planting van SEVESO - inrichtingen. DOORDAT, Het schepencollege in haar brief d.d. 25.07.2007 stelt dat: ‘de leefbaarheid van het omliggende gebied een essentiële randvoorwaarde is voor de ontwikkeling van het regionale bedrijventerrein. Daarom dient er volgens de stad een afbouw van de bedrijfsactiviteiten te gebeuren naar de woonzone van de Olmsesteenweg. De bedrijfsgebouwen moeten beperkt zijn in omvang en de hoogte en de activiteiten mogen niet belastend zijn voor de buurt. De bestaande wegen door woongebied mogen niet dienen als ontsluitingswegen. Dit houdt concreet in dat de aanleg van de N73 een essentiële voorwaarde is voor de ontsluiting van het ganse gebied. Komt de N73 er niet dan m(o)et het regionaal bedrijventerrein er voor de stad ook niet komen’. Bovendien stelt de bestreden beslissing: ‘Overwegende dat in het ruimtelijk veiligheidsrapport dat is goedgekeurd door de Dienst VR op 14.09.2007 wordt aangegeven dat het plangebied van het RUP Gemengd regionaal bedrijventerrein potenties biedt voor de vestiging van SEVESO - inrichtingen’. TERWIJL, Er op géén enkele manier in de brief van het schepencollege van de stad Beringen wordt aangegeven wat de waarde van dit advies is in de totale besluitvorming, namelijk dat dit advies in geen enkel opzicht bindend is, en X-13.791-3/12 zonder meer door de Vlaamse Regering naast zich neer kan gelegd worden, wat uiteindelijk ook gebeurd is. Voor veel inwoners was deze brief de enige manier dat zij in kennis gesteld werden van het lopende openbaar onderzoek, en daarbij kregen zij dan nog volkomen foutieve en misleidende informatie. Het beginsel van rechtszekerheid en gewekte verwachtingen werd door de overheid met de voeten getreden, nu de Vlaamse regering, die toch het toezicht moet houden op de lokale overheden, de stad Beringen deze misleidende informatie ongestraft heeft laten verspreiden in het midden van een openbaar onderzoek voor zulk een ingrijpende planwijziging. Immers werd
druk gewekt dat er uitsluitend bedrijfsgebouwen zouden mogen komen die beperkt zijn in omvang en hoogte en uitsluitend activiteiten mogen komen die niet belastend zijn voor de buurt. Noch het één, noch het ander is correcte informatie. Dit blijkt uitdrukkelijk uit de ‘vertaling naar stedenbouwkundige voorschriften’ uit de toelichtingsnota bij het GRUP Ravenshout Noord (...): ‘Het terrein wordt ontwikkeld als een gemengd regionaal bedrijventerrein. Op een gemengd regionaal bedrijventerrein kunnen bedrijven gevestigd en uitgebaat worden die om ruimtelijke en milieuredenen niet verweefbaar (meer) zijn met een multifunctionele stedelijke of residentiele omgeving. Een regionaal bedrijf is een grootschalig bedrijf met belangrijke ruimtelijke impact op de omgeving op vlak van mobiliteit, uitzicht, omvangrijke ruimte-inname en potentieel in te bufferen effecten.’ Nochtans is dit alles nog bijzonder omfloerst weergegeven als men weet dat men in feite het gebied wil inrichten voor SEVESO - bedrijven. Nochtans stelt de bestreden beslissing van de Vlaamse regering uitdrukkelijk op pagina 2: ‘Overwegende dat in het ruimtelijk veiligheidsrapport dat is goedgekeurd door de Dienst VR op 14.09.2007 wordt aangegeven dat het plangebied van het RUP Gemengd regionaal bedrijventerrein potenties biedt voor de vestiging van SEVESO - inrichtingen’. In de toelichtingsnota, die, in tegenstelling tot het Ruimtelijk Veiligheidsrapport wel door de burgers kon ingekeken worden bij het openbaar onderzoek bij het GRUP Ravenshout Noord, werd hieromtrent enkel gesteld (...): ‘De opmaak van een ruimtelijk veiligheidsrapport (RVR) is begin 2007 opgestart. De studie zal enerzijds een globale inschatting geven van de mogelijkheden tot preventie van zware ongevallen en beperkingen van gevolgen van dergelijke zware ongevallen voor het gehele ENA en anderzijds een concrete inschatting van de risico’s op zware ongevallen voor mens en milieu, specifiek vertaald naar dit plange(bied). Bedoeling is om met de eventuele ruimtelijke gevolgen ervan te kunnen rekening houden in de loop van de procedure.’ Op géén enkele manier blijkt hieruit dat men zinnens is het gebied in te kleuren als industriegebied voor SEVESO - inrichtingen. Het is dan ook niet ernstig en verregaand onzorgvuldig om een openbaar onderzoek te organiseren als een rapport met zulke essentiële informatie niet wordt meegedeeld. ZODAT De burgers misleid werden bij het openbaar onderzoek, enerzijds door het schrijven van de stad Beringen, anderzijds door het organiseren van het openbaar onderzoek zonder de burgers kennis (te) geven van
houd van
tussen parallel lopende Ruimtelijk Veiligheidsrapportage. Het middel is gegrond”. X-13.791-4/12 Beoordeling
voering van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene beginselen van milieubeleid een minimumniveau is, zodat er niet langer wijzigingen van de geldende regels kunnen plaatsvinden die dit beschermingsniveau verder verlagen. Zie hieromtrent Deketelaere, K., Handboek Milieurecht, Die Keure, Brugge, 2001, 99: ‘Houdt in dat in het licht van de huidige slechte toestand van het milieu, minstens een verdere achteruitgang moet worden tegengegaan.’ Verzoekers menen dan ook dat een toepassing van het standstillbeginsel ofwel inhoudt dat een omvorming van gebieden waarbij de milieu- en ruimtelijke ordeningsregels versoepeld worden, niet langer mogelijk is, ofwel dat deze minstens gecompenseerd moeten worden door een verstrenging van de regels elders, zodat het globale niveau van milieubescherming in het vlaamse Gewest niet uitgehold wordt. In dit opzicht schendt de bestreden beslissing beide interpretaties van het standstillbeginsel, nu noch de concrete, noch de globale interpretatie van het beginsel gerespecteerd wordt. Het spreekt immers voor zich dat zelfs de meest soepele interpretatie van het standstillbeginsel vooropstelt dat een onmiddellijke en directe compensatie voor een lokale verspoeling (...) een lokale verstrenging elders dient in te houden. Zo niet is er uiteraard sprake van een achteruitgang van het beschermingsniveau van het leefmilieu. Gezien de kenmerkende traagheid van de Vlaamse politiek als het op zulk een verstrengingen van de milieubescherming aankomt (of althans de uitvoering ervan, zie dienaangaande het mestdossier, het dossier van de broeikasgasemissies, de compenserende bebossing bij ontbossing, het herstelbeleid gevoerd ten aanzien van overtredingen van de stedenbouwwetgeving, enz.), is enkel deze directe koppeling van een versoepeling aan een verstrenging elders verenigbaar met deze minst strenge interpretatie van het standstillbeginsel. ZODAT, Deze beslissing een verdere verlaging van het milieubeschermingsniveau in het Vlaamse Gewest vormt, en daarmee artikel 1.2.1, §2 van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid schendt. Het middel is gegrond”. 7. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord wat volgt : “- Artikel 1.2.1. §2 van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: ‘§ 2. Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt’. Er dient echter ook rekening gehouden te worden met artikel 1.2.1. §3 van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: ‘§ 3.
en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij de uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten, de X-13.791-6/12 internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens’. In het Decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid wordt geformuleerd dat, voor het bereiken van een hoog beschermingsniveau, de maatschappelijke impact op het leefmilieu dient gestuurd te worden door de volgende beginselen : 0 het voorzorgsbeginsel; 0 het beginsel van preventief handelen; 0 het beginsel van de voorkeur voor brongerichte maatregelen; 0 het beginsel dat de vervuiler betaalt; 0 het integratiebeginsel; 0 het stand-still beginsel. Het ‘stand-still beginsel’ houdt in dat de huidige toestand niet verslechtert en dat natuurwaarden of milieu- omstandigheden die gunstige voorwaarden kunnen scheppen voor natuur (b.v. een natuurlijk meanderend beektraject) beschermd worden voor toekomstige generaties. Om een vergrijzing van het leefmilieu tegen te gaan dienen gebieden die nu nog een hoge kwaliteit bereiken, beschermd te worden. Het stand-still beginsel betekent niet enkel een bescherming tegen ‘nieuwe’ ingrepen, die de milieu- en natuurkwaliteit kunnen bedreigen, maar ook het opzetten van actieve beschermings- en herstelprogramma’s om de milieukwaliteit en de biodiversiteit blijvend te garanderen. Het behouden van een milieukwaliteit kan onder andere betekenen dat een aantal ingrepen afgebouwd moeten worden of dat er strengere randvoorwaarden gesteld moeten worden ten aanzien van een gebruiksfunctie. Zie ondermeer : Raad van State, arrest nr. (...) van 9 april 2004 (...) : ‘De standstill- en integratiebeginselen laten een ruime appreciatiebevoegdheid toe in hoofde van de overheid belast met het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan en inzonderheid niet lijken in te houden dat de bestemmingsvoorschriften die zijn voorzien in een plan van aanleg, wat de natuur- en grondgebieden, betreft, op grond van deze beginselen nooit kunnen worden gewijzigd’. Er bestond voor dit gebied een project MER. Op basis hiervan en de voorbereidende documenten vanuit het planningsproces ENA is een nota opgemaakt voor de ontheffing van de plan MER plicht. De dienst MER heeft deze ontheffingsaanvraag positief beoordeeld. Beoordeling van het tweede middel in het arrest nr. 187.788 van 6 november 2008 (pagina 11/13): ‘(...)’”. 8. De verzoekende partijen dupliceren in hun memorie van wederantwoord wat volgt : “Verzoekers menen dat het arrest waarbij de schorsing verworpen wordt, onterecht stelt dat de vermeende ongrondwettigheid van art. 1.2.1, §2 en 3 DABM slechts een niet - ontvankelijke wettigheidskritiek betreft. Verzoekers menen dat het standstillbeginsel, zoals vervat in art. 1.2.1, §2 DABM slechts mag geïnterpreteerd worden conform art. 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 4/ GW, dat stelt: Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of
artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid: X-13.791-7/12 (...) 4/ Het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Het Grondwettelijk Hof stelde dienaangaande in zijn arrest nr. 135/2006: 2.10 Artikel 23 van de Grondwet impliceert inzake de bescherming van het leefmilieu een standstill-verplichting, die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat geboden wordt door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. Zodoende stelt het Grondwettelijk Hof dat het standstillbeginsel géén absoluut beginsel is, maar wel dient toegepast te worden zolang er geen redenen van algemeen belang zijn om het niet toe te passen. Een belangrijke nuance bij lezing is uiteraard dat de redenen van algemeen belang waarnaar het Hof verwijst, aldus géén argumenten voor de eventuele wijziging zelf betreffen. Het Hof vereist redenen van openbaar belang om het standstillbeginsel niet toe te passen. In casu voorziet de bestreden beslissing in géén enkele motivering waarom het standstillbeginsel niet is toegepast. Verwerende partij verschuilt zich dan ook achter art. 1.2.1, §3 DABM, dat stelt:
en 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid in het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geintegreerd. Bij de uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten,
ternationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens. Verwerende partij verwijst daarbij naar RvSt, arrest (...) d.d. 09.04.2004: De standstill- en integratiebeginselen laten een ruime appreciatiebevoegdheid toe in hoofde van de overheid belast met het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan en (lijken) inzonderheid niet (...) in te houden dat de bestemmingsvoorschriften die zijn voorzien in een plan van aanleg, wat de natuur- en grondgebieden betreft, nooit zouden kunnen worden gewijzigd. Echter argumenteren verzoekers in huidige procedure niet dat de Vlaamse Regering conform het standstillbeginsel nooit dit GRUP had kunnen/mogen vaststellen en dit gebied inkleuren als industriezone. De Vlaamse Regering heeft inderdaad een beleidsmarge, hetgeen verzoekers erkennen. Verzoekers stellen in casu dat het GRUP onwettig is omdat de Vlaamse Regering het standstillbeginsel dient te respecteren en de achteruitgang dient te compenseren door een planwijziging elders, waarbij het totale beschermingsniveau van de natuur in Vlaanderen gerespecteerd wordt. Dit is in casu niet gebeurd, omdat art. 1.2.1, §3 DAM blijkbaar stelt dat de Vlaamse Regering zelf dient af te wegen, rekening houdend met de sociaal - economische aspecten,
ternationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens, of zij het standstillbeginsel al dan niet toepast. In zoverre dat verwerende partij zich dan ook beroept op art. 1.2.1, S3 DABM dient verzoeker dan ook vast te stellen dat deze bepaling het standstillbeginsel vervat in art. 23 GW op een ontoelaatbare manier uitholt, en derhalve ongrondwettig is. Verzoekers vragen de Raad van State dan ook de volgende prejudiciële vraag ze willen voorleggen aan het Grondwettelijk Hof: Schendt art. 1.2.1, §3 van het decreet van het Vlaamse Gewest d.d. 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, art. 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 4/ GW, in zoverre dit artikel lijkt in te houden dat de Vlaamse overheid een appreciatiemarge krijgt aangaande de al dan niet toepassing in haar beleid van het X-13.791-8/12 standstillbeginsel, vervat in artikel 1.2.1, §2 van datzelfde decreet, rekening houdend met de sociaal-economische aspecten,
ternationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens, daar waar art. 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 4/ GW inzake de bescherming van het leefmilieu een standstill-verplichting impliceert, dat eraan in de weg staat dat het beschermingsniveau in aanzienlijke mate wordt verminderd, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang?”.
en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij de uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten,
ternationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens”. X-13.791-9/12 12. Uit de wetsgeschiedenis van de betrokken bepalingen blijkt dat, wat het in § 2 vervatte standstill-beginsel betreft, dit bij amendement werd ingevoegd bij de overige in voornoemde paragraaf vervatte algemene principes (Parl. St. Vl. Raad 1994-95, nr. 718-2, 2). Wat deze algemene beginselen betreft, is in § 3 bepaald dat bij de uitvoering van het beleid rekening wordt gehouden met de sociaal-economische aspecten,
ternationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens. Luidens de memorie van toelichting impliceert dit dat o.m. een afweging van de sociaal-economische gevolgen van het milieubeleid noodzakelijk is (Parl. St. Vl. Raad 1994-95, nr. 718-1, 25). Ter zake blijkt nog uit de memorie van toelichting dat “het voor de Vlaamse regering overigens evident (
ternationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens, daar waar art. 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 4/ GW inzake de bescherming van het leefmilieu (...) een standstill-verplichting impliceert, dat eraan in de weg staat dat het beschermingsniveau in aanzienlijke mate wordt verminderd, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang ?”. De voormelde prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 1.2.1, § 3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, waaraan de verzoekende partijen bij de uiteenzetting van hun middel in hun verzoekschrift zijn voorbijgegaan. In zoverre de verzoekende partijen eerst in hun memorie van wederantwoord deze bepaling bij hun middel betrekken, is het middel onontvankelijk. De daarop betrekking hebbende prejudiciële vraag moet evenmin worden gesteld. Het middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 14. In een derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat “de op 31.03.2008 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde beslissing (...) niet de beslissing (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.