← België

Arrest 203577 - Tucht (openbaar ambt) - 03/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.577 Rolnummer: A. 186191/IX-5802 Zaak: Arrest 203577 - Tucht (openbaar ambt) - 03/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-12 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 203.577 van 3 mei 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.577 van 3 mei 2010 in de zaak A. 186.191/IX-5802 In zake: Marc LAISNEZ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Toon Deschepper kantoor houdend te Gent Monterreystraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NMBS-Holding bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chris Van Olmen kantoor houdend te Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 6 december 2007, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het directiecomité van de NMBS-Holding van 8 oktober 2007 waarbij Marc Laisnez wordt afgezet uit zijn functie van rangeerder. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 april
  3. IX-5802-1/16 Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jens Mosselmans, die loco advocaat Toon Deschepper verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Veronique Leroy, die loco advocaat Chris Van Olmen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is ten tijde van de bestreden beslissing tewerkge- steld als rangeerder bij de NMBS-Holding. 3.
  6. Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te Antwerpen van 23 april 2001 wordt de verzoeker veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van zes maanden en de betaling van een geldboete wegens valsheid in geschrifte, het toebrengen van slagen en verwondingen en belaging, ten nadele van zijn echtgenote, van wie hij feitelijk gescheiden leeft. Dit vonnis wordt op 29 oktober 2001 door de procureur des Konings overgemaakt aan de verwerende partij. 3.
  7. In de loop van het jaar 2000 voert het comité van toezicht van de NMBS een intern onderzoek naar aanleiding van de verdwijning van voorwerpen die werden binnengebracht op de dienst “verloren voorwerpen” van het station Antwerpen-Centraal, meer bepaald een fiets en enkele GSM-toestellen. De verzoeker wordt in het kader van dat onderzoek ondervraagd. In hun eindverslag van 6 maart 2001 stellen de onderzoekers onder meer het volgende: “Controle ter plaatse en ondervraging van de betrokken personen, door onze dienst, brachten volgende feiten aan het licht: [...]
  8. mededaderschap aan diefstal en valsheid in geschriften door dhr. Laisnez Marc [...] IX-5802-2/16 [...] Dhr. Laisnez Marc geeft toe medeplichtig te zijn bij de ontvreemding van de fiets. Hij bekende ook twee GSM’s uit de dienst ‘gevonden voorwerpen’ te hebben meegenomen, één door middel van valsheid in geschriften en het betalen van de administratiekosten van 100,-BEF, en één die hij gratis kreeg van dhr. W. De gratis verkregen GSM gaf hij nadien terug door aan een collega van Antwerpen-Schijnpoort, de genaamde H.” 3.
  9. Uit het administratief dossier blijkt niet dat aan dit verslag enig tuchtrechtelijk gevolg werd gegeven. De verzoeker wordt voor deze feiten echter strafrechtelijk vervolgd op klacht van de eigenaar van de fiets. Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te Antwerpen van 8 mei 2002 wordt hij bij verstek strafrechtelijk veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van acht maanden met uitstel en een geldboete wegens valsheid in geschrifte en verduistering. Dit vonnis wordt klaarblijkelijk ten laatste in augustus 2004 ter kennis gebracht van de verwerende partij. 3.
  10. Op 23 november 2006 wordt ten laste van de verzoeker een strafvoorstel geformuleerd. De directe chef van de verzoeker stelt voor om de verzoeker af te zetten. Dit voorstel is gebaseerd op de volgende feiten: “- het plegen van diefstal ten nadele van de NMBS en valsheid in geschrif- ten op 27 september 2000 en tussen 15 oktober en 1 november 2000 in de bagagebewaarplaats van het station Antwerpen-Centraal; - door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 8 mei 2002, voor eeraantastende feiten, veroordeeld te zijn geweest tot een hoofdgevangenisstraf van 8 maanden (uitstel gedurende drie jaar) en een geldboete van 495,79 euro of een vervangende gevangenisstraf van 1 maand; - door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 23 april 2001, voor eeraantastende feiten, veroordeeld te zijn geweest tot een hoofdgevangenisstraf van 6 maanden en een geldboete van [495,79 euro] of een vervangende gevangenisstraf van 1 maand; - ongewettigde afwezigheid op 6 februari 2006.” De verzoeker gaat met dit strafvoorstel niet akkoord en verklaart op 29 november 2006 dat hij voor de raad van beroep wil verschijnen. Op 8 december 2006 verklaart de verzoeker dat hij wenst dat een sociaal onderzoek wordt uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek heeft plaats op 20 maart
  11. IX-5802-3/16 3.
  12. In een verslag van 6 april 2007 voor de raad van beroep adviseert de hoofdinspecteur-afdelingschef van de directie Human Resources van de NMBS- Holding de voorgestelde straf te behouden. Dit advies wordt als volgt gemotiveerd: “De tenlastelegging -plegen van diefstal ten nadele van de NMBS en valsheid in geschriften- werd door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen als bewezen beschouwd en de NMBS-Groep moet dus de uitspraak van het in kracht van gewijsde gegaan vonnis eerbiedigen. Bijgevolg maakte Marc Laisnez zich schuldig aan onkiese daden, die volgens de par. 77 van het Tuchtreglement (stuk 79) aanleiding geven tot een voorstel tot afzetting ten laste van de schuldige bediende, zonder dat er rekening wordt gehouden met welke verzachtende omstandigheden ook. Het voorstel tot de afzetting ten laste van de betrokken bediende is ingediend in toepassing van de par. 77 en 78i van het Tuchtreglement (stuk 79 keerzijde) wegens het plegen van een onkiese daad, met name elke diefstal die ten nadele van een bediende van de NMBS-Groep of van een van haar cliënten in de installaties van de NMBS-Groep wordt gepleegd, wat ontegensprekelijk als een eeraantastend feit moet worden aangezien en als zodanig bestraft. Bovendien liep hij hiervoor een zware gerechtelijke veroordeling op nl. een hoofdgevangenisstraf van 8 maanden en een geldboete. Overeenkomstig het art. 7, Hfst. XIV van het Statuut van het Personeel dient de afzetting te worden voorgesteld ten laste van een bediende die bij een gerechtelijke veroordeling, uitgesproken uit hoofde van feiten die de eer aantasten, een gevangenisstraf van meer dan 6 maand oploopt. In dit geval betreft het dus een gevangenisstraf van 8 maanden, uitgesproken voor feiten die zonder twijfel als eeraantastend moeten gekwalificeerd worden rekening houdend met de gepleegde daden. Tevens bepaalt, wat betreft de gerechtelijke veroordeling d.d. 23 april 2001, de par. 94 van het Tuchtreglement dat, behalve als de feiten waarop de tuchtstrafvordering gesteund is niet bewezen worden geacht door de rechts- macht die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, de Maatschappij het recht behoudt om de bediende tuchtmaatregelen op te leggen, ongeacht de burgerlijke of de strafrechtelijke vordering. Overeenkomstig de beschikkingen van par. 9 van het Tuchtreglement werd er gewacht op de definitieve bevestiging dat beide vonnissen in kracht van gewijsde waren gegaan alvorens werd overgegaan tot het opstellen van één strafvoorstel voor de gezamenlijke en gekende feiten. Trouwens, ook in toepassing van de par. 53 van het Tuchtreglement, dat voorschrijft dat de afzetting wordt voorgesteld als uiterste maatregel wanneer de ernst, de herhaling of de aard van de fouten zulks vereist, diende in dit geval een voorstel tot afzetting opgemaakt te worden. De handelwijze van betrokkene maakt van hem een element dat allesbehal- ve als voorbeeld kan gelden voor zijn collega’s. Het vertrouwen werkgever/werknemer heeft hij diep beschaamd. IX-5802-4/16 Daardoor kan hij niet meer in de rangen van de Maatschappij geduld worden. In het licht van deze elementen en rekening houdend met de feiten en de zware gerechtelijke veroordelingen, steun ik het ten laste van Marc Laisnez ingediende strafvoorstel, nl. de afzetting.” 3.
  13. Op 3 oktober 2007 adviseert ook de raad van beroep eenparig om de verzoeker de voorgestelde tuchtsanctie “afzetting” op te leggen. Dit advies wordt als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de feiten bewezen zijn door de vonnissen van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 23 april 2001 en 8 mei 2002; Overwegende dat huisdiefstal en valsheid in geschriften onkiese daden zijn; Overwegende dat wanneer een strafprocedure en een tuchtprocedure elkaar opvolgen, de redelijke termijn binnen dewelke een beschuldigde moet berecht worden in de tuchtprocedure, berekend moet worden, niet vanaf de aanvang van de strafprocedure, maar vanaf het ogenblik waarop het tuchtorgaan kennis krijgt van de definitieve beslissing van de strafrechtsmacht, dit is op 23 oktober
  14. (stuk 52) (Cassatie 22 september 2005 - V.K t./ orde van apothekers, onuitgege- ven); Dat, te dezen, alle omstandigheden in acht genomen, de redelijke termijn niet abnormaal lang was; Aangezien de voorgestelde maatregel regelmatig is en in verhouding met de ten laste gelegde feiten.” 3.
  15. Op 8 oktober 2007 beslist het directiecomité van de NMBS- Holding om de verzoeker de tuchtstraf van de afzetting op te leggen. Het directie- comité neemt de motivering van de raad van beroep woordelijk en integraal over. Dit is de bestreden beslissing. Ze wordt met een brief van 9 oktober 2007 aan de verzoeker ter kennis gebracht. 3.
  16. Op 27 november 2007 tekent de verzoeker nog verzet aan tegen het vonnis van 8 mei 2002 waarbij hij werd veroordeeld tot een hoofdgevangenis- straf van acht maanden met uitstel en een geldboete wegens valsheid in geschrifte en verduistering. In haar vonnis van 14 januari 2008 bevindt de rechtbank de feiten bewezen, maar verleent ze de beklaagde een opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een termijn van drie jaar. IX-5802-5/16 IV. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Standpunt van de partijen
  17. De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de paragrafen 56 en 95 van het tuchtreglement en van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”. Hij laat gelden dat krachtens de voormelde bepalingen van het tuchtreglement geen tuchtvervolging kan worden ingesteld voor feiten die behoren tot de privé-sfeer, die geen verband houden met de dienst en die de belangen van de NMBS niet schaden. De verzoeker stelt dat de correctionele veroordeling van 23 april 2001 enkel betrekking heeft op feiten uit de privé-sfeer, die generlei verband houden met de dienst en die de belangen of het aanzien van de NMBS niet schaden. Hij wijst erop dat de verwerende partij nooit het tegendeel heeft beweerd. Doordat de bestreden beslissing mede op die veroordeling is gesteund, schendt ze volgens de verzoeker de voormelde bepalingen van het tuchtreglement en het voormelde beginsel.
  18. De verwerende partij antwoordt dat de door de verzoeker aangevoerde bepalingen niet eraan in de weg staan dat zij een tuchtsanctie oplegt aan een personeelslid op grond van feiten die de eer aantasten. Zij verwijst daarvoor naar artikel 7 van hoofdstuk XIV van het statuut van het personeel en paragraaf 94, tweede lid, van het tuchtreglement. De verwerende partij stelt dat de feiten waarvoor de verzoeker strafrechtelijk werd veroordeeld bij vonnissen van 23 april 2001 en 8 mei 2002, “eeraantastende feiten” zijn in de zin van de voormelde reglementering. Bovendien moeten de feiten die hebben geleid tot de tweede strafrechtelijke veroordeling, als “onkiese daden” worden beschouwd, wat impliceert dat ze, krachtens paragraaf 77 van het tuchtreglement, op zich -los van enige strafrechtelijke veroordeling- moesten leiden tot een voorstel van afzetting, zonder dat rekening kon worden gehouden met verzachtende omstandigheden. IX-5802-6/16
  19. De verzoeker repliceert dat de verwerende partij niet in ernst kan voorhouden dat de feiten waarvoor hij in 2001 werd veroordeeld, eeraantastende feiten zijn, in die zin dat ze de eer van de NMBS aantasten. Ten onrechte, zo stelt de verzoeker, doet de NMBS het voorkomen alsof eeraantastend zou betekenen dat de aantasting van de eer van om het even wie en op om het even welk ogenblik aanleiding kan geven tot tuchtvervolging. Een dergelijke interpretatie holt de paragrafen 56 en 95 van het tuchtreglement volgens de verzoeker volledig uit, vermits ze het de NMBS mogelijk maakt een personeelslid tuchtrechtelijk te vervolgen voor om het even welke feiten uit de privé-sfeer, terwijl de voormelde paragrafen juist tot doel hebben de personeelsleden te beschermen tegen een al te grote inmenging van hun oversten in hun privé-leven.
  20. De verwerende partij herhaalt in haar laatste memorie dat niet kan worden ontkend dat de feiten waarvoor de verzoeker bij vonnis van de Correctionele rechtbank te Antwerpen van 23 april 2001 werd veroordeeld, eeraantastende feiten zijn in de zin van de bepalingen van het statuut van het personeel en van het tuchtreglement. Hetzelfde geldt volgens de verwerende partij voor de feiten waarvoor de verzoeker bij verstekvonnis van de Correctionele rechtbank te Antwerpen van 8 mei 2002 werd veroordeeld. De verwerende partij benadrukt voorts dat deze feiten als “onkiese daden” moeten worden beschouwd in de zin van paragraaf 77 van het tuchtreglement, wat impliceert dat ze op zich, los van enige strafrechtelijke veroordeling, moeten leiden tot een voorstel van afzetting, zonder dat verzachtende omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen. Beoordeling
  21. Een tuchtstraf wordt opgelegd ter bestraffing van een tekortko- ming aan de beroepsverplichtingen als ambtenaar. Feiten uit het privé-leven van de ambtenaar kunnen in principe geen tuchtfeit uitmaken. Een ambtenaar heeft, zoals elke burger, in beginsel immers recht op de eerbiediging van zijn privé-leven. Uitzonderlijk kunnen feiten uit het privé-leven wel tuchtrechtelijk worden gesanctioneerd, namelijk wanneer ze de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen of wanneer ze een weerslag hebben op de dienst. Wanneer de feiten die aan het personeelslid worden verweten, zich hebben voorgedaan binnen de privé-sfeer van de betrokkene en geen verband houden met diens werksituatie, kan de tuchtoverheid deze feiten slechts tuchtrechte- IX-5802-7/16 lijk bestraffen indien zij met recht en reden van oordeel is dat ze de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen of een weerslag hebben op de dienst. Dit geldt evenzeer indien de betrokkene voor de kwestieuze feiten strafrechtelijk werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan zes maanden.
  22. De paragrafen 56 en 95 van het tuchtreglement, waarvan de verzoeker de schending aanvoert, luiden te dezen als volgt: “
  23. Op naamloze of ongeloofwaardige klachten betreffende feiten van particuliere aard, waarover ze ook mogen gaan, wordt in geen geval ingegaan. Verder laat de Maatschappij zich niet in met twisten die geen verband houden met de dienst en die zich, voor zaken van particuliere aard waarin ze niet betrokken is, voordoen onder haar bedienden of tussen haar bedienden en derde personen. De met het onderzoek belaste ambtenaars moeten er zich toe beperken alleen die feiten na te gaan welke een administratieve maatregel, hetzij een tuchtmaatregel hetzij een andere maatregel kunnen rechtvaardigen. Ze mogen geen middelen aanwenden die als overdreven streng zouden kunnen bestempeld worden en moeten in hun verslagen alle toespeling op feiten van vertrouwelijke, familiale, wijsgerige aard enz. vermijden.” “
  24. De Maatschappij treedt niet op, wanneer een bediende veroordeeld wordt wegens een feit dat geen verband houdt met de dienst en geen tuchtstraf rechtvaardigt, tenzij de begane fout of de opgelegde veroordeling het aanzien van de Maatschappij of het gezag dat de bediende bij de uitoefening van zijn functie nodig heeft, zou kunnen schaden; in dat geval beoogt de Maatschappij met haar optreden enkel de vrijwaring van de belangen van de dienst of van de tucht door middel van passende maatregelen, zoals verplaatsing bij ordemaatregel of onttrekking van bediening.”
  25. De paragrafen 77 en 94 van het tuchtreglement waarop de verwerende partij zich beroept, luiden als volgt: “
  26. Elke onkiese daad, elke diefstal geeft -onverminderd gerechtelijke vervolgingen- aanleiding tot een voorstel tot afzetting van de schuldige bediende en eventueel, van zijn medeplichtige of medeplichtigen zonder dat er rekening gehouden wordt met enige familieaangelegenheden, bewezen diensten, dienstanciënniteit enz.” “
  27. De tuchtstrafvordering wordt ingesteld onverminderd de burgerrech- telijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid van de bediende. Behalve als de feiten waarop de tuchtstrafvordering gesteund is niet bewezen worden geacht door de rechtsmacht die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, behoudt de Maatschappij het recht om de bediende tuchtmaatre- gelen op te leggen, ongeacht de burgerlijke of de strafrechtelijke vordering. Gerechtelijke veroordelingen uitgesproken uit hoofde van feiten die de eer aantasten, kunnen aanleiding geven tot het toepassen van een der bij onderhavig reglement vastgestelde tuchtstraffen. Wordt bij een dergelijke IX-5802-8/16 veroordeling meer dan zes maanden gevangenisstraf opgelegd, dan wordt er een voorstel tot afzetting ingediend.”
  28. In zijn arrest nr. 57.456 van 10 januari 1996 over een zaak waarbij eveneens een personeelslid van de NMBS tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd voor feiten die zich binnen de privé-sfeer hadden voorgedaan en waarvoor de betrokkene strafrechtelijk was veroordeeld, overwoog de Raad van State met betrekking tot de artikelen 94 en 95 van het tuchtstatuut: “2.1.3.
  29. [...] dat paragraaf 94 van het tuchtstatuut -dat samen met artikel 95 een rubriek D, ‘weerslag van de rechterlijke beslissingen’ vormt- blijkbaar een leidraad biedt ter beoordeling van de ernst op tuchtrechtelijk gebied van feiten welke tot strafvervolging aanleiding hebben gegeven; dat zijn derde lid als regel stelt dat veroordelingen voor feiten die de eer aantasten aanleiding kunnen geven tot tuchtsancties en dat, wanneer de veroordeling een gevangenisstraf van meer dan zes maanden oplegt als tuchtsanctie de afzetting wordt voorgesteld; dat paragraaf 95 blijkbaar een beperking inhoudt op paragraaf 94 in die zin dat na een gerechtelijke veroordeling een tuchtvordering -inzonderheid leidende tot de afzetting- alleen kan worden ingesteld indien een bediende veroordeeld wordt voor feiten die verband houden met de dienst en die een tuchtstraf rechtvaardigen; dat die paragraaf immers vervolgt met de bepaling dat veroordelingen welke enkel het aanzien van de maatschappij of het gezag van de bediende bij de uitoefening van zijn functie aantasten slechts aanleiding kunnen geven tot niet-disciplinaire ‘passende maatregelen’; dat de hele vraag hierbij is of ‘gerechtelijke veroordelingen uitgesproken uit hoofde van feiten die de eer aantasten’ in paragraaf 94 zonder meer kunnen worden beschouwd als feiten die ‘verband houden met de dienst en die een tuchtstraf rechtvaardigen’ in paragraaf 95; dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord; dat de tuchtoverheid concreet moet appreciëren of de feiten waarvoor de bediende werd veroordeeld als dusdanig feiten zijn die de eer aantasten, en wel begrepen als de eer van de ambtenaar, niet die van de persoon van de veroordeelde betreffende; dat zulks een appreciatie in concreto vereist die verder gaat dan louter verwijzen naar de gangbare gedragsnormen die een openbaar ambtenaar in het algemeen moet nakomen; dat zij belang moet hechten aan gegevens als de plaats die de betrokken ambtenaar in de ambtelijke hiërarchie bekleedt, als de mate waarin zijn ambt of hijzelf naar buiten uit gekend zijn, als de mate waarin hij contact heeft met het publiek, als de plaats en het tijdstip waarop hij de feiten heeft gepleegd, als de min of meer nauwe band die de gepleegde feiten met het ambt vertonen of het ontbreken van iedere band van die aard.”
  30. De Raad van State bevestigt de voormelde overwegingen voor de voorliggende zaak. De verzoeker wordt door de bestreden beslissing tuchtrechtelijk gesanctioneerd onder meer voor de feiten die aanleiding hebben gegeven tot zijn strafrechtelijke veroordeling bij vonnis van de Correctionele rechtbank te Antwerpen van 23 april
  31. Het betreft feiten die zich binnen de privé-sfeer IX-5802-9/16 hebben voorgedaan. De enkele omstandigheid dat deze feiten “eeraantastend” zouden zijn, zoals de verwerende partij beweert, volstaat op zich niet om het opleggen van een tuchtstraf te verantwoorden, nu “gerechtelijke veroordelingen uitgesproken uit hoofde van feiten die de eer aantasten”, zoals bedoeld in paragraaf 94 van het tuchtreglement, niet zonder meer kunnen worden beschouwd als feiten die “verband houden met de dienst en die een tuchtstraf rechtvaardigen”, zoals bedoeld in paragraaf 95 van het tuchtreglement. Uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt dat de tuchtoverheid de vereiste appreciatie in concreto zou hebben gemaakt, waarvan sprake in het genoemde arrest. Bovendien is het geenszins evident dat de aan de verzoeker verweten feiten die zuiver tot de privé- sfeer behoren en op geen enkele manier een band vertonen met zijn functie, een weerslag kunnen hebben op de dienst of de waardigheid van het ambt dat door de verzoeker bij de NMBS wordt uitgeoefend, namelijk een ambt van hiërarchisch ondergeschikte aard dat geen contacten met het publiek met zich brengt, in het gedrang kunnen brengen.
  32. Voorts dient te worden vastgesteld dat ook het beroep op het begrip “onkiese daden” en de bepaling van paragraaf 77 van het tuchtreglement niet volstaat om de tuchtmaatregel te rechtvaardigen. De desbetreffende bepaling, die betrekking heeft op de strafmaat, kan uiteraard alleen maar gelden voor feiten die als tuchtfeiten kunnen worden beschouwd. Uit hetgeen hiervóór werd gesteld, blijkt dat juist die kwalificatie te dezen niet op een regelmatige wijze werd toegekend aan de feiten waarvoor de verzoeker op 23 april 2001 strafrechtelijk werd veroordeeld.
  33. Het tweede middel is dan ook gegrond. B. Vierde middel Standpunt van de partijen
  34. De verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van de redelijke termijn, van de rechten van de verdediging en van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeker betoogt dat de feiten die hebben geleid tot de veroordeling van 8 mei 2002 en regelmatig in aanmerking konden worden genomen om er een tuchtstraf op te gronden, dateren van het jaar
  35. IX-5802-10/16 Hij stelt dat de verwerende partij in de bestreden beslissing ten onrechte verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 22 september 2005, om haar stelling te onderbouwen dat de redelijke termijn niet werd overschreden. Het Hof van Cassatie oordeelde in het bedoelde arrest immers slechts dat het aangevoerde cassatiemiddel onvoldoende feitelijke grondslag had. Het sprak zich niet uit over de vraag of de redelijke termijn bij de behandeling van een tuchtdossier, wanneer op grond van de tuchtrechtelijk verweten feiten ook een strafprocedure wordt gevoerd, slechts een aanvang neemt vanaf het ogenblik dat de tuchtoverheid kennis krijgt van het strafvonnis. De verzoeker laat gelden dat de zaak te dezen niet dermate complex was, dat een verloop van vijf tot zes jaar tussen de feiten en de sanctie gerechtvaardigd zou zijn. Integendeel blijkt uit het dossier dat het verslag met betrekking tot de feiten van diefstal en valsheid in geschrifte uit 2000 reeds op 6 maart 2001 kon worden opgesteld en overgemaakt aan de verwerende partij. Op dat ogenblik was het onderzoek van de feiten reeds afgerond. De verwijzing in de bestreden beslissing naar stuk 52 van het tuchtdossier, waaruit zou moeten worden afgeleid dat de tuchtoverheid pas op 23 oktober 2006 kennis heeft genomen van de feiten van diefstal en valsheid in geschrifte, is strijdig met het dossier en meer bepaald met het voormelde verslag van 6 maart
  36. De omstandigheid dat de dienst Human Ressources pas later kennis zou hebben gekregen van de feiten, wat geenszins door het tuchtdossier wordt bewezen, kan bezwaarlijk in het nadeel van de verzoeker worden gebruikt. Zulks is immers te wijten aan een gebrek aan communicatie tussen de verschillende diensten van de verwerende partij. Dergelijke onzorgvuldigheid in hoofde van de tuchtoverheid leidt precies tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn heeft het directiecomité volgens de verzoeker zijn bevoegdheid verloren om hem nog een tuchtsanctie op te leggen.
  37. De verwerende partij antwoordt dat artikel 7 van hoofdstuk XIV van het statuut van het personeel voorschrijft dat de uitspraak over de tuchtvordering wordt uitgesteld tot na het afsluiten van de strafrechtelijke vervolging. Zij verwijst naar rechtspraak van zowel het Hof van Cassatie als de Raad van State om vervolgens te argumenteren dat, indien een bepaling uitdrukkelijk erin voorziet dat de tuchtprocedure wordt geschorst door een IX-5802-11/16 strafrechtelijk onderzoek, de overheid de tuchtprocedure niet kan vervolgen vóór het einde van de strafrechtelijke procedure. In een dergelijk geval moet voor de appreciatie van de redelijke termijn de duur van de strafprocedure buiten beschouwing worden gelaten en de datum waarop de tuchtoverheid kennis heeft gekregen van de strafrechtelijke uitspraak als vertrekpunt van die termijn in aanmerking worden genomen. De verwerende partij stelt dat zij, overeenkomstig artikel 7 van hoofdstuk XIV van het statuut van het personeel, de in kracht van gewijsde gegane vonnissen heeft afgewacht. Volgens haar wordt, in tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, in de bestreden beslissing niet gesteld dat de tuchtoverheid slechts op 23 oktober 2006 kennis zou hebben genomen van de feiten van diefstal en valsheid in geschrifte. De feiten waren haar al veel vroeger bekend, maar de rol van de verzoeker daarin was nog niet duidelijk. De verwerende partij voert aan zorgvuldig te zijn opgetreden door te wachten tot zij met zekerheid kon oordelen over de rol van de verzoeker in de feiten. Als er al sprake zou zijn van vertraging, dan is deze volgens de verwerende partij te wijten aan de omstandigheid dat de verzoeker haar niet op de hoogte heeft gebracht van de twee strafrechtelijke veroordelingen die hij heeft opgelopen, terwijl hij krachtens artikel 90 van het tuchtreglement daartoe verplicht was. De verwerende partij voegt daaraan toe dat de verzoeker te kwader trouw heeft gehandeld met betrekking tot het verstekvonnis van 8 mei 2002, doordat hij in de dagvaarding van verzet beweert dat hij slechts op 14 november 2007 middels de ontvangst van een kopie van het tuchtdossier kennis heeft gekregen van de betekening van het vonnis, terwijl hij onmiskenbaar reeds vanaf het voorstel tot afzetting d.d. 23 november 2006, dat onder meer op die veroordeling was gebaseerd, kennis had van het kwestieuze vonnis. Volgens de verwerende partij heeft de verzoeker aldus het principe van behoorlijk burgerschap geschonden. De verwerende partij verbaast zich erover dat de verzoeker de schending van de redelijke termijn inroept, terwijl hij zelf geen enkele inspanning deed, noch om het resultaat van de strafrechtelijke procedure te kennen, noch om het vervolgen van de tuchtprocedure mogelijk te maken. De verwerende partij stelt ten slotte dat het tegenstrijdig is vanwege de verzoeker om enerzijds te stellen dat het vonnis van 8 mei 2002 nog IX-5802-12/16 niet definitief is en anderzijds voor te houden dat de redelijke termijn werd overschreden.
  38. De verzoeker repliceert dat de verwerende partij ten laatste op 5 augustus 2004 kennis had van het vonnis van 8 mei 2002, zodat de aanvang van de tuchtrechtelijke vervolging in november 2006 een overschrijding van de redelijke termijn uitmaakte. De verzoeker stelt dat de verwerende partij zelf te kwader trouw is, waar zij aanvoert dat de correctionele rechtbank zijn verzet ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Volgens de verzoeker ligt geen enkel bewijs voor van het feit dat hij bewust zou hebben nagelaten zijn chefs te informeren over de door hem opgelopen veroordelingen. Integendeel was de verzoeker er niet van op de hoogte dat tegen hem een tuchtprocedure liep. De verzoeker voert ten slotte aan dat, indien de rechtspraak zo is gevestigd dat bij de beoordeling van de redelijke termijn ook rekening moet worden gehouden met de houding van de betrokkene zelf, het toch niet de bedoeling van deze rechtspraak kan zijn dat een personeelslid zichzelf blootstelt aan tuchtrechtelijke vervolgingen door mee te delen dat hij correctioneel is veroordeeld en dat, indien hij nalaat dit te doen, hij niet langer de overschrijding van de redelijke termijn zou kunnen inroepen. Beoordeling
  39. Het is een beginsel van behoorlijk bestuur dat de tuchtoverheid verplicht is om de tuchtvordering tegen een personeelslid binnen een redelijke termijn aan te vatten en vervolgens af te handelen. Indien feiten aanleiding kunnen geven tot het opleggen van een tuchtsanctie dan begint de redelijke termijn in beginsel te lopen vanaf het ogenblik dat de tuchtoverheid kennis krijgt van die feiten. Rekening houdend evenwel met de noodzaak om tuchtvervolgingen op grond van lichtvaardig geuite beschuldigingen te vermijden, wordt aangenomen dat de redelijke termijn slechts IX-5802-13/16 aanvangt vanaf het ogenblik dat de overheid over voldoende nauwkeurige, bewijskrachtige gegevens beschikt.
  40. De verzoeker wordt tuchtrechtelijk gestraft voor feiten die zich hebben voorgedaan in 1999 en in 2000 en waarvoor hij strafrechtelijk werd veroordeeld, respectievelijk bij vonnis van 23 april 2001 en vonnis van 8 mei
  41. Zoals uit de beoordeling van het tweede middel is gebleken, betreffen de feiten die hebben geleid tot de strafrechtelijke veroordeling van de verzoeker op 23 april 2001, feiten uit het privé-leven van de verzoeker, waarvan niet blijkt dat de verwerende partij heeft beoordeeld of ze de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen of een weerslag hebben op de dienst. Deze feiten konden derhalve hoe dan ook niet regelmatig als tuchtfeiten in aanmerking worden genomen, zodat het niet dienstig is te onderzoeken of de verwerende partij bij de tuchtrechtelijke bestraffing van deze feiten het beginsel van de redelijke termijn in acht heeft genomen. Wat de feiten betreft die hebben geleid tot de strafrechtelijke veroordeling van de verzoeker bij vonnis van 8 mei 2002, moet worden vastgesteld dat dit vonnis ten laatste in augustus 2004 aan de verwerende partij werd meegedeeld. Vanaf dan was de verwerende partij derhalve op de hoogte van de feiten waarvoor de verzoeker was veroordeeld. Zij heeft evenwel gedurende twee jaar geen enkel tuchtrechtelijk gevolg gegeven aan deze veroordeling. Uit het administratief dossier blijkt dat met het advies van 6 oktober 2006 van de juridische dienst aan de dienst Human Ressources, waarin de kracht van gewijsde van het verstekvonnis van 8 mei 2002 werd toegelicht, voor het eerst aandacht werd besteed aan de strafrechtelijke veroordeling van de verzoeker. Voorts blijkt uit het administratief dossier dat de verwerende partij reeds in de loop van het jaar 2000 een intern onderzoek heeft gevoerd aangaande de feiten uit 2000 die hebben geleid tot de veroordeling bij vonnis van 8 mei
  42. Aan het eind van dit onderzoek werd een eindverslag opgesteld waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Dhr. Laisnez Marc geeft toe medeplichtig te zijn bij de ontvreemding van de fiets. Hij bekende ook twee GSM’s uit de dienst ‘gevonden voorwerpen’ te hebben meegenomen, één door middel van valsheid in geschriften en het betalen van de administratiekosten van 100,-BEF, en één die hij gratis kreeg IX-5802-14/16 van dhr. W. De gratis verkregen GSM gaf hij nadien terug door aan een collega van Antwerpen-Schijnpoort, de genaamde H.” De verwerende partij kan dan ook niet ernstig voorhouden niet voldoende op de hoogte te zijn geweest van de rol van de verzoeker in de feiten.
  43. Artikel 7, tweede lid, van Hoofdstuk XIV van het statuut van het personeel luidt als volgt: “Indien in de loop van een tuchtstrafvordering tegen het personeelslid uit hoofde van dezelfde feiten een strafrechtelijk onderzoek wordt geopend, wordt de tuchtstrafuitspraak uitgesteld tot na het sluiten van de strafrechtelijke vervolging, tenzij er wegens de belangen van de NMBS-Groep niet kan geduld worden dat het personeelslid in zijn betrekking blijft.” In het statuut van het NMBS-personeel wordt geen vervaltermijn bepaald voor het instellen van de tuchtprocedure. Bijgevolg dient de tuchtprocedure te worden ingesteld binnen een redelijke termijn. Hoewel de tuchtoverheid gelet op de hiervóór vermelde statutaire bepaling de afhandeling van de strafrechtelijke procedure moest afwachten en dus de tuchtprocedure niet kon opstarten zolang er geen in kracht van gewijsde gegaan eindvonnis was, moet worden vastgesteld dat de verwerende partij reeds in augustus 2004 op de hoogte was van het strafvonnis waarin de feiten als bewezen werden beschouwd. Dit blijkt uit het feit dat de juridische dienst van de NMBS op 5 augustus 2004 aan de dienst Human Ressources meedeelde dat hij een vonnis van 8 mei 2002 met betrekking tot de verzoeker had ontvangen. Het is dan ook geheel ten onrechte dat het directiecomité in de bestreden beslissing stelt dat uit stuk 52 van het tuchtdossier moet worden afgeleid dat de tuchtoverheid pas op 23 oktober 2006 kennis heeft genomen van de feiten van diefstal en valsheid in geschrifte. Dat stuk betreft het juridische advies dat door de juridische dienst op 6 oktober 2006 werd gegeven aan de dienst Human Ressources over de gevolgen, wat de kracht van het gewijsde betreft, van het feit dat het vonnis van 8 mei 2002 bij verstek was gewezen. In dat advies werd aangenomen dat het desbetreffende vonnis kracht van gewijsde had verkregen bij het verstrijken van de gewone termijn voor verzet. Er valt niet in te zien waarom de verwerende partij, die blijkbaar van mening is dat de feiten zeer zwaar zijn, aangezien zij er de zwaarste sanctie voor oplegt, niettemin gedurende méér dan twee jaar geen enkele handeling heeft gesteld met het oog op het instellen van een tuchtvordering. Gedurende deze periode heeft zij zelfs niet de moeite genomen om bij de rechtbank te informeren naar het verzet. Dit stilzitten is des te IX-5802-15/16 meer onaanvaardbaar gelet op het gegeven dat de verwerende partij op 6 maart 2001, na het intern onderzoek naar de feiten die tot deze veroordeling hebben geleid, ervan op de hoogte was dat de verzoeker de feiten had begaan, nu hij deze in het kader van dat onderzoek had bekend. Bijgevolg moet worden besloten dat ten aanzien van de feiten die hebben geleid tot de strafrechtelijke veroordeling van de verzoeker bij vonnis van 8 mei 2002, de redelijke termijn voor het instellen van een tuchtprocedure niet werd in acht genomen.
  44. Het vierde middel is in zoverre eveneens gegrond. BESLISSING
  45. De Raad van State vernietigt de beslissing van het directiecomité van de NMBS-Holding van 8 oktober 2007 waarbij Marc Laisnez wordt afgezet uit zijn functie van rangeerder.
  46. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5802-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.577 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.