die de beslissing nam om aan het politiecollege voor te stellen om de verzoeker te herplaatsen. Het was, aldus de verwerende partij, vervolgens het politiecollege samengesteld uit de burgemeester-voorzitter en de korpschef dat akkoord ging met de tewerkstelling van de verzoeker in Brussel. IX-5419-10/24 10. In zijn memorie van wederantwoord beperkt de verzoeker zijn repliek tot het middelonderdeel betreffende de schending van artikel 44 WGP en artikel 59 van de tuchtwet. Hij voert het volgende aan: “Het is terzake duidelijk dat het politiecollege, in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, in de hier bestreden beslissing is overgegaan tot opheffing van de voorlopige schorsing, en verzoeker heeft afgedeeld naar de federale politie met het oog op tewerkstelling in de 101 centrale te Brussel. Art. 59 van de wet van 13 mei 1999 stelt dat het Politiecollege, als hogere tuchtoverheid het personeelslid tegen wie een tuchtprocedure of een opspo- ringsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld bij ordemaatregel voorlopig kan schorsen, onverminderd andere ordemaatregelen bepaald door de Minister van Binnenlandse Zaken. Art. 44 van de wet van 7 december 1998 bepaalt dat de korpschef de leiding heeft van het lokaal politiekorps en instaat voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken en de uitvoering van het beheer van het politiekorps. Dat Uw Raad in het arrest Van Opstal (R.v.St, 26 januari 2004, 127.414) volgende heeft geoordeeld: ‘6.3.1. Overwegende dat artikel 44 WGP aan de korpschef de bevoegdheid verleent om elke maatregel te besluiten die noodzakelijk is om de goede werking van het korps dat onder zijn leiding staat te behouden of te herstellen; dat dergelijke maatregel ook zijn oorzaak kan vinden in een misdraging van een personeelslid, maar dat hij altijd en uitsluitend gericht moet zijn op de goede werking van de dienst en niet op het bestraffen van het gedrag van het betrokken personeelslid. 6.3.2. Overwegende dat de tuchtwet een aantal bepalingen bevat betreffende de voorlopige schorsing van een personeelslid dat in een tuchtzaak betrokken is (de artikelen 59 en volgende); dat het bestuur zich voor een voorlopige verwijdering uit de dienst die gebeurt in de door de tuchtwet bepaalde omstandigheden, evident dient te richten naar de bepalingen van de tuchtwet; dat evenwel die bepalingen niet beletten dat een personeelslid van de politie, dat in een tuchtprocedure geïmpliceerd is, toch nog het voorwerp kan zijn van een verwijdering uit de dienst bij ordemaatregel. waarvoor de korpschef in artikel 44 WGP de bevoegdheid vindt: (....) (eigen onderlijning).’ Zodat Uw Raad in vermeld arrest onbetwistbaar en overduidelijk heeft gesteld dat enkel de korpschef (en niet het Politiecollege als hogere tuchtover- heid) de bevoegdheid heeft een ordemaatregel van verwijdering uit de dienst, of zoals in casu van afdeling of tijdelijke her - of verplaatsing op te leggen. Verwerende partij verwijst terzake naar de parlementaire voorbereidingen bij het art. 38 van de wet van 31 mei 2001 (houdende wijziging van art. 59 van de wet van 13 mei 1999), die stellen dat de minister van Binnenlandse Zaken, in de lezing van het nieuwe artikel 59 voornoemd, de mogelijkheid krijgt maatregelen van inwendige orde vast te stellen, anders dan de voorlopige schorsing. IX-5419-11/24 Op heden heeft de minister van binnenlandse zaken deze ‘andere maatrege- len van inwendige orde’ nog niet bepaald of vastgesteld, zodat het Politiecolle- ge, zetelend als hogere tuchtoverheid, gebonden is door de bevoegdheden van art. 59 e.v. van de wet van 13 mei 1999 (er wordt trouwens in casu ook naar geen enkel ander wetsartikel verwezen ter verantwoorden van de genomen beslissing). De interpretatie van art. 59 voornoemd door de verwerende partij, als zou zowel de korpschef als het politiecollege (hier dan nog zetelend als hogere tuchtoverheid) dezelfde ordemaatregelen zouden kunnen nemen, strookt niet met de letter, en nog minder met de geest van de wet (zo ook voor de verwijzing door verwerende partij naar art. VI.II.73,5/ van het K.B. van 30 maart 2001, dat uiteindelijk geen enkele verbinding heeft met ordemaatregel of een maatregel van inwendige orde). Verder in tegenstrijd met de terzake geldende bepalingen stelt verwerende partij dat het politiecollege als enige bevoegd was om de voorlopige schorsing te milderen tot een herplaatsing (zoals supra reeds gesteld kent de wet maar 1 mogelijkheid (de voorlopige schorsing) toe aan het politiecollege zodat zij deze zelfs niet kon milderen). En nog verder stelt verwerende partij dat de korpschef zou beslist hebben om het betrokken personeelslid te werk te stellen bij het CSD Brussel - dienst 101, hetgeen zou blijken uit de notulen van de zitting van het politiecollege van 04 juli 2006. In ieder geval wordt van deze beslissing van de korpschef geen exemplaar overgelegd, zodat dient aangenomen te worden dat deze beslissing onbestaand is, en wordt in het hier bestreden besluit met geen woord gerept over enige beslissing van de korpschef terzake. Zodat, in de stelling van verwerende partij dat de korpschef samen met het politiecollege zou beslist hebben, de hier bestreden beslissing zeker nietig is, nu de korpschef enkel de zittingen van het Politiecollege bijwoont, doch hierin geen stem heeft. (zie terzake de art. 25. e.v. wet van 07.12.1998; specifiek art. 29) Zodat de hier bestreden beslissing genomen is door de politiecollege die hiervoor niet wettelijk bevoegd was, en de beslissing aldus nietig is.” In zijn laatste memorie benadrukt de verzoeker dat de bestreden beslissing wel degelijk een verkapte tuchtmaatregel is; de duur van de detachering is immers gekoppeld aan de duur van het gerechtelijk onderzoek zodat duidelijk is dat die detachering in de plaats komt van de voorlopige schorsing; daar een detachering niet wettelijk is voorzien als ordemaatregel is de bestreden beslissing een tuchtmaatregel. Het door de verwerende partij ingeroepen artikel VI.II.73.5/ RPPol is niet toepasselijk daar het arrest Van Opstal stelt dat het bestuur voor het verwijderen uit de dienst zich dient te richten naar de bepalingen van de tuchtwet. IX-5419-12/24 Artikel 44 geeft die bevoegdheid aan de korpschef en niet aan het politiecollege. Te dezen zetelde het politiecollege trouwens als hogere overheid daar het ook besloot tot de opheffing van de voorlopige schorsing; nergens wordt echter bepaald dat het politiecollege als hogere tuchtoverheid kan beslissen tot de detachering wat het te dezen wel deed; ten slotte wijst de verzoeker erop dat zelfs al zou het politiecollege bevoegdheid putten uit voornoemd artikel RPPol dan nog er geen advies van de korpschef voorligt zoals dit artikel vereist. Beoordeling 11. In de beslissing van 23 mei 2006 die een voorlopige schorsing voor de duur van vier maanden oplegt, wordt inzake motieven onder meer verwezen naar het opsporingsonderzoek ten laste van de verzoeker, naar de onverenigbaarheid van zijn aanwezigheid in het korps van de lokale politiezone en naar het feit dat een tewerkstelling in een ander korps van de lokale politie of in dienst van de federale politie op dat ogenblik niet mogelijk blijkt te zijn. In de bestreden beslissing wordt onder meer verwezen naar die beslissing van 23 mei 2006 en haar motivering, naar een mailbericht van de dienst van de Mobiliteit en het Loopbaanbeheer van de federale politie waarin wordt medegedeeld dat de directeur-generaal van het personeel van de federale politie akkoord gaat met een detachering van de verzoeker naar de federale politie met het oog op een inzetting in de dienst 101 te Brussel en op het feit dat een tijdelijke tewerkstelling bij de federale politie via een systeem van detachering een opportuniteit is. De verzoeker herleidt de redengeving in de bestreden beslissing dan ook ten onrechte tot het voornoemde akkoord van de directeur-generaal van het personeel van de federale poltie. De bestreden beslissing vloeit logisch voort uit de beslissing van 23 mei 2006 nu deze uitdrukkelijk verwijst naar de principiële mogelijkheid van een tewerkstelling in een ander korps van de lokale politie of in dienst van de federale politie. De redengeving van de beslissing van 23 mei 2006 ligt dan ook evenzeer besloten in die van de bestreden beslissing. De kritiek van de verzoeker dat uit de opheffing van de voorlopige schorsing de erkenning zou blijken dat het niet meer noodzakelijk is hem uit de IX-5419-13/24 dienst te houden, berust evenzeer op de misvatting dat de bestreden beslissing geen uitstaans zou hebben met de beslissing van 23 mei 2006. 12. Een ordemaatregel verschilt van een tuchtmaatregel doordat een ordemaatregel louter de goede werking van de dienst beoogt, waarbij de schuldvraag niet wordt gesteld of open blijft, terwijl een tuchtmaatregel ertoe strekt een ambtenaar voor een tekortkoming te bestraffen. Een ordemaatregel kan een verkapte tuchtmaatregel zijn. Het is daarbij aan de verzoeker om voor de Raad van State geloofwaardig te maken dat de maatregel, die zich als een ordemaatregel presenteert, een disciplinaire bedoeling heeft aangezien, ondanks de schijn van het tegendeel, uit de omstandigheden van de zaak kan worden afgeleid dat het determinerend, maar niet uitgedrukt motief van de maatregel is hem te bestraffen. De Raad van State zal dan onderzoeken of het geheel van gegevens, die de verzoeker hem voorlegt, in hun samenhang bekeken, in redelijkheid het besluit rechtvaardigen dat de bestraffing het dragend motief is van de genomen beslissing. De loutere vaststelling dat het politiecollege niet bevoegd zou zijn voor de bestreden beslissing of dat de verzoeker zijn dienstwapen en dergelijke niet teruggekregen heeft, houden niet in dat er te dezen sprake zou zijn van een tuchtsanctie temeer zoals in het vorig randnummer aangenomen de bestreden beslissing logisch voortvloeit uit de beslissing van 23 mei 2006. Het feit dat de detachering in tijdsduur gekoppeld werd aan een gerechtelijke eindbeslissing leidt evenmin tot het besluit dat het te dezen zou gaan om een tuchtsanctie. Het basismotief van de detachering is hetzelfde als dit van de beslissing van 23 mei 2006 met name de verwijdering van de verzoeker uit het korps van de lokale politiezone hetgeen te dezen een maatregel is die louter de goede werking van de dienst beoogt. De elementen die de verzoeker aanreikt, volstaan niet om van een verdoken tuchtstraf te kunnen gewagen. 13. De verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing een door de regelgeving verboden ordemaatregel is, aangezien overeenkomstig artikel 59 van de tuchtwet slechts de voorlopige schorsing als ordemaatregel opgelegd kan worden IX-5419-14/24 en bij gebrek aan een besluit van de minister van Binnenlandse Zaken waarin die (andere) ordemaatregelen in uitvoering van artikel 59 van de tuchtwet bepaald zijn, geen enkele andere ordemaatregel kan worden opgelegd. Er blijkt geen ministerieel uitvoeringsbesluit, als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet te bestaan. De verzoeker leidt daaruit af dat de enige maatregel die hic et nunc met het oog op de goede werking van de dienst aan een politieambtenaar kan opgedrongen worden, de voorlopige schorsing is. Hij geeft daarmee een uiterst ruime uitleg aan artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet, die de Raad van State niet bijvalt. In zijn oorspronkelijke regeling stelt artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet in het algemeen dat, “onverminderd andere ordemaatregelen die onder meer (Franse tekst: ‘notamment’) ter gelegenheid van een tuchtvordering kunnen getroffen worden” de bevoegde overheid binnen een lokale politiezone de politieambtenaar tegen wie een tuchtprocedure, een strafonderzoek of een opsporingsonderzoek loopt en wiens aanwezigheid in de dienst onverenigbaar is met het belang van de dienst, bij ordemaatregel voorlopig kan schorsen. Aldus bepaalt de wet zelf dat de voorlopige schorsing niet de enige ordemaatregel is die -in de tuchtsfeer maar ook daarbuiten- tegen een ambtenaar getroffen kan worden. De parlementaire voorbereiding van artikel 59 wijst aldus op andere maatregelen “die niet noodzakelijk verbonden zijn aan het bestaan van een tuchtprocedure en die de overheid kan nemen om de verstoorde werking van haar dienst te herstellen, zoals mutaties of herstructureringen van de dienst, het verbod het dienstwapen te dragen, het verbod tot toegang tot bepaalde lokalen of tot gegevensbanken enz.” (Parl. Doc. Kamer, 1998-1999, stuk 1965/1, p. 20). In de originele versie van artikel 59, eerste lid, is er geen enkele reden om aan te nemen dat de bevoegde overheid binnen de lokale politie beperkt zou zijn in de aard van de maatregel waarmee zij de goede werking van de dienst wil verzekeren, niet wanneer zij in de tuchtsfeer handelt en zeker niet wanneer zij, als te dezen, buiten de tuchtsfeer een beslissing neemt. Dezelfde bevoegdheid komt ook de minister van Binnenlandse Zaken toe ten aanzien van het personeel van de federale politie. Artikel 59 is gewijzigd bij de wet van 31 mei 2001, waarbij de bestaande tuchtwet grondig gewijzigd is. In artikel 59, eerste lid, zijn aldus de woorden “onverminderd andere ordemaatregelen die onder meer ter gelegenheid van een tuchtvordering kunnen getroffen worden” vervangen door de woorden IX-5419-15/24 “onverminderd andere ordemaatregelen bepaald door de minister van Binnenlandse Zaken die onder meer ter gelegenheid van een tuchtvordering kunnen getroffen worden”. Aan die wijziging gaat een zeer beperkte toelichting vooraf. Met name wordt verwezen naar het opzet om de minister van Binnenlandse Zaken de mogelijkheid te bieden -en de zorg toe te vertrouwen- maatregelen van inwendige orde vast te stellen, omdat de overheden naast de voorlopige schorsing andere ordemaatregelen moeten vaststellen om de continuïteit van de dienst en een goede administratie te waarborgen. (Parl. Doc. Kamer, 2000-2001, stuk 50 1173/001, p. 17). Uit de vermelde parlementaire voorbereiding van de wet kan niet worden opgemaakt dat de wijziging een ruimer toepassingsveld mag krijgen dan het tuchtrecht en de aspecten die daarmee verband houden en dat de wet nu een algemene draagwijdte heeft, zodat de overheden van de lokale politie in hun keuze van maatregelen die zij in het belang van de dienst aan hun personeelsleden opleggen altijd beperkt zouden zijn tot diegene die voorkomen op de lijst uitgevaar- digd door de minister van Binnenlandse Zaken. Opgemerkt wordt tevens dat die verplichting ook niet voor de ambtenaren van de federale politie ingevoerd is, aangezien artikel 59, tweede lid, van de tuchtwet de minister nog steeds toelaat in ieder individueel geval de maatregel op te leggen die hij goed acht. Bij gebrek aan duidelijke wilsuiting van de wetgever kan niet worden aangenomen dat de wetgever met de wijziging aan artikel 59 van de tuchtwet de bedoeling had om, buiten het tuchtrecht, een limitatieve lijst op te laten stellen van alle maatregelen die het bestuur kan nemen voor de goede werking van de dienst en daarmee artikel 44 WGP impliciet te wijzigen door de korpschef te verhinderen een aan de concrete situatie aangepaste maatregel te treffen dan wel artikel VI.II.73.5/, RPPol impliciet buiten werking te stellen of te wijzigen door het politiecollege te verhinderen haar bevoegdheid vervat in dit artikel uit te oefenen. Een en ander leidt voor dit geval tot het besluit dat artikel VI.II.73.5/, RPPol ten volle speelt en dat het politiecollege in die bepaling een deugdelijke grondslag kon vinden voor de bestreden maatregel, waarbij de verzoeker in het belang van de dienst en zonder tuchtrechtelijke intentie, gede- tacheerd wordt van het korps van de lokale politiezone Tienen-Hoegaarden naar de federale politie. IX-5419-16/24 Artikel VI.II.73.5/, RPPol luidt als volgt: “De bevoegde overheid om te beslissen over een detachering of een terbeschikkingstelling is: 1° [...] 2° [...] 3° [...] 4° [...] 5° van een korps van de lokale politie naar een korps van de lokale politie of naar de federale politie: de burgemeester of het politiecollege, na advies van de betrokken korpschef waaronder het betrokken personeelslid ressorteert.” De omstandigheid dat de bestreden beslissing als rechtsgrond niet verwijst naar deze bepaling doch naar de tuchtwet en diens uitvoeringsbesluit leidt niet tot de conclusie dat de bestreden beslissing wat de detachering betreft met onwettigheid is aangetast temeer de bestreden beslissing naast de detachering ook handelt over de opheffing van de voorlopige schorsing die kadert binnen artikel 59 van de tuchtwet. Ten slotte moet te dezen voorts worden aangenomen dat de korpschef van de verzoeker wel degelijk een advies tot detachering heeft geformu- leerd ten aanzien van het politiecollege; uit de notulen blijkt dat de korpschef besliste de verzoeker te werk te stellen bij het CSD Brussel - dienst 101; uit de bestreden beslissing blijkt dat de korpschef, blijkbaar op diens vraag, het akkoord gekregen heeft van de directeur-generaal van het personeel van de federale politie om de verzoeker te detacheren naar die federale dienst; uit dit alles blijkt dat de korpschef zijn voorstel tot detachering voorgelegd heeft aan het politiecollege, wat zijn advies uiteraard impliceert. 14. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 15. De verzoeker roept in een tweede middel de schending in van de motiveringsplicht, van de hoorplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeker voert vooreerst aan dat voor zijn detachering naar de 101-centrale te Brussel geen enkele motivering wordt gegeven. De enige IX-5419-17/24 motivering die terug te vinden is, heeft betrekking op de voorlopige schorsing, en daaraan gekoppeld het feit dat de aanwezigheid van de verzoeker in het korps niet verenigbaar is met het belang van de dienst. Deze motivering is identiek aan de motivering van de beslissing van 23 mei 2006 waarbij de verzoeker voorlopig geschorst werd. De eenvoudige vermelding dat de detachering gebeurt met instemming van de directeur-generaal van het personeel van de federale politie en dat volgens de juridische dienst van de federale politie er geen bezwaar is tegen een dergelijke detachering, is geen afdoende motivering. Er wordt geen enkele reden weergegeven waarom de verzoeker gedetacheerd wordt en evenmin waarom dit in het belang van de dienst zou kunnen zijn. Van een zorgvuldige overheid mag worden verwacht dat zij minstens de redenen aangeeft waarom een persoon wordt overgeplaatst. De verzoeker is bovendien ook niet gehoord over deze toch wel ingrijpende beslissing. Wanneer een maatregel genomen wordt die de ambtelijke situatie van de betrokkene op grond van de hem als tekortkoming aangerekende feiten in ongunstige zin wijzigt, is de overheid die deze maatregel neemt, verplicht om de betrokkene in de gelegenheid te stellen op nuttige wijze voor zijn belangen op te komen. Te dezen had de verzoeker moeten worden gehoord. 16. De verwerende partij antwoordt dat, wat de schending van de hoorplicht betreft, de bestreden beslissing in wezen een milderende ordemaatregel is in afwachting van het strafonderzoek/tuchtonderzoek. De verzoeker werd voorafgaand aan de beslissing waarbij hij voorlopig geschorst werd, gehoord. Hij heeft daarbij geen kritiek geformuleerd en de beslissing inzake de voorlopige schorsing is inmiddels definitief. De verzoeker werd tevens gehoord vooraleer de bestreden beslissing werd genomen, hoewel daartoe geen noodzaak bestond aangezien het slechts een milderende omzetting betrof van een reeds eerder genomen ordemaatregel waaromtrent de verzoeker reeds was gehoord. Hij werd - voorafgaand aan de bestreden beslissing - uitgenodigd voor de zitting van het politiecollege van 4 juli 2006 en hij heeft deze uitnodiging voor ontvangst ondertekend op 1 juli 2006. In de notulen van de vergadering van het politiecollege van 4 juli 2006 met betrekking tot de ordemaatregel van herplaatsing wordt gesteld: “Gelet op uw bemerkingen gegeven aan de leden van het politiecollege...”. Het is dan ook een raadsel waarom de verzoeker ontkent gehoord te zijn naar aanleiding van de bestreden beslissing. IX-5419-18/24 Wat de schending van de motiveringsplicht en de zorgvuldig- heidsplicht betreft is het volgens de verwerende partij evident dat de motivering van de bestreden beslissing identiek is aan de motivering van de beslissing tot voorlopige schorsing aangezien beide beslissingen genomen werden ingevolge het opsporingsonderzoek lastens de verzoeker op grond waarvan geoordeeld wordt dat de verzoeker voorlopig niet meer kan functioneren in het korps van de lokale politiezone. De verzoeker heeft dit niet gecontesteerd naar aanleiding van de beslissing tot voorlopige schorsing. In die beslissing wordt niet gemotiveerd als zou de verzoeker uit elke politiedienst moeten worden geweerd, maar wel dat dit functioneren onmogelijk was binnen de lokale politiezone. Dit blijkt voldoende uit de motivering van de beslissing tot voorlopige schorsing waarin expliciet gesteld wordt dat een tewerkstelling in een ander korps van de lokale politie of in een dienst van de federale politie niet mogelijk bleek te zijn. Uit de bestreden beslissing blijkt dat er een akkoord is met de directeur-generaal van het personeel van de federale politie om de verzoeker in de dienst 101 te Brussel tewerk te stellen, en dat dit een opportuniteit is. Een herplaatsing in plaats van een schorsing is inderdaad een opportuniteit, niet in het minst voor de verzoeker. De verzoeker weet dus waarom hij tijdelijk niet kan functioneren in de lokale politiezone Tienen-Hoegaarden, en tevens waarom de voorlopige schorsing werd omgezet in een herplaatsing. 17. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat geen enkel motief dat aan de grondslag ligt van de herplaatsing, in de bestreden beslissing wordt weergegeven. De beslissing waarbij de verzoeker voorlopig geschorst werd, is niet definitief vermits ze door de bestreden beslissing werd opgeheven en vervangen. De beslissing tot herplaatsing is identiek aan de beslissing tot voorlopige schorsing. In de motivering van de beslissing tot voorlopige schorsing wordt gesteld dat “uw aanwezigheid in het korps van de lokale politie van de PZ Tienen-Hoegaarden onverenigbaar is met het belang van de dienst doordat: (...) door uw handelen de waardigheid, de onkreukbaarheid en de integriteit van het ambt in het gedrang komt met als gevolg een verlies van vertrouwen van zowel uw oversten, collega’s als de bevolking”. Hieruit blijkt dat er een verlies van vertrouwen van zowel de oversten, de collega’s en de bevolking is, zodat de stelling van de verwerende partij dat uit die motivering niet blijkt dat de verzoeker uit elke politiedienst moest worden geweerd, maar enkel dat hij niet meer kon functioneren in het korps van de lokale politie van de politiezone Tienen-Hoegaarden, geen steek houdt. Deze stelling, zo vervolgt de verzoeker, is duidelijk in strijd met het dossier en met de andere motiveringen van de voorlopige schorsing als zouden de feiten IX-5419-19/24 ernstig en zwaarwichtig zijn en een zware beroepsfout inhouden die deontologisch totaal onaanvaardbaar is. Er is duidelijk een tegenstrijdigheid in de motivering terzake. IX-5419-20/24 Beoordeling 18. Wat betreft de schending van de motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht wordt te dezen verwezen naar de beoordeling van het eerste middel inzonderheid onder randnummer 11. In de mate dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat de motivering tegenstrijdig zou zijn indien de motivering van de voorlopige schorsing in aanmerking zou worden genomen omdat toen geoordeeld werd dat er een verlies aan vertrouwen van zowel de oversten, de collega’s en de bevolking was, hetgeen bij de herplaatsing blijkbaar geen bezwaar meer is, moet worden vastgesteld dat de verzoeker het middel een essentieel andere wending geeft die aangevoerd kon worden in het inleidend verzoekschrift en dat het middel aldus onontvankelijk is. Ten gronde dient trouwens opgemerkt te worden dat deze kritiek samenvalt met het derde middel. 19. Wat betreft de schending van de hoorplicht moet worden vastgesteld dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord noch in zijn laatste memorie enige repliek biedt op hetgeen de verwerende partij hierover in haar memorie van antwoord heeft gesteld, met name dat de verzoeker werd uitgenodigd op de zitting van het politiecollege van 4 juli 2006 en dat uit de notulen van die vergadering van het politiecollege blijkt dat de verzoeker wel degelijk in de mogelijkheid geweest is zijn bemerkingen kenbaar te maken. Aldus moet worden aangenomen dat de verzoeker wel degelijk werd gehoord. 20. Het tweede middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen 21. De verzoeker voert in een derde middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeker voert aan dat in de beslissing tot de voorlopige schorsing wordt gesteld dat de feiten die aan de verzoeker ten laste worden gelegd ernstig en zwaarwichtig zijn, dat hij een zware beroepsfout heeft gemaakt die IX-5419-21/24 deontologisch onaanvaardbaar is en dat hij door zijn handelen de waardigheid, onkreukbaarheid en integriteit van het ambt in het gedrang heeft gebracht, met als gevolg een verlies van vertrouwen van zowel zijn oversten, de collega’s als de bevolking. Zonder enige toelichting blijkt plotseling, zes weken later, dat de verzoeker blijkbaar toch niet zo sterk het vertrouwen van zijn oversten, de collega’s en de bevolking heeft geschonden, aangezien hij gedetacheerd wordt naar een centrale 101, waar wel onmiddellijk contact is met de bevolking, en dit alles met instemming van de directeur-generaal van het personeel van de federale politie. Deze gang van zaken, eerst een schorsing, dan een opheffing van die schorsing en een herplaatsing, dit alles zonder verzoeker te horen, zonder enige verduidelijking of motivering in de bestreden beslissing, wijst op een eenzijdige, ondoorzichtige en blijkbaar persoonsgerichte actie tegen de verzoeker. De verwerende partij heeft onmiskenbaar zeer onzorgvuldig gehandeld bij het nemen van de bestreden beslissing. 22. De verwerende partij antwoordt in haar memorie van antwoord dat er van een tegenstrijdigheid tussen de motivering van de beslissing tot de voorlopige schorsing en de bestreden beslissing geen sprake is. In de beide beslissingen werd de verzoeker geacht voorlopig niet meer te kunnen functioneren in het korps van de politiezone Tienen-Hoegaarden. De verzoeker werd herplaatst op het ogenblik dat de mogelijkheid daartoe bestond. Bovendien stond de verzoeker in de 101-centrale te Brussel enkel nog auditief in contact met de bevolking, waardoor de feiten waarvan hij verdacht werd zich niet meer konden voordoen. De verzoeker kon op die dienst functioneren in afwachting van het tuchtonder- zoek/strafonderzoek. De verzoeker leidt dan ook ten onrechte uit de bestreden beslissing de erkenning af dat hij niet tijdelijk uit het politiekorps van de politiezone Tienen-Hoegaarden moest worden verwijderd. 23. De verzoeker geeft noch in zijn memorie van wederantwoord, noch in zijn laatste memorie enige repliek op de stelling van de verwerende partij. Beoordeling 24. Zoals uit randnummer 11 blijkt, dient te worden aangenomen dat in de motivering van de bestreden beslissing waarbij de herplaatsing werd opgelegd, tevens de motivering die ten grondslag ligt aan de voorlopige schorsing en die trouwens uitdrukkelijk is opgenomen in de bestreden beslissing, besloten ligt. IX-5419-22/24 Uit de motivering van de beslissing waarbij de voorlopige schorsing werd opgelegd blijkt duidelijk dat deze werd opgelegd omdat de verwerende partij van oordeel was dat verzoekers “aanwezigheid in het korps van de lokale politie van de PZ Tienen-Hoegaarden onverenigbaar is met het belang van de dienst”. Hieruit blijkt duidelijk dat de verwijdering uit de dienst plaatsgebonden is, met name het korps van de lokale politie van de politiezone Tienen-Hoegaarden, en dat het verlies van vertrouwen van de oversten, de collega’s en de bevolking dan ook in dit kader moet worden begrepen. Dat de verzoeker door de bestreden beslissing herplaatst wordt in de 101-centrale van de federale politie te Brussel, is dan ook niet tegenstrijdig met de motivering waarom hij tijdelijk uit het korps van lokale politie van de politiezone Tienen-Hoegaarden werd verwijderd. Dat de verzoeker bij zijn tewerkstelling in de 101-centrale te Brussel onmiddellijk contact heeft met de bevolking, is om dezelfde reden niet relevant, vermits het geen contact met de bevolking van de politiezone Tienen- Hoegaarden betreft. Bovendien kan de verwerende partij evenmin onzorgvuldigheid verweten worden door de verzoeker te herplaatsen naar een dienst waar hij enkel auditief contact heeft met de bevolking, aangezien het verlies van vertrouwen in de verzoeker zijn oorzaak vindt in feiten van een gans andere orde met name slagen en verwondingen aan arrestanten, terwijl dergelijke feiten zich bij deze nieuwe tewerkstelling niet kunnen voordoen. 25. Het derde middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. IX-5419-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5419-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.567 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.501 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.