id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.725 Rolnummer: A. 196209/XII-6171 Zaak: Arrest 203725 - Overheidsopdrachten - 06/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-07 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:42 Fiche Arrest nr 203.725 van 6 mei 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 203.725 van 6 mei 2010 in de zaak A. 196.209/XII-6171 In zake: Jozef PIRENNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Judo kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de REGIE DER GEBOUWEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 16 april 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de administrateur-generaal van de Regie der Gebouwen van 2 april 2010 houdende toewijzing van de bestellingsopdracht tot bijstand door een financieel- boekhoudkundig expert bij de analyse van schadeclaims van aannemers en het boekhoudkundig nazicht bij de aannemers ter plaatse (bijzonder bestek nr. 2009/2400/01 LD0990/393) - Perceel I”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 april 2010, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. XII-6171-1\12 Advocaat Frank Judo, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Stefaan Bleyenbergh, die loco advocaat Patrick Van Der Straeten verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verwerende partij schrijft een algemene offerteaanvraag uit voor een aanneming van diensten genaamd “Bestellingsopdracht tot bijstand door een financieel-boekhoudkundig expert bij de analyse van schadeclaims van aannemers en het boekhoudkundig nazicht bij de aannemers ter plaatse”. Deze opdracht wordt beheerst door het bijzonder bestek nr. 2009/2400/01 JD0990/393 en bestaat uit twee percelen: perceel 1 betreft de bijstand van de Regie der Gebouwen in Nederlandstalige dossiers; perceel 2 betreft de bijstand van de Regie der Gebouwen in Franstalige dossiers. Het is een opdracht volgens prijslijst op basis van een uurloon dat door de inschrijver wordt opgegeven (bestek, blz. 6, punt 4.4): “Deze aanneming is een opdracht volgens prijslijst op basis van een uurloon dat door de inschrijver wordt opgegeven. In deze prijs wordt geacht alles te zijn inbegrepen waaronder (niet limitatief opgesomd) honoraria, uurlonen personeel, verplaatsingen, vertalingen indien vereist overeenkomstig dit bestek, vergaderingen, dactylografie, algemene kosten en winst, enz... (zie ter zake artikel 67 AAV). De aanrekening van de opgegeven prijs gebeurt overeenkomstig hetgeen onder artikel A.4 artikel 15 § 1 (betalingen) wordt voorzien”. De gunningscriteria worden bepaald in punt 4.10 van het bijzonder bestek (blz. 8 - 9): de kwaliteit van het voorgestelde team/ 40 punten, de prijs/ 40 punten, het actieplan/ 15 punten en de talenkennis/ 5 punten. Het gunningscriterium prijs wordt als volgt nader toegelicht: XII-6171-2\12 “
- De prijs: 40 punten De evaluatie van de offertes voor dit gunningscriterium zal gebeuren aan de hand van de gegeven manuurprijs en volgens de formule: P = 40 x (2 - A / R) waarbij P = punten toegekend aan de beschouwde offerte A = manuurprijs van de beschouwde offerte R = laagste ingediende manuurprijs van alle offertes Een gebeurlijke negatieve score wordt gelijk gesteld aan nul punten”. 3.
- De opdracht wordt op 27 november 2009 bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen en op 28 november 2009 in het Publicatieblad van de Europese Unie. 3.
- De offertes worden geopend op 18 januari
- Er worden voor perceel I zeven offertes ingediend, waaronder de offerte van verzoeker. 3.
- Verwerende partij beslist op 2 april 2010 twee inschrijvers niet te selecteren, de offerte van verzoeker wegens een voorbehoud wat betreft de prijs te weren en de opdracht toe te wijzen aan Ernst & Young Fiduciaire cvba als meest voordelige regelmatige offerte met een “manuurprijs” van 90 euro, btw niet inbegrepen, of 108,90 euro btw inbegrepen en een score van 90,50 op
- Dit is de bestreden beslissing. De onregelmatigverklaring van de offerte van verzoeker wordt daarin als volgt gemotiveerd: “Dat met toepassing van artikel 110 van het KB. van 8 januari 1996 de offerte van dhr. Pirenne Jozef Maria Lodewijk als onregelmatig werd beschouwd, en bijgevolg, geweigerd overeenkomstig artikel 110 § 2 van het KB. van 8 januari 1996 (afwijking van de essentiële bepalingen van het bijzonder bestek/voorbehoud); De offerte van dhr. Pirenne Jozef Maria Lodewijk bevat immers een voorbehoud wat de prijs betreft. De offerte vermeldt inderdaad: - ‘Uurloon : zes en negentig euro en vijf en zeventig cent (+ zie bijlage 7)’. - bijlage 7 vermeldt ‘De prijszetting in het kader van voormelde [opdracht] zal op basis zijn afhankelijk van de aard, de omvang en de complexiteit van de te behandelen claim. XII-6171-3\12 Deze bovenvermelde criteria zullen dan ook bepalend zijn voor de samenstelling van het projectteam. Wij hanteren volgende tarieven voor de diverse niveaus van medewerkers: Partner
(1)150 i/h Bedrijfsrevisoren en seniors Manager 120 i /h Frank Huybrechts en Paul Vanhansewyck Senior 85 i /h Nancy Serneels en Marjan Van den Broeck Secretariaat 50 i /h Sophie Westerlinck.
(1)J. Pirenne, S. Vyvey, F. Voorhelst en Quix + revisoren Wij kunnen indicatief vermelden dat voor een standaardopdracht, vanuit onze ervaring, ter beoordeling van ons uurloon volgend aandeel per categorie in aanmerking dient te worden genomen: Partner 10% Manager 30% Senior 45% Secretariaat 15% De kosten van verplaatsingen en maaltijdvergoedingen zijn inbegrepen. Aangezien er geen duidelijk beeld bestaat over het werkelijk dossier, wordt de prijs enkel als voorbeeld aangehaald voor vermelding op offerteformulieren. De uren per persoon worden doorgerekend, zijnde prestaties vermeld in de timesheets van het kantoor (...)’. Er is sprake van een voorbehoud wanneer een inschrijver aan zijn offerte een voorwaarde verbindt die geen steun vindt in: - het bijzonder bestek - de overheidsopdrachtenreglementering, met als gevolg dat bij de beoordeling van de offerte, de gelijkheid van de inschrijvers in het gedrang wordt gebracht doordat - de vergelijking vrijwel niet meer mogelijk is - en de mogelijkheid bestaat dat de betrokken inschrijver bij de uitvoering van de opdracht zich op de door hem geformuleerde voorwaarde zal beroepen met mogelijke schade-eisen en betwistingen inzake verrekeningen tot gevolg [...]. Hij die een voorbehoud formuleert in zijn offerte maakt immers aanspraak op een voordeel dat de andere inschrijvers niet hebben [...]. De aanbestedende overheid beschikt over de discretionaire bevoegdheid om te bes1issen of een offerte waarin een voorbehoud wordt geformuleerd, al dan niet onregelmatig dient verklaard te worden [...] maar de beslissing ter zake moet wel steeds op een deugdelijke grondslag berusten waarbij dezelfde maatstaven gehanteerd moeten worden ten aanzien van alle inschrijvers [...]. ln casu wordt door het stellen dat ‘de prijs enkel als voorbeeld aangehaald (wordt) voor vermelding op offerteformulieren’ een voorbehoud gemaakt ten aanzien van een essentiële besteksbepaling, nl. de prijs (waar één uurprijs werd gevraagd), wat onvermijdelijk leidt tot de substantiële onregelmatigheid van de offerte [...]. XII-6171-4\12 Daar de gelijkheid der inschrijvers verbiedt dat een substantiële onregelmatigheid na de opening der inschrijvingen ongedaan wordt gemaakt [...], dient de offerte van dhr. PIRENNE Jozef Maria Lodewijk dan ook geweerd te worden”. 3.
- Met een blijkbaar aangetekend verzonden brief van 2 april 2010 en een e-mail van dezelfde dag deelt verwerende partij aan verzoeker mee dat zijn offerte niet werd gekozen en dat de uitvoering van de opdracht bijgevolg niet aan hem werd toegewezen. Bijgevoegd is de bestreden beslissing met bijlagen. In fine wordt, “in toepassing van artikel 21bis van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten”, een wachttermijn van 15 kalenderdagen toegekend om eventueel beroep aan te tekenen bij een rechtscollege, wat uitsluitend mag gebeuren in het kader van, al naar het geval, een procedure in kort geding voor de justitiële rechter of, voor de Raad van State, via een uiterst dringende rechtspleging. 3.
- De voorliggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingediend op 16 april
- IV. Schorsingsvoorwaarden
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. V. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde Uiteenzetting van het middel
- Het enig middel van verzoeker wordt als volgt verwoord: “Genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de algemene motiveringswet van 29 juli 1991 en 110 van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en XII-6171-5\12 postdiensten alsmede van het algemeen rechtsbeginsel patere legem quam ipse fecisti Doordat de bestreden beslissing de kandidatuur van verzoekende partij afwijst op grond van de overweging dat zijn zij een niet-toegelaten voorbehoud zou bevatten Terwijl, de prijsberekeningsmethode van verzoekende partij niet beoogde af te wijken van de besteksvoorwaarden maar integendeel volstrekt conform de bepalingen van het bestek was opgesteld en de vergelijkbaarheid van de offertes op geen enkele wijze in het gedrang bracht”. In de toelichting benadrukt verzoeker dat hij geen enkele voorwaarde heeft verbonden aan zijn offerte maar integendeel op gedetailleerde wijze heeft aangegeven hoe de prijsberekening zal verlopen, welke basisgegevens hierbij in rekening zullen worden gebracht en welke verdeling van werktijd tussen de verschillende categorieën van medewerkers daarbij redelijk kan worden geacht. Hij stelt verder dat er in het bestek wel degelijk aanknopingspunten te vinden zijn voor de door hem gehanteerde werkwijze. Er wordt op blz. 6 van het bestek bepaald dat het gaat om een “opdracht volgens prijslijst op basis van een uurloon dat door de inschrijver wordt opgegeven” en een prijslijst is volgens het Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal een “overzicht van prijzen”. Een vermelding van een unieke prijs als een “lijst” omschrijven, lijkt geweld te doen aan dit begrip. De verwijzing naar een “uurloon” in het enkelvoud in dezelfde tekst doet hieraan volgens verzoeker geen afbreuk. Verzoeker wijst ook op de vereiste in het bestek, onder de betaling van de diensten, “de expert zal een samenvattend document opstellen waarin, na elke prestatie, de naam van de medewerker, de duur en de aard van de prestatie worden opgetekend (systeem van ‘timesheets’). Die bescheiden moeten ter beschikking van de aanbestedende overheid gesteld worden aangezien de expert rekenschap moet afleggen van de uitvoering van elke bestelde opdracht”. Een normaal systeem van “timesheets” werkt volgens verzoeker met gedifferentieerde uurlonen per medewerker en er kan niet worden ingezien wat de relevantie is van de vermelding van de naam van de medewerker, wanneer dit geen enkel gevolg zou hebben voor de berekening van de verschuldigde bedragen. Ten slotte wijst verzoeker er in dit verband nog op dat nergens in het bestek uitdrukkelijk wordt gevraagd naar “unieke prijzen (het zogenaamde “flat fee”-stelsel)” zodat hij er a contrario mocht van uitgaan dat zijn werkwijze conform het bestek was. Verwerende partij schendt dus in de bestreden beslissing “zowel artikel 110 § 2 van het K.B. van 8 januari 1996”, in zoverre dat het concept “voorwaarde” omschrijft, als het beginsel patere legem quam ipse fecisti, vermits XII-6171-6\12 zij een individuele beslissing heeft getroffen die niet verzoenbaar is met het reglementaire besluit dat het bestek is. Voor zover verwerende partij een en ander als evident aanneemt, en ter zake geen nadere toelichting geeft, schendt zij volgens verzoeker tevens de formele motiveringsplicht, zoals die volgt uit de wet van 29 juli
- Dit alles geldt volgens verzoeker des te meer nu bij het beoordelen van de vraag of er al dan niet sprake is van een verboden voorwaarde rekening moet worden gehouden met de bedoeling van de inschrijver, en moet worden geoordeeld of deze al dan niet wenste af te wijken van de bestekvoorwaarden. Is dit niet het geval, zoals in casu, is er geen sprake van een voorbehoud, laat staan van een verboden voorbehoud. Verzoeker wijst er ten slotte nog op dat hij wel degelijk een eenheidsprijs heeft vermeld, zodat de vergelijkbaarheid van de offertes op geen enkele wijze in het gedrang is gekomen. Eén en ander geldt volgens hem des te meer, nu de prijzen in kwestie uurtarieven zijn, en dus per definitie een beperkte, zij het reële relevantie hebben bij het bepalen van de uiteindelijke prijs, die immers zal berusten op het product van een uurtarief en een aantal gepresteerde uren. Beoordeling
- Te dezen lijkt het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, toepasselijk dat verzoeker in zijn toelichting aanhaalt, en niet het besluit voor de zogenaamde bijzondere sectoren waar in het middel naar wordt verwezen, klaarblijkelijk ten gevolge van een verschrijving. Artikel 110, § 2, van het toepasselijke besluit luidt: “Onverminderd de nietigheid van elke offerte wegens afwijking van de essentiële besteksbepalingen zoals deze opgesomd in artikel 89, kan de aanbestedende overheid offertes als onregelmatig en derhalve als onbestaande beschouwen, indien zij niet overeenstemmen met de bepalingen van deze titel, enig voorbehoud inhouden, of bestanddelen bevatten die niet met de werkelijkheid overeenstemmen”. XII-6171-7\12
- Te dezen wordt vastgesteld dat verzoeker in het offerteformulier (bijlage 6 van de offerte) een uurloon vermeldt van 96,75 euro, 21% btw niet inbegrepen, met de precisering “(+ zie bijlage 7)”. In deze bijlage 7 wordt onder “prijs” vermeld : “De prijszetting in het kader van voormelde [opdracht] zal op basis zijn afhankelijk van de aard, de omvang en de complexiteit van de te behandelen claim. Deze bovenvermelde criteria zullen dan ook bepalend zijn voor de samenstelling van het projectteam. Wij hanteren volgende tarieven voor de diverse niveaus van medewerkers: Partner 150 i / h Bedrijfsrevisoren en seniors Manager 120 i / h Frank Huybrechts en Paul Vanhansewyck Senior 85i / h Nancy Serneels en Marjan Van den Broeck Secretariaat 50 i / h Sophie Westerlinck. Wij kunnen indicatief vermelden dat voor een standaardopdracht, vanuit onze ervaring, ter beoordeling van ons uurloon volgend aandeel per categorie in aanmerking dient te worden genomen: Partner: 10% Manager 30% Senior 45% Secretariaat 15% De kosten van verplaatsingen en maaltijdvergoedingen zijn inbegrepen. Aangezien er geen duidelijk beeld bestaat over het werkelijk dossier, wordt de prijs enkel als voorbeeld aangehaald voor vermelding op offerteformulieren. De uren per persoon worden doorgerekend, zijnde prestaties vermeld in de timesheets van het kantoor. De prestaties zullen verhoogd worden met 21% BTW. Gezien er een fusie van werkzaamheden zal plaatsvinden, zullen de timesheets van Vyvey & C/ gebruikt worden. 150 x 10% = 15,00 euro 120 x 30% = 36,00 euro 85 x 45 % = 38,25 euro 50 x 15% = 7,50 euro96,75 euro BTW 21% 20,32 euro117,07 Euro”. XII-6171-8\12 Hieruit kan worden afgeleid dat het op het offerteformulier ingevulde uurloon van 96,75 euro zonder btw slechts een “voorbeeld” is - term die verzoeker zelf gebruikt in bijlage 7 - van een gemiddeld uurloon op grond van wat verzoeker “indicatief” vermeldt als aandeel per categorie medewerker - partner, manager, senior en secretariaat elk met een eigen uurtarief, dat “voor een standaardopdracht, vanuit onze ervaring, ter beoordeling van ons uurloon, [...] in aanmerking dient te worden genomen”. Dit uurloon is dan ook niet bindend voorgesteld en kon dan ook, anders dan verzoeker lijkt te menen, niet ter vergelijking van de offertes gehanteerd worden.
- In de huidige stand van de procedure lijkt tevens te moeten worden aangenomen dat het bestek het aanbieden van een vaste prijs per uur vereiste en geen gedifferentieerd tarief in functie van de categorie medewerkers die aan een opdracht werken. Het is blijkens punt 4.4 van het bijzonder bestek “een opdracht volgens prijslijst op basis van een uurloon dat door de inschrijver wordt opgegeven” - er is aldus slechts sprake van “een uurloon” en niet van uurlonen - en “in deze prijs wordt geacht alles te zijn inbegrepen waaronder (niet limitatief opgesomd) honoraria, uurlonen personeel, verplaatsingen, vertalingen indien vereist overeenkomstig dit bestek, vergaderingen, dactylografie, algemene kosten en winst, enz... (zie ter zake artikel 67 AAV)”. Het op te geven “uurloon” dient aldus de uurlonen personeel te omvatten. Zeker samengelezen lijkt deze bestekbepaling aldus de opgave van één uurloon te vereisen. Dit wordt, zo lijkt het, bevestigd door de omschrijving van het tweede gunningscriterium “prijs” in punt 4.10 van het bestek, volgens hetwelk “de evaluatie van de offertes voor dit gunningscriterium zal gebeuren aan de hand van de gegeven manuurprijs en volgens de hiervoor aangehaalde formule waarin van slechts één “manuurprijs” wordt uitgegaan als een van de in te vullen termen. Het feit dat in het voornoemde punt 4.4 tegelijk is bepaald dat het gaat om een opdracht “tegen prijslijst” volstaat niet om anders te oordelen. Artikel 86 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 bepaalt dat, wat de prijsbepaling betreft, wordt onderscheiden de opdracht voor een globale prijs, de opdracht volgens prijslijst, de opdracht op grond van werkelijke uitgaven en de XII-6171-9\12 gemengde opdracht. De opdracht volgens prijslijst wordt omschreven als “een opdracht waarvan alleen de eenheidsprijzen voor de prestaties forfaitair zijn; door de eenheidsprijzen op de hoeveelheden van de te verrichten prestaties toe te passen, wordt het te betalen bedrag vastgesteld”. De rechtsfiguur van de prijslijst en het feit dat artikel 86 bij de omschrijving ervan verwijst naar eenheidsprijzen, lijkt niet noodzakelijk in te houden dat meerdere eenheidsprijzen of te dezen gedifferentieerde manuren per soort medewerker vereist zijn of toegestaan zijn. Hiervoor is vastgesteld dat enkel één uurloon vereist was. Het tegendeel lijkt ook niet noodzakelijk voort te vloeien uit de verwijzing in punt 6.7 van het bestek naar het systeem van timesheets met vermelding van de naam van de medewerker, de duur en aard van de prestaties, waar verzoeker gewag van maakt. De vermelding van de naam van de medewerker kan ook zonder dat verschillende tarieven per medewerker worden gehanteerd relevant zijn voor het bestuur, bijvoorbeeld in het kader van controle van de gefactureerde prestaties of te dezen, in het kader van het gunningscriterium “de kwaliteit van het voorgestelde team”, waarbij wordt gevraagd dat de inschrijver bij zijn offerte de lijst voegt van de personen die aan deze opdracht effectief zullen meewerken waarbij de goedkeuring van de offerte door verwerende partij tegelijk de goedkeuring omvat van deze lijst “wat inhoudt dat zij tijdens de uitvoering slechts mag gewijzigd worden mits uitdrukkelijke toestemming van de opdrachtgever of zijn afgevaardigde”. Het lijkt trouwens dat alle andere inschrijvers wel een vast uurtarief te hebben aangeboden.
- Gelet op het voorgaande stond niet vast tegen welke prijs, namelijk tegen welk manuurprijs, verzoeker de opdracht zou uitvoeren. Verwerende partij mocht dan ook, zo lijkt het, terecht oordelen dat de offerte van verzoeker een voorbehoud bevatte wat betreft de prijs en vervolgens deze offerte als substantieel onregelmatig weren nu dit voorbehoud een essentieel element van de offerte betreft en de vergelijking van de offertes lijkt onmogelijk te maken. Het middel waarin artikel 110, § 2 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 en het “patere legem” beginsel geschonden werd geacht, is dan ook niet ernstig. XII-6171-10\12
- Het middel is evenmin ernstig in de mate wordt aangevoerd dat de formele motiveringsplicht is geschonden zoals die voortvloeit uit de wet van 29 juli 1991, omdat verwerende partij als evident zou aannemen dat er een voorbehoud is zonder ter zake nadere toelichting te geven. De bestreden beslissing geeft immers aan waarom de offerte van verzoeker wordt geweerd, namelijk wegens het gemaakte voorbehoud ten aanzien van een essentiële bestekbepaling, meer bepaald de prijs, waar één uurprijs werd gevraagd, en verzoeker betwist in eerste instantie, om de voornoemde redenen ten onrechte, dat zijn offerte een voorbehoud bevat. Er blijkt dan ook niet dat verzoeker zich op grond van de motivering in de bestreden beslissing niet met kennis van zaken kon verweren. Hij betwist integendeel de materiële motieven van zijn onregelmatigverklaring, blijkt dus deze motieven te kennen, en heeft bijgevolg geen belang bij dit onderdeel van dit middel, gesteund op de formele motiveringsplicht waarvan het doel te dezen is bereikt, namelijk de betrokkene de kans te bieden zich tegen de motieven in rechte te verweren. Er lijkt bijgevolg voldaan aan de formele motiveringsplicht minstens aan de ratio legis daarvan.
- Nu het enig middel in zijn geheel niet ernstig is bevonden, is meteen niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief moeten zijn vervuld wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 6 mei 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. XII-6171-11\12 De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6171-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.725 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div