← België

Arrest 203576 - Arbeids- en beroepskaarten - 03/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.576 Rolnummer: A. 192082/IX-6295 Zaak: Arrest 203576 - Arbeids- en beroepskaarten - 03/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-12 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 203.576 van 3 mei 2010 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.576 van 3 mei 2010 in de zaak A. 192.082/IX-6295 In zake : Efendi CARDAK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Meral Kalin kantoor houdend te Brussel Marsveldplein 5 Bastion Tower, Level 20 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te Zellik Noorderlaan 30 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 3 april 2009, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Werk van 2 februari 2009 houdende weigering van de vraag van Efendi Cardak tot het verkrijgen van een arbeidskaart. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. IX-6295-1/9 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 april
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Michel Arnauts, die loco advocaat Meral Kalin verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Mathias Hertegonne, die loco advocaat Dirk De Greef verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker, die de Turkse nationaliteit heeft, dient op 21 november 2008 een asielaanvraag in. Op 30 januari 2008 weigert het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen om aan de verzoeker de vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming te geven. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vernietigt op 4 juni 2008 deze beslissing. Het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen neemt op 12 september 2008 een nieuwe weigeringsbeslissing, waartegen de verzoeker opnieuw een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen instelt. Bij arrest van 21 april 2009 heeft de Raad van Vreemdelingenbetwistingen de verzoeker erkend als vluchteling. De verzoeker dient naast zijn asielaanvraag, ook een aanvraag in tot machtiging van verblijf voor een periode van meer dan drie maanden op basis van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet). Deze aanvraag wordt op 28 augustus 2008 ontvankelijk verklaard. IX-6295-2/9 3.
  6. Op 8 december 2008, hangende zijn asielaanvraag, vraagt de verzoeker een arbeidskaart C aan. 3.
  7. De gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse minister bevoegd voor de Werkgelegenheid weigert op 19 december 2008 deze aanvraag op grond van het volgende motief: “u beantwoordt niet aan één van de toekenningsvoorwaarden, opgenomen in art. 17 [van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers], die recht geven op een arbeidskaart C.” 3.
  8. Op 7 januari 2009 stelt de verzoeker beroep in tegen deze beslissing. Hij houdt voor dat hij duidelijk valt onder één van de categorieën vermeld in artikel 17 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (hierna: het koninklijk besluit van 9 juni 1999) en meer bepaald onder artikel 17, 3/, gelet op zijn attest van immatriculatie, model A en gelet op de ontvankelijke aanvraag op basis van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. 3.
  9. Op 26 januari 2009 verleent het Vlaamse Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie een negatief advies. 3.
  10. Op 2 februari 2009 wordt het beroep door de Vlaamse minister van Werk ongegrond verklaard. Dit is het bestreden besluit. Het bevat volgende, voor deze zaak relevante, motieven: “
  11. Op basis van het artikel 9 ter van de wet van 15/12/1980 diende betrokkene een aanvraag tot machtiging tot verblijf in. Betrokkene bekwam op die basis een Attest van Immatriculatie. Deze aanvraag laat echter niet toe een arbeidskaart C af te leveren. Enkel indien betrokkene effectief gemachtigd wordt tot verblijf op deze basis, en derhalve in het bezit gesteld wordt van een Bewijs van Inschrijving in het Vreemdelingenregister, komt betrokkene opnieuw in aanmerking voor een arbeidskaart C.
  12. Artikel 17,3/ van het KB van 9/6/1999 bepaalt dat de arbeidskaart C wordt toegekend aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden tot een verblijf van beperkte duur wanneer de mogelijkheid tot een verblijf voor onbepaalde duur uitdrukkelijk wordt voorzien door een wettelijke of reglementaire bepaling of een richtlijn van de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid IX-6295-3/9 heeft of diens gemachtigde, behalve als die verblijfsvergunning afgeleverd werd met het oog op de uitoefening van een zelfstandig beroep. Eventuele toekenning op basis van onder andere artikel 9 ter = personen wiens verblijfssituatie om medische redenen wordt geregulariseerd, en een Bewijs van Inschrijving in het Vreemdelingenregister ‘beperkt verblijf’ bekomen om medische redenen, kunnen een arbeidskaart C bekomen op basis van artikel 17,3/ van het KB van 9/6/
  13. Aangezien betrokkene in het bezit was van een verblijfsdocument Attest van Immatriculatie - model A, geldig tot 02/03/09 kan betrokkene derhalve op basis van artikel 17,3/ van het KB van 9/6/1999 geen aanspraak maken op een arbeidskaart C. In casu werd enkel een aanvraag tot machtiging van verblijf om medische redenen ingediend, en werd door de Dienst Vreemdelingenza- ken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken nog geen beslissing genomen.” IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
  14. In een enig middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 17, 3/, van het koninklijk besluit van 9 juni
  15. Met dit artikel 17, 3/, worden de personen bedoeld aan wie een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister worden toegekend dat voorlopig nog beperkt is, maar dat kan uitmonden in een verblijf van onbeperkte duur. Zoals in het verslag aan de Koning wordt verduidelijkt, moet de mogelijkheid tot een verblijf voor onbepaalde duur uitgaan van een wettelijke of reglementaire bepaling of van een richtlijn. Daartoe behoort de categorie van vreemdelingen die een machtiging tot verblijf voor een beperkte tijd hebben in toepassing van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. Volgens de verwerende partij zou de verzoeker niet tot deze categorie behoren. Hij bezit evenwel een attest van immatriculatie model A en hij heeft de beslissing waarbij zijn aanvraag op basis van artikel 9ter ontvankelijk wordt verklaard bij zijn aanvraag tot het verkrijgen van een arbeids- kaart gevoegd. Hij beschikt dus over een “beperkt verblijf”, zodat hem ten onrechte een arbeidskaart geweigerd is.
  16. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker zijn aanvraag gesteund heeft op het feit dat hij op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet een aanvraag tot machtiging tot verblijf indiende en dat hij op die basis een attest van immatriculatie bekwam. De minister heeft hieromtrent terecht gesteld dat deze IX-6295-4/9 aanvraag niet toelaat een arbeidskaart C af te leveren en dat enkel indien de betrokkene effectief gemachtigd wordt tot verblijf op deze basis, en derhalve in het bezit wordt gesteld van een elektronische identiteitskaart A, hij in aanmerking komt voor een arbeidskaart C. Er werd in deze zaak slechts een aanvraag tot machtiging van verblijf om medische redenen voorgelegd en de Dienst Vreemdelingenzaken heeft nog geen beslissing genomen. In de bestreden beslissing wordt ook uitvoerig onderzocht of de verzoeker op grond van de andere bepalingen in aanmerking kon komen, hetgeen niet het geval bleek. De verwerende partij is van oordeel dat de desbetreffende motivering afdoende is, zeker nu de minister ter zake over een gebonden bevoegdheid beschikt; de verplichting tot formele motivering van bestuurshandelingen is niet gelijk te stellen met de verplichting tot motivering van jurisdictionele beslissingen zoals die door de Grondwet is voorgeschreven.
  17. De verzoeker stelt in zijn repliek dat de verwerende partij ten onrechte poneert dat de dienst Vreemdelingenzaken nog geen beslissing genomen heeft aangezien ze zijn aanvraag ontvankelijk heeft verklaard. De verzoeker beschikt dus over een inschrijving in het vreemdelingenregister en heeft eveneens een “beperkt verblijf”. In haar interpretatie van de woorden “beperkt verblijf” voegt de verwerende partij bijkomende voorwaarden toe aan de wet. De minister stelt, anders dan wat de verwerende partij voorhoudt, in het bestreden besluit niet dat de aanvrager moet beschikken over een elektronische arbeidskaart (lees: identiteits- kaart) A; de vereiste van een elektronische identiteitskaart A wordt evenmin in het koninklijk besluit van 9 juni 1999 vermeld. De verwerende partij heeft hierdoor de motiveringsplicht en artikel 17, 3/ van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 geschonden. De wet bepaalt dat zijn aanvraag gegrond kan worden verklaard en dan kan hij een onbeperkt recht op verblijf verkrijgen. De verzoeker benadrukt tenslotte dat hij als vluchteling erkend is en sowieso gerechtigd is op een arbeidskaart C.
  18. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat het koninklijk besluit van 9 juni 1999 niet als bijkomende voorwaarde stelt dat de aanvraag op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet gegrond moet zijn verklaard opdat hij onder de toepassing van artikel 17, 3/, zou vallen. Daarnaast verduidelijkt hij dat zijn beperkt verblijf inderdaad gevolgd wordt door nieuwe periodes van beperkt verblijf, maar dat de wet toch bepaalt dat deze kunnen gevolgd worden door een machtiging tot verblijf van onbepaalde duur wanneer zijn aanvraag op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet gegrond wordt verklaard. IX-6295-5/9 IX-6295-6/9 Beoordeling
  19. De wettigheid van het bestreden besluit moet onderzocht worden met inachtneming van de gegevens waarover de minister beschikte op het ogenblik dat hij het besluit trof. De omstandigheid dat de verzoeker na de totstandkoming van het besluit erkend is als vluchteling kan geen invloed hebben op het onderzoek van de regelmatigheid van het bestreden besluit.
  20. De verzoeker voert de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen en van artikel 17, 3/, van het koninklijk besluit van 9 juni
  21. Artikel 17 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 geeft aan in welke gevallen een arbeidskaart C kan worden toegekend. Wanneer blijkt dat de aanvrager niet in de door het koninklijk besluit aangegeven gevallen verkeert, kan er geen arbeidskaart worden toegekend. De verwerende partij heeft in die zin dan ook een gebonden bevoegdheid. De verzoeker is van oordeel dat de verwerende partij een verkeerde toepassing gemaakt heeft van artikel 17, 3/, van het koninklijk besluit.
  22. Artikel 17, 3/, luidt: “De arbeidskaart C wordt toegekend : (…) 3/ aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden tot een verblijf van beperkte duur wanneer de mogelijkheid voor een machtiging tot verblijf voor onbepaalde duur uitdrukkelijk wordt voorzien door een wettelijke of reglementaire bepaling of een richtlijn van de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of van diens gemachtigde, behalve als die verblijfsvergunning afgeleverd werd met het oog op de uitoefening van een zelfstandig beroep;”
  23. Artikel 9ter van de Vreemdelingenwet voorziet in de mogelijkheid van regularisatie om medische redenen: de in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocument en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling omdat er geen IX-6295-7/9 adequate behandeling is in zijn land van herkomst, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister. Indien de aanvraag gesteund op artikel 9ter Vreemdelingenwet ontvankelijk wordt ingediend, wordt de betrokkene in het bezit gesteld van een attest van immatriculatie model A dat een geldigheidsduur heeft van 3 maanden en dat driemaal kan worden verlengd. Na een jaar wordt het attest telkens verlengd met een duur van één maand tot er een beslissing is over de grond van de zaak. Indien de aanvraag van de vreemdeling gegrond wordt verklaard, krijgt de vreemdeling een machtiging tot verblijf van beperkte duur, gekenmerkt door een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister, met de vermelding “beperkt verblijf” en de afgifte van een elektronische A kaart of een witte kaart, die minstens één jaar geldig blijft. Conform artikel 13, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet wordt de machtiging tot verblijf die verstrekt wordt voor beperkte duur op grond van artikel 9ter van onbeperkte duur bij het verstrijken van een periode van vijf jaar nadat de aanvraag tot machtiging werd aangevraagd.
  24. De verwerende partij heeft te dezen vastgesteld dat een ontvan- kelijk verklaarde aanvraag omtrent medische regularisatie niet onder artikel 17 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 valt. De reden daarvoor is uiteengezet in punt 6 van het bestreden besluit. Zij komt erop neer dat een arbeidskaart C slechts kan toegekend worden wanneer de aanvraag tot medische regularisatie gegrond verklaard is, aangezien de betrokkene pas dan beschikt over een bewijs van inschrijving in het Vreemdelingenregister en uitzicht heeft op een verblijf van onbeperkte duur. Die uiteenzetting beantwoordt aan de voorschriften van de wet van 29 juli
  25. De verzoeker kan niet gevolgd worden waar hij stelt dat het attest van immatriculatie model A als gevolg van een louter ontvankelijk verklaarde aanvraag conform artikel 9ter, tot gevolg heeft dat hij de toepassing van artikel 17, 3/, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 kan vragen. Dit is immers enkel het geval wanneer de aanvraag gegrond wordt bevonden want tot dan beschikt de vreemdeling slechts over een voorlopig verblijfsrecht. Met de ontvankelijkverkla- ring krijgt de aanvrager immers geen uitzicht op een gunstige afloop van het onderzoek ten gronde en geldt de toelating tot verblijf slechts binnen de grenzen van en tot aan de afloop van dat onderzoek. Hij heeft slechts uitzicht op een machtiging tot verblijf van onbepaalde duur wanneer zijn aanvraag gegrond verklaard wordt. IX-6295-8/9 Geen wettelijke of reglementaire bepaling of een richtlijn van de minister voorziet in de mogelijkheid voor een machtiging tot verblijf voor onbepaalde duur wanneer de aanvraag conform artikel 9ter enkel ontvankelijk is verklaard.
  26. Het enig middel is ongegrond. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het beroep.
  28. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-6295-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.576 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.