← België

Arrest 203739 - Monumenten en Landschappen - 06/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.739 Rolnummer: A. 188713/VII-37599 Zaak: Arrest 203739 - Monumenten en Landschappen - 06/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-18 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:42 Fiche Arrest nr 203.739 van 6 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 203.739 van 6 mei 2010 in de zaak A. 188.713/VII-37.

  1. In zake: Gilbert LECOCQ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Andy Beelen kantoor houdend te Beringen Scheigoorstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Onghena kantoor houdend te Antwerpen Grotehondstraat 44 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 25 juni 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de viceminister-president van de Vlaamse regering en Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 15 april 2008 in zoverre daarbij het L-vormig vakwerkcomplex (restant van Paenhuys), gelegen aan de Stationsstraat 23 te Kortessem (Wintershoven), beschermd wordt als monument. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 187.783 van 6 november 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. VII-37.599-1/9 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 april
  4. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Barbara Spapen, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Dirk De Greef, die loco advocaat Olivier Onghena verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoeker is eigenaar van een gebouw, gelegen aan de Stationsstraat 23 te Kortessem (Wintershoven). 3.
  7. In een niet gedateerde nota selecteert Onroerend Erfgoed Limburg volgens de selectiecriteria gaafheid, authenticiteit, zeldzaamheid en context- of omgevingswaarde een aantal hoeves te Kortessem en draagt zij deze voor ter bescherming. 3.
  8. Bij besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 4 mei 2007 wordt beslist om te Kortessem 22 voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten, in het bijzonder VII-37.599-2/9 vakwerkhoeves, op te nemen in een ontwerp van lijst, waaronder ook het L-vormig vakwerkcomplex (restant van Paenhuys), gelegen aan de Stationsstraat
  9. 3.
  10. De verzoeker dient op 22 augustus 2007 bezwaar in tegen het voormelde besluit. 3.
  11. Onroerend Erfgoed Limburg behandelt de adviezen, bezwaren en opmerkingen in haar verslag van 12 oktober
  12. 3.
  13. Op 8 november 2007 verleent de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen een gunstig advies. 3.
  14. Op 15 april 2008 wordt het L-vormig vakwerkcomplex (restant van Paenhuys), gelegen aan de Stationsstraat 23 te Kortessem (Wintershoven), als monument beschermd. Het bestreden besluit is bij aangetekend schrijven van 7 mei 2008 aan de verzoeker betekend. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  15. De verzoeker roept in een eerste middel de exceptie van onwettigheid in, het gebrek aan wettige rechtsgrond, de schending van artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en van het verbod op onbevoegdheid. Volgens de verzoeker steunt het bestreden besluit op het voorlopig beschermingsbesluit van 4 mei 2007 waartegen hij een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld bij de Raad van State, zaak A. 185.239/VII-37.600, en dat volgens hem onwettig is. Hij verzoekt de Raad van State om het bestreden besluit te vernietigen omdat het met het voorlopig beschermingsbesluit niet over een wettige rechtsgrond beschikt. De verzoeker herneemt het middel zoals geformuleerd in de voormelde procedure waaruit volgens hem de onwettigheid van het voorlopig beschermingsbesluit blijkt en voert daarbij de schending aan van de artikelen 2.2, 2.4 en 5, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de VII-37.599-3/9 bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van de formele en materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Volgens de verzoeker is de motivering onder de eerste alinea van artikel 2 van het bestreden voorlopig beschermingsbesluit - "Het algemeen belang dat de bescherming verantwoordt, wordt door het gezamenlijk voorkomen en de onderlinge samenhang van de volgende intrinsieke waarden gemotiveerd: (...)" - van toepassing op alle 22 eigendommen die in dat bestreden besluit vermeld zijn en geen afdoende, individuele en persoonlijke motivering van elke eigendom op zich, maar een algemene stijlclausule die niet voldoet aan de motiveringsplicht. Voorts stelt de verzoeker met betrekking tot de motivering in dat bestreden besluit omtrent de historische, de architectuurhistorische en de sociaal- culturele waarde van het beschermde goed, dat deze motieven niet het resultaat zijn van een normaal zorgvuldig onderzoek, dat zij onjuist zijn, minstens niet afdoende om het pand te beschermen. Hij stelt dat nooit enig onderzoek ter plaatse werd gehouden en het pand nooit bezocht werd zodat het "lichtzinnig" is gegevens van een zogenaamd "geschiedkundig liefhebber" over te nemen zonder enig concreet onderzoek en, bovendien, dat het gebruikte kadastraal plan niet overeenstemt met de huidige werkelijkheid. De verzoeker betwist de architectuurhistorische waarde om reden dat de overweging dat "de vakwerkstructuur van het woonhuis bewaard bleef" onjuist is, dat er een contradictie is in de toelichtende nota omtrent het gebruik van het pand als woonhuis dan wel als brouwerij, dat de voorgevel bestaat uit houtvezelplaat zonder architectuurhistorische waarde, dat de pannen van het zadeldak geen historisch waardevolle pannen zijn, dat de gevel en open haard geen bewaarde traditionele elementen vormen, dat de structuur van het interieur gewijzigd is en dat de plafonds niet gevormd worden door troggewelven. Dat het huidige complex behoorde tot het Paenhuys en vandaag nog steeds onder die naam gekend is, is volgens de verzoeker een hypothetische vaststelling. Hij besluit dat dat bestreden besluit bestaat uit feitelijke onjuistheden die de minister misleid hebben en geen afdoende grond bieden om het betroffen pand als monument te beschermen.
  16. De verwerende partij antwoordt dat de door de verzoeker ingeroepen onwettigheid, gebrek aan wettige rechtsgrond, schending van artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en van het verbod op onbevoegdheid, niet uitgewerkt worden. Volgens de verwerende partij geeft de verzoeker met betrekking tot de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel ook geen voldoende en duidelijke VII-37.599-4/9 omschrijving van het overtreden beginsel en ook geen omschrijving van de wijze waarop het beginsel werd overtreden, zodat dit middelonderdeel volgens de verwerende partij onontvankelijk is. De verwerende partij stelt voorts dat in het bestreden voorlopig beschermingsbesluit ten aanzien van de eigendom van de verzoeker een individuele en persoonlijke motivering is opgenomen, dat de verschillende te beschermen vakwerkhoeves in hun onderlinge samenhang zijn geëvalueerd en dat het informatief dossier van 109 pagina's een individuele en persoonlijke beoordeling en motivering alsook een gezamenlijke evaluatie bevat. Volgens de verwerende partij is op 10 oktober 2006 een plaatsbezoek afgelegd door twee erfgoedconsulenten van Onroerend Erfgoed Limburg en werden beide erfgoedconsulenten bij hun plaatsbezoek aan het beschermde pand ontvangen door de echtgenote van de verzoeker, zodat er, volgens haar, geen sprake is van onzorgvuldigheid of van een beoordeling op basis van onjuiste feitelijke gegevens. Gelet op dat plaatsbezoek en de foto's die er op dat moment genomen zijn, heeft de omstandigheid dat het kadastraal plan bij het voorlopig beschermingsbesluit niet zou overeenstemmen met de werkelijkheid, volgens de verwerende partij geen invloed op de beoordeling van de erfgoedwaarden. Wat de architectuurhistorische waarde van het beschermde pand betreft, stelt zij dat zij over enige beleidsvrijheid beschikt en dat de Raad van State zijn beoordeling niet in de plaats mag stellen van het waardeoordeel van de verwerende partij om de opportuniteit van de bescherming te beoordelen. De voordracht van vakwerkgebouwen gebeurde op basis van gaafheid, authenticiteit, zeldzaamheid, context en de waarden zoals vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten. De renovaties zijn uitgevoerd volgens de renovatie- en restauratieprincipes van de verwerende partij. Het houten vakwerkgeraamte is intact, het gebruik van houtvezelplaat is geen bezwaar, de renovatie naar een vakwerkgevel met pannen beschieting heeft een meer authentieke situatie opgeleverd, voor het zadeldak werden Vlaamse pannen gebruikt volgens de restauratieprincipes van de verwerende partij, de centrale haard is in vele vakwerkwoningen niet meer authentiek, de muren zijn zonder enige relevantie voor de beoordeling en de woning vertoont een authentieke indeling. In de toelichtende nota is volgens de verwerende partij geen contradictie en wordt er steeds naar de authenticiteit van de indeling van de woning gekeken. De verwerende partij geeft toe dat zij per vergissing heeft gesteld dat de plafonds gevormd werden door de oorspronkelijke troggewelven, maar betoogt dat deze stelling geen invloed heeft gehad bij de evaluatie. Voorts stelt zij dat zij in de toelichtende nota gesteld heeft dat de brouwerij slechts in gebruik bleef tot het begin van de achttiende eeuw en dat VII-37.599-5/9 de woning inderdaad deel uitmaakt van het "Paenhuys" en zo gekend is door sommigen. De verwerende partij concludeert dat alle argumenten van de verzoeker met betrekking tot de beoordeling ten gronde, weerlegd kunnen worden zodat haar beoordeling correct en zorgvuldig is gebeurd. Beoordeling
  17. Uit het bestreden besluit blijkt dat er voor elke eigendom afzonderlijk, wel degelijk gemotiveerd en omschreven wordt wat als monument, stads- of dorpsgezicht beschermd wordt en omwille van welke waarden. Dit middelonderdeel is niet gegrond.
  18. Met betrekking tot de argumentatie van de verzoeker inzake de historische, de architectuurhistorische en de sociaal-culturele waarde van het beschermde goed, blijkt dat de verzoeker dezelfde opmerkingen reeds geuit heeft in zijn bezwaarschrift, opgesteld naar aanleiding van het voorlopig beschermingsbesluit. Deze opmerkingen zijn punt per punt behandeld in het verslag van 12 oktober 2007 van Onroerend Erfgoed Limburg. Bijgevolg is er wel degelijk een gedetailleerd onderzoek gevoerd, is de juistheid van de weerhouden waarden van het pand onderzocht en werden de argumenten van de verzoeker in acht genomen. Van een onzorgvuldig onderzoek of van onjuiste motieven is er bijgevolg geen sprake. Zulks wordt evenmin aangetoond door de verzoeker. Hij toont ook niet aan dat de motivering niet afdoende zou zijn. Het beroep van de verzoeker tot vernietiging van het voorlopig beschermingsbesluit in zaak A. 185.239/VII-37.600 is bij arrest nr. 203.738 van 6 mei 2010 verworpen. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  19. De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 2.2, 2.4, 7 en 8, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, van de artikelen 2 en 3 van de VII-37.599-6/9 motiveringswet, van de formele en materiële motiveringsplicht, van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. 8.
  20. In een eerste onderdeel stelt hij dat de bebouwing op het perceel nr. 258L anders is dan de verwerende partij heeft aangenomen bij de voorlopige bescherming en dat de omvang van de bescherming zonder meer gewijzigd is doordat de achterzijde van de constructie waarvan de zijgevel zich bevindt op de grens met het naastliggende perceel nr. 257H of 252G niet identiek is aan de achterzijde van de constructie die voorlopig werd beschermd. Volgens de verzoeker is het beschermde gebouw naar omvang en oppervlakte niet identiek aan het gebouw dat voorlopig werd beschermd, heeft de verwerende partij nagelaten deze wijziging in het bestreden besluit te motiveren en te verantwoorden en blijkt niet dat de verwerende partij zich bewust is geweest van deze wijziging. 8.
  21. In het tweede onderdeel zet de verzoeker een argumentatie uiteen die identiek is aan deze opgenomen onder het eerste middel. 9.
  22. De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel dat het verschil in omvang dan wel oppervlakte te wijten is aan het feit dat er voor het bestreden besluit een recentere kadasterkaart is gebruikt en werd de recente achterbouw opgemerkt tijdens voormeld plaatsbezoek van twee erfgoedconsulenten. Zij stelt dat de omschrijving in het voorlopig beschermingsbesluit en het bestreden besluit dezelfde is geweest, waarin steeds het integraal L-vormig vakwerkcomplex als te beschermen goed werd beschouwd. 9.
  23. De verwerende partij verwijst wat het tweede onderdeel betreft naar haar argumentatie onder het eerste middel. Beoordeling 10.
  24. Te dezen wordt niet betwist dat het L-vormig vakwerkcomplex als restant van het Paenhuys reeds op het ontwerp van lijst voorkwam. De aanduiding van dit complex op een meer geactualiseerd kadastraal plan wijzigt in de gegeven omstandigheden niet het voorwerp van bescherming, noch de situatie van de verzoeker. Het verslag openbaar onderzoek met betrekking tot deze kwestie luidt als volgt : VII-37.599-7/9 "We zijn ons ervan bewust dat het kadastraal plan bij het MB niet overeenkomt met de huidige werkelijkheid. Het gebruikte KADSCAN-plan, de gescande versie van de kadastrale perceelplannen, dateert uit 1998/
  25. Ondertussen maken we bij de opmaak van de beschermingsplannen enkel nog gebruik van de KADVEC-plannen, die algemeen dateren van 01/01/2005 en die regelmatig een update krijgen. De huidige KADVEC-versie komt overeen met de wijzigingen die advocaat Mertens aanduidt in zijn bijlage
  26. Het plan bij het MB voor de definitieve versie zal aangemaakt worden op basis van de KADVEC-plannen. De onjuiste weergave van de panden op de naburige percelen, heeft echter geen invloed op de bepaling en evaluatie van de erfgoedwaarden van het betreffende pand Stationsstraat
  27. De achteraanbouw bij Stationsstraat 23, die ontbrak op het gebruikte KADSCAN-plan, is tijdens ons plaatsbezoek (10/10/2006) wel opgemerkt en zelfs gefotografeerd. Deze aanbouw vormt slechts een beperkte ingreep, zonder beschadiging aan de vakwerkstructuur van het betreffende pand". Er is bijgevolg geen schending van artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten. In het verslag openbaar onderzoek dat deel uitmaakt van het administratief dossier wordt een afdoende verantwoording gegeven voor de door de verzoeker aangeklaagde wijziging. 10.
  28. Voor de beoordeling van het tweede onderdeel wordt verwezen naar het onderzoek van het eerste middel. Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het beroep.
  30. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. VII-37.599-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes mei tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.599-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.739 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.783 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.