id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.581 Rolnummer: A. 90370/IX-2283 Zaak: Arrest 203581 - Tucht (openbaar ambt) - 03/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-06 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 203.581 van 3 mei 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.581 van 3 mei 2010 in de zaak A. 90.370/IX-2283 In zake: Dirk ROMMEL vertegenwoordigd door zijn voorlopig bewindvoerder Johan De Nolf bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Freddy Landuyt kantoor houdend te Beernem Bloemendalestraat 147 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV BELGACOM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Luk De Schrijver en Dany Cornelis kantoor houdend te De Pinte-Zevergem Pont-Noord 15A bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 oktober 2004, strekt tot de herziening van het arrest nr. 130.308 van 19 april 2004 van de Raad van State waarbij de debatten in de zaak A. 90.370/IX-2283 worden heropend en het door de auditeur- generaal aangestelde lid van het auditoraat ermee wordt belast het onderzoek van de zaak volledig af te doen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoeker ter kennis werd gebracht op 28 juli
- Op 19 oktober 2005 heeft de hoofdgriffier aan de verzoeker en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtsple- IX-2283-1/4 ging voor de afdeling administratie (thans: de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State. Met een brief van 24 oktober 2005 heeft de verzoeker gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 maart
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Freddy Landuyt, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Luk De Schrijver, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Beoordeling
- Luidens artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijnen voor het toesturen van de memorie van wederantwoord of van de aanvullende memorie niet eerbiedigt. Bij het versturen aan de verzoeker van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier te dezen melding gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De verzoeker heeft geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd. In de kennisgeving aan de verzoeker, op grond van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is meegedeeld dat de kamer uitspraak zou doen onder aanvoering van het ontbreken IX-2283-2/4 van het vereiste belang, tenzij één van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. De verzoeker heeft gevraagd om te worden gehoord.
- Ter terechtzitting voert de raadsman van de verzoeker aan dat zijn cliënt omwille van zijn medische toestand inmiddels een voorlopige bewindvoerder kreeg toegewezen en geen kennis had van het feit dat op 28 juli 2005 een memorie van antwoord naar zijn toenmalige raadsman was gestuurd met de uitnodiging om binnen een eenmalige niet-verlengbare termijn van zestig dagen een memorie van wederantwoord aan de griffie van de Raad van State toe te sturen. De raadsman voegt hieraan toe dat hij vanwege de confrater die vóór hem de verzoeker heeft vertegenwoordigd en bijgestaan, niet heeft vernomen om welke redenen geen memorie van wederantwoord werd ingediend.
- De verwerende partij repliceert ter terechtzitting dat de verzoeker niet aantoont dat omstandigheden die overmacht uitmaken, hem hebben verhinderd tijdig een memorie van wederantwoord in te dienen.
- De Raad van State stelt vast dat de hoofdgriffier op 28 juli 2005 op een regelmatige wijze aan de verzoeker, die toen woonplaats koos bij zijn toenmalige raadsman B. L., een afschrift heeft gezonden van de memorie van antwoord en de verzoeker daarbij erop heeft gewezen dat hij over een eenmalige niet-verlengbare termijn van zestig dagen beschikte om een memorie van wederantwoord aan de griffie toe te sturen. De hoofdgriffier heeft de aandacht ook gevestigd op de bepalingen van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State. De verzoeker diende dienvolgens uiterlijk op 26 september 2005 een memorie van wederantwoord ter post aangetekend naar de Raad van State te versturen. Hij heeft dat evenwel niet gedaan. De Raad van State valt het standpunt van de verwerende partij bij dat de verzoeker geen omstandigheden van overmacht aanvoert die kunnen verklaren waarom binnen de voorgeschreven termijn geen memorie van wederant- IX-2283-3/4 woord werd ingediend. De verzoeker was toentertijd in het geding vertegenwoor- digd door een raadsman op wiens adres hij woonplaatskeuze had gedaan. Uit niets blijkt dat deze raadsman in de onmogelijkheid zou zijn geweest om namens de verzoeker een memorie van wederantwoord in te dienen. Derhalve is er aanleiding om overeenkomstig artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vast te stellen dat het vereiste belang om de gevorderde herziening te verkrijgen, ontbreekt. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep tot herziening.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot herziening, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-2283-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.581 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.308 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.123 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.