id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.575 Rolnummer: A. 187009/IX-5837 Zaak: Arrest 203575 - Tucht (openbaar ambt) - 03/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-12 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 203.575 van 3 mei 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.575 van 3 mei 2010 in de zaak A. 187.009/IX-5837 In zake : Koenraad PIRON die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA) gevestigd te Zaventem Minervastraat 8 tegen : de korpschef van de lokale politiezone 5358 MECHELEN die woonplaats kiest bij PZ 5358 Mechelen gevestigd te Mechelen F. de Merodestraat 88 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 12 februari 2008, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van 18 december 2007 van de korpschef van de lokale politie te Mechelen waarbij aan Koenraad Piron de tuchtstraf van de waarschuwing wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 april
- IX-5837-1/8 Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Mathieu Lagaet, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor de verzoeker, en adviseur-jurist Peter Verheyden, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoeker betwist de regelmatigheid van de memorie van antwoord, doordat zij ondertekend is door de adviseur-jurist van de politiezone en niet door de korpschef zelf. Hij stelt dat, indien aangenomen wordt dat de verwerende partij zich mag laten vertegenwoordigen door een adviseur-jurist, hij evenzeer het recht heeft om zich te laten vertegenwoordigen en bijstaan door een collega-ambtenaar.
- De bestreden beslissing gaat uit van de korpschef van de verzoeker. Hij is de door de tuchtwet aangewezen overheid, die daarbij gehandeld heeft als orgaan en dus voor rekening van de politiezone Mechelen. Het is de stad zelf die als rechtspersoon uiteindelijk het arrest zal moeten uitvoeren en die derhalve ook verantwoordelijk is voor de verdediging van de bestreden beslissing. Het persoonlijk betrekken van de korpschef bij het verweer kan nuttig zijn omdat hij beter dan wie ook vertrouwd is met het besluitvormingsproces, maar dit gebeurt wel steeds als orgaan van de rechtspersoon voor wie hij gehandeld heeft. De politiezone in een ééngemeentezone wordt in rechte vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen. Dit is dus het door de wet ingesteld orgaan om de procedurestukken in een geding voor de Raad van State op te maken en te ondertekenen. Niets verhindert het college van burgemeester en schepenen zijn bevoegdheid terzake te delegeren, maar dan moet IX-5837-2/8 het bewijs van delegatie overgelegd worden. Het bewijs dat P. Verheyden, die in dit geval de memorie van antwoord en de laatste memorie als adviseur-jurist binnen de politiezone ondertekend heeft, daarvoor een opdracht van het college van burgemeester en schepenen gekregen heeft, ligt niet voor. Deze memories zijn derhalve niet regelmatig ingediend en moeten uit de debatten worden geweerd. De door de korpschef overgelegde delegatie aan P. Verheyden kan de onregelmatigheid van de memories niet dekken, aangezien de korpschef zich niet in de plaats van het college van burgemeester en schepenen kan stellen en hij alleen maar als orgaan van de politiezone in het geding geroepen kan worden. De verzoeker is van oordeel dat, wanneer de korpschef toegelaten wordt om zich te laten vertegenwoordigen door een ambtenaar van hetzelfde bestuur, ook hij de gelegenheid moet krijgen om zich te laten bijstaan en vertegen- woordigen door een collega-ambtenaar. Hij verliest daarbij evenwel uit het oog dat de vertegenwoordiging in rechte van hemzelf niet vergelijkbaar is met het optreden in rechte van een rechtspersoon, dat gebeurt door middel van zijn organen. IV. Feiten 5.
- De verzoeker is als inspecteur van politie tewerkgesteld in de lokale politiezone Mechelen. Blijkens het inleidend verslag krijgt de korpschef van de zone op 14 februari 2007 kennis van een aantal (vijf) feiten lastens de verzoeker. 5.
- In een “informatieverslag”, waarop geen datum vermeld wordt, stelt hoofdinspecteur van politie L. Van Den Broek, diensthoofd van het bike-team, een verklaring op waarin hij onder meer stelt vernomen te hebben dat de verzoeker tijdens zijn diensturen op 4 december 2006 langsgegaan is op een privé-adres voor private contacten. Die klacht sluit aan bij twee andere feiten waarbij de verzoeker zich onbehoorlijk zou gedragen hebben en die zich situeren op 3 en 4 december
- Op 24 en 26 januari 2007 worden nog twee andere feiten op schrift gesteld, ditmaal met betrekking tot de dienstuitoefening van de verzoeker. 5.
- Op 6 maart 2007 stelt de korpschef in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid een voorafgaand onderzoeker aan. Hij vermeldt dat hij kennis kreeg van de feiten op 14 februari
- De klacht aangaande het bezoek van IX-5837-3/8 de verzoeker aan een vriendin wordt vermeld als feit drie met volgende omschrijving: “HINP Luc Van den Broek wordt vervolgens in kennis gesteld van het feit dat INP PIRON op 4 december 2006, tijdens zijn semi-nachtdienst en in uniform gekleed, langsgaat op het adres Stationsstraat 27 te 2800 Mechelen. Hij gaat langs in een woning waarin 3 jonge en 1 oudere, vermoedelijk Poolse, vrouwen verblijven. Ook hier is weer sprake van de vrouw met blond lang haar. Uit de houding die Piron blijkt het opnieuw niet om een professioneel contact te gaan. INP Piron geeft tenslotte toe verliefd te zijn op één van deze vrouwen.” Daarmee neemt de korpschef letterlijk de klacht van hoofdinspec- teur Van Den Broek over. 5.
- Op 5 september 2007 dient de voorafgaand onderzoeker haar verslag in. 5.
- Op 6 november 2007 stelt de korpschef een inleidend verslag lastens de verzoeker op waarin de twee feiten met betrekking tot de tekortkoming aan zijn dienstverplichtingen niet langer in aanmerking genomen worden wegens onvoldoende bewezen. Inzake de datum van kennisname van de feiten wordt in het inleidend verslag gesteld: “Ik werd ingelicht van de feiten vermeld in punt 2 op datum van 14 februari
- Op datum van 2 maart heb ik CP Kerremans als vooronderzoeker aan- gesteld. (...) Het vooronderzoek werd afgerond op 5 september
- Op basis van de resultaten van het vooronderzoek krijg ik kennis van de omstandigheden waarin de gemelde feiten zich hebben afgespeeld. 5 september 2007 is de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van dit inleidend verslag.” Op 8 november 2007 ondertekent de verzoeker het inleidend verslag voor kennisneming en ontvangst. 5.
- Op 14 december 2007 dient de verzoeker een verweerschrift in. 5.
- Op 18 december 2007 beslist de korpschef aan de verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IX-5837-4/8 Wat de datum van kennisneming van de feiten betreft wordt in deze beslissing de uiteenzetting uit het inleidend verslag herhaald. Uit die beslissing blijkt dat uiteindelijk slechts één van de oorspronkelijke vijf ten laste gelegde feiten, met name feit drie, bewezen geacht wordt. Op het door de verzoeker in zijn verweerschrift aangevoerde bezwaar dat artikel 56 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) niet gerespecteerd werd, wordt in de motivering van de bestreden beslissing het volgende geantwoord: “Op 14 februari 2007 werd ik als tuchtoverheid door CP Van den Broeck mondeling ingelicht van de verslagen die werden opgesteld door HINP Luc Van Den Broek en CP Leemans en van het mailbericht dat werd opgesteld door CP Verlinden. Naar aanleiding van dit gesprek en na lezing van de stukken, stel ik op 6 maart 2007 CP Kerremans als voorafgaand onderzoeker aan omdat ik duidelijkheid wil omtrent deze feiten. Op 30 april 2007 krijgt INP Piron de gelegenheid een verklaring af te leggen in het kader van het voorafgaand onderzoek. INP Piron verkiest geen verklaring af te leggen omtrent de feiten 1 tot
- Op 24 mei 2007 wordt door INP Wouter Vandebeeck, tijdens het gesprek met de voorafgaand onderzoeker, bevestigd dat hij samen met INP Piron een bezoek bracht tijdens de dienst aan het appartement van de Poolse vrouwen. Als overheid krijg ik hiervan kennis middels het verslag van voorafgaand onderzoeker. Niet elke informatie volstaat om louter op grond van deze inlichtingen onmiddellijk te kunnen beslissen of de aangeklaagde gebeurtenis mogelijk een tuchtvergrijp uitmaakt. Rekening houdend met de noodzaak om tuchtvervol- gingen op grond van lichtvaardig geuite beschuldigingen te vermijden, kunnen de feiten pas als “vastgesteld” worden beschouwd op het ogenblik dat de tuchtoverheid daarover voldoende nauwkeurige bewijskrachtige gegevens heeft verzameld (cfr. De Politie - Het tuchtstatuut, W. Mahieu e.a., Van den Broele, p. 65 e.v.) De overheid meent dat artikel 56 van de tuchtwet werd gerespecteerd.” V. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert in zijn enige middel onder meer aan dat artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet geschonden werd. Hij stelt dienaangaande wat volgt: Het inleidend verslag dateert van 6 november 2007; wanneer de verwerende partij ingelicht werd over de feiten op 14 februari 2007 dan eindigt de termijn IX-5837-5/8 bepaald in artikel 56 van de tuchtwet op 14 augustus 2007, en diende het inleidend verslag hem betekend te worden vóór deze datum; op zich was dit perfect mogelijk vermits de laatste onderzoeksdaad van de voorafgaand onderzoeker dateert van 29 mei 2007; het voorafgaand onderzoek dient inderdaad om de tuchtoverheid de mogelijkheid te geven om bepaalde feiten te onderzoeken, het dient niet om de datum van de kennisgeving of van de vaststelling van de feiten in de tijd te verschuiven om op die manier de eigen passiviteit van de tuchtoverheid op te vangen. Hij voegt daaraan toe dat de verwerende partij niet kan ontkennen dat zij reeds op 14 februari 2007 kennis had van de feiten, aangezien er hem voor die feiten op 16 maart 2007 een ordemaatregel werd opgelegd, met name een overplaatsing gedurende zes maanden.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog dat de verjaringstermijn slechts aanvangt wanneer de tuchtoverheid met voldoende nauwkeurigheid de feiten kent, in die zin dat zij niet lichtvaardig een tuchtprocedure mag opstarten maar slechts wanneer zij over voldoende bewijskrachtige gegevens omtrent het bestaan van de feiten en de tenlastelegging ervan aan de betrokkene beschikt. Zij stelt ook dat het bevel van een voorafgaand onderzoek de verjaringster- mijn niet opgeschort heeft maar dat die termijn gewoon geen aanvang genomen heeft omdat er onvoldoende bewijzen bestonden. En er mag niet uit het oog verloren worden dat zij op 14 februari 2007 van de feiten werd “ingelicht”, hetgeen niet als een echte vaststelling kan gezien worden. Voorts heeft de ordemaatregel, die op grond van die inlichtingen werd genomen, niets vandoen met de tuchtmaatregel die hier aan de orde staat. Beoordeling
- De verwerende partij erkent dat de korpschef op 14 februari 2007 kennis genomen heeft van de melding van hoofdinspecteur Van Den Broek, diensthoofd van de verzoeker. Deze verklaring vermeldt dat hij “in kennis gesteld” werd dat de verzoeker tijdens zijn dienst op 4 december 2006 een bezoek gebracht heeft voor een privé-aangelegenheid en dat onder meer daardoor “het in hem gestelde vertrouwen ernstig geschaad (werd)”.
- Het initiatief van het diensthoofd van de verzoeker met betrekking tot de misdraging van de verzoeker in de uitoefening van zijn dienst, was duidelijk. Er kon geen misvatting meer over bestaan dat hij hem een tekortkoming in zijn IX-5837-6/8 dienstuitoefening verweet. Die tekortkoming was ook duidelijk afgebakend. Op grond van die mededeling kon de korpschef zich wel degelijk een oordeel vormen over de noodzaak en de opportuniteit om een tuchtactie tegen de verzoeker op gang te brengen. De korpschef wist op dat ogenblik precies welk feit de dienstchef aan de verzoeker ten kwade duidde. Het had bovendien rechtstreeks te maken met de dienstuitoefening, waarvan de dienstchef de eerste beoordelaar is. De korpschef was dan ook op basis van de mededeling van de dienstchef perfect in staat om de situatie in te schatten en zich een oordeel te vormen over het bestaan van een tuchtinbreuk, over de opportuniteit van een vervolging en over de zwaarte van de straf die hij zou voorstellen. Hij was met andere woorden in staat om een inleidend verslag op te maken.
- Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de korpschef op 14 februari 2007 ook nog kennis kreeg van vier andere feiten die bij hem als een mogelijke tuchtinbreuk waren aangebracht maar die uiteindelijk niet tegen de verzoeker weerhouden werden. Het gaat om feiten die inhoudelijk geen verband vertonen met het feit dat hem hier ten laste gelegd wordt, hetgeen in het strafrecht de meerdaadse samenloop genoemd wordt. Aangezien de korpschef voor het onderzoek van alle feiten gezamenlijk een voorafgaand onderzoek bevolen heeft, rijst de vraag of het gebrek aan duidelijkheid ten aanzien van bepaalde feiten kon rechtvaardigen dat hij ook voor de feiten die wel duidelijk waren mocht wachten met de redactie van het inleidend verslag.
- Artikel 7 van de tuchtwet bevat een regeling voor de samenloop van tuchtvergrijpen: wanneer meerdere tuchtvergrijpen aan een politieambtenaar worden toegerekend (Franse tekst: “imputées”), wordt slechts één tuchtprocedure opgestart. Het gebruik van de term “toerekening” verwijst naar de daadwerkelijke tenlastelegging, hetgeen gebeurt in het inleidend verslag. Die bepaling zegt evenwel niets over de verjaringstermijn voor het opstarten van de tuchtvordering en doet derhalve niets af aan artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet, dat de verjaring strikt regelt in functie van de kennisneming van de verschillende feiten en derhalve geen regeling bevat voor het geval de kennisneming van bepaalde feiten voldoende duidelijk is om de verjaringstermijn te laten ingaan terwijl dit voor andere feiten nog niet het geval is. Daaruit volgt dat het bestuur in IX-5837-7/8 de omstandigheid dat de andere aangeklaagde feiten mogelijks niet zonder nader onderzoek konden uitlopen op een inleidend verslag, geen deugdelijke grondslag kon vinden om het opstellen van dat inleidend verslag, beperkt tot het feit waarvoor de verzoeker uiteindelijk veroordeeld is, uit te stellen.
- De verzoeker is gestraft voor een bepaald feit waarvan de korpschef op 14 februari 2007 een voldoende kennis gekregen heeft. Hij heeft het inleidend verslag daarover niet binnen de zes maanden aan de verzoeker ter kennis gebracht en heeft daarmee artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet miskend.
- Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van 18 december 2007 van de korpschef van de lokale politie te Mechelen waarbij aan Koenraad Piron de tuchtstraf van de waarschuwing wordt opgelegd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5837-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.575 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.