id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.571 Rolnummer: A. 168701/IX-5173 Zaak: Arrest 203571 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 03/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-12 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 203.571 van 3 mei 2010 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.571 van 3 mei 2010 in de zaak A. 168.701/IX-5173 In zake : Nicholas DE COCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te Tessenderlo Lichtveld 38/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 december 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 13 juli 2005 van de deliberatiecommissie van de Koninklijke Militaire School waarbij Nicholas De Cock definitief mislukt wordt verklaard voor de militaire initiatiefase als leerling van de Koninklijke Militaire School. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 156.223 van 13 maart 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Henri Colin heeft een verslag opgesteld. IX-5173-1/23 De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 maart
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor de verzoeker, en luitenant-kolonel militair administrateur Arnaud De Decker, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 26 september 1996 wordt de verzoeker benoemd in de graad van sergeant en opgenomen in het kader der beroepsonderofficieren. Op 18 augustus 1998 neemt hij dienst als kandidaat-beroepsofficier bij de marine en wordt hij toegelaten als leerling tot de Koninklijke Militaire School (afdeling Alle Wapens). Van 23 augustus 1998 tot 25 september 1998 volgt hij de militaire initiatiefase voor leerlingen van de Koninklijke Militaire School (hierna: KMS). 3.
- Op 9 oktober 1998 beslist de deliberatiecommissie van de KMS dat de verzoeker definitief mislukt is. Die beslissing bevat volgende motivering: “Beslissing van de commissie : DEFINITIEF MISLUKT a. Motivatie in recht Betrokkene heeft minder dan 10/20 voor zijn beoordeling van de karakteriële hoedanigheden behaald b. Motivatie in de feiten Interpreteert de reglementen naar letter of geest zoals het hem het beste uitkomt IX-5173-2/23 Kan moeilijk kritiek of opmerkingen van het kader aanvaarden zonder in discussie te gaan Heeft bedrieglijke praktijken beoefend tijdens de scoreloop”. 3.
- De verzoeker stelt tegen die beslissing annulatieberoep in. Bij arrest nr. 115.059 van 27 januari 2003 vernietigt de Raad van State de beslissing van de deliberatiecommissie, wezenlijk omdat de deliberatiecommissie haar besluit gesteund heeft op “bedrieglijke praktijken beoefend tijdens de scoreloop”, terwijl de verzoeker niet de gelegenheid gekregen had zich te dien aanzien te verweren (overwegingen 2.6.
- tot 2.6.7.). 3.
- Op 25 september 2003 verklaart de deliberatiecommissie van de KMS de verzoeker opnieuw definitief mislukt voor de militaire initiatiefase als leerling van de KMS. 3.
- Nadat het juridisch departement van de FOD Defensie aan de commandant van de KMS enkele bemerkingen had medegedeeld aangaande de wettigheid van de beslissing van 25 september 2003, wordt op 4 juli 2005 aan de verzoeker meegedeeld dat de kandidaat die minder dan 50% behaalt voor de beoordeling der karakteriële hoedanigheden in deliberatie komt, dat de deliberatie zal plaatsvinden op 13 juli 2005 in Leopoldsburg, dat de verzoeker inzage kan hebben van zijn dossier tot 12 juli 2005, 17 uur, op het leerlingensecretariaat in de KMS, en dat hij tevens een verweerschrift kan indienen vóór 12 juli 2005, 17 uur. 3.
- Met een brief van 8 juli 2005 deelt de verzoeker aan de commandant van de KMS mee dat het bericht van 4 juli 2005 de samenstelling van de deliberatiecommissie enkel weergeeft volgens functie, dus zonder de namen van de betrokken personen mee te delen. Hij verzoekt de samenstelling met een nominatieve lijst te vervolledigen en deze volledige lijst per aangetekend schrijven naar zijn adres te zenden. Volgens de verklaring van de verzoeker, hierin niet tegengespro- ken door de verwerende partij, werden hem de namen van de personen die zouden zetelen in de deliberatiecommissie niet meegedeeld vóór de zitting van 13 juli
- 3.
- Op 12 juli 2005 dient de verzoeker een verweerschrift in tegen de quotering van zijn karakteriële beoordeling en vraagt hij om gehoord te worden. In IX-5173-3/23 zijn verweerschrift gaat hij uitgebreid in op de beschuldiging van fraude tijdens de scoreloop van 8 september
- 3.
- Blijkens een door de verzoeker neergelegd attest van de KMS biedt hij zich op 12 juli 2005 om 14.15 u. aan om zijn dossier te raadplegen, maar bevindt zijn dossier zich op dat ogenblik reeds te Leopoldsburg, waar de deliberatie zal plaatsgrijpen. 3.
- Op 13 juli 2005 verschijnt de verzoeker voor de deliberatie- commissie. 3.10.
- Het op 19 oktober 2005 gedagtekend proces-verbaal van de zitting vermeldt wat volgt: “(...)
- Samenstelling van de commissie a. Voorzitter : LtKol SBH DU FOUR L., Hoofdonderrichter (HOIC) b. Secretaris (zonder stemrecht) : Cdt KETELEER, EXO Bn HOIC c. Leden :
(1)Cdt VERMEER, Eenheidscommandant
(2)Capt DE BUSSCHERE, Adjunct Promotiecommandant 159 POL
(3)ISC VERREPT
(4)MTC BOUCKAERT, Adjunct Peloton (...)
- Identiteit van de getuige : Capt BLOEMEN, Cdt CREVECOEUR, Adjt PATRIS
- Opmerkingen : Samenvatting van het verloop van de deliberatie- commissie a. Betrokkene wordt uitgenodigd door de Voorzitter van de deliberatie- commissie. b. De Voorzitter legt aan betrokkene de situatie uit en vraagt of hij akkoord gaat met de samenstelling van de commissie. De betrokkene stemt in met het feit dat het de taak is van de Voorzitter om naar eigen inzicht de commissie samen te stellen. c. De Voorzitter vraagt aan betrokkene of hij nog altijd KBO wil worden. Betrokkene antwoordt en legt uit waarom. Betrokkene stelt dat hij vooral eerherstel nastreeft en minder geïnteresseerd is in een loopbaan als Officier. d. De Voorzitter geeft het woord aan betrokkene. Hij bouwt zijn verdediging op met de hulp van zijn verweerschrift (zie Bijl.). e. De Voorzitter laat de getuigen binnenkomen. f. Capt BLOEMEN (toenmalig Pl Comd)
(1)Betrokkene was ex-OOffr en men heeft dan bepaalde verwachtingen. Hij hielp de anderen niet, toonde weinig inzet en had nogal een arrogante houding.
(2)Het Pl kader heeft rekening gehouden met de fraude tijdens de scoreloop in de karakteriële beoordeling. IX-5173-4/23
(3)Betrokkene vraagt of er bewijzen zijn van zijn arrogante houding.
(4)De Pl Comd citeert een gesprek met toenmalige Lt KERSBERGEN. g. Cdt CREVECOEUR (toenmalig Cie Comd en Comd 138 TAW)
(1)Legt uit hoe hij de inputs kreeg van de verschillende Pl Comd om de kandidaten goed te kunnen opvolgen. De mensen met problemen kwamen op verslag bij de Cie Comd. Het Cie kader ging regelmatig de mensen op terrein bezoeken.
(2)Meldt dat hij het volste vertrouwen had in het Pl kader.
(3)Over de fraude tijdens de scoreloop meldt de Cie Comd dat hij 0/20 heeft gekregen omdat Meester Patris een fraude op de resultatenkaart had vastgesteld.
(4)Betrokkene vraagt of er een grondig onderzoek is geweest i.v.m. de fraude. Hij meldt dat hij de prijs van fraude kent en vraagt waarom hij dat gedaan zou hebben ? h. Adjt PATRIS (sportmonitor die de fraude vastgesteld heeft)
(1)Legt de oefening scoreloop uit en meldt dat de leerlingen verwittigd waren dat elke poging tot fraude een 0/20 als sanctie zou hebben.
(2)Legt uit dat post 10 niet meer bestond en dat er toch geprikt was op de controlekaart van betrokkene. Andere tekens geprikt op zijn kaart waren niet symmetrisch. Daarenboven, stemde geen enkele kniptang, aanwezig op het parcours, overeen met sommige markeringen op de controlekaart.
(3)De Voorzitter toont de originele kaart en beide partijen bevestigen dat het wel degelijk de goede kaart is.
(4)Betrokkene geeft een mogelijke uitleg voor de niet-symmetri- sche gaten (kreuk in de kaart) en vraagt waar de moederkaart is. Hij bevestigt dat hij les heeft gekregen van Adjt PATRIS en dat hij nooit een probleem heeft gehad met hem. Hij verklaart dat hij niet de bedoeling had om te frauderen maar sluit een vergissing niet uit. i. De Voorzitter geeft aan betrokkene de mogelijkheid om vragen te stellen. j. Men stelt vast dat ISC VERREPT geen onderrichter is geweest van betrokkene (het gaat om een persoonsverwisseling) maar deze laatste gaat akkoord dat hij zetelt en stemt in de commissie. k. De Voorzitter vraagt of hij nog iets toe te voegen heeft, betrokkene antwoordt nee. Betrokkene wordt bedankt en verlaat de zaal i. De commissie gaat over tot de stemming. Betrokkene is definitief mislukt voor karakteriële redenen (unanieme beslissing - zie Bijl D)
- Bijlagen : Bijl A : Handtekening van de leden van de commissie. Bijl B : Fiche met de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden. Bijl C : Verweerschrift. Bijl D : Motivatie
- Beslissing van de commissie: Betrokkene is definitief mislukt op karakterieel gebied (unanieme beslissing - zie Bijl D.) (...)”. 3.10.
- Bijlage D, waarnaar onder punt 7 in fine, punt 8 in fine en punt 9 van het proces-verbaal wordt verwezen, luidt als volgt : IX-5173-5/23 “Beslissing van de deliberatiecommissie die zetelde op 13 juli 05
- Gelet op het verzoekschrift dat hangende is bij de Raad van State, meer bepaald gelet op de inadequate motivering van de beslissing van de deliberatiecommissie van 25 Sep
- Beslissing : De deliberatiecommissie trekt de beslissing van de deliberatie- commissie van 25 Sep 03 in
- Nieuwe beslissing deliberatiecommissie a. Motivering in rechte Wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militair van het actief kader, artikel 20 sexies en 20 septies. Koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werking en de vorming van de kandidaat, militair van het actief kader, Art 70, tweede lid, 1/. b. Motivering in feite Overwegende dat betrokkene dient te verschijnen voor de commissie op basis van de karakteriële beoordeling die op 24 sep 98 verstrekt werd door toenmalig Luitenant CREVECOEUR in samenspraak met pelotons- commandant toenmalig Luitenant van het vliegwezen BLOEMEN. Overwegende dat betrokkene een onvoldoende score van 9,28/20 bekwam. Overwegende dat het beoordelingsformulier een aantal commentaren bevat. Overwegende dat toenmalig luitenant van het vliegwezen BLOEMEN ter zitting verklaard heeft dat zij bij het toekennen van de score rekening heeft gehouden met de fraude bij de scoreloop die betrokkene zou gepleegd hebben. Overwegende dat het verweer van betrokkene m.b.t. de beoordeling van 24 sep 98 er zich toe beperkt te stellen dat er geen bewijzen zijn die de ‘commentaren’ op het beoordelingsformulier kunnen staven. Overwegende dat de individuele fiche m.b.t. betrokkene melding maakt van een aantal punctuele feiten, waarvan betrokkene kennis heeft genomen, doch waartegen hij in tempore non suspecto nooit heeft gereageerd. Dat de commissie er in die omstandigheden er kan van uitgaan dat de gemaakte opmerkingen strekken met de realiteit. Overwegende dat op deze individuele fiche ook melding is gemaakt van ‘bedrieglijke praktijken beoefend tijdens de scoreloop’. Dat verzoekers betoog dat het hier zou gaan om een pure vergissing of technisch probleem (gekreukte kaart) niet kan overtuigen. Dat de uitleg die meester PATRIS heden heeft gegeven wel overtuigend is. Dat meester PATRIS heden heeft gesteld dat : ‘Leerling-Officier DE COCK fraude gepleegd heeft voor de test kaartlezen en bijgevolg een score van 0 op 20 heeft gekregen voor deze proef. 1e Feit : Betrokkene had een perforatie aangebracht in het vakje voorzien voor post
- Wat betrokkene niet wist bij aankomst is dat deze post niet aanwezig was en bijgevolg niet geknipt kon worden met een knijptang. Daarenboven was deze perforatie zelf gefabriceerd daar het zich handelde over een patroon dat zich op geen enkele aanwezige knijptang ver- toonde. Het patroon was daarenboven asymmetrisch wat erop wijst dat hij dit bovendien zelf gefabriceerd had. 2e Feit : Hij heeft éénzelfde knijptang gebruikt om twee posten te knippen (post zeven + dertien), daar waar alle lln voordien duidelijk meegekregen hadden dat dit als fraude aanzien zou worden. Hier handelde het zich eveneens om een IX-5173-6/23 asymmetrisch patroon waardoor opnieuw de authenticiteit in vraag kan worden gesteld.’ Dat de commissie er, mede in het licht van het feit dat betrokkene in tempore non suspecto nooit gereageerd heeft tegen de zware aantijgingen en gelet op de verklaring van meester PATRIS er van kan uitgaan dat de fraude bewezen is. Gelet op het voorgaande schaart de commissie zich achter de destijds door Luitenant CREVECOEUR verstrekte karakteriële beoordeling en beslist dat betrokkene niet over de vereiste karakteriële hoedanigheid beschikt”. 3.10.
- De beslissing van 13 juli 2005 van de deliberatiecommissie dat de verzoeker definitief mislukt is op karakterieel gebied maakt het voorwerp uit van het onderhavig beroep. Zij is op 19 oktober 2005 ter kennis van de verzoeker gebracht. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt op dat het beroep onontvankelijk is omdat de verzoeker geen gebruik gemaakt heeft van het verhaalrecht, zoals omschreven in de artikelen 31, 31bis en 32 van het koninklijk besluit van 30 december 1959 betreffende de militaire tucht (hierna: het koninklijk besluit van 30 december 1959). Zij stelt dat het verhaalrecht een georganiseerd administratief beroep is dat de verzoeker diende uit te putten alvorens hij ontvankelijk een annulatieberoep bij de Raad van State kon instellen. Ter adstructie van de stelling dat het verhaalrecht een georganiseerd administratief beroep is verwijst de verwerende partij naar artikel 11 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de rechtstoestanden van het militair personeel (hierna: het koninklijk besluit van 11 augustus 1994) waarmee de laatste zin van het eerste lid van artikel 32 van het koninklijk besluit van 30 december 1959, waarin stond dat de autoriteit tot wie het verhaal was gericht, zelf kon oordelen of hij er al dan niet gevolg aan wenste te geven, wordt opgeheven. Hieruit volgt, aldus de verwerende partij, dat de autoriteit tot wie het verhaalrecht gericht is zich er moet over uitspreken, hetgeen kenmerkend is voor een georganiseerd administratief beroep.
- De verzoeker repliceert dat in de bestreden beslissing zelf wordt aangegeven dat hij bij de Raad van State een beroep kan instellen en dat de verwerende partij op die manier minstens afstand gedaan heeft van de mogelijkheid IX-5173-7/23 om de exceptie, afgeleid uit het niet uitputten van het georganiseerd administratief beroep, op te werpen. Ondergeschikt stelt de verzoeker dat het verhaalrecht een willig beroep is. Artikel 11 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 heeft volgens de verzoeker nooit de bedoeling gehad het verhaalrecht om te vormen tot een georganiseerd administratief beroep. Beoordeling
- Terecht wijst de verzoeker erop dat de verwerende partij hem verwittigd heeft van de mogelijkheid om tegen de bestreden beslissing van de deliberatiecommissie een annulatieberoep in te dienen. Daarover was immers een vermelding opgenomen onder punt 11 van het proces-verbaal van 19 oktober
- Mag evenwel die vaststelling op zich niet uitlopen op het afwijzen van de aangevoerde exceptie, aangezien het verplicht uitputten van een georganiseerd administratief beroep een voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van een annulatieberoep en de openbare orde raakt, dan kan zij wel de verzoeker op een dwaalspoor gezet hebben omtrent de rechtsgang die voor hem openstond en moet elke twijfel over het bestaan of het verplicht karakter van het administratief beroep in zijn voordeel uitgelegd worden.
- Een georganiseerd administratief beroep is een beroep dat door een reglementaire bepaling wordt ingesteld en dat voor de overheid de verplichting met zich brengt om er gevolg aan te geven. Het georganiseerd administratief beroep garandeert de burger dat de beslissing, die hem niet voldoet, door een andere overheid onderzocht wordt en dat er een nieuwe beslissing op volgt. Omdat het georganiseerd beroep de burger in de gelegenheid stelt reeds op het administratief niveau genoegdoening te krijgen, geldt het regelmatig uitputten van het administra- tief beroep als een ontvankelijkheidsvoorwaarde voor het indienen van een annulatieberoep. Het bestaan van een uitgewerkte procedure om in beroep tot een beslissing te komen is niet decisief om tot het bestaan van een georganiseerd beroep te besluiten. In dergelijk geval vallen de partijen terug op de verplichtingen die de algemene beginselen van behoorlijk bestuur hen opdragen.
- De exceptie is gesteund op de artikelen 31, 31bis en 32 van het koninklijk besluit van 30 december 1959 betreffende de militaire tucht. Die artikelen, laatst nog gewijzigd door het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de rechtstoestanden van het militair personeel, vormen de afdeling 3 - IX-5173-8/23 “verhaal” van hoofdstuk IV -“bezwaren en verhaal” van het betreffend koninklijk besluit. Het zijn overigens, samen met het artikel 33-het audiëntierecht- en het hoofdstuk V -de artikelen 34 en 35 die “diverse bepalingen” bevatten-, de enige artikelen van het besluit die formeel nog bestaan: immers, hoofdstuk I, -handelend over de “ondergeschiktheid en de verantwoordelijkheid”-, hoofdstuk II -handelend over “bepaalde tuchtmaatregelen” en hoofdstuk III -handelend over de onderzoeks- raad die optreedt in geval van verbreking van de dienstneming van onderofficieren- zijn na wijziging op 25 april 1979, opgeheven door artikel 6, 2/ van het koninklijk besluit van 30 april 1980 betreffende de militaire hiërarchie in de schoot van de land-, de lucht-, de zeemacht en van de medische dienst; afdeling 1 van hoofdstuk IV -handelend over het bezwaar tegen een straf- is opgeheven door artikel 28, 2/ van het koninklijk besluit van 4 februari 1972 betreffende de militaire tuchtrechtspleging en afdeling 2 van hetzelfde hoofdstuk IV -handelend over het bezwaar tegen een tuchtmaatregel- blijkt volgens de officieuze codificatie die de verwerende partij bij het administratief dossier gevoegd heeft, impliciet opgeheven te zijn door de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht.
- De artikelen 31, 31bis en 32 van het koninklijk besluit van 30 december 1959, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, luiden als volgt: - artikel 31: “Elke militair die tegenwerpingen of klachten uit te drukken heeft nopens een beslissing die hem betreft mag, langs hiërarchische weg, hiervan kennis geven aan de autoriteit die ze heeft genomen. De tussenstaande autoriteiten mogen er zich niet tegen verzetten; integendeel, zo het verhaal schriftelijk is, voegen zij er de onontbeerlijke toelichtingen en hun advies bij.” - artikel 31bis: “Elke militair die tegenwerpingen uit te drukken heeft inzake een beslissing die hem betreft mag, langs hiërarchische weg, hiervan kennis geven aan de onmiddellijk hogere overheid van de overheid die de beslissing genomen heeft. De chef van de generale staf en de stafchefs van de krijgsmachtdelen zijn naargelang het geval, de laatste overheid aan wie een verhaal mag gericht worden.” - artikel 32: “Het verhaal, uitdrukking van het vertrouwen dat de autoriteit moet inboezemen, is aan geen enkele bijzondere vorm onderworpen. Het mag zowel betrekking hebben op de gegeven bevelen voor de uitvoering van de gewone dienst als op elke tuchtmaatregel of administratieve maatregel. In deze laatste IX-5173-9/23 gevallen wordt het schriftelijk ingeleid. Het ontslaat de verzoeker in geen geval van het nakomen der bevelen die hij ontvangen heeft, of van de maatregelen die tegen hem werden getroffen. Elk verhaal dat ingediend is door tussenkomst van personen die aan het leger vreemd zijn, wordt zonder gevolg gelaten.” Het verhaalrecht, geregeld door deze bepalingen, vormt een georganiseerd administratief beroep. Dit blijkt inzonderheid uit het feit dat, zoals de verwerende partij aangeeft, met het koninklijk besluit van 24 augustus 1994 betreffende de rechtstoestanden van het militair personeel, de laatste zin van artikel 32, eerste lid, waarin bepaald was dat het orgaan, aan wie het verhaal gericht was, zelf kon oordelen of hij er al dan niet gevolg wenste aan te geven, werd opgeheven.
- Vraag is op welke beslissingen het vermeld verhaalrecht van toepassing is. Volgens de verwerende partij heeft het een algemene draagwijdte.
- Het opschrift van het koninklijk besluit van 30 december 1959 zelf laat toe die stelling in twijfel te trekken: het besluit betreft “de militaire tucht”. Het besluit vindt voorts zijn rechtsgrond in de wet van 15 maart 1815 betreffende het reglement van de Krijgstucht of de Discipline van het Krijgsvolk te Lande en het beoogde, blijkens het verslag aan de Koning, een einde te stellen aan het reglementair imbroglio dat inzake de regeling van de discipline was ontstaan door de tekst van de wet van 15 maart 1815 zoveel mogelijk in zijn oorspronkelijke lezing te herstellen -hetgeen gebeurde door de opheffing van een groot aantal bepalingen uit het koninklijk besluit van 30 mei 1916 waarvan de grondwettelijke conformiteit betwijfeld werd- en door de regeling inzake de discipline in aangelegenheden waarvan de wet van 15 maart 1815 niet sprak, “aan te vullen met bepalingen die volledig samenvallen met de thans van kracht zijnde wettelijke en reglementaire teksten” die ook in de preambule van het besluit vermeld worden. Het verhaalrecht is dergelijke nieuwe bepaling. Daaruit mag evenwel niet besloten worden dat deze regels een algemene draagwijdte krijgen; zij kunnen integendeel, gelet op hun rechtsgrond, enkel gelden in het kader van de regeling van de discipline. IX-5173-10/23 De wet van 15 maart 1815 is opgeheven door artikel 49, §1, 8/, van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht. De rechtsgrond van het koninklijk besluit van 30 december 1959 is dus gewijzigd. Daargelaten de vraag of de nog bestaande bepalingen van laatstgenoemd besluit een ruimere draagwijdte toegedicht kan worden dan de wet waarin zij nu hun grondslag vinden en die enkel betrekking heeft op de tuchtstraffen -sancties die ingevolge een tuchtvergrijp worden opgelegd door de hiërarchische meerdere die met het toezicht over de militairen belast is, in tegenstelling tot tuchtmaatregelen, die omschreven worden als sancties van administratieve aard die het administratief statuut van de betrokken militair beïnvloeden-, kan de Raad van State er voor dit geval mee volstaan vast te stellen dat de besteden beslissing geen verband houdt met de discipline, maar betrekking heeft op het resultaat van een opleiding.
- De exceptie is niet gegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel en het eerste onderdeel van het derde middel Standpunt van de partijen
- In het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van het gezag van het arrest nr. 115.059 van 27 januari 2003, doordat de vernietiging van de deliberatiebeslissing van 9 oktober 1998 steunt op de vaststelling dat hij zijn verweer voor de deliberatiecommissie had moeten bouwen op de hem medegedeelde commentaar over de beoordeling van zijn karakteriële hoedanigheden en dat de commissie vervolgens oog gehad heeft voor een motief dat hem nooit ter kennis gebracht is, te weten het plegen van bedrieglijke praktijken tijdens de scoreloop van 8 september 1998, terwijl de deliberatiecommissie nu over zijn zaak beslist heeft op grond van hetzelfde beoordelingsformulier van zijn karakteriële hoedanigheden en enkel met een aanpassing van de feitelijke motieven, zodat de feiten die aan de beslissing van 9 oktober 1998 ten grondslag lagen -dus met inbegrip van de vermeende fraude- opnieuw in de besluitvorming betrokken zijn. In het daarbij aansluitend eerste onderdeel van zijn derde middel, dat steunt op de miskenning van de fair-play-norm en van zijn rechten van verdediging, voert de verzoeker aan dat uit de oproeping die hem werd bezorgd niet IX-5173-11/23 blijkt dat hij zou ondervraagd worden over de fraude tijdens de scoreloop, aangezien die oproeping enkel verwijst naar zijn resultaten uit 1998 voor de militaire initiatiefase en het aspect van de fraude tijdens de scoreloop in die resultaten niet aan bod komt.
- De verwerende partij verwijst naar de beoordeling van de middelen in het arrest nr. 156.223 van 13 maart 2006 over de vordering tot schorsing om te besluiten dat de middelen niet gegrond zijn.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker nog aanvullend dat de voorzitter van de deliberatiecommissie, op grond van artikel 66, tweede lid, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de vorming van kandidaat-militairen, wel degelijk verplicht was om hem op de hoogte te brengen van de fraude als medebeslissend element. Voorts verwijst de verzoeker naar een overweging uit het arrest nr. 115.059 van 27 januari 2003, waarin gesteld werd dat een leerling die voor de deliberatiecommissie moet verschijnen over waarborgen beschikt, inzonderheid dat hij niet alleen vóór zijn verschijning alle stukken van het dossier kan inzien, maar ook dat hem te gelegener tijd medegedeeld wordt “welke gegevens uit dat dossier als bijzonder discussiepunt onder de aandacht van de deliberatiecommissie zullen worden gebracht”. Uit deze overweging leidt de verzoeker af dat de handelwijze van de deliberatiecommissie te dezen in strijd is met het gezag van het arrest nr. 115.059 en met de fair-play norm.
- In zijn laatste memorie blijft de verzoeker op het standpunt dat de verwerende partij hem uitdrukkelijk had moeten verwittigen van het bijzonder belang dat de deliberatiecommissie zou hechten aan de fraude tijdens de hindernis- loop. Het feit dat de deliberatiecommissie het besluitvormingsproces heeft overgedaan vanaf de door de Raad van State vastgestelde inbreuk doet aan deze verplichting geen afbreuk. De verzoeker was immers niet bij het besluitvormings- proces betrokken en van hem kan niet verwacht worden dat hij dient te raden welke argumenten in het besluitvormingsproces doorslaggevend zouden zijn. Beoordeling
- In het arrest nr. 156.223 van 13 maart 2006 over de vordering tot schorsing is gesteld: IX-5173-12/23 “4.2.
- Overwegende dat de deliberatiecommissie, na het vernietigings- arrest, het besluitvormingsproces overgedaan heeft vanaf de door de Raad van State vastgestelde onregelmatigheid, te weten het determinerend rekening houden met de aan verzoeker aangerekende fraude zonder dat hij de gelegen- heid had gekregen zijn standpunt terzake te doen kennen; dat de verwerende partij derhalve, zonder het gezag van het vernietigingsarrest te miskennen, haar beslissing kon overdoen voor zover verzoeker daarbij de gelegenheid kreeg zijn standpunt ten aanzien van de fraude te verduidelijken en zijn argumentatie in de verdere besluitvorming betrokken werd; 4.2.
- Overwegende dat de verwerende partij bij de oproeping van verzoeker voor het verhoor van 13 juli 2005, geen melding gemaakt heeft van de bijzondere omstandigheid dat hij zou ondervraagd worden over de fraude tijdens de scoreloop; dat noch het vernietigingsarrest, noch enig reglementaire bepaling de verwerende partij tot dergelijke uitdrukkelijke kennisgeving verplichtte; dat de deliberatiecommissie er alleen diende over te waken verzoeker niet opnieuw te verschalken door ook nu de fraude als een medebe- slissend element naar voren te schuiven zonder dat hij zijn standpunt daarover ter kennis kon brengen; 4.2.
- Overwegende dat verzoeker in het vernietigingsarrest heeft kunnen lezen op welk vlak de verwerende partij zijn rechten had miskend; dat de problematiek van het bijzonder belang, dat de deliberatiecommissie hechtte aan de fraude tijdens zijn scoreloop, hem daarmee in alle klaarheid bekend was; dat de verwerende partij, die er in beginsel zelfs mee kan volstaan de kandida- ten kennis te geven van hun onvoldoende uitslagen en negatieve beoordelingen en hen inzage in het dossier te verlenen, hem niet meer hoefde mede te delen dat hij zich ook over dat aspect van de zaak kon verdedigen; dat overigens uit het verweerschrift van de verzoeker, waarin hij over vijf bladzijden ingaat op de concrete omstandigheden waarin zijn scoreloop verlopen is, blijkt dat hij goed wist dat de fraudeproblematiek een belangrijk gegeven in de besluitvor- ming zou zijn; 4.2.
- Overwegende dat de deliberatiecommissie het verweer van verzoeker in haar besluitvorming betrokken heeft; dat zij terzake ook de meerderen van verzoeker, die bij de zaak betrokken waren, als getuige gehoord heeft en dat verzoeker ook nog de gelegenheid gekregen heeft om op die getuigenissen te reageren; dat verzoeker aldus terdege is kunnen opkomen voor zijn rechten als examinandus; 4.2.
- Overwegende dat de deliberatiecommissie het gezag van het vernietigingsarrest niet geschonden heeft; dat er ook geen onregelmatigheid schuilt in het feit dat verzoeker niet formeel ervan verwittigd werd dat de commissie ook acht zou slaan op het bijzonder gegeven van de fraude bij de scoreloop; dat de middelen niet ernstig zijn;”
- Die overwegingen worden nu, voor wat de grond van de zaak betreft, bijgevallen. Er wordt daarbij nog benadrukt, in antwoord op de bijkomende argumenten die de verzoeker ontwikkeld heeft, dat het arrest nr. 115.059 betrekking had op zeer specifieke omstandigheden, aangezien de Raad van State toen moest vaststellen dat de gegevens die aan de verzoeker ter kennis waren op het ogenblik dat hij voor de deliberatiecommissie verscheen, hem helemaal niet moesten doen IX-5173-13/23 vermoeden dat de deliberatiecommissie decisief belang zou gaan hechten aan de fraude tijdens de scoreloop. Uit dat arrest mag dan ook niet afgeleid worden dat de voorzitter van de deliberatiecommissie verplicht was om de verzoeker formeel te verwittigen dat de fraude als een medebeslissend element bij de deliberatie zou betrokken worden. Die verplichting volgt ook niet uit artikel 66, tweede lid, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, aangezien die bepaling de korpscomman- dant alleen verplicht om de betrokkene in kennis te stellen van zijn onvoldoende uitslagen en negatieve beoordelingen. Die mededeling stelt de kandidaat in staat om in te schatten waar de aandacht van de deliberatiecommissie zal naar toe gaan en laat hem toe zijn verdediging te voeren. Te dezen bleek die problematiek genoeg- zaam uit het hernemen door de deliberatiecommissie, van het besluitvormingspro- ces, zonder dat daar bij de oproeping van de verzoeker nog nader op ingegaan moest worden. Het middel is niet gegrond. B. Het tweede middel Standpunt van de partijen
- In zijn tweede middel voert de verzoeker aan dat de opgeroepen getuigen en een lid van de deliberatiecommissie partijdig geweest zijn en dat de fair- play-norm geschonden is. Hij stelt dat commandant Vermeer, lid van de deliberatie- commissie, ook reeds deel uitmaakte van de commissie die op 9 oktober 1998 besloot hem niet geslaagd te verklaren, hetgeen tenminste een schijn van partijdig- heid doet ontstaan en dat twee getuigen -Kapitein Bloemen en Commandant Crevecoeur- als lid van de commissie deelgenomen hebben aan de deliberaties van 9 oktober 1998 en 25 september
- De verzoeker is van oordeel dat de vermelde personen zich bij de vroegere deliberaties “te zijnen nadele” hebben uitgesproken en er dus kon van uitgegaan worden dat zij ook nu in zijn nadeel zouden getuigen. Hij voegt daar aan toe dat de deliberatiecommissie het probleem kende -getuige het advies van de eigen juristen van het departement-, dat de partijdigheid van kapitein Bloemen voorts ook blijkt uit het in het dossier berustend ontwerp van verklaring dat het bestuur hem heeft voorgeschreven, dat hij minstens mag vrezen dat de personen die zich tijdens een eerdere deliberatie over zijn zaak een idee hebben gevormd bevooroordeeld aan de tweede deliberatie begonnen zijn en dat hij daarom mocht verwachten dat de deliberatiecommissie anders samengesteld zou zijn, dat volgens hem uit het feit dat hem niet medegedeeld is dat er op het verhoor van 13 juli 2005 getuigen gehoord zouden worden, dat hij op 12 juli 2005 het dossier op IX-5173-14/23 de KMS niet meer kon inkijken en dat het dossier een nota van de juridische dienst van het departement bevat, blijkt dat de verwerende partij “het nodige heeft gedaan om de besluitvorming ter zitting van de deliberatiecommissie van 13 juli 2005 in een door haar gewenste richting te manipuleren”. De verzoeker voegt daar nog aan toe dat een handeling waaraan een schijn van partijdigheid kleeft, ook een schending van de fair-play-norm inhoudt.
- De verwerende partij verwijst naar de beoordeling van het middel in het arrest nr. 156.223 van 13 maart 2006 over de vordering tot schorsing om te besluiten dat het middel niet gegrond is. Beoordeling
- In het arrest nr. 156.223 van 13 maart 2006 over de vordering tot schorsing is omtrent dit middel gesteld: “5.
- Overwegende dat uit het proces-verbaal van de deliberatie- commissie blijkt dat de voorzitter formeel aan verzoeker gevraagd heeft “of hij akkoord gaat met de samenstelling van de commissie”; dat blijkens de eigenhandig door verzoeker op het proces-verbaal aangebrachte verbetering - aanvankelijk was vermeld dat hij daarmee akkoord ging-, hij daarop zou geantwoord hebben dat de voorzitter de commissie naar eigen inzicht samenstelt; dat dergelijk ontwijkend antwoord zeker niet gelezen kan worden als een protest tegen de samenstelling; Overwegende dat de omstandigheid dat een lid van de examenjury ook reeds deel uitmaakte van de commissie die verzoeker eerder niet geslaagd verklaarde, geen schijn van partijdigheid doet ontstaan die de betrokkene zou moeten beletten aan de verdere besluitvorming deel te nemen; dat verzoeker ook geen persoonlijke partijdigheid van het betrokken jurylid aantoont; dat het onpartij- digheidsbeginsel ook niet geschonden is doordat de deliberatiecommissie nu twee personen, die effectief deel uitmaakten van de jury die verzoeker op 9 oktober 1998 niet geslaagd verklaarde, als getuige verhoord heeft; dat de enkele gegevens die verzoeker voorlegt om de beïnvloeding van de deliberatie- commissie door het departement te bewijzen, zeker de conclusie niet wettigen dat de verwerende partij de besluitvorming van de deliberatiecommissie gemanipuleerd heeft; dat het middel niet ernstig is;”
- Noch in zijn memorie van wederantwoord, noch in zijn laatste memorie brengt de verzoeker nieuwe gegevens aan die een nuancering van die uiteenzetting noodzaken. De Raad van State valt voor de grond van de zaak de redenering van het schorsingsarrest bij. Het tweede middel is niet gegrond. IX-5173-15/23 C. Het tweede tot en met het vijfde onderdeel van het derde middel Standpunt van de partijen
- In het tweede tot en met het vijfde onderdeel van het derde middel voert de verzoeker de schending aan van de fair-play-norm en van zijn rechten van verdediging, onder meer de schending van de artikelen 65 en 67 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de vorming van kandidaat-militairen van het actief kader. In het tweede onderdeel voert de verzoeker aan dat in de oproeping om voor de deliberatiecommissie te verschijnen geen melding was gemaakt van de samenstelling van de jury. De verwerende partij heeft ook niet geantwoord op de brief die hij daarover geschreven heeft en bijgevolg heeft hij zich niet kunnen beraden over de wraking van bepaalde juryleden en heeft hij ook niet kunnen nagaan of de juryleden wel beantwoordden aan de reglementaire voorwaar- den inzake de samenstelling van de beoordelingscommissie. In het derde onderdeel van het middel voert de verzoeker aan dat de oproepingsbrief vermeldt dat hij inzage kon nemen van het dossier van zijn zaak tot 12 juli 2005 om 17 uur in de KMS, maar dat toen hij zich daar op 12 juli omstreeks 14.15 uur aanbood, het dossier daar niet meer aanwezig was. In het vierde onderdeel van het middel laat de verzoeker gelden dat de oproepingsbrief niet vermeldt dat de deliberatiecommissie getuigen zou horen, zodat hij zich daar niet op heeft kunnen voorbereiden of zijn verweerschrift daarop afstemmen. In het vijfde onderdeel ten slotte betoogt de verzoeker dat op zijn vraag aan getuige Patris, op welke wijze uit de moederkaart zou kunnen blijken dat hij bedrieglijke praktijken gepleegd heeft tijdens de scoreloop, geen antwoord is gekomen omdat de getuigen alleen de vragen moesten beantwoorden die voor hem negatief uitvielen.
- De verwerende partij verwijst naar de beoordeling van de onderdelen van het middel in het arrest nr. 156.223 van 13 maart 2006 over de IX-5173-16/23 vordering tot schorsing, om te besluiten dat de onderdelen van het middel niet gegrond zijn.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker met betrekking tot het tweede onderdeel aanvullend dat het feit dat hij zijn brief pas op 9 juli 2005 verstuurd heeft, geen afbreuk doet aan het feit dat de verwerende partij nog ruimschoots de tijd had om hem de namen van de leden van de deliberatiecom- missie mede te delen. Met betrekking tot het derde onderdeel stelt de verzoeker nog aanvullend dat het verweerschrift dat hij heeft neergelegd niet méér is dan een kopie van het verweerschrift dat hij in een andere procedure had neergelegd, aangezien hij zijn verweerschrift immers niet kon aanpassen bij gebrek aan inzage in zijn dossier. Het feit dat er reeds eerder procedures gevoerd werden doet volgens de verzoeker geen afbreuk aan zijn inzagerecht, nu niet uit te sluiten valt dat nieuwe stukken aan het dossier werden toegevoegd. Ten slotte merkt de verzoeker op dat het gestelde in het arrest nr. 156.223 van 13 maart 2006 strijdig is met de overweging van het arrest nr. 115.059 van 27 januari 2003 dat een leerling die zich voor de deliberatie- commissie moet verweren niet alleen vóór zijn verschijning alle stukken van het dossier moet kunnen inzien, maar dat hem ook te gelegener tijd medegedeeld moet worden “welke gegevens uit dat dossier als bijzonder discussiepunt onder de aandacht van de deliberatiecommissie zullen worden gebracht.” Hij stelt dat er geen twijfel over kan bestaan dat hij recht had op inzage van zijn dossier tot en met 12 juli 2005, maar toen hij zich op 12 juli 2005 aanbood was het dossier er niet. Aangaande het vierde onderdeel merkt de verzoeker nog bijkomend op dat de omstandigheid dat de oproepingsbrief niet vermeldt dat de deliberatiecommissie getuigen zou horen in strijd is met de overweging uit het arrest nr. 115.059 van 27 januari 2003 dat de leerling vooraf alle stukken moet kunnen inzien en dat hij ook in kennis gesteld moet worden van de bijzondere gegevens waarop de deliberatiecommissie acht wenst te slaan. Beoordeling
- In het arrest nr. 156.223 van 13 maart 2006 over de vordering tot schorsing is het tweede onderdeel van het derde middel als volgt beoordeeld: IX-5173-17/23 “6.2.
- Overwegende dat verzoeker niet uiteenzet welk reglement of welke rechtsnorm de verwerende partij ertoe verplichtte verzoeker uitdrukke- lijk, ter gelegenheid van de oproeping voor het verhoor, kennis te geven van de samenstelling van de deliberatiecommissie; dat de voorzitter van de commissie verzoeker bij zijn verhoor van 13 juli 2005 uitdrukkelijk in de mogelijkheid gesteld heeft om op dat vlak bemerkingen te maken, wat verzoeker niet gedaan heeft hoewel hij daar de visu kon vaststellen wie deel uitmaakte van de commissie; dat verzoeker thans ook niet uiteenzet op welk vlak de examencom- missie niet overeenkomstig artikel 65 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 samengesteld zou zijn; dat voor het overige, in de mate dat van de verwerende partij mocht verwacht worden dat zij in het kader van een transparante besluitvorming zou antwoorden op de schriftelijke vraag van verzoeker om verduidelijking over de samenstelling van de jury, vastgesteld wordt dat verzoeker zijn vraag om inlichtingen slechts verstuurd heeft op zaterdag 9 juli 2005, waardoor het voor de verwerende partij quasi onmogelijk was geworden om verzoeker een antwoord te bezorgen voor de datum van de bijeenkomst van 13 juli 2005; dat het tweede onderdeel van het middel niet ernstig is;”
- De verzoeker brengt daar tegen in dat de verwerende partij toch “ruimschoots de tijd had” om hem de samenstelling van de deliberatiecommissie mee te delen. Hij zet daarmee evenwel nog steeds niet uiteen welk reglement of welke rechtsnorm de verwerende partij ertoe verplichtte hem uitdrukkelijk, ter gelegenheid van de oproeping voor het verhoor, kennis te geven van die samenstel- ling. Voor het overige brengt de verzoeker geen nieuwe gegevens bij die een nuancering van de uiteenzetting van het schorsingsarrest noodzaken. De Raad van State valt voor de grond van de zaak de redenering van het arrest in de schorsings- zaak bij. Het tweede onderdeel van het derde middel is niet gegrond.
- In het arrest nr. 156.223 van 13 maart 2006 over de vordering tot schorsing is het derde onderdeel van het derde middel als volgt beoordeeld: “6.2.
- Overwegende dat artikel 67 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 bepaalt dat het dossier ter beschikking van de kandidaat is gedurende ten minste vijf dagen voor de zitting van de deliberatiecommissie; dat de verwerende partij niet betwist dat, in strijd met haar mededeling aan verzoeker, hij op 12 juli 2005 het dossier niet meer op de aangewezen plaats heeft kunnen inzien; Overwegende evenwel, dat verzoeker bij zijn verschijning voor de commissie van dat feit geen melding gemaakt heeft en dat hij ook bij de opbouw van zijn verdediging -zijn uitgebreid verweerschrift en zijn uiteenzet- ting ter zitting- op geen enkel ogenblik geremd blijkt geweest te zijn doordat hij bepaalde stukken van het dossier niet kende; dat verzoeker zich overigens niet met goed gevolg voor het eerst voor de Raad van State kan beroepen op onregelmatigheden in de procedure, wanneer hij nagelaten heeft die onregelma- tigheden, die duidelijk niet als een verwijt aan de juryleden kunnen worden opgevat, aan de overheid te signaleren op het ogenblik dat het bestuur zelf deze onregelmatigheden nog kan rechtzetten; dat overigens, nu het dossier van de IX-5173-18/23 zaak ook reeds naar aanleiding van de eerdere beslissingen van de deliberatie- commissie te zijner inzage is geweest en het ook als administratief dossier neergelegd is in de zaken die verzoeker bij de Raad van State aanhangig gemaakt heeft, verzoeker ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om zijn verdediging voor te bereiden, wat hij ook gedaan heeft aan de hand van een uitvoerig verweerschrift; dat verzoeker niet aantoont dat het optreden van de verwerende partij zijn belangen geschaad heeft; dat het derde onderdeel van het middel niet gegrond is;”
- De verzoeker brengt tegen deze overwegingen in dat zijn verweerschrift niet meer was dan een kopie van het verweerschrift dat hij had neergelegd in de eerdere procedure en “dat het niet uit te sluiten is dat nieuwe stukken aan het dossier zouden toegevoegd worden”. Hij formuleert daarmee een hypothese zonder daaromtrent precieze inlichtingen te verschaffen. Met andere woorden, hij toont niet aan dat hij, door het niet meer aanwezig zijn van het dossier op 12 juli 2005 te 14.15 u., in zijn belangen werd geschaad. Daarenboven, zoals in het arrest gesteld, gaat de verzoeker volkomen voorbij aan de overweging dat hij bij zijn verschijning voor de commissie van dat feit geen melding heeft gemaakt en dat hij zich niet met goed gevolg voor het eerst voor de Raad van State kan beroepen op onregelmatigheden in de procedure, wanneer hij nagelaten heeft die onregelma- tigheden, die duidelijk niet als een verwijt aan de juryleden kunnen worden opgevat, aan de overheid te signaleren op het ogenblik dat het bestuur zelf deze onregelmatig- heden nog kon rechtzetten. Voor het overige brengt de verzoeker geen nieuwe gegevens bij die een nuancering van de uiteenzetting van het schorsingsarrest noodzaken. De Raad van State valt voor de grond van de zaak de redenering van het arrest in de schorsingszaak bij. Het derde onderdeel van het derde middel is niet gegrond.
- In het arrest nr. 156.223 van 13 maart 2006 over de vordering tot schorsing is het vierde onderdeel van het derde middel als volgt beoordeeld: “6.2.
- Overwegende dat, naar luid van artikel 68 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994, de deliberatiecommissie volgens eigen inzichten personen kan horen; dat die bepaling niet voorschrijft dat de commissie vooraf aan de kandidaat moet mededelen welke personen zij zal horen; dat verzoeker ook niet aanduidt welk beginsel van behoorlijk bestuur die verplichting zou bevatten; dat het vierde onderdeel van het middel niet ernstig is;”
- In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat deze overweging in strijd is met een overweging in het arrest nr. 115.059 van 27 januari
- In dat arrest is evenwel niet gesteld dat de leerling vooraf kennis moet krijgen IX-5173-19/23 van de getuigen die de deliberatiecommissie in zijn zaak zal horen. Als gezegd is in dat arrest uitspraak gedaan over het zeer bijzonder geval waarin de verzoeker verkeerde doordat de beoordelingscommissie een zeer bijzonder element uit het dossier naar voren geschoven heeft waardoor de verzoeker verrast werd. De verzoeker veralgemeent ten onrechte de overwegingen van het arrest. Bij het hernemen van de beoordeling van de verzoeker na het arrest nr. 115.059 kon er bij de verzoeker geen onduidelijkheid meer over bestaan dat de deliberatiecommissie rekening zou houden met de gepleegde fraude. Zij diende hem niet vooraf in kennis te stellen van een getuigenverhoor. Voor het overige brengt de verzoeker geen nieuwe gegevens bij die een nuancering van de uiteenzetting van het arrest in de schorsingszaak noodzaken. De Raad van State valt voor de grond van de zaak de redenering van het arrest in de schorsingszaak bij. Het vierde onderdeel van het derde middel is niet gegrond.
- In het arrest nr. 156.223 van 13 maart 2006 over de vordering tot schorsing is het vijfde onderdeel van het derde middel als volgt beoordeeld: “6.2.
- Overwegende dat verzoeker voortvarend uit de omstandigheid dat de getuige geen antwoord gegeven heeft op een door hem gestelde vraag - overigens de enige aanwijzing die hij verstrekt- afleidt dat de getuigen alleen moesten antwoorden op vragen te zijnen nadele; dat het vijfde onderdeel van het middel niet ernstig is;”
- Noch in zijn memorie van wederantwoord, noch in zijn laatste memorie brengt de verzoeker nieuwe gegevens aan die een nuancering van die uiteenzetting noodzaken. De Raad van State valt voor de grond van de zaak de redenering van het arrest in de schorsingszaak bij. Het vijfde onderdeel van het derde middel is niet gegrond.
- Het derde middel is in geen van zijn onderdelen gegrond. IX-5173-20/23 D. Het vierde middel Standpunt van de partijen
- In zijn vierde middel voert de verzoeker de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen. Hij stelt dat de bestreden beslissing niet toegespitst is op de concrete situatie zodat de aangehaalde motieven niet pertinent zijn. De commissie neemt aan dat hij te gelegener tijd niet gereageerd heeft op de gemaakte opmerkingen tegen de zware aantijgingen die tegen hem geformuleerd zijn, maar dat klopt niet met de realiteit. Met name was hij vóór 8 oktober 1998 niet op de hoogte van enig verwijt van bedrieglijke praktijken tijdens de scoreloop. Hij stelt zich ook de vraag waarom de verwerende partij het bewijs van de feiten blijft steunen op de getuigenis van één instructeur terwijl er tijdens de scoreloop meerdere aanwezig waren, en hij vindt het onbegrijpelijk dat de instructeur in kwestie niet kon antwoorden op zijn vraag waar de moederkaart was.
- De verwerende partij verwijst naar de beoordeling van het middel in het arrest nr. 156.223 van 13 maart 2006 over de vordering tot schorsing om te besluiten dat het middel niet gegrond is.
- In zijn memorie van wederantwoord verwijst de verzoeker naar de overweging uit het arrest nr. 115.059 van 27 januari 2003 dat de deliberatiecom- missie zijn standpunt moest inwinnen zodat hem niet verweten kan worden niet onmiddellijk gereageerd te hebben op de gemaakte vaststellingen omtrent zijn scoreloop.
- In zijn laatste memorie herhaalt de verzoeker dat de verwerende partij geen bewijs levert van het feit dat hij fraude gepleegd heeft, aangezien zij enkel verwijst naar de verklaring van instructeur Patris waaraan evenwel geen geloof mag gehecht worden en zij de overige bewijzen zelf gefabriceerd heeft door aan de getuigen ontwerpverklaringen voor te leggen. Beoordeling
- In het arrest nr. 156.223 van 13 maart 2006 over de vordering tot schorsing is het vierde middel als volgt beoordeeld: IX-5173-21/23 “7.2.
- Overwegende dat het feit van de bedrieglijke praktijken beoefend tijdens de scoreloop te gelegener tijd op de individuele fiche van verzoeker ingeschreven werd en door hem, blijkens zijn verweerschrift, op 18 september 1998 voor kennisneming ondertekend; dat het argument dat hij niet vóór de deliberatie van 8 oktober 1998 kennis had van bedrieglijke praktijken feitelijke grondslag mist; 7.2.
- Overwegende dat het bestreden besluit overweegt dat op de individuele fiche van verzoeker melding gemaakt is van de bedrieglijke praktijken tijdens de scoreloop en dat het betoog van verzoeker niet overtuigend is, terwijl de uitleg van de monitor die de fraude vastgesteld heeft dat wel is; dat het bestreden besluit de door de betrokken monitor afgelegde verklaring tijdens het verhoor weergeeft; dat daaruit blijkt dat op de kaart van verzoeker een perforatie aangebracht is voor post 10 terwijl die post door de kandidaten niet aangedaan moest worden en dat verzoeker voor post 7 en post 13 dezelfde knijptang heeft gebruikt, terwijl vooraf duidelijk was aangegeven dat zulks als fraude aanzien zou worden; dat uit het proces-verbaal van de deliberatiecom- missie blijkt dat de voorzitter de originele kaart aan de vergadering voorgelegd heeft en dat zowel verzoeker als de sportmonitor uitdrukkelijk bevestigd hebben dat het wel degelijk de juiste kaart was; dat de commissieleden op grond van die gegevens in redelijkheid tot het besluit zijn kunnen komen dat de fraude bewezen was; dat de kritiek van verzoeker op enkele punctuele motieven van het bestreden besluit de pertinentie van de motivering niet onderuit haalt; dat het vierde middel niet ernstig is;”
- Door in zijn verzoekschrift voor te houden dat hij in tempore non suspectu niet kon reageren vermits hij tot 8 oktober 1998 geen kennis had van bedrieglijke praktijken en vervolgens in zijn memorie van wederantwoord voor te houden dat hij in tempore non suspectu niet diende te reageren, geeft hij aan zijn middel een totaal nieuwe wending, hetgeen hij niet ontvankelijk in zijn memorie van wederantwoord vermag te doen.
- In de mate de verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat hij niet gefraudeerd heeft, wordt zulks in het verlengde van de uiteenzetting van het verzoekschrift begrepen als een herhaling van het middel waarin gesteld werd dat de beslissing, met de verwijzingen die zij bevat, geen blijk geeft van een deugdelijk bewijs van de feiten. Voor het overige bevestigt de Raad van State de voormelde uiteenzetting van het arrest in de schorsingszaak, waarin duidelijk gesteld is dat de verzoeker wel degelijk vóór de deliberatie van 8 oktober 1998 wist dat hem bedrieglijke handelingen verweten werden, zodat hij wel degelijk had kunnen reageren en dat in de bestreden beslissing op afdoende wijze wordt aangegeven welke gegevens het bestuur tot het bewijs van de fraude hebben gebracht. IX-5173-22/23 Het vierde middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5173-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.571 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.223 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div