← België

Arrest 203615 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.615 Rolnummer: A. 182337/X-13244 Zaak: Arrest 203615 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:41 Fiche Arrest nr 203.615 van 4 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 203.615 van 4 mei 2010 in de zaak A. 182.337/X-13.

  1. In zake: Philippe VANDE CASTEELE wonende te 2900 SCHOTEN Klamperdreef 7 tegen: de gemeente SCHOTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mark Ballon kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Britselei 39 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Bruno VAN MARCKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 SINT-NIKLAAS Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Guy Vanhoucke kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Anselmostraat 2 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 6 april 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 19 december 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten waarbij aan Bruno VAN MARCKE de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor “bijkomende ontbossing en heraanplanting terrein” op een perceel gelegen te Schoten, Kievitdreef 5, kadastraal bekend sectie A, nr. 95/k. X-13.244-1/11 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 5 juli
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De tussenkomende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart
  5. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daan Lermont, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Matthias Hertegonne, die loco advocaat Marc Ballon verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Corinne Lison, die loco advocaten Erika Rentmeesters en Guy Vanhoucke verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Wouter De Cock, daartoe gemachtigd bij beslissing van 1 september 2009 van de adjunct-auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Rechtspleging 3.
  7. In zoverre de verzoeker vraagt de zaak te voegen met de zaak gekend onder het rolnummer A. 175.129/X-12.953 dient te worden vastgesteld dat X-13.244-2/11 bij arrest nr. 199.784 van 21 januari 2010 reeds uitspraak werd gedaan over het betrokken beroep. 3.
  8. In zoverre de verzoeker vraagt de zaak te voegen met de zaak gekend onder het rolnummer A. 182.336/X-13.243 waarbij de verzoeker de nietigverklaring vordert van het besluit van 21 november 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten waarbij aan Bruno VAN MARCKE de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een vrijstaande woning op hetzelfde perceel dient te worden vastgesteld dat de beide zaken niet dermate verkocht zijn dat voor de oplossing van de beide beroepen een samenvoeging ervan noodzakelijk is. IV. Feiten 4.
  9. Op 1 juli 2005 (datum van het ontvangstbewijs) dient Bruno VAN MARCKE bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een vrijstaande woning op een perceel gelegen te Schoten, Kievitdreef 5, kadastraal bekend sectie A, nr. 95/k. 4.
  10. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen gelegen, deels in woonpark en deels in bosgebied. Het maakt tevens deel uit van een op 10 november 1987 vergunde verkaveling. Met betrekking tot dit perceel wordt op het verkavelingsplan nog het volgende vermeld: “De loten A en B vormen samen één perceel. Het gedeelte A is gelegen in woonparkzone waarop de bijgevoegde voorschriften van toepassing zijn, en het gedeelte B is gelegen in de boszone, waarin geen constructies mogen worden opgericht”. 4.
  11. In de beschrijvende nota die bij de aanvraag is gevoegd wordt gesteld wat volgt: “Het betreft hier een bouwaanvraag voor bouwen van een vrijstaande eengezinswoning gelegen binnen een woonparkgebied en verkaveling lot 1 en niet gelegen binnen BPA. X-13.244-3/11 Het betreft hier een aanvraag op een ruim perceel waarbij binnen de richtlijnen van de verkaveling wordt gebleven (materiaalgebruik, inplanting tov. perceelsgrenzen, kroonlijst, etc...) De voorste zone die gelegen is binnen woonpark wordt volledig ontbost in functie van de nieuwbouw en de hierbij aan te leggen tuin. Op het overige terrein, gelegen binnen bosgebied, wordt het bestaande bos uitgedund zoals aangegeven op de plannen. Het geplande bouwwerk sluit naar ons gevoel aan bij de bebouwde omgeving”. Wat de ontbossing betreft, wordt op het inplantingsplan nog het volgende vermeld: “Nota ontbossing: boszone: te behouden bos: 2004,4m² uit te dunnen bos: 2639,2m² bouwzone: te kappen bos: 2452,0m²”. 4.
  12. Het voorwaardelijk gunstig advies van de Afdeling Bos en Groen van 12 augustus 2005 luidt als volgt: “In 2003 werd voor dit perceel reeds een compensatie goedgekeurd en een bouwvergunning afgeleverd (...). De aanvrager van toen, de NV Brickx, deed later afstand van de vergunning, om het perceel te verkopen. Daardoor is ook het compensatiedossier van toen, (...), afgesloten zonder betaling van de bosbehoudsbijdrage. Thans doet de nieuwe eigenaar een nieuwe bouwaanvraag, met een nieuw compensatievoorstel. Volgens het inplantingsplan wil hij de voorste 50 meter op het perceel helemaal ontbossen (2452 m²) en daarachter, in een zone van 2639 m², nagenoeg alle bomen kappen, zodat er slechts 2004 m² bos zal blijven staan. De middelste zone van 2639 m² kan in deze omstandigheden onmogelijk bos blijven in de zin zoals bepaald in art. 3 van het Bosdecreet. Deze zone zal aangelegd worden als een tuin met enkele bomen. Aangezien een tuin geen bos is, dient ook deze zone gecompenseerd te worden. De te compenseren oppervlakte is dus 2452 m² + 2639 m² = 5091 m². (...) Op voorwaarde van een correcte compensatie is mijn advies gunstig voor de bouwaanvraag en voor de voorziene kappingen in de te compenseren 5091 m². Zodra de stedenbouwkundige vergunning is afgeleverd, valt deze oppervlakte niet meer onder de toepassing van het Bosdecreet. De resterende bosoppervlakte (2004 m² zoals aangeduid op het inplantingsplan) dient bewaard te blijven als bos. Het Bosdecreet blijft er van toepassing. Kappingen kunnen in deze zone maar uitgevoerd worden mits machtiging van het Bosbeheer (Afdeling Bos & Groen). Het is niet toegelaten in deze zone constructies op te richten of ingrijpende wijzigingen van de bodem, de strooisel-, de kruid-, of de boomlaag uit te voeren, wat o.m. ook betekent dat er daar geen tuin kan aangelegd worden. Als men later nog een bijkomende oppervlakte wil ontbossen, b.v. voor tuinaanleg, kan dit enkel mits een bouwvergunning, met compensatie voor de ontbossing en na advies van het Bosbeheer”. X-13.244-4/11 4.
  13. Bij besluit van 23 augustus 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. Dit besluit werd ingetrokken bij besluit van 28 april
  14. 4.
  15. Op 28 juni 2006 wordt de staking van de werken bevolen wegens ontbossing van het bouwperceel in strijd met de verleende stedenbouwkundige vergunning. In het proces-verbaal wordt vermeld dat het perceel is opgedeeld in twee delen: “Het voorste gedeelte aan de straatzijde is woonparkgebied en heeft een diepte van 57 meter. Het tweede gedeelte is bosgebied en heeft een diepte van 97 meter. De illegale kapping gebeurde in bosgebied”. Het stakingsbevel wordt op 7 juli 2006 bekrachtigd door de stedenbouwkundig inspecteur. 4.
  16. Met een brief van 25 juli 2006 deelt het gemeentebestuur van Schoten aan Bruno VAN MARCKE mee wat volgt: “Naar aanleiding van het proces-verbaal van 29 juni 2006 waarbij op uw perceel een illegale ontbossing werd vastgesteld en waarbij de werken werden stilgelegd dienen wij u te vragen naar uw intenties in di(t) dossier. Indien u opteert voor de regularisatie van de ontbossing dienen wij uiterlijk op 31 augustus 2006 in het bezit te zijn van een regularisatiedossier. Indien u zou opteren voor de heraanplanting van de 2.158 m² teveel gekapte bos dient u dit eveneens te melden binnen dezelfde tijdperiode”. 4.
  17. Daarop dient Bruno VAN MARCKE op 25 september 2006 (datum van het ontvangstbewijs) een nieuwe aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning op hetzelfde perceel. Deze aanvraag verschilt van de eerdere vergunningsaanvraag, waarvoor op 23 augustus 2005 de inmiddels ingetrokken stedenbouwkundige vergunning werd verleend, onder meer wat de totale bebouwde oppervlakte, het volume en het uitzicht van de woning betreft. In de beschrijvende nota die bij de aanvraag is gevoegd, wordt, voor wat de ontbossing betreft, verwezen naar “een afzonderlijk ingediende bijkomende kapvergunning met nieuwe aanplantingen”. X-13.244-5/11 4.
  18. Bij het in de voormelde zaak nr. A. 182.336/X-13.243 bestreden besluit van 21 november 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. Met betrekking tot het rooien van bomen in functie van het oprichten van de woning, wordt in het beschikkend gedeelte van dit besluit het volgende vermeld: “Bij deze stedenbouwkundige vergunning is de kapvergunning begrepen voor de zone van de oprit en de woning volgens aangehecht plan van de vergunning. Alle andere kapvergunningen dienen bij de milieudienst aangevraagd te worden”. 4.
  19. Op 25 september 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient Bruno VAN MARCKE bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van “bijkomende ontbossing en heraanplanting terrein”. In functie van de laatst vermelde vergunningsaanvraag wordt het advies gevraagd van het Agentschap voor Natuur en Bos, evenals aan het agentschap RO-Vlaanderen, cel Onroerend erfgoed. Door beide wordt een gunstig advies verleend. 4.
  20. Bij het thans bestreden besluit van 19 december 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning voor “bijkomende ontbossing en heraanplanting terrein”. V. Ontvankelijkheid 5.
  21. De tussenkomende partij werpt met betrekking tot de betaling van het zegelrecht, op wat volgt: “In toepassing van artikel 71 van de algemene procedureregels eist de Raad van State dat het bewijs van de betaling van het zegelrecht een origineel bewijs van storting moet zijn, dat de handtekening draagt van de verantwoordelijke van de financiële instelling. Uit nazicht van het dossier op de griffie is gebleken dat aan het originele verzoekschrift geen origineel bewijs van storting hangt, dat door de verantwoordelijke van de financiële instelling getekend is. Verzoekende partij heeft enkel een kopij van een uitprint van de bank - waarop uitdrukkelijk vermeld staat dat dit geen enkele bewijswaarde heeft - en een kopij van een bankuittreksel bijgevoegd. Dit voldoet geenszins aan de vereiste die uitdrukkelijk gesteld wordt, zodat het verzoekschrift onontvankelijk is”. X-13.244-6/11 5.
  22. Artikel 71 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State luidde, alvorens het met ingang van 11 augustus 2007 werd opgeheven, op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring als volgt: “De rechten bepaald in voorgaand artikel worden betaald, hetzij, via elektronische betaalmiddelen op het ogenblik van neerlegging van het origineel verzoekschrift of de originele vordering tot schorsing of de vordering tot voortzetting van de procedure bepaald in artikel 70, § 2, tweede lid, hetzij, via voorafgaandelijke storting of overschrijving op de rekening van het zesde registratiekantoor van Brussel. Een gedateerd betalingsbewijs dient aan de vordering of het verzoekschrift te worden toegevoegd. Andere betalingsmodaliteiten kunnen worden voorzien door de bevoegde Minister of de bevoegde overheidsdienst. Wanneer in de vordering tot schorsing de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, moet het recht verschuldigd bij artikel 70, § 1, 2, en § 2, eerste lid, betaald worden voordat de bevoegde kamer uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing. Het arrest dat, in de gevallen die bepaald worden in artikel 17, § 1, derde en vierde lid, van de gecoördineerde wetten, de voorlopige schorsing of de bevestiging daarvan weigert, doet uitspraak over de kosten van de schorsingsprocedure. In dit geval is de hoofdgriffier, overeenkomstig artikel 69, tweede lid, belast met de inning van het recht dat niet tijdig betaald zou zijn”. Uit het eerste lid van bovenstaande bepaling blijkt dat aan het verzoekschrift een “gedateerd betalingsbewijs” moet worden toegevoegd. Bij het verzoekschrift werden afschriften gevoegd van uittreksels waaruit blijkt dat op 3 april 2007 de opdracht werd gegeven het vereiste rolrecht van 175 euro te betalen, en dat op 5 april 2007 de opdracht werd uitgevoerd. Uit deze stukken blijkt dat de vereiste zegelrechten tijdig werden betaald. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het vierde middel Standpunt van de partijen 6.
  23. In een vierde middel voert de verzoeker onder meer aan wat volgt: “Middel 4(noch openbaar onderzoek noch advies gemachtigde ambtenaar, hoewel de verkavelingsvoorwaarden en de beperkte ontbossingsvereisten niet worden nageleefd) Machtsoverschrijding en onwettige motieven, evenals schending van substantiële vormvereisten (met name het openbaar onderzoek) en van het zorgvuldigheidsbeginsel (...) X-13.244-7/11 De 3de vergunning 2006-337 vertoont dezelfde afwijkingen ten aanzien van de verkavelingsvergunning: op het Inplantingsplan beloopt de ontbossing in de zones ‘voortuin’, ‘achtertuin’ en ‘parkzone’ meer dan 10 % van de globale perceelsoppervlakte. (...) Afwijking van verkavelingsvoorschrift, ontbreken van het advies van gemachtigde ambtenaar en schending van de artikelen 43 en 44 van het decreet van 22 oktober 1996 De Gemeente wint ook geen advies. van de gemachtigde ambtenaar in omdat de aanvraag gelegen is binnen een behoorlijk vergunde en niet-vervallen verkaveling. Deze verkavelingsvergunning

(1980)bepaalt nochtans onder meer (
  1. i)een bebouwde oppervlakte van 250 m², (
  2. ii)‘het bestaande’ op het ‘niet bebouwde gedeelte’ ‘moet bewaard worden’ en (iii) slechts 10 % van de perceelsoppervlakte mag ingenomen worden voor het aanleggen van grasperken, speelruimte. De 3de aanvraag 2006-337 is niet in overeenstemming met de verkavelingsvergunning, inzonderheid wat betreft de vereisten (
  3. ii)‘het bestaand (groen) moet bewaard worden’ en (iii) de 10 %-regel. Op zich maakt dit machtsoverschrijding uit: de ratio van de ‘korte procedure’, bepaald in artikel 44 van het coördinatiedecreet ruimtelijke ordening (DRO, 22 oktober 1996), is overigens dat de aanvraag a priori in overeenstemming moet zijn met het eventueel bijzonder van plan van aanleg en met de verkavelingsvergunning. Het advies van de gemachtigde ambtenaar had voorafgaandelijk beter kunnen, zoniet in casu moeten ingewonnen worden. De geëigende procedure was alleszins een nieuwe verkavelingsvergunning, wat zowel een openbaar onderzoek als een advies van de gemachtigde ambtenaar vereist. Er is hier oneigenlijk gebruik van de korte procedure”. 6.2. In haar memorie van antwoord gaat de verwerende partij niet in op dit onderdeel van het vierde middel. 6.3. De tussenkomende partij verwijst in haar verzoekschrift tot tussenkomst naar haar “weerlegging van het derde middel” waarin zij laat gelden wat volgt: “In tegenstelling tot hetgeen verzoekende partij beweert, is er überhaupt geen sprake van een tegenstrijdigheid tussen een ontbossing en de naleving van de 10 %-regel. Verzoekende partij gaat er zonder meer van uit dat een ontbossing betekent dat op die plaats een grasperk zal aangelegd worden. Alles wat ontbost wordt, wordt in de ogen van verzoekende partij gras. Aangezien meer ontbost mag worden dan 10 % van de perceelsoppervlakte zal er volgens verzoeker ook meer dan 10 % aan grasperken aangelegd worden. Het één volgt echter niet noodzakelijkerwijze uit het ander. De plannen tonen duidelijk aan dat slechts een beperkt deel van het perceel als ‘tuin’ wordt aangelegd, en dat voor de rest bomengroepen en solitaire bomen worden heraangeplant. De bestaande opgeschoten sparren worden dus vervangen door inheemse streekeigen soorten. Onder deze bomen komt geen grasperk, zoals verzoekende partij vreest, maar onderbegroeiing (een struik- en kruidlaag). Zelfs wanneer men het volledige perceel zou mogen ontbossen, komt men dus niet noodzakelijk in tegenspraak met de eis om maximaal 10 % van de X-13.244-8/11 perceelsoppervlakte in te nemen voor de aanleg van grasperken, speelruimten, en dergelijke meer. Van een interne tegenstrijdigheid is derhalve geen sprake. Tussenkomende partij is trouwens in ieder geval gebonden door de zogenaamde 10 %-regel, door het feit dat dit is opgenomen in de verkavelingsvoorschriften : werken uitvoeren die een inbreuk zijn op verkavelingsvergunningen, is volgens artikel 146, 7e DORO immers strafbaar. Verwerende partij heeft de naleving van dit voorschrift nog eens expliciet als voorwaarde in de stedenbouwkundige vergunning opgenomen. Indien tussenkomende partij in de praktijk de 10 %-norm toch zou overschrijden - zoals verzoekende partij ten onrechte vreest - is dit veeleer een probleem van handhaving. In dat geval handelt tussenkomende partij in strijd met de verkavelingsvoorschriften én komt hij de hem opgelegde vergunningsvoorwaarden niet na waarmee hij zich blootstelt aan strafrechtelijke vervolging en een veroordeling tot herstel in de vorm van aanpassingswerken. Het feit dat tussenkomende partij mogelijks haar vergunningsvoorwaarde niet zou nakomen (quod non) vormt echter geen argument om de vergunning te weigeren. Door de naleving van de 10 %-regel als voorwaarde op te leggen, creëert verwerende partij geen tegenstrijdigheid, maar benadrukt zij enkel de naleving van de steeds geldende dwingende verkavelingsvoorschriften. Het voorwerp van de vergunning maakt het in geen geval onmogelijk om dit voorschrift effectief na te leven”. 6.4. De verzoeker dupliceert dat er een oppervlakte van 5.091 m² aan ontbossing is, en dat de tussenkomende partij niets zegt over het feit dat de ontbossing aldus meer dan 500 m² bedraagt. 6.5. In haar laatste memorie verwijst de tussenkomende partij nog naar de voorwaarden waaronder de bestreden stedenbouwkundige vergunning is verleend, en stelt: “In de mate dat er dus onduidelijkheid zou zijn in de plannen van aanvraag over de naleving van het verkavelingsvoorschrift van de 10%-regel (waarbij de auditeur niet vaststelt dat de naleving onmogelijk is, hij meent enkel dat er twijfel bestaat of hij wel nageleefd zal worden), wordt deze onzekerheid dus volledig weggenomen door de uitdrukkelijke opgelegde voorwaarde van naleving van de 10%-regel. Hierdoor wordt de aangevraagde heraanplant goedgekeurd, mits deze zo wordt ingevuld dat de 10%-regel wordt nagekomen. De beoordeling van de 10%-regel werd dan ook wel degelijk in de beoordeling van de aanvraag betrokken, en de naleving ervan werd opgelegd. Gebeurt dit uiteindelijk niet, dan is dit louter en alleen een probleem van handhaving. Hieruit volgt noodzakelijkerwijze dat er geen sprake is van een afwijking van de verkavelingsvoorschriften zodat voor deze aanvraag geen voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar vereist was”. X-13.244-9/11 Beoordeling 6.6. De verzoeker voert aan dat de bestreden vergunning niet in overeenstemming is met de verkavelingsvergunning “inzonderheid wat betreft de vereisten (
  4. ii)het bestaand (groen) moet bewaard worden en (iii) de 10 %-regel”. 6.7. Artikel 2 van de verkavelingsvergunning bepaalt het volgende: “De percelen begrepen in deze verkaveling vallen binnen de grenzen van een woonpark. Dientengevolge moeten de bijgevoegde stedebouwkundige voorschriften als volgt worden aangevuld: 2.01 BEBOUWING Bebouwde oppervlakte maximum 250m², met inbegrip van eventueel afzonderlijke gebouwen. 2.02 WELSTAND VAN HET PERCEEL Het niet bebouwde gedeelte van het perceel moet aangelegd worden met hoogstammig groen, het bestaande moet bewaard worden. Het groen aanbrengen langs alle zijden van het perceel, min de nodige toegangen. Slechts 10 % van de perceelsoppervlakte mag ingenomen worden voor het aanleggen van grasperken, speelruimten e.d.”. De aanvraag beoogt de regularisatie van de zonder de vereiste vergunning uitgevoerde ontbossing én de heraanplanting van het terrein overeenkomstig de geldende verkavelingsvoorschriften. Op het bij de bestreden stedenbouwkundige vergunning gevoegde plan “nieuwe aanplanting” wordt evenwel, op twee solitaire bomen na, niet aangegeven waar en welk hoogstammig groen zal worden aangeplant, zodat ook niet concreet uit dat plan blijkt dat aan de in de verkavelingsvoorschriften opgelegde 10% regel is voldaan. Het standpunt van de tussenkomende partij dat een overtreding van de 10% regel een louter probleem van handhaving vormt, aangezien als voorwaarde van de vergunning wordt opgelegd dat aan deze regel dient te worden voldaan, kan niet worden bijgetreden. Uit de aanduidingen op het vergunde plan moet immers blijken dat de aanvraag voldoet aan de geldende stedenbouwkundige voorschriften. Dit is in casu niet het geval. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. X-13.244-10/11 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van 19 december 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten waarbij aan Bruno Van Marcke de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor “bijkomende ontbossing en heraanplanting terrein” op een perceel gelegen te Schoten, Kievitdreef 5, kadastraal bekend sectie A, nr. 95/k. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier mei 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.244-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.615 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.