← België

Arrest 203572 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 03/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.572 Rolnummer: A. 178680/IX-5472 Zaak: Arrest 203572 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 03/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-12 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 203.572 van 3 mei 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.572 van 3 mei 2010 in de zaak A. 178.680/IX-5472 In zake : Rogier BRUGGEMAN wonend te Mechelen Sparrenstraat 21 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 20 november 2006, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 15 september 2006 houdende de integratie in niveau A van de titularissen van een bijzondere graad van niveau 1 bij de Federale Overheidsdienst Financiën en de Pensioendienst voor de Overheids- sector, “in zoverre verzoeker daarbij wordt uitgesloten van de in artikel 5, § 2, bedoelde titel van ‘eerstaanwezend inspecteur-dienstchef bij een fiscaal bestuur’, alsmede van de aan die titel verbonden weddeschaal A23”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 169.638 van 2 april 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. IX-5472-1/14 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 april
  3. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, en inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Reglementering en Feiten 3.
  5. Tot aan de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 betreffende de vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van het Ministerie van Financiën behorende tot de niveaus 1 en 2+, bestonden bij het Ministerie van Financiën onder meer de graden van hoofdcontroleur bij een fiscaal bestuur (rang 11) en inspecteur bij een fiscaal bestuur ( rang 12). Door het voornoemde besluit wordt er een graadvereenvoudiging doorgevoerd. Verschillende oude graden gaan daarbij op in eenzelfde nieuwe graad. Dat is ook het geval met de oude graden van hoofdcontroleur bij een fiscaal bestuur en van inspecteur bij een fiscaal bestuur. Krachtens artikel 3, § 1, van het genoemde besluit worden de ambtenaren die voorheen titularis waren van deze voornoemde oude graden ambtshalve benoemd in de nieuwe graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur (rang 10). Krachtens de §§ 4 en 5 van het voornoemde artikel 3 worden voor de berekening van de graadanciënniteit van de ambtenaren die ambtshalve zijn benoemd in de nieuwe graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur IX-5472-2/14 (rang 10) de diensten die zij hebben gepresteerd in de oude graden van de rangen 11 en 12 geacht te zijn verricht in de nieuwe graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, behalve de diensten die zijn geleverd in de oude graad van onder meer inspecteur bij een fiscaal bestuur, die geacht worden te zijn geleverd in een betrekking van eerstaanwezend inspecteur waaraan de functie van eerstaanwezend inspecteur, diensthoofd is verbonden. Artikel 2, A, 22/, van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 tot vaststelling van de bezoldigingsregeling van het personeel van het Ministerie van Financiën verbindt aan de nieuwe graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur twee weddeschalen, namelijk de schalen 10S2 en 10S
  6. Deze schalen zijn gelijk aan deze die door artikel 1, 1/, van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 augustus 1990 tot vaststelling van de bezoldigingsregeling van het personeel van het Ministerie van Financiën met ingang van 1 juni 1994 wordt toegekend aan de oude graden van hoofdcontroleur (rang 11) respectievelijk inspecteur (rang 12). Artikel 2, A, 22/ voornoemd, zoals gewijzigd door artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1999, luidt als volgt: “Aan elk van de graden van het Ministerie van Financiën hierna vermeld in de linkerkolom wordt de overeenstemmende weddeschaal van de rechterkolom verbonden, mits aan de in de linkerkolom vermelde voorwaarden is voldaan : 22/ Eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur (rang 10) a. 10S2 b. na ten minste vier jaar graadanciënniteit en binnen de perken van de openstaande betrekkingen 10S3 c de gelokaliseerde betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur waaraan de functie van dienstchef is verbonden en die vastgesteld zijn bij ministerieel besluit, worden toegekend mits een graadanciënniteit van 4 jaar te tellen en bezoldigd met de weddeschaal 10S
  7. d. het totaal aantal betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, waaraan de functie van dienstchef niet is verbonden en die bezoldigd kunnen worden met de weddeschaal 10S3, wordt vastgesteld door het aantal betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, bezoldigd met de weddeschaal 10S3, zoals vastgesteld in het ministerieel besluit tot uitvoering van het koninklijk besluit tot vaststelling van de personeelsformatie van het IX-5472-3/14 Ministerie van Financien, te verminderen met het aantal betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur waaraan de functie van dienstchef is verbonden, zoals vastgesteld in het onder c. bedoelde ministerieel besluit.” De gelokaliseerde betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur waaraan de functie van dienstchef is verbonden en die bezoldigd worden in de weddeschaal 10S3 worden vastgesteld door een ministerieel besluit van 7 juli
  8. In een interne dienstnota van 27 juni 1997 van de administratie der directe belastingen die het personeel over deze wijzigingen inlicht wordt onder meer het volgende vermeld: “de aandacht wordt hier evenwel speciaal gevestigd op het feit dat de eerstaanwezend inspecteurs bij een fiscaal bestuur, bezoldigd met de wedde- schaal 10S3 slechts tot de graad van directeur bij een fiscaal bestuur kunnen worden bevorderd nadat zij gefungeerd hebben in een gelokaliseerde betrek- king. Met gelokaliseerde betrekkingen van eerstaanwezend inspecteurs bij een fiscaal bestuur (10S3) zijn hier de functies van dienstchef (huidige functies van inspecteur) bedoeld (...)”. In 2004 volgt dan de tweede herstructurering waarbij niveau 1 veranderd wordt in niveau A. Een koninklijk besluit van 4 augustus 2004, betreffende de loopbaan van niveau A, voert de verandering door voor de gemene graden. Voor de bijzondere graden van de FOD Financiën gebeurt dit bij koninklijk besluit van 15 september 2006 houdende de integratie in niveau A van de titularissen van een bijzondere graad van niveau 1 bij de Federale Overheidsdienst Financiën en de Pensioendienst voor de Overheidssector (hierna: het koninklijk besluit van 15 september 2006). Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 december
  9. Artikel 2, § 1, van het genoemde besluit van 15 september 2006 schaft de oude graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur af. Artikel 4, § 1, van betreffend besluit, richt de klasse A2 op met de titels Eerstaan- wezend inspecteur bij een fiscaal bestuur/ Eerstaanwezend inspecteur-dienstchef bij een fiscaal bestuur / Eerste attaché van financiën. Artikel 5, § 1 van het voornoemde besluit luidt als volgt: IX-5472-4/14 “De ambtenaren die op 1 december 2004 titularis zijn van één van de geschrapte of afgeschafte graden die hierna in kolom 1 zijn opgenomen, bekleed met de weddenschaal die in kolom 2 is opgenomen, worden ambtshalve benoemd in de klasse die in kolom 3 is opgenomen, bezoldigd in de wedden- schaal die in kolom 4 is opgenomen en dragen de titel hiertegenover vermeld in kolom
  10. 1 2 3 4 5 (...) eerstaanwezend inspecteur 10S2 A2 A22 eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur bij een fiscaal bestuur (...) eerstaanwezend inspecteur 10S3 A2 A22 eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur bij een fiscaal bestuur Artikel 5, § 2 van dit besluit vult deze regeling aan als volgt: “In afwijking van § 1, worden de ambtenaren die op 1 december 2004 als titularis van de geschrapte graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur gerechtigd waren op de weddenschaal 10S3 en een gelokaliseerde betrekking bezetten waaraan de functie van dienstchef was verbonden, ambtshalve benoemd in de klasse A2, bezoldigd in de weddenschaal A23 en dragen de titel van eerstaanwezend inspecteur-dienstchef bij een fiscaal bestuur. De ambtenaren die na 1 december 2004 titularis werden van een gelokali- seerde betrekking van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur waaraan de functie van dienstchef was verbonden, worden op de datum van de toekenning van deze gelokaliseerde betrekking, ambtshalve benoemd in de klasse A2, bezoldigd in de weddenschaal A23 en dragen de titel van eerstaan- wezend inspecteur-dienstchef bij een fiscaal bestuur.” Dit is de bestreden bepaling. 3.
  11. De verzoeker is werkzaam bij de directe belastingen. De verzoeker werd op 1 april 1985 benoemd tot hoofdcontroleur en op 1 juli 1997 tot eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur. Hij wordt niet opgenomen in het voorstel van 8 maart 1999 tot benoeming door verhoging in de weddeschaal 10S3 en evenmin in het ministerieel besluit van 5 januari 2001 houdende de benoeming door verhoging in weddeschaal 10S3, omdat hij niet in aanmerking kwam gelet op de evaluatie “goed” die hij op dat IX-5472-5/14 moment had. Wanneer hij daarvan nadien de nietigverklaring bekomt wordt hem de weddeschaal 10S3 toegekend. Op 20 november 2002 wordt de verzoeker voorgesteld voor een benoeming in een betrekking van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur- diensthoofd, met ranginneming op 1 december
  12. Verzoekers reactie daarop wordt door het bestuur als een weigering gezien en hij bekomt de benoeming niet. De verzoeker schrijft op 1 december 2003, “Ondergetekende neemt het voorstel tot toekenning” hem gedaan op 20 november 2006 voor de betrekking Mechelen A niet aan. Nadien wordt hem bij de overgang naar het systeem van de vakklassen, de wedde van schaal A23 uitbetaald. Dit berustte volgens de gegevens van het dossier evenwel op een vergissing en het ten onrechte uitbetaalde verschil tussen de wedde A23 en A22 werd van hem teruggevorderd. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  13. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Hij voert aan dat er sinds 1 juli 1997 maar één graad van “eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur” bestond waaraan de functie van dienstchef inherent was, en dat nu door de bestreden bepaling die graad vervangen wordt door twee van elkaar verschillende graden met twee onderscheiden weddeschalen, zonder dat daarvoor een afdoende en pertinente motivering wordt gegeven. De enige aanduiding voor het onderscheid is volgens hem het vage, want ongedefinieerde begrip “gelocaliseerd” dat in de nieuwe regeling zelfs niet meer moet worden ingevuld in tegenstelling tot de vorige regeling. IX-5472-6/14 Hij is van mening dat hij reeds sinds 1 april 1985 (benoeming tot hoofdcontroleur) titularis is van een betrekking waaraan de functie van dienstchef is verbonden.
  14. De verwerende partij antwoordt dat er steeds een onderscheid is geweest tussen de functies van hoofdcontroleur en die van inspecteur. Tussen de beide functies bestond er een hiërarchische volgorde en zij werden verschillend gehonoreerd. De nu aangevochten bepaling behoudt dat onderscheid. Bij de invoering van de graad van eerstaanwezend inspecteur bleef dat onderscheid bestaan, meer bepaald tussen de eerstaanwezend inspecteurs die werden benoemd in een betrekking waaraan de functie van eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd is verbonden en zij die werden benoemd in de betrekkingen waaraan niet de functie van diensthoofd was verbonden. De eerstgenoemden genoten de wedde 10S3, de anderen de wedde 10S2, met de mogelijkheid om na vier jaar graadanciënniteit en in de mate dat er betrekkingen beschikbaar waren, over te gaan naar de weddeschaal 10S
  15. Ook de hiërarchische volgorde werd behouden daar enkel de titularissen van een betrekking waaraan de functie van dienstchef was verbonden konden worden bevorderd tot directeur. Ook de wijze van benoeming in een functie van eerstaanwezend inspecteur verschilde al naargelang er al dan niet een functie van dienstchef aan verbonden was. Een benoeming in een betrekking waaraan de functie van dienstchef is verbonden en die steeds meebrengt dat de kandidaat een andere functie kreeg in een andere dienst, werd in toepassing van artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van de FOD Financiën, gedaan na een vergelijking van de titels en verdiensten terwijl een bevordering in de weddeschaal 10S3 zonder dat aan de betrekking de functie van dienstchef was verbonden, gebeurde louter op grond van de rangschikking overeenkomstig de bijlage V van het organiek reglement. Ook in het koninklijk besluit van 15 september 2006 wordt het onderscheid behouden. Er blijven twee soorten betrekkingen: die van eerstaanwe- zend inspecteur en die van eerstaanwezend inspecteur-dienstchef. Aan deze functies zijn opnieuw verschillende weddeschalen verbonden, A22 en A23, en de eerstaan- IX-5472-7/14 wezend inspecteurs die ingeschaald zijn in A22 en die slagen voor een gecertificeer- de opleiding worden na zes jaar bevorderd door verhoging in de weddeschaal A
  16. Voor twee functies die van elkaar verschillen is het verantwoord om andere benoemingsvereisten te stellen en er een verschillende weddeschaal aan toe te kennen. De verzoeker brengt geen concrete gegevens aan, die er op zouden wijzen dat deze twee soorten functies een gelijke inhoud hebben. Uit de loutere vaststelling dat een eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur leiding geeft (zoals ook de vroegere hoofdcontroleur) volgt niet dat die ambtenaar ook een betrekking bekleedt van eerstaanwezend inspecteur waaraan de functie van dienstchef is verbonden. De functie van dienstchef is geen feitelijk maar wel een juridisch-technisch begrip.
  17. In zijn memorie van wederantwoord betwist de verzoeker dat er tussen de functie van hoofdcontroleur en deze van inspecteur een verschil bestond: beide zijn functies van dienstchef, wel bestond er tot 1997 tussen de beide graden een hiërarchische verhouding die evenwel is weggevallen vanaf 1 juli
  18. Volgens hem haalt de verwerende partij begrippen door elkaar zonder zich aan de wezenlijke inhoud ervan te houden, zo gebruikt zij de begrippen verhoging in graad en verhoging in weddeschaal, functie, mutatie, betrekking, dienstchef op foutieve wijze. Zo is het onjuist dat de verzoeker onder de nieuwe regeling dezelfde positie met dezelfde promotiemogelijkheden blijft innemen als voordien het geval was en is het onjuist te stellen dat de functie van dienstchef geen feitelijk maar een juridisch-technisch begrip is. Hij wijst er wat dat laatste betreft op, dat de verwerende partij zelf in een omzendbrief van 1972 stelt dat de hoofdcontroleur een dienstchef is.
  19. In zijn laatste memorie betwist de verzoeker dat de voormalige graad van hoofdcontroleur in zijn juridisch-technische betekenis overeenstemt met de graad van “eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur”, met daarnaast : de “graad van inspecteur” en zulks alsdan in een “juridisch-technische betekenis” van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, titularis van een betrekking waaraan de functie van dienstchef is verbonden. IX-5472-8/14 IX-5472-9/14 Beoordeling
  20. Krachtens artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 betreffende de vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van het Ministerie van Financiën behorende tot de niveaus 1 en 2+ werden de hoofdcontro- leurs bij een fiscaal bestuur ambtshalve benoemd tot eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, nieuwe graad van rang 10 die werd opgericht door artikel 1, § 1, van hetzelfde besluit en waarin de vroegere fiscale graden van de rangen 11 en 12 opgaan. Er bestaat inderdaad geen graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur-diensthoofd maar artikel 3, § 5, van het genoemde besluit bepaalt dat de in aanmerking komende diensten die geleverd zijn in de graden van comptabili- teitsinspecteur bij een fiscaal bestuur, commissaris bij een aankoopcomité en inspecteur bij een fiscaal bestuur (voorheen graden van rang 12) geacht worden verricht te zijn in een betrekking van eerstaanwezend inspecteur waaraan de functie van eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd is verbonden. Daaruit blijkt dat de betrekkingen waaraan vóór de hervorming van de graden in 1997 een graad van rang 12 beantwoordde nu worden geacht betrekkingen te zijn van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur waaraan de functie van diensthoofd is verbonden. Ook is het zo dat krachtens de bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 6 juli 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van het Ministerie van Financiën en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het rijkspersoneel slechts de eerstaanwezend inspecteurs bij een fiscaal bestuur, titularis van een betrekking waaraan de functie van diensthoofd is verbonden en die minstens negen jaar anciënniteit tellen in niveau 1 bij wege van verhoging in graad kunnen bevorderd worden tot directeur bij een fiscaal bestuur. De verwerende partij voert ook terecht aan dat het bevorderings- systeem voor beide soorten van betrekkingen verschillend is. Aldus blijkt uit artikel 14 van voornoemd koninklijk besluit van 29 oktober 1971, zoals gewijzigd door artikel 14 van het koninklijk besluit van 6 juli 1997, dat voor de benoemingen in de betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur waaraan de functie van dienstchef is verbonden er een gemotiveerd advies van de directie- raad in de zin van de artikelen 22, 23, 26, 27bis en 67 van het koninklijk besluit van IX-5472-10/14 7 augustus 1939 vereist is, terwijl dat niet is voorgeschreven voor de benoeming in betrekkingen waaraan geen functie van dienstchef is verbonden. Er is dus wel degelijk een juridisch onderscheid tussen de eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur en de eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur die een betrekking bekleedt waaraan de functie van diensthoofd is verbonden. Verder worden, luidens artikel 2, A, 22/, c, van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 tot vaststelling van de bezoldigingsregeling van het personeel van het Ministerie van Financiën, de gelokaliseerde betrekkingen van eerstaanwe- zend inspecteur bij een fiscaal bestuur, vastgesteld bij ministerieel besluit, waaraan de functie van dienstchef is verbonden, bezoldigd met de weddeschaal 10S
  21. Deze betrekkingen werden effectief vastgesteld mij ministerieel besluit van 7 juli
  22. Dit laatste besluit werd opgeheven bij artikel 47, 2/, van het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de FOD Financiën en het Ministerie van Financiën. Artikel 5, A, 18/, en artikel 48, 5/, van het koninklijk besluit van 3 maart 2005 bepaalt dan dat de eerstaanwezend inspecteurs bij een fiscaal bestuur met ingang van 1 december 2004 bezoldigd worden als volgt: a) de basisweddeschaal is 10S2, b) na ten minste vier jaar graadanciënniteit en binnen de perken van de openstaande betrekkingen kan een weddeschaalverhoging tot 10S3 worden bekomen, c) de gelokaliseerde betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur waaraan de functie van dienstchef is verbonden, worden bezoldigd volgens de schaal 10S3; zij worden toegekend mits een graadanciënniteit te tellen van vier jaar. Aldus blijkt dat onder het regime van 1997 er weliswaar maar één graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur bestond maar dat in die graad twee soorten betrekkingen konden worden bezet, namelijk betrekkingen waaraan de functie van dienstchef was verbonden en betrekkingen die niet de functie van dienstchef hadden. Elk van de beide soorten betrekkingen bracht een eigen bezoldigingsregime mee (geen dienstchef= basisweddeschaal 10S2 en pas na vier jaar de mogelijkheid voor bevordering tot de schaal 10S3; wel dienstchef= onmiddellijk weddeschaal 10S3 van bij de benoeming in die betrekking) en, vooral, IX-5472-11/14 andere bevorderingsmogelijkheden (wel dienstchef= toegang tot de graad van directeur; geen dienstchef= geen toegang tot de graad van directeur). Daarbij ging het onderscheid tussen de betrekkingen waaraan de functie van dienstchef was verbonden en deze waarbij dat niet zo was, terug op het onderscheid tussen de vroegere betrekkingen van rang 12 en deze van rang 11, waarvan niet wordt betwist dat het ging om verschillende functies waarbij deze van rang 12 hiërarchisch hoger waren dan deze van rang 11: de graad van inspecteur (rang 12) was een bevorde- ringsgraad voor de hoofdcontroleurs (rang 11). Daaruit blijkt dan ook dat niet elke betrekking van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur die inhoudelijk leidinggevend is als een betrekking van “diensthoofd” in de zin van de voornoemde reglementering kan worden beschouwd en dat de functie van diensthoofd in deze besluiten aldus een juridisch- technische betekenis heeft gekregen. De verzoeker kan dan ook niet worden gevolgd waar hij voorhoudt dat hij als voormalig hoofdcontroleur die aan het hoofd stond van een controle bij de omvorming van de graden automatisch geacht moet worden benoemd te zijn tot eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, diensthoofd. De omzendbrief waarnaar de verzoeker verwijst doet daaraan geen afbreuk. Hij dateert van 1972 en dus van lang vóór de voormelde reglementering en de term dienstchef die er in wordt gebruikt heeft niet de juridisch-technische betekenis die er in de besluiten van 1997 en 2005 aan wordt gegeven. Het is dan ook in overeenstemming met de reglementering voor te houden dat in het systeem van 1997 er twee soorten van eerstaanwezend inspecteurs bestonden namelijk de eerstaanwezend inspecteurs die geen functie van diensthoofd bezetten, en die werden verloond in de weddeschaal 10S2 en, na minstens 4 jaar anciënniteit in die graad eventueel in de schaal 10S3 konden worden verloond en die geen toegang hadden tot de graad van directeur enerzijds en de eerstaanwezend inspecteurs die wel een functie van diensthoofd bezetten, die allen bezoldigd zijn in de weddeschaal 10S3 en die wel kunnen bevorderen tot de graad van directeur.
  23. Daaruit volgt dan ook dat er wel een essentieel verschil in rechtspositie is tussen de eerstaanwezend inspecteurs die geen functie van diensthoofd bezetten en aldus geen toegang hadden tot de graad van directeur IX-5472-12/14 enerzijds en de eerstaanwezend inspecteurs die wel een functie van diensthoofd bezetten en die wel bevorderd kunnen worden tot de graad van directeur. Evenwel bestaat er geen essentieel onderscheid tussen de eerstaanwezend inspecteurs die geen functie van diensthoofd bezetten, en die werden verloond in de weddeschaal 10S2 en zij die evenmin een functie van diensthoofd bezetten maar die louter ingevolge hun anciënniteit en niet ingevolge het bezetten van een betrekking van dienstchef werden bezoldigd in de schaal 10S
  24. De stelling van de verzoeker dat er sinds 1 juli 1997 maar één graad van “eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur” bestond, waaraan de functie van dienstchef inherent was, is dus juridisch niet correct: er bestond maar één graad van eerstaanwezend inspecteur maar binnen die graad waren er wel twee onderscheiden juridische regimes.
  25. De bestreden bepaling trekt dat onderscheid in het nieuwe stelsel door maar geeft dat onderscheid nu een duidelijker basis door aan de twee regimes een aparte titel te geven die de toestand duidelijk maakt. De verzoeker kan niet worden gevolgd, waar hij voorhoudt dat er door de bestreden bepaling een nieuw onderscheid wordt ingevoerd tussen personen die zich onder het vorige regime in dezelfde toestand bevonden. Daarbij blijkt ook niet dat het onderscheid dat bestond en dat terugging op een vroeger onderscheid tussen graden en betrekkingen van ongelijke waarde, namelijk de betrekkingen van de rangen 11 enerzijds en 12 anderzijds, onredelijk of niet pertinent is.
  26. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de verzoeker
  27. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de hoorplicht, van het verbod van terugwerkende kracht, van het vermoeden van onschuld, van artikel 14 van het APKB van 22 december 2000, van de artikelen 77 tot 94 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, IX-5472-13/14 doordat de bestreden regeling ondubbelzinnig een lagere inschaling betekent van de verzoeker, zoals bedoeld in artikel 77 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 en aldus inhoudelijk een tuchtstraf vormt, terwijl de verzoeker nergens kan worden verweten zijn plicht niet te zijn nagekomen wat nochthans een primordiale vereiste is voor het toepassen van tuchtstraffen.
  28. In zijn laatste memorie doet de verzoeker afstand van dit middel.
  29. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt het beroep.
  31. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5472-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.572 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.638 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.