id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.574 Rolnummer: A. 180737/IX-5559 Zaak: Arrest 203574 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 03/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-12 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 203.574 van 3 mei 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.574 van 3 mei 2010 in de zaak A. 180.737/IX-5559 In zake : Beatrice MARIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willie Dierick kantoor houdend te Aarschot Gijmelsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door:
- de minister van Financiën
- de minister van Ambtenarenzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 februari 2007, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid (OFO), meegedeeld bij schrijven van 4 december 2006, waarbij Beatrice MARIS niet geslaagd wordt verklaard voor de test van de gecertificeerde opleiding “Taxatie directe belastingen (inclusief BBI) Onderzoek van de aangifte in de vennootschaps- belasting (Ven.B)”. II. Verloop van de rechtspleging
- De beide vertegenwoordigers van de verwerende partij hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. IX-5559-1/15 De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 april
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michel Arnauts, die loco advocaat Willie Dierick verschijnt voor de verzoekster, inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij, en advocaat Emmanuel Jacubowitz, die verschijnt voor de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies verleend. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekster is ambtenaar bij de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën. 3.
- Na de gecertificeerde opleiding “Taxatie directe belastingen (inclusief BBI) Onderzoek van de aangifte in de vennootschapsbelasting (Ven.B)” te hebben gevolgd, legt zij hierover op 18 juni 2006 de door het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid (hierna: OFO) georganiseerde test af. Voornoemde test bestaat uit 40 multiple choice vragen. Uit het protocol nummer 538 van 22 november 2005 waarin de conclusies zijn opgenomen van de onderhandeling in het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten betreffende de nota over de docimologie met betrekking tot de gecertificeerde opleidingen - Principes van het IX-5559-2/15 testbeleid van het OFO, blijkt ondermeer dat voor elke multiple choice vraag vier antwoordalternatieven bestaan waarvan telkens slechts één juist is. De score wordt als volgt toegekend: 1 voor een correct antwoord, 0 voor geen antwoord en -0,5 voor een foutief antwoord. Om te slagen voor de gecertificeerde opleiding dient een deelnemer minstens 60% van de punten te behalen. Bij de test voert het OFO een kwaliteitscontrole “ex ante” en “ex post” uit. De controle “ex ante” gebeurt op basis van drie elementen: het gedetailleerde opleidingsprogramma in combinatie met de specificatietabel en de gefinaliseerde test. De controle “ex post” heeft betrekking op een analyse van de testresultaten zodat bepaalde anomalieën in de antwoorden kunnen gedetecteerd worden. Bij de controle “ex post” van voornoemde test wordt beslist om vraag 1 uit de test te annuleren, daar er geen goede oplossing is. Daar de verzoekster 20 vragen juist heeft beantwoord, 10 vragen fout heeft beantwoord en 9 vragen niet heeft beantwoord, behaalt zij een score van 15/39 of 38,46%. Zij wordt aldus als niet geslaagd beoordeeld, wat haar bij brief van 4 december 2006 wordt meegedeeld door de directeur-generaal van het OFO. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Naar aanleiding van deze beslissing vraagt de verzoekster bij e-mail van 5 januari 2007 om inzage van haar testdossier, alsook om kopies hiervan. Met een e-mail van 12 januari 2007 wordt de verzoekster uitgenodigd om op 19 januari 2007 haar dossier in te zien. Op voornoemde datum neemt de verzoekster effectief inzage in haar dossier. In een door haar ondertekend document deelt zij aan het OFO mee dat er geen kopieën werden verstrekt. IV. De rechtspleging
- In haar memorie van antwoord vraagt de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij buiten de zaak te worden gesteld, daar de bestreden beslissing niet uitgaat van de minister van Financiën, maar wel van het OFO. Hij wijst in dit verband op artikel 70bis, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober IX-5559-3/15 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, op grond waarvan het OFO zorgt voor de opleidingen of deze delegeert aan andere opleidingsinstellingen en in beide gevallen de leidinggevende ambtenaar van het OFO de valideringsgetuigschriften verstrekt, wanneer de opleiding met gunstig gevolg wordt afgesloten.
- De verzoekster wenst de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij in de zaak te behouden, aangezien een vernietigingsarrest er toe zou leiden dat het ministerie van Financiën de jaarlijkse certificeringspremie aan de verzoekster dient uit te keren. De verzoekster wijst voorts op een brief van 16 januari 2006 die uitgaat van het OFO in samenwerking met de FOD Financiën, die volgens haar duidelijk maakt dat het ministerie van Financiën betrokken partij is en blijft.
- Met de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij moet worden vastgesteld dat zij vreemd is aan de bestreden beslissing. Zij is geenszins betrokken geweest bij de totstandkoming van voornoemde beslissing, die uitsluitend tot de bevoegdheid van het OFO behoort, wat blijkt uit artikel 70bis, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel. Dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij geen deel heeft gehad aan de totstandkoming van de bestreden beslissing blijkt trouwens uit het stuk 10 van het administratief dossier. In dit stuk met betrekking tot de inzage van het dossier betreffende de test van de betrokken gecertificeerde opleiding wordt namelijk uitdrukkelijk vermeld dat bedoeld dossier een dossier van het OFO betreft en dat de rol van de FOD Financiën beperkt is tot de tussenkomst op materieel vlak. De verzoekster ontkent niet dat enkel het OFO over de bevoegd- heid beschikt om dergelijke beslissing te nemen en dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij vreemd is aan deze beslissing. Dat uit een eventuele vernietiging door de Raad van State en een daaropvolgend gunstig resultaat voor deze certificeringstest zou volgen dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij ertoe gehouden zou zijn een premie uit te betalen, doet hieraan geen afbreuk. Voorts dient de brief van 16 januari 2006 uitgaande van het OFO in samenwerking met de FOD Financiën te worden beschouwd als een loutere instructie met betrekking tot de gecertificeerde opleiding, waaruit echter geenszins kan worden afgeleid dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij effectief deel heeft genomen aan de totstandkoming van de bestreden beslissing. IX-5559-4/15 Niets verzet zich dan ook tegen het inwilligen van het verzoek van de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij om buiten de zaak te worden gesteld. V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij werpt als exceptie op dat het verzoekschrift krachtens artikel 2, § 1, 2/, van het algemeen procedurereglement een uiteenzetting van de middelen dient te bevatten. Onder “middel” dient volgens hem te worden verstaan: “de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of van het geschonden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden”. Hij stelt dat de loutere uiteenzetting van de redenen waarom de bestreden beslissing nadelige gevolgen zal hebben niet volstaat en dat de verzoekster zich dus niet kan beperken tot een kritiek op de bestreden beslissing. De verzoekster dient volgens hem aan te tonen dat die beslissing een welbepaalde rechtsnorm schendt, daar de Raad van State enkel bevoegd is om de wettigheid van de bestreden beslissing te toetsen. Te dezen stelt de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij vast dat de verzoekster weliswaar vier verschillende kritieken uitoefent op de organisatie en de verbetering van de betrokken proef, maar dat zij evenwel niet aantoont dat de gehanteerde werkwijze van aard is de bestreden beslissing onwettig te maken. De aangevoerde middelen zijn volgens de tweede vertegenwoordi- ger van de verwerende partij dan ook onontvankelijk.
- De verzoekster antwoordt dat zelfs indien de uiteenzetting van een of ander middel als summier zou overkomen, dan maakt deze uiteenzetting -samen- gelezen met het relaas van de feiten- een middel uit, dat dient te worden onderzocht. Voorts betoogt zij dat wanneer een middel duidelijkheid mist, het met het oog op de rechten van verdediging zo dient te worden begrepen als de IX-5559-5/15 verwerende partij het begrepen heeft. De Raad van State verwerpt immers de exceptio obscuri libelli, indien de verwerende partij, ondanks de afwezigheid van een duidelijke formulering van de middelen, er toch in slaagt middelen te onderkennen en deze vrij omstandig te beantwoorden. In dat geval worden de rechten van verweer namelijk niet geschaad. Beoordeling
- Luidens artikel 2, § 1, 3/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State dient het verzoekschrift onder meer “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” te bevatten. Onder “middel” in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden.
- De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij kan niet worden gevolgd waar hij van mening is dat voorliggend beroep niet ontvankelijk is bij gebrek aan een geldig middel. Zoals hierna zal blijken, bevat het verzoekschrift immers wel degelijk minstens één middel dat kan worden beschouwd als een rechtsmiddel in de zin van voornoemd artikel 2, § 1, 3/, en dat als dusdanig lijkt te zijn begrepen door de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij. Hierbij weze opgemerkt dat het verzoekschrift in die zin zal worden onderzocht zoals het door de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij in de memorie van antwoord wordt begrepen en dat niet alle grieven van de verzoekster een ontvan- kelijk rechtsmiddel uitmaken. De exceptie kan niet worden aangenomen. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel stelt de verzoekster latere fouten of manipulaties niet meer te kunnen aantonen en evenmin fouten bij de gestelde vragen IX-5559-6/15 en opgegeven antwoorden te kunnen aanduiden, daar bij het beëindigen van de test op 18 juni 2006 geen kopies van de ingeleverde examenstukken werden verstrekt, zijnde haar antwoordblad en de bladzijden met de gestelde vragen en voorgestelde antwoorden. Zij wordt aldus weerloos gemaakt tegenover de overheid die het examen inricht en verbetert.
- De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat het praktisch niet haalbaar is aan alle kandidaten die deelnamen aan het examen afschriften van alle stukken te overhandigen. Zij wijst er voorts op dat de verzoekster heeft erkend het origineel van haar antwoordblad te hebben kunnen raadplegen en ziet dan ook niet in welk belang de verzoekster heeft bij haar middel. Bovendien bestaat volgens de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij geen rechtsplicht tot het overhandigen van een afschrift van alle examenstukken aan alle kandidaten, op de dag van het examen. Het middel is naar zijn oordeel dan ook onontvankelijk, minstens ongegrond.
- In haar memorie van wederantwoord schrijft de verzoekster dat het middel gesteund is op de schending van de zorgvuldigheidsplicht in hoofde van de inrichtende overheid van de certificeringstest, en van de rechten van verdediging. Zij wijst er op dat het naar aanleiding van de inzage in haar examendossier is, dat zij voorliggend beroep tot nietigverklaring heeft ingediend. Zij stelt voorts dat zij op het ogenblik van het afleggen van de test niet kon weten dat achteraf -naar aanleiding van de “ex post controle”- zou worden gesleuteld aan de kwaliteit van de gestelde vragen. Zij meent benadeeld te zijn door deze “ex post controle”, wanneer dit resulteert in het weglaten van bepaalde vragen. Gezien deze “ex post controle”, is volgens de verzoekster geen zekerheid weggelegd voor de kandidaat-examinandus op het ogenblik van het afleggen van de test. Bij de “ex post controle” kan het volgens haar blijkbaar alle kanten uit. IX-5559-7/15 Beoordeling
- Zoals reeds overwogen, dient, opdat een middel ontvankelijk zou worden aangevoerd in het verzoekschrift, op voldoende duidelijke wijze de overtreden rechtsregel daarin te worden omschreven alsook de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. Er wordt vastgesteld dat de verzoekster in haar verzoekschrift, wat het eerste middel betreft, nalaat op voldoende duidelijke wijze aan te geven welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zij geschonden acht. Nochtans dient zij, eventueel summier, doch duidelijk, de beweerde schending van een rechtsregel of rechtsbegin- sel door de bestreden beslissing aan te geven. In casu beperkt de verzoekster zich in haar verzoekschrift tot de kritische bedenking dat op het OFO geen afschriften van ingeleverde examenstukken worden verstrekt, waardoor zij weerloos wordt gemaakt ten overstaan van de inrichtende overheid. De gebrekkige uiteenzetting van het middel in het inleidend verzoekschrift, kan door de verzoekster niet worden rechtgezet door voor het eerst in haar memorie van wederantwoord de schending van de zorgvuldigheidsplicht en van de rechten van verdediging aan te voeren. Bovendien geeft de verzoekster een nieuwe grondslag aan het middel door in haar memorie van wederantwoord de grief aan te voeren met betrekking tot de onzekerheid bij het afleggen van de test omwille van de ex post controle. Dit komt neer op het aanvoeren van een nieuw middel, wat slechts op ontvankelijke wijze in de memorie van wederantwoord kan geschieden, indien de verzoekster dit niet eerder had kunnen doen. Te dezen echter had de verzoekster bij het indienen van het inleidend verzoekschrift reeds inzage gehad van haar examendossier en was zij aldus op dat ogenblik reeds in staat haar grieven zoals ontwikkeld in haar memorie van wederantwoord te formuleren. Bijgevolg is het middel niet ontvankelijk. IX-5559-8/15 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- In een tweede middel stelt de verzoekster dat het recht op inzage werd gereduceerd tot het louter inzien van de stukken van het examendossier, zonder dat van enig stuk een kopie kon worden verkregen, en dit zelfs na uitdrukke- lijk verzoek. Omwille van de complexiteit van de aard van het examen en de complexiteit van het onderwerp van de gestelde vragen, kunnen volgens de verzoekster deze vragen niet beoordeeld worden op hun juridische, administratieve en taalkundige juistheid zonder de raadpleging van diverse bronnen. Bovendien wijst zij er op dat tijdens de voorbereidende lesdagen nadrukkelijk is gesteld dat de vragen en antwoorden uit de toen voorgestelde syllabus zouden komen. Bij de inzage van het examendossier werd evenmin ter kennis gebracht welke bronnen als basis hadden gediend voor het opstellen van de vragen en antwoorden. Voorts betoogt de verzoekster dat bij de inzage op 19 januari 2007 werd meegedeeld dat de tijdens de test voorgelegde vragenbundel en het kladwerk van de examinandus werden vernietigd. Hierdoor wordt het volgens haar onmogelijk gemaakt voor de ambtenaar die inzage neemt van zijn examendossier om eender welke controle uit te oefenen op de correctheid van de vragen en antwoorden. Zij kan aldus geenszins haar recht op verdediging in tweede aanleg voor welke instantie dan ook uitoefenen.
- De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat verzoeksters kritiek niet de bestreden beslissing zelf betreft, doch de mate waarin de regels inzake de openbaarheid van bestuur al dan niet nageleefd werden. Nu de verzoekster enkel kritiek uit op de manier waarop de consultatie van de examenbladen geschiedde, kan het middel volgens de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden en is het bijgevolg onontvankelijk. De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij stelt voorts dat de kandidaten het origineel van hun examenblad mogen inkijken samen met een exemplaar van het model antwoordformulier, dat niets de kandidaten belet IX-5559-9/15 om hierbij hun cursus of enig ander tekstmateriaal te raadplegen om de juistheid van de vragen en de antwoorden na te gaan en dat het hen ook vrij staat om de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij over de juistheid van een vraag of antwoord te interpelleren.
- De verzoekster repliceert, in antwoord op het argument dat het middel geen betrekking zou hebben op de bestreden beslissing zelf, dat het duidelijk is dat zij bij het formuleren van het middel tracht duidelijk te maken dat zij zich totaal verongelijkt voelt door de thans bestreden beslissing. Zij meent dat haar betoog ontegensprekelijk rechtstreeks verband houdt met het zich niet kunnen neerleggen bij de bestreden beslissing. De verzoekster stelt niet te kunnen ontkennen dat in de mogelijk- heid tot inzage is voorzien en dat zij daar gebruik van heeft gemaakt. Het gaat haar echter om de wijze waarop dat inzagerecht dient te gebeuren. Dit maakt volgens haar een schending uit van de zorgvuldigheidsplicht in hoofde van de inrichtende overheid van de certificeringstest. Het feit dat de regels inzake de openbaarheid van bestuur niet werden nageleefd, heeft volgens de verzoekster precies tot gevolg dat de bestreden beslissing mank loopt en terecht kan worden bestreden als gebrekkig tot stand gekomen. De verzoekster meent dat haar belangen overduidelijk geschaad zijn, precies omwille van het arbitrair karakter van de beslissing. De verzoekster stelt verder dat zij in haar inleidend verzoekschrift volkomen terecht heeft opgeworpen dat haar op het ogenblik van de inzage in haar examendossier werd meegedeeld dat de tijdens de test voorgelegde vragenbundel en het kladwerk van de examinandus werden vernietigd en dat de tweede vertegen- woordiger van de verwerende partij ten onrechte meent deze opmerking te kunnen minimaliseren. Beoordeling
- De verzoekster voert aan dat haar recht op inzage beperkt wordt en dat zij daardoor haar recht op verdediging in tweede aanleg niet kan uitoefenen. De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij geeft aan in het middel een schending van de regels inzake de openbaarheid van bestuur te kunnen onderken- IX-5559-10/15 nen. Het middel dient dan ook te worden gelezen in de zin zoals het door hem is begrepen. Er dient evenwel te worden vastgesteld dat de wijze waarop het OFO het inzagerecht heeft georganiseerd, een van de beslissing betreffende het al dan niet geslaagd verklaren van de verzoekster afgescheiden beslissing is, waartegen de verzoekster kan opkomen volgens de specifieke door artikel 8, § 2, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur voorgeschreven procedure. De eventuele onregelmatigheid van de beperking van het inzagerecht van de verzoekster is dan ook zonder invloed op de wettigheid van de thans bestreden beslissing. Bijgevolg kan het middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- In een derde middel voert de verzoekster aan dat het examendos- sier geen proces-verbaal bevat in verband met de wijze van verbetering en quotering van de door haar afgelegde test. Het is volgens haar dan ook onmogelijk om te beoordelen of dit gebeurd is volgens ernstige en consequente normen, of integendeel opportunistische redenen dienden. Zij meent dat het bijgevolg onmogelijk is beroep in te stellen tegen de gehanteerde werkwijzen.
- De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat het examen uitsluitend uit meerkeuzevragen bestond en dat de verzoekster zowel haar origineel examenblad als het model antwoordformulier heeft mogen raadple- gen, wat ruimschoots moet volstaan om na te gaan of de haar toegekende punten al dan niet op correcte wijze werden berekend. Voorts bestaat er volgens de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij geen rechtsplicht tot het opstellen van een proces-verbaal in verband met de wijze van verbetering en quotering van de test. IX-5559-11/15
- In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekster dat het haar intentie is met dit middel te verduidelijken dat de motiveringsplicht zoals voorgeschreven door het protocol nummer 538 van 22 november 2005 niet werd nagekomen. Volgens de verzoekster ontbreekt elke motivering in de bestreden beslissing. Zij voert derhalve de schending aan van de motiveringsplicht in hoofde van de verwerende partij als inrichtende macht van de certificeringstest. Beoordeling
- Zoals reeds opgemerkt, dient, opdat een middel ontvankelijk zou worden aangevoerd in het verzoekschrift, op voldoende duidelijke wijze de overtreden rechtsregel daarin te worden omschreven alsook de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. De verzoekster laat in haar inleidend verzoekschrift na op voldoende duidelijke wijze aan te geven welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zij geschonden acht door de bestreden beslissing. Zij duidt zelfs niet op summiere wijze de door haar geschonden geachte rechtsregel aan. Zij beperkt zich in haar inleidend verzoekschrift tot een kritiek in verband met de door het OFO gehanteerde werkwijze, meer bepaald het feit dat het OFO geen proces-verbaal heeft opgesteld in verband met de wijze van verbetering en quotering van de test. De gebrekkige uiteenzetting van het middel in het inleidend verzoekschrift kan niet worden rechtgezet door de verzoekster, door voor het eerst in haar memorie van wederantwoord de geschonden geachte rechtsregel, met name de motiveringsplicht, aan te duiden. De verzoekster kan dit slechts op ontvankelijke wijze doen, zo zij dit op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift niet heeft kunnen doen. Dit was te dezen echter niet het geval. Het middel is derhalve niet ontvankelijk. D. Vierde middel Standpunt van de partijen
- In een vierde middel betoogt de verzoekster dat de eerste vraag blijkbaar bij de verbetering van de test werd geannuleerd, terwijl dergelijke IX-5559-12/15 annulering van een vraag volgens haar logischerwijze dient te gebeuren vóór het begin van de test. Zij meent dat het stellen van vragen die niet zijn terug te vinden in de syllabus en de onduidelijke vraagstelling bij de test die aanleiding gaf tot meerdere foutieve interpretaties en twijfel, niet past in een normaal meerkeuzevra- genexamen en zij wijst er op dat dit noch vooraf, noch bij het begin van de test werd aangekondigd. Er werd volgens haar integendeel verzekerd dat er veertig vragen werden gesteld met vier keuzemogelijkheden per vraag met telkenmale maar één juist antwoord.
- De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat de verzoekster na het annuleren van die ene vraag een resultaat behaalde van 15/39 of 38,46%, wat niet wordt betwist. Indien die vraag niet zou zijn geannuleerd en de verzoekster deze correct zou hebben beantwoord, zou zij een resultaat hebben behaald van 16/40 of 40%. De annulering van die vraag heeft de verzoekster dan ook niet geschaad en de verzoekster heeft derhalve geen belang bij het vierde middel, zo stelt de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij.
- In haar memorie van wederantwoord verwijst de verzoekster naar de brief van 16 januari 2006 uitgaande van het OFO in samenwerking met de FOD Financiën, waarin wordt gesteld dat de deelnemer verschillende antwoordmogelijk- heden krijgt gepresenteerd, waarvan één correct is en alle andere foutief. De verzoekster meent aldus te zijn misleid, aangezien tijdens de test vragen zijn gesteld die niet zijn terug te vinden in de leerstof van de syllabus, alsook onduidelijke vragen die aanleiding gaven tot meerdere foutieve interpretaties en twijfel. In zoverre het OFO de “ex post controle” hanteert, is deze werkwijze volgens de verzoekster volkomen arbitrair. In de mate dat deze “ex post controle” in casu slechts één problematische vraag aan het licht heeft gebracht, vormt dit volgens haar op zichzelf reeds een probleem, wanneer de kandidaten de test afleggen. Bovendien meent zij dat het een louter eenzijdige bewering van de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij is dat slechts sprake zou zijn van één problematische vraag. In dat verband verwijst de verzoekster naar stuk 4 van het administratief dossier betreffende de resultaten van de “ex post controle”, dat haar volstrekt onbekend was op het ogenblik van het afleggen van de test. De verzoekster is van oordeel dat voornoemde brief van 16 januari 2006 aldus volledig wordt uitgehold en dat de door het OFO gehanteerde werkwijzen een inbreuk uitmaken op het zorgvuldigheidsbeginsel in hoofde van de inrichtende overheid van IX-5559-13/15 de certificeringstest. De verzoekster merkt voorts op dat zij wel degelijk de beslissing van 4 december 2006 en dus meteen ook de toekenning van de punten betwist door de bezwaren die zij heeft uitgebracht. Aan de hand van deze uiteenzetting blijkt volgens de verzoekster tevens dat het rechtzekerheids- en vertrouwensbeginsel zijn geschonden. Zij stelt verder dat de schending van het vertrouwensbeginsel kan gekoppeld worden aan de schending van het gelijkheidsbeginsel. Ter zake verwijst zij naar deze toelichting, maar ook naar de andere middelen. Wat de schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, verwijst de verzoekster nog naar het koninklijk besluit van 25 april 2004 houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen betreffende de competentiemetingen, in het bijzonder naar artikel
- Krachtens deze bepaling hebben personeelsleden die genieten van een syndicaal verlof in de hoedanigheid van vaste afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie immers ambtshalve recht op de verhoging in weddeschaal in hun graad en ontvangen zij ambtshalve de competentietoelage, vastgesteld voor hun graad, zonder een competentiemeting te moeten afleggen. Beoordeling
- Zoals reeds overwogen, dient, opdat een middel ontvankelijk zou worden aangevoerd in het verzoekschrift, op voldoende duidelijke wijze de overtreden rechtsregel daarin te worden omschreven alsook de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. De verzoekster laat in haar inleidend verzoekschrift na op voldoende duidelijke wijze aan te geven welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zij geschonden acht door de bestreden beslissing. Zij duidt zelfs niet op summiere wijze de door haar geschonden geachte rechtsregel aan. Zij beperkt zich in haar inleidend verzoekschrift opnieuw tot een kritiek in verband met de door het OFO gehanteerde werkwijze, die erin bestaat bij de verbetering van de test een vraag te annuleren en vragen te stellen die niet terug te vinden zijn in de syllabus en die onduidelijk zijn en zo aanleiding geven tot foute interpretaties, en dit in strijd met de voorafgaande aankondigingen. IX-5559-14/15 De gebrekkige uiteenzetting van het middel in het inleidend verzoekschrift kan niet worden rechtgezet door de verzoekster door voor het eerst in haar memorie van wederantwoord de geschonden geachte rechtsbeginselen, met name het zorgvuldigheids- rechtszekerheids-, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel, aan te duiden. De verzoekster kan dit slechts op ontvankelijke wijze doen, zo zij op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift dit niet kan doen. Dit was te dezen echter niet het geval. Het middel is derhalve niet ontvankelijk. BESLISSING
- De eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij wordt buiten de zaak gesteld.
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5559-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.574 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div