← België

Arrest 203569 - Tucht (openbaar ambt) - 03/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.569 Rolnummer: A. 177946/IX-5454 Zaak: Arrest 203569 - Tucht (openbaar ambt) - 03/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-11 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 203.569 van 3 mei 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.569 van 3 mei 2010 in de zaak A. 177.946/IX-5454 In zake : Jean VAN KEMSEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te Diest Schellekensberg 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door:

  1. het college van burgemeester en schepenen
  2. de korpschef van de lokale politie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 120, bus 4 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 24 oktober 2006, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van de korpschef van de lokale politie Antwerpen van 18 augustus 2006 waarbij Jean Van Kemseke gemuteerd wordt van de afdeling West naar de afdeling Oost met ingang van 1 september
  4. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. IX-5454-1/22 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april
  6. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Iris Exelmans, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Stefaan Bleyenbergh, die loco advocaat Patrick Van Der Straten verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. De verzoeker is ten tijde van de bestreden beslissing tewerkge- steld als hoofdinspecteur bij de lokale politie Antwerpen, zone West. Hij is tevens afgevaardigde voor het Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheidspersoneel (hierna: NSPV). 3.
  9. Op 15 mei 2006 richt de Afdelingschef van de zone West een nota aan de korpschef aangaande het professioneel functioneren van de verzoeker, naar aanleiding van een professionele tekortkoming op 26 maart
  10. Dienaangaande wordt met de verzoeker op 11 mei 2006 een bijsturingsgesprek gehouden. In deze nota wordt ook melding gemaakt van tekortkomingen bij verzoekers functioneren van de voorgaande jaren. De afdelingschef vraagt in de nota dat een beroep gedaan zou worden op artikel 24 van het reglement op de mobiliteit van de statutaire en contractuele personeelsleden van het operationeel en het administratief kader (hierna: het RIM), zodat voor de verzoeker een meer gepaste dienst binnen het korps kan gevonden worden. De verzoeker ondertekent deze nota op niet gekende datum voor “Gezien, niet akkoord met opsomming”. IX-5454-2/22 Artikel 24 van het RIM luidt als volgt: “Personeelsleden die ernstig tekortkomen in het functioneren in hun functie, kunnen van ambtswege door de korpschef worden herplaatst in een functie die meer overeenstemt met hun capaciteiten en persoonlijk functioneren. Voor vakbondsafgevaardigden dient dit te kaderen in de bepalingen van art. 62 van het KB van 08/02/01 tot uitvoering van de wet van 24/03/99 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten. Voorafgaand aan de herplaatsing dient minstens één functioneringsgesprek te hebben plaatsgevonden tussen betrokkene en de directe chef, gevolgd door een proefperiode van 1 maand waarin een eventuele verbetering van het functioneren wordt geëvalueerd door de directe chef en diens hiërarchische meerdere. Indien de ernstige tekortkomingen van die aard zijn dat de proefperiode van 1 maand door de hiërarchische meerdere als onwerkzaam wordt beschouwd, kan hiervan afgeweken worden mits een gemotiveerd verslag en akkoord van de korpschef. Indien het functioneren niet in belangrijke mate verbetert, wordt dit ter kennis gebracht van de verantwoordelijke Loopbaan van de HRM afdeling. Deze doet een voorstel tot herplaatsing aan het HR-comité na betrokkene te hebben gehoord. Het HR-comité, uitgebreid met 2 vertegenwoordigers van de vakorganisaties, aangeduid voor een termijn van 1 jaar, beoordeelt de gegrondheid en de voorgestelde herplaatsing en brengt advies uit aan de korpschef. De korpschef beslist tot uitvoering nadat door de verantwoordelijke Loopbaan een gesprek met de betrokkene werd gevoerd omtrent de voorgestel- de herplaatsing en waarbij hem/haar de mogelijkheid werd geboden zijn/haar opmerking terzake te formuleren.” 3.
  11. Op 3 juli 2006 neemt de korpschef, met verwijzing naar artikel 24 van het RIM, dat betrekking heeft op de ambtshalve herplaatsing wegens bijzondere redenen, de beslissing om de verzoeker per 1 augustus 2006 te muteren naar de afdeling Oost. Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “HINP Jean Van Kemseke verzoekt het HR-comité om mutatie naar de afdeling Oost - klachten en aangiften. In onderling overleg wordt door het HR- comité aan de korpschef voorgesteld deze mutatie toe te staan.” De verzoeker ondertekent deze beslissing op 1 augustus 2006 “voor kennisname en niet akkoord”. 3.
  12. Op 26 juli 2006 richt het NSPV een schrijven aan de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij het om de dringende bijeenroeping van het Basisoverlegcomité (hierna: het BOC) verzoekt naar aanleiding van de overplaatsing van de verzoeker. Het NSPV vraagt meer in het bijzonder dat het BOC zou worden IX-5454-3/22 samengeroepen teneinde het besluit voor advies aan de sociale partners voor te leggen en om dit besluit zo lang op te schorten. In deze brief wordt onder meer gewezen op de tegenstrijdigheid tussen de verwijzing naar artikel 24 van het RIM, dat een ernstige tekortkoming veronderstelt, en het feit dat luidens de motivering de herplaatsing zou plaatsvinden overeenkomstig artikel 23 van het RIM op vraag van de verzoeker, terwijl deze geen dergelijk verzoek geformuleerd heeft. Tevens wordt er op gewezen dat van de zes tekortkomingen die zich tijdens de voorbije jaren zouden hebben voorgedaan, slechts één tekortkoming vermeld staat in het personeelsdossier van de verzoeker. Ook wordt er op gewezen dat artikel 24 van het RIM strijdig is met de actuele wetgeving betreffende de evaluatieprocedure. 3.
  13. Op 17 augustus 2006 vindt de vergadering van het BOC plaats. Uit het proces-verbaal van deze vergadering blijkt onder meer dat de korpsleiding toegeeft dat de beslissing van 3 juli 2006 inderdaad foutief is waar wordt gesteld dat de herplaatsing geschiedt op vraag van de verzoeker; dat de beslissing tot herplaatsing is ingegeven door de vaststelling van een aantal disfuncties die tot een vertrouwensbreuk hebben geleid; dat de “beslissing” van het HR-comité genomen is in afwezigheid van de vakbonden; dat het NSPV een compromis-voorstel heeft gelanceerd, met name dat de verzoeker zou gemuteerd worden naar de afdeling Noord eerder dan naar de afdeling Oost, wat voor de korpsleiding evenwel geen optie is; dat de korpsleiding stelt dat met de verzoeker een consensus was bereikt over zijn herplaatsing, hetgeen door de vakbond ontkend wordt; dat de vakbondsaf- vaardiging stelt er zich bewust van te zijn dat de positie van de verzoeker binnen de afdeling West onhoudbaar is en dat een herplaatsing zich opdringt; dat de vergadering werd opgeschort om het NSPV de mogelijkheid te geven om terzake met de verzoeker te overleggen; dat na de hervatting van de vergadering het NSPV stelt dat de verzoeker zich akkoord kan verklaren met een herplaatsing naar de afdeling Oost indien de afdeling Noord onmogelijk is, maar dat hij in dat geval met prioriteit naar de afdeling Noord wenst overgeplaatst te worden indien daar een plaats vrijkomt en ten slotte dat de korpsleiding hiervan akte neemt, maar stelt het moeilijk te hebben met deze prioriteit. 3.
  14. Op 18 augustus 2006 beslist de korpschef, zonder verwijzing naar het RIM, om de verzoeker met ingang van 1 september 2006 te muteren naar de afdeling Oost. Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “Voorgeschiedenis en motivatie IX-5454-4/22 Het HR-comité van 30 juni 2006 stelde de korpschef voor om HINP Jean Van Kemseke te muteren naar de afdeling Oost voor de functie aangiften en klachten. Op 3 juli 2006 besliste de korpschef tot herplaatsing van de betrokkene naar de afdeling Oost voor de functie klachten en aangiften met ingang van 1 augustus
  15. Deze maatregel werd op 24 juli 2006 tegen ontvangstbewijs betekend. Op 26 juli 2006 verzocht de voorzitter van het NSPV de burgemeester om een bijzonder BOC bijeen te roepen om de herplaatsing van hun syndicaal afgevaardigde te bespreken. Door deze vraag werd de beslissing tot herplaat- sing geschorst. Met de lokale afgevaardigden van het NSPV werd afgesproken om dit punt te agenderen op 17 augustus aangezien er dan al een extra BOC gepland was. Op 17 augustus 2006 werd de herplaatsing uitgebreid besproken op het BOC. Alle partijen erkenden dat de positie van de betrokkene binnen de afdeling West niet meer houdbaar was. De delegatie van het NSPV stuurde aan op een herplaatsing naar de afdeling Noord. Dit is niet mogelijk aangezien er daar geen vrije plaatsen. In mei 2006 werden er interne screenings gehouden om de vacatures voor HINP in deze territoriale afdeling in te vullen. Op het BOC werd tevens vastgesteld dat er vacatures zijn voor HINP in de afdelingen Zuid en Oost. Er werd voorgesteld om betrokkene de keuze te laten tussen deze afdelingen. Na ruggespraak met de betrokkene deelde de delegatie van het NSPV mee dat hij kiest voor de afdeling Oost. Aangezien zijn voorkeur blijft uitgaan naar de afdeling Noord vraagt hij om voorrang te krijgen op het moment dat er daar plaatsen voor HINP vrij komen. Op dit laatste verzoek kunnen we niet ingaan. De betrokkene kan gebruik maken van de binnen het korps geijkte procedures.” Dit is de bestreden beslissing, zij wordt bij aangetekend schrijven, dat de verzoeker op 25 augustus 2006 in ontvangst heeft genomen, aan de verzoeker betekend. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  16. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord drie excepties op. IX-5454-5/22 Zij laat vooreerst gelden dat de verzoeker geen wettig en geoorloofd belang heeft bij het beroep tot nietigverklaring aangezien hij zijn instemming heeft betuigd met de voorgenomen herplaatsing. Zulks blijkt volgens de verwerende partij uit de notulen van de vergadering van het BOC van 17 augustus 2006, die zonder opmerkingen goedgekeurd werden op de vergadering van het BOC van 15 september 2006, waarop de verzoeker aanwezig was. In een tweede exceptie werpt de verwerende partij op dat het voorwerp van de bestreden beslissing een maatregel van inwendige orde is, zodat deze beslissing in beginsel niet voor vernietiging vatbaar is. Te dezen werd tot de herplaatsing beslist in het belang van de dienst, zonder uitspraak te doen over de al dan niet bestaande tekorten in hoofde van de verzoeker. De verwerende partij stelt dat een herplaatsing enkel een aanvechtbare rechtshandeling is indien zij een invloed heeft op de rechtspositie of statutaire positie, of wanneer zij een ernstig moreel nadeel veroorzaakt. De verzoeker toont niet aan dat zulks het geval is. Evenmin toont hij aan dat de maatregel zijn syndicale activiteiten belemmert. De verwerende partij werpt ten slotte een derde exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit het niet uitputten van het door artikel 22 van het RIM voorziene administratief beroep. Alleen in laatste aanleg genomen beslissingen zijn vatbaar voor beroep bij de Raad van State.
  17. De verzoeker laat in zijn memorie van wederantwoord vooreerst gelden dat hij wel een belang heeft bij onderhavig beroep tot nietigverklaring. Hij stelt niet te hebben ingestemd met de voorgenomen herplaatsing naar de afdeling Oost. Op de vergadering van het BOC werd weliswaar voorgesteld dat de verzoeker zou gemuteerd worden naar de afdeling Oost, maar dit was onder de voorwaarde dat de verzoeker bij de eerste gelegenheid prioritair zou kunnen muteren naar de afdeling Noord. Deze voorwaarde wordt volgens de verzoeker in de bestreden beslissing niet aanvaard, zodat niet ernstig kan worden voorgehouden dat hij zou hebben ingestemd met de herplaatsing. Waar de verwerende partij stelt dat de bestreden beslissing slechts een maatregel van inwendige orde is, laat de verzoeker gelden dat hij ingevolge de bestreden beslissing een moreel nadeel lijdt, aangezien hij de herplaatsing niet zelf gevraagd heeft en aangezien de maatregel gebaseerd is op een verkeerde voorstel- ling van feiten waarbij de verzoeker in een negatief daglicht wordt gesteld. Hij voert IX-5454-6/22 ook aan dat de herplaatsing ontegensprekelijk een rol zal spelen bij de bepaling van zijn verdere carrièremogelijkheden, dat hij het werk dat hij reeds lang deed, niet meer kan uitvoeren en dat de maatregel ook een financieel nadeel teweegbrengt, nu hij zich als laatst aangekomene in de afdeling Oost zal moeten schikken naar de geplande dienstrooster en minder weekend- en nachturen zal kunnen presteren. Bovendien, zo stelt hij, zal zijn syndicaal werk onder de herplaatsing lijden aangezien er in de afdeling Oost reeds andere vakbondsafgevaardigden aanwezig zijn. Hij besluit dat zijn prerogatieven als vakbondsafgevaardigde door de herplaatsing ernstig beknot worden. De verzoeker laat ten aanzien van de derde exceptie gelden dat de bestreden beslissing de uitputting van de beroepsmogelijkheid voorzien in artikel 22 van het RIM niet vermeldt en dat zij evenmin vermeldt dat de maatregel kadert in de “ambtshalve mobiliteit”. De maatregel werd volgens de verzoeker integendeel genomen op grond van artikel 44 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveau’s (hierna : de WGP) en is een maatregel van inwendige orde zodat de beroepsmogelijkheid zoals omschreven in het reglement van inwendige mobiliteit niet van toepassing is. Beoordeling
  18. De verwerende partij werpt vooreerst op dat de verzoeker geen wettig belang kan laten gelden bij onderhavig beroep tot nietigverklaring, nu hij heeft ingestemd met zijn herplaatsing. Daargelaten de vraag of de verzoeker gerechtigd was enige voorwaarde te verbinden aan de voorgenomen herplaatsing, dient te worden vastgesteld dat het voorstel dat door de verzoeker op de vergadering van het BOC van 17 augustus 2006 werd geformuleerd de herplaatsing naar de afdeling Oost inhoudt, gekoppeld aan de voorwaarde dat hij bij de eerste gelegen- heid prioritair zou kunnen overgaan naar de afdeling Noord. Indien op voormelde datum al sprake kan zijn van een “akkoord”, dan is dit in ieder geval een voorwaar- delijk akkoord. Aangezien in de bestreden beslissing expliciet wordt gesteld dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij die voorwaarde niet heeft aanvaard kan de verzoeker niet meer geacht worden ingestemd te hebben met zijn herplaatsing naar de afdeling Oost. De exceptie dient verworpen te worden. IX-5454-7/22
  19. In zoverre de verwerende partij aanvoert dat de bestreden beslissing een maatregel van inwendige orde is, dient te worden opgemerkt dat, hoewel de herplaatsing de statutaire- of rechtstoestand van de verzoeker niet wijzigt, deze maatregel toch gevolgen heeft voor de wijze van dienen van de verzoeker als personeelslid van de politie. De maatregel heeft bovendien een wijziging van standplaats tot gevolg. Een dergelijke beslissing is geen loutere maatregel van inwendige orde, maar is grievend voor de verzoeker. Ze kan dan ook door de verzoeker met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State worden bestreden. De exceptie dient verworpen te worden.
  20. De verwerende partij betwist ten slotte de ontvankelijkheid van onderhavig beroep wegens het niet uitputten van het administratief beroep bij het HR-comité, zoals voorzien bij artikel 22 van het RIM. Zoals hierna zal blijken uit de beoordeling van het derde en het zesde middel, vindt de bestreden beslissing haar rechtsgrond in de artikelen 44 van de WGP en VI.II.85 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het RPPol). Bovendien kan de verwerende partij niet ernstig voorhouden dat het beroep onontvankelijk is wegens het niet uitputten van het administratief beroep voorzien door artikel 22 van het RIM, nu zij in voormelde middelen zelf aanvoert dat de bestreden maatregel niet werd genomen op grond van de bepalingen van het RIM. De exceptie dient verworpen te worden. V. Ten gronde A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  21. De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de hoorplicht, van de rechten van de verdediging en van de zorgvuldigheidsplicht. Hij laat gelden dat hij door de korpschef niet werd gehoord vooraleer de maatregel tot herplaatsing genomen werd en dat tijdens het bijsturingsgesprek in de loop van de maand april 2006 niet gesproken werd over een mogelijke maatregel tot herplaat- IX-5454-8/22 sing. In de beslissing van 3 juli 2006 wordt gesteld dat de maatregel op vraag van de verzoeker zelf zou genomen zijn, terwijl hij nooit gehoord werd, en dat de maatregel gebaseerd is op tekortkomingen van de verzoeker, die hij evenwel ten stelligste betwist. Aangezien de maatregel de verzoeker in zijn belangen kan treffen en aangezien hij gebaseerd is op gegevens die de verzoeker als een tekortkoming worden aangerekend, diende hij gehoord te worden. Te dezen kan volgens de verzoeker ook geen sprake zijn van enige uitzonderingsgrond om de hoorplicht buiten toepassing te laten. De bestreden beslissing werd derhalve genomen met schending van de rechten van de verdediging en van de zorgvuldigheidsplicht.
  22. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij vooreerst de onontvankelijkheid van het middel op, doordat het middel onduidelijk geformuleerd is. Volgens de verwerende partij is het middel gericht tegen de beslissing van 3 juli 2006, die niet het voorwerp van onderhavig beroep tot nietigverklaring uitmaakt. Bovendien werd deze beslissing vervangen door de beslissing van 18 augustus
  23. Ten gronde laat zij gelden dat van een schending van de hoorplicht geen sprake kan zijn, nu aan de bestreden beslissing een vergadering van het BOC is voorafgegaan waarbij met de verzoeker overleg werd gepleegd en waaruit een consensus is ontstaan. In ieder geval is het doel van de hoorplicht bereikt aangezien de verzoeker zijn standpunt op nuttige wijze heeft kunnen weergeven. De hoorplicht is bovendien niet van toepassing omdat de korpsoverste geen enkele maatregel genomen heeft die van aard is om de belangen van de verzoeker zwaar aan te tasten. De verwerende partij stelt ten slotte dat aan de verzoeker geen tekortkomingen werden aangerekend en dat de beslissing niet is gebaseerd op zijn persoonlijk gedrag.
  24. De verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat de beslissing om hem te herplaatsen reeds in april 2006 werd genomen en dat er nadien in het BOC enkel nog gedebatteerd werd om een minnelijke oplossing te vinden en een voorstel tot compromis uit te werken. Bovendien, zo stelt de verzoeker, werd hem nooit de mogelijkheid geboden om zich terdege te verweren tegen de valse aantijgingen. IX-5454-9/22 Beoordeling
  25. De verwerende partij kan worden bijgetreden waar zij stelt dat het middel, zoals het door de verzoeker in het verzoekschrift werd uiteengezet, voornamelijk gericht is tegen de oorspronkelijke beslissing van de korpschef van 3 juli 2006, die niet het voorwerp uitmaakt van onderhavig beroep tot nietigverkla- ring. Deze beslissing werd vervangen werd door de thans bestreden beslissing van 18 augustus
  26. In zoverre het middel betrekking heeft op de oorspronkelijke beslissing van 3 juli 2006, heeft de verzoeker geen belang bij het gegrond bevinden ervan, vermits dit niet tot de conclusie kan leiden dat de hier bestreden beslissing van 18 augustus 2006 onwettig is.
  27. De verzoeker voert daarenboven de schending van de rechten van de verdediging en van het zorgvuldigheidsbeginsel aan. De bestreden beslissing is een ordemaatregel, die het belang van de dienst beoogt veilig te stellen. De rechten van verdediging, zoals die gelden in tuchtaangelegenheden, zijn bij het opleggen van een ordemaatregel niet van toepassing. Dit neemt evenwel niet weg dat het bestuur bij het opleggen van een ordemaatregel die ingrijpt in het functioneren van het betrokken personeelslid en steunt op diens persoonlijk gedrag, oog moet hebben voor de rechten van dat personeelslid, in het bijzonder voor diens recht om nuttig voor zijn belangen op te komen. Daartoe volstaat het dat de betrokkene de mogelijkheid werd geboden om zijn standpunt op een nuttige wijze naar voor te brengen, zonder dat vereist is dat hij persoonlijk en mondeling wordt gehoord. Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoeker een verweerschrift heeft ingediend, bestemd voor de bijzondere vergadering van het BOC. In dat verweerschrift wordt omstandig ingegaan op alle aspecten van de zaak, ook op de aantijgingen inzake de vroegere tekortkomingen. Deze vaststelling volstaat om te besluiten dat de verzoeker in staat is geweest om nuttig voor zijn belangen op te komen vooraleer de bestreden beslissing genomen werd.
  28. Het middel is ongegrond. IX-5454-10/22 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  29. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshande- lingen, van de materiële motiveringsplicht, van de hoorplicht en van de zorgvuldig- heidsplicht. De verzoeker voert aan dat iedere afdoende motivering die weergeeft waarom zijn overplaatsing noodzakelijk was, ontbreekt. Hij stelt dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij er zich toe beperkt te stellen dat ieder vertrouwen voor verdere samenwerking met de verzoeker ontbreekt, zonder dit nader toe te lichten. Bovendien, zo stelt de verzoeker, wordt verwezen naar een gesprek van 3 januari 2006 betreffende zijn functioneren waarvan de feiten volledig verkeerd worden weergegeven, naar een ander gesprek omtrent de takenafspraken en de syndicale werking, die onwettig zouden zijn, en naar een “onbestaand” gesprek dat zou plaatsgevonden hebben op 20 juni
  30. De bestreden beslissing is eveneens niet naar behoren gemotiveerd omdat nergens meegedeeld wordt op basis van welke concrete feiten de maatregel genomen werd. De verzoeker stelt ten slotte dat het onmogelijk is om de concrete redenen te achterhalen die de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij ertoe hebben aangezet om de bestreden beslissing te nemen, aangezien hem geen stukken werden meegedeeld.
  31. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord vooreerst de onontvankelijkheid van het middel op. Zij stelt dat het middel onvoldoende nauwkeurig is geformuleerd, aangezien de elementen die aangereikt worden niet in de bestreden beslissing voorkomen. Voorts stelt de verwerende partij dat het middel feitelijke grondslag mist, aangezien geen van de gesprekken waar de verzoeker naar verwijst in de bestreden beslissing vermeld wordt. De bestreden beslissing is bovendien afdoende gemotiveerd, aangezien uit de bestreden beslissing blijkt dat de herplaatsing op de bijzondere vergadering van het BOC uitgebreid besproken werd en dat dienaangaande een overeenstemming werd bereikt. Uit het proces-verbaal van de vergadering van het IX-5454-11/22 bijzonder BOC kan duidelijk worden afgeleid waarom de bestreden beslissing zich opdrong. De verwerende partij stelt voorts dat uit de bestreden beslissing blijkt dat deze niet genomen werd op grond van aan de verzoeker verweten gedragingen, maar op grond van de vaststelling dat de positie van de verzoeker onhoudbaar was geworden door een vertrouwensbreuk. De verzoeker was zeer goed op de hoogte van de precieze inhoud van de voorgenomen maatregel en de feitelijke en juridische grondslag daarvan, zodat in ieder geval het normdoel van de motiveringsplicht werd bereikt.
  32. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de beslissing weliswaar werd genomen omdat zijn positie onhoudbaar was geworden, maar stelt dat deze onhoudbaarheid wel degelijk haar oorsprong vond in zijn vermeend gedrag, hoewel er van zijn collega’s nooit klachten gekomen zijn. De verzoeker laat gelden dat de maatregel werd genomen om zijn syndicale activiteiten te beknotten. Hij stelt ten slotte dat de bestreden beslissing verwijst naar een vermeend compromis, terwijl hiermee helemaal geen rekening werd gehouden in de bestreden beslissing zodat de bestreden beslissing aldus onjuist gemotiveerd is. Beoordeling
  33. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de drie gesprekken waar de verzoeker bij zijn uiteenzetting van het middel naar verwijst niet voorkomen in de motivering van de bestreden beslissing. Het middel, in de mate dat het gebaseerd is op deze drie gesprekken, mist dan ook feitelijke grondslag.
  34. De formele motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid haar beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De bestreden beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “ [...] Op 17 augustus 2006 werd de herplaatsing uitgebreid besproken op het BOC. Alle partijen erkenden dat de positie van de betrokkene binnen de afdeling West niet meer houdbaar was. De delegatie van het NSPV stuurde aan op een herplaatsing naar de afdeling Noord. Dit is niet mogelijk aangezien er daar geen vrije plaatsen zijn. In mei IX-5454-12/22 2006 werden er interne screenings gehouden om de vacatures voor HINP in deze territoriale afdeling in te vullen. Op het BOC werd tevens vastgesteld dat er vacatures zijn voor HINP in de afdelingen Zuid en Oost. Er werd voorgesteld om betrokkene de keuze te laten tussen deze afdelingen. Na ruggespraak met de betrokkene deelde de delegatie van het NSPV mee dat hij kiest voor de afdeling Oost. Aangezien zijn voorkeur blijft uitgaan naar de afdeling Noord vraagt hij om voorrang te krijgen op het moment dat er daar plaatsen voor HINP vrij komen. Op dit laatste verzoek kunnen we niet ingaan. De betrokkene kan gebruik maken van de binnen het korps geijkte procedures.” Uit deze motivering blijkt duidelijk dat tot de herplaatsing van de verzoeker werd beslist omdat de positie van de verzoeker binnen de afdeling West niet meer houdbaar was, hetgeen door alle partijen erkend wordt. Bovendien blijkt dat de herplaatsing naar de afdeling Oost de enige mogelijkheid was en dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij op verzoekers vraag om bij de eerste gelegenheid prioritair naar de afdeling Noord overgeplaatst te worden niet kon ingaan omdat daartoe bepaalde procedures moeten gevolgd worden. In de bestreden beslissing worden aldus duidelijk de concrete feitelijke elementen vermeld die aan de ordemaatregel ten grondslag liggen. De bestreden beslissing is formeel met redenen omkleed.
  35. In zoverre in het middel tevens de schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd, dient te worden vastgesteld dat het middel op dit punt nauwelijks en niet duidelijk ontwikkeld wordt. Uit het middel kan enkel worden afgeleid dat de verzoeker van oordeel is dat niet aangetoond wordt hoe iedere verdere samenwerking wegens de vertrouwensbreuk onmogelijk zou zijn. Uit het administratief dossier blijkt evenwel dat tijdens de vergadering van het bijzonder BOC door de vakbonden werd verklaard dat “[zij zich] bewust [zijn] van de onhoudbare positie van de betrokkene in de afdeling West en dat een herplaatsing nodig is”. In de mate dat de bestreden beslissing gesteund wordt op de vaststelling dat de positie van de verzoeker niet meer houdbaar is, vindt zij derhalve steun in een deugdelijk materieel motief dat in rechte en in feite aanvaardbaar is.
  36. In zoverre de verzoeker in het middel eveneens de schending van de hoorplicht en de zorgvuldigheidsplicht aanvoert, wordt vastgesteld dat de IX-5454-13/22 verzoeker niet uiteenzet waarin deze schending bestaat. In die mate is het middel onontvankelijk.
  37. Het middel is deels onontvankelijk en deels ongegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  38. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van artikel VI.II.85 van het RPPol en van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeker voert aan dat de maatregel tot herplaatsing ten aanzien van de personeelsleden van de politiediensten geregeld wordt door het artikel VI.II.85 van het RPPol, dat de gevallen omschrijft waarin een herplaatsing mogelijk is. De verzoeker stelt niet onder de voorwaarden van voormeld artikel te ressorteren en derhalve niet voor herplaatsing in aanmerking te komen.
  39. De verwerende partij laat in haar memorie van antwoord gelden dat de korpschef, die het lokaal politiekorps leidt en in die hoedanigheid instaat voor de organisatie en de verdeling van de taken, elke maatregel kan nemen die noodzakelijk is voor de goede werking van het korps, daarin begrepen de herplaatsing zoals voorzien in artikel 44 van de WGP. Bovendien was de maatregel het gevolg van een onderling akkoord, wat blijkt uit de notulen van de vergadering van het bijzonder BOC. De verwerende partij laat voorts gelden dat artikel VI.II.85 van het RPPol, dat betrekking heeft op de mobiliteit, te dezen niet van toepassing is en dat noch dit artikel, noch enige andere bepaling eraan in de weg staat dat de korpschef maatregelen van inwendige orde neemt die niet voorzien zijn in artikel VI.II.85 van het RPPol.
  40. De verzoeker dupliceert dat artikel 44 van de WGP duidelijk in samenhang met artikel VI.II.85 RPPol dient gelezen te worden en dat laatstgenoemd artikel bijgevolg eveneens dient gerespecteerd te worden door de korpschef die een maatregel tot herplaatsing neemt. IX-5454-14/22 Beoordeling
  41. Artikel VI.II.85 van het RPPol stelt het volgende: “Art. VI.II.
  42. Kan worden herplaatst, het personeelslid dat: 1/ niet langer over de vereiste medische geschiktheid beschikt voor de uitoefening van de betrekking maar dat opnieuw kan worden geplaatst in een andere betrekking die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand; 2/ met toepassing van artikel 118, derde lid, van de wet is overgegaan naar het administratief en logistiek kader ofwel er tijdelijk een dergelijk ambt bekleedt en vraagt om buiten de toepassing van de mobiliteitsregeling, te worden opgenomen in het operationeel kader; 3/ geen voldoening geeft tijdens de stage of opleiding die voortvloeit uit zijn aanwijzing in een gespecialiseerde betrekking; 4/ heropgenomen wordt overeenkomstig titel III van deel IX; 5/ als stagiair wegens beroepsongeschiktheid wordt herplaatst in zijn kader van oorsprong; 6/ het personeelslid dat daarom verzoekt op grond van artikel VI.I.11, vierde lid, 2/; 7/ het personeelslid dat uit disponibiliteit terugkeert en dat onder toepassing valt van artikel VIII.XI.12, 2/; 8/ wegens enigerlei oorzaak moet worden aangewezen voor een andere dan zijn eigen betrekking.”
  43. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat voormeld artikel deel uitmaakt van hoofdstuk V van het RPPol getiteld “De herplaatsing”. De verwerende partij kan derhalve niet worden bijgetreden waar zij stelt dat deze bepaling deel uitmaakt van hoofdstuk II “De regeling van de mobiliteit”. Luidens artikel VI.II.85, 8/, van het RPPol kan het personeelslid herplaatst worden wegens “enigerlei oorzaak”. Dit artikel dient te worden gelezen in samenhang met artikel 44 van de WGP, dat aan de korpschef die de leiding heeft over het lokaal politiekorps, de bevoegdheid toekent om elke maatregel te nemen die noodzakelijk is voor de goede werking van het korps. Uit beide bepalingen volgt dat een beslissing tot herplaatsing voldoende rechtsgrond vindt in de artikel 44 dan de WGP en VI.II.85 van het RPPol.
  44. Het middel is ongegrond. IX-5454-15/22 D. Vierde middel Standpunt van de partijen
  45. De verzoeker voert in zijn vierde middel, afgeleid uit de schending van artikel 131 van de WGP en van de zorgvuldigheidsplicht, aan dat het statuut van de politieambtenaren het beroepsgeheim en de discretieplicht waarborgt zodat het voor politieambtenaren verboden is om persoonlijke gegevens kenbaar te maken met schending van de rechten en vrijheden van de burger, inzonderheid het recht op eerbiediging van het privé-leven. De verzoeker stelt dat hij in de wandelgangen moest vernemen dat hem een tekortkoming werd verweten en dat tegen hem een maatregel werd overwogen. Bovendien werd zijn dossier door de ganse teamleiding besproken, teneinde zijn geloofwaardigheid als vakbondsafgevaardigde zoveel mogelijk te schaden.
  46. De verwerende partij laat in haar memorie van antwoord vooreerst gelden dat de door de verzoeker aangehaalde feiten geenszins gestaafd worden. De korpschef heeft zich, zo stelt zij, op geen enkele wijze schuldig gemaakt aan de schending van artikel 131 van de WGP. Zij stelt bovendien dat, zelfs indien door de verzoeker zou kunnen aangetoond worden dat de korpschef artikel 131 van de WGP heeft geschonden, quod non, niet valt in te zien hoe deze schending een invloed zou kunnen hebben op de regelmatigheid en wettigheid van de bestreden beslissing. Ten overvloede wijst zij erop dat de bijeenkomst van het bijzonder BOC om de overplaatsing van de verzoeker te bespreken er gekomen is op diens eigen verzoek.
  47. De verzoeker herhaalt in zijn memorie van wederantwoord dat hij de voorgenomen overplaatsing in de wandelgangen heeft moeten vernemen. Eerst nadat deze schade reeds was aangericht heeft de verzoeker via zijn vakbond om een bijeenkomst van het BOC verzocht, zodat die bijeenkomst geenszins kan worden aangegrepen om te vergoelijken dat aan de herplaatsing ruchtbaarheid werd gegeven. Voor de verzoeker staat vast dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij niet met de nodige omzichtigheid te werk is gegaan en zodoende zijn rechten heeft geschaad. IX-5454-16/22 Beoordeling
  48. Daargelaten de vraag of de herplaatsing van de verzoeker door de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij al dan niet met de nodige omzichtigheid en discretie werd benaderd, dient te worden vastgesteld dat in het middel niet wordt verduidelijkt hoe de beweerde onzorgvuldigheid een invloed zou kunnen hebben op de wettigheid of de regelmatigheid van de bestreden beslissing. Aangenomen dat deze onzorgvuldigheid zou bewezen zijn, dan zou deze onzorgvul- digheid mogelijks als een fout in hoofde van de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij kunnen gekwalificeerd worden. Deze eventuele “fout” heeft niet automatisch de onwettigheid van de bestreden beslissing tot gevolg. Het komt de verzoeker toe om zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel die hij geschonden acht, aan te duiden, maar bovendien ook aan te geven en te motiveren op welke wijze de bestreden beslissing deze rechtsregel of dit rechtsbeginsel schendt. Te dezen laat de verzoeker dit na.
  49. Het middel is onontvankelijk. E. Vijfde middel Standpunt van de partijen
  50. De verzoeker voert in zijn vijfde middel de schending aan van artikel VI.I.62 van het RPPol en van de zorgvuldigheidsplicht. Volgens de verzoeker bepaalt voormeld artikel dat, wanneer ten aanzien van een syndicaal afgevaardigde een beslissing tot overplaatsing wordt genomen die hij niet zelf heeft aangevraagd, de verantwoordelijke leider van zijn representatieve vakorganisatie over een termijn van vijf dagen beschikt om middels een ter post aangetekende brief een buitengewo- ne vergadering van het BOC waaronder de afgevaardigde ressorteert, te vragen. In dergelijk geval wordt aan het BOC de mogelijkheid gegeven een advies te formuleren betreffende de herplaatsing. De bevoegde overheid dient met inachtname van voormeld advies te beslissen of de overplaatsing al dan niet wordt behouden. De uitvoering van de beslissing houdende de overplaatsing wordt opgeschort tot op het ogenblik van laatstgenoemde beslissing. Te dezen, zo stelt de verzoeker, is het BOC wel bijeengeroepen, maar heeft het geen advies verstrekt. In elk geval werd hij niet in kennis gesteld van een dergelijk advies. De verzoeker besluit dat “voornoemd artikel 63 van het KB Rppol [...] aldus geschonden [is]”. IX-5454-17/22
  51. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord vooreerst op dat het middel onvoldoende nauwkeurig geformuleerd, en derhalve onontvankelijk is. Zij stelt dat ten onrechte verwezen wordt naar “onbestaande artikelen zoals art. VI.1.62 RPPol en/of art. 63 KB RPPol” en dat het niet de taak is van de verwerende partij om uit te zoeken welke schendingen de verzoeker aanvoert.
  52. De verwerende partij stelt voorts dat de verzoeker blijkbaar de schending aanvoert van artikel 62 van het koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten. In de mate dat de schending van artikel 62 van dit koninklijk besluit wordt ingeroepen, wijst de verwerende partij erop dat het BOC in buitengewone zitting is bijeengekomen, dat tijdens die zitting een overeenkomst werd bereikt, dat dit blijkt uit de notulen van die vergadering en dat deze overeenstemming moet aanzien worden als een unaniem advies van het BOC. Zij stelt voorts dat de notulen van die vergadering op de volgende vergadering van het BOC, waarop de verzoeker aanwezig was in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van het NSPV, werden goedgekeurd.
  53. De verzoeker dupliceert in zijn memorie van wederantwoord dat door het BOC geen advies gegeven werd, maar dat enkel getracht werd tot een overeenstemming tussen beide partijen te komen aan de hand van een voorstel dat evenwel niet werd aangenomen door de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij. De verzoeker besluit dat aldus duidelijk de schending van artikel 62 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 voorligt. De verzoeker merkt daarenboven op dat in het verzoekschrift tot nietigverklaring een materiële vergissing voorkomt, met name doordat in fine van de uiteenzetting van het vijfde middel melding wordt gemaakt van artikel 63 in plaats van artikel 62, daar waar bij aanvang van het middel duidelijk gesproken wordt van artikel
  54. Beoordeling
  55. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de materiële vergissing waar de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord naar verwijst geen voldoende duiding inhoudt voor de omstandigheid dat in het verzoekschrift wordt IX-5454-18/22 verwezen naar het RPPol, terwijl de desbetreffende artikelen, zowel VI.I.62 als VI.I.63, daarin niet voorkomen. Artikel 2, § 1, 2/, van het algemeen procedurereglement bepaalt dat het verzoekschrift een uiteenzetting moet bevatten van de feiten en de middelen. Onder een “middel” dient te worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de rechtsregel die geschonden wordt geacht en een uiteenzetting van de wijze waarop de bestreden beslissing die rechtsregel geschonden heeft. Te dezen blijkt dat de verwerende partij het middel zo geïnterpre- teerd heeft dat de verzoeker de schending aanvoert van artikel 62 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten (hierna: het koninklijk besluit van 8 februari 2001). In die zin heeft de verwerende partij ook haar verweer opgebouwd. De rechten van de verdediging zijn dan ook niet geschonden indien de Raad het middel leest zoals de verwerende partij het heeft begrepen.
  56. Artikel 62 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 luidt als volgt: “Indien een syndicale afgevaardigde het voorwerp heeft uitgemaakt van een mutatie die hij niet heeft aangevraagd, beschikt de verantwoordelijke leider van zijn representatieve vakorganisatie over een termijn van vijf werkdagen om bij een ter post aangetekende brief een buitengewone vergadering van het basisoverlegcomité, waaronder de afgevaardigde ressorteert, aan te vragen. De syndicale afgevaardigde bedoeld in het eerste lid, mag tijdens deze buitengewone vergadering geen zitting in het comité hebben. De mutatie van de betrokken syndicale afgevaardigde wordt opgeschort vanaf de in het eerste lid bedoelde aanvraag en totdat het bevoegde basisover- legcomité hieromtrent een advies heeft verstrekt en de bevoegde overheid zich heeft uitgesproken om de mutatie al dan niet te bevestigen. Voor het overige zijn de artikelen 21, vierde lid, 27, § 2, tweede lid, 30 tot en met 32 van overeenkomstige toepassing op deze buitengewone vergadering.” Uit het administratief dossier blijkt dat zich te dezen volgende gebeurtenissen hebben voorgedaan naar aanleiding van de beslissing tot herplaatsing van de verzoeker: - de verantwoordelijke leider van het NSPV heeft een bijeenroeping van een buitengewone vergadering van het BOC gevraagd; IX-5454-19/22 - de herplaatsing van de verzoeker werd opgeschort ingevolge deze bijeenroeping; - op de buitengewone vergadering van het BOC werd door de vakvereniging het akkoord gegeven voor de herplaatsing van de verzoeker, zij het onder een bepaalde voorwaarde; - de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij heeft uiteindelijk beslist om de herplaatsing te bevestigen, zonder rekening te houden met de voorwaarde die door de vakverenigingen werd voorgesteld. Hoewel de conclusies van het BOC niet expliciet als een “advies” worden omschreven, kunnen zij bezwaarlijk anders gekwalificeerd worden. Artikel 62 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 impliceert overigens niet dat met de vakverenigingen een “akkoord” moet bereikt worden. Dat de tweede vertegen- woordiger van de verwerende partij bij de bevestiging van de herplaatsing en het nemen van de bestreden beslissing het advies van het BOC niet of niet geheel volgt impliceert dan ook geenszins een schending van artikel 62 van het koninklijk besluit van 8 februari
  57. Evenmin schrijft deze bepaling voor dat het advies van het BOC zou worden meegedeeld aan de betrokkene.
  58. Het middel is ongegrond. E. Zesde middel Standpunt van de partijen
  59. In een zesde en laatste middel voert de verzoeker in ondergeschik- te orde de schending van het RIM en van de zorgvuldigheidsplicht aan. De verzoeker laat gelden dat elk personeelslid overeenkomstig het reglement dient geëvalueerd te worden en dat de evaluator de betrokkene bij tekortkomingen bij zich zal roepen voor een functioneringsgesprek. De verzoeker laat gelden dat dergelijk gesprek voor de evaluatieperiode van 1 maart 2006 tot 29 februari 2008 niet heeft plaatsgevonden, ondanks de beweerde tekortkomingen in hoofde van de verzoeker. Hij stelt voorts dat, wanneer de korpschef beslist om een personeelslid overeenkomstig artikel 24 van het RIM te herplaatsen, voorafgaand aan die herplaatsing minstens één functioneringsgesprek moet plaatsvinden, gevolgd door een proefperiode van één maand ter evaluatie van het functioneren van de betrokkene. De verzoeker stelt dat op 11 mei 2006 een “bijsturingsgesprek” heeft IX-5454-20/22 plaatsgevonden. Nooit werd evenwel gesproken van een “functioneringsgesprek”, terwijl bovendien de proefperiode niet werd toegepast omdat daartoe geen actie werd ondernomen door de evaluator. Daarenboven, zo stelt de verzoeker, diende het HR-comité, uitgebreid met twee vertegenwoordigers van de vakverenigingen, overeenkomstig artikel 24 van het RIM de gegrondheid te beoordelen van de voorgestelde herplaatsing en terzake advies uit te brengen aan de korpschef. Te dezen werden de vakorganisaties niet betrokken bij de beslissing tot herplaatsing en werd aan de verzoeker geen advies van het HR-comité overgemaakt.
  60. De verwerende partij laat in haar memorie van antwoord gelden dat het middel onontvankelijk is. Zij stelt dat, hoewel in het besluit van 3 juli 2006 ten onrechte werd verwezen naar artikel 24 van het RIM, in de bestreden beslissing geen enkele verwijzing naar het RIM werd opgenomen. Zij laat gelden dat de beslissing tot herplaatsing van de verzoeker niet is gesteund op ernstige tekortko- mingen in het functioneren van de verzoeker en dat de maatregel werd genomen in overleg met de vakvereniging van de verzoeker. De verwerende partij herhaalt dat de maatregel van de korpschef gesteund is op de vaststelling van de vertrouwens- breuk, die onderschreven werd door alle deelnemers aan de vergadering van het buitengewoon BOC en dat de maatregel zijn grondslag vindt in artikel 44 van de WGP.
  61. In zijn memorie van wederantwoord laat de verzoeker gelden dat de omstandigheid dat de bestreden beslissing werd genomen op grond van artikel 44 van de WGP er niet aan in de weg staat dat de verwerende partij haar eigen reglementen moet toepassen. Hij merkt op dat uit de notulen van de vergadering van het BOC duidelijk blijkt dat zijn herplaatsing wel degelijk te wijten is aan vermeende tekortkomingen in zijnen hoofde. Beoordeling
  62. Met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat in de bestreden beslissing, die de oorspronkelijke beslissing van 3 juli 2006 heeft vervangen, niet verwezen wordt naar artikel 24 van het RIM of naar enige andere bepaling daarvan. Bovendien blijkt dat de verzoeker in zijn memorie van wederant- woord zelf expliciet erkent dat de bestreden beslissing werd genomen op grond van IX-5454-21/22 artikel 44 van de WGP. Hiervóór, bij de bespreking van het derde middel, is gebleken dat de bestreden beslissing voldoende rechtsgrond vindt in artikel 44 van de WGP en in artikel VI.II.85 van het RPPol. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat bij het nemen van de bestreden beslissing, die niet verwijst naar het RIM, en die niet genomen wordt op grond van ernstige tekortkomingen in hoofde van de verzoeker, het RIM had moeten toegepast worden.
  63. Het middel is ongegrond. BESLISSING
  64. De Raad van State verwerpt het beroep.
  65. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5454-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.569 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.