← België

Arrest 203740 - Milieuvergunningen - 06/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.740 Rolnummer: A. 183317/VII-36986 Zaak: Arrest 203740 - Milieuvergunningen - 06/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-18 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:42 Fiche Arrest nr 203.740 van 6 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 203.740 van 6 mei 2010 in de zaak A. 183.317/VII-36.

  1. In zake: Bob D'HAEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim De Cuyper kantoor houdend te Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partijen:
  2. de NV ETABLISSEMENTEN DÉSIRÉ VAN RIET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te Dendermonde Noordlaan 82-84 bij wie woonplaats wordt gekozen
  3. de GEMEENTE TEMSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Thomas Eyskens kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen
  4. de NV WATERWEGEN EN ZEEKANAAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Loix kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 15 mei 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 15 maart 2007 waarbij de beroepen, onder meer van Bob d'Haen, tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse van 10 oktober 2006, houdende het verlenen aan de NV Etablissementen Désiré Van Riet van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een VII-36.986-1/15 handel in bouwstoffen, brandstoffen en andere (bulk)goederen, deels gelegen aan de Wilfordkaai en deels aan de Scheldekaai te Temse, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd mits wijziging en aanvulling van de bijzondere exploitatievoorwaarden. II. Verloop van de rechtspleging
  6. Bij arrest nr. 178.065 van 20 december 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 8 april
  7. De tussenkomende partijen hebben memories ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 februari
  8. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Erika Rentmeesters, die loco advocaat Wim De Cuyper verschijnt voor de verzoeker, jurist Christophe Wille, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Dirk Abbeloos, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, advocaat Thomas Eyskens, die tevens loco advocaat Dirk Lindemans verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, en advocaat Jo Van Lommel, die loco advocaat Yves Loix verschijnt voor de derde tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-36.986-2/15 Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten 3.
  10. De NV Etablissementen Désiré Van Riet, eerste tussenkomende partij, exploiteert aan de Wilfordkaai (westkant van de brug over de Schelde) en aan de naastgelegen Scheldekaai (oostkant van de brug) te Temse een handel in minerale stoffen (zand en gesteente), hout, rubber, kunststoffen en brandstoffen, die worden aangevoerd per binnenschip en ter plaatse worden opgeslagen. Er worden ook stoffen gemengd voor aanwending in de bouw. De inrichting ligt volgens het gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 november 1978, in industriegebied; volgens het bijzonder plan van aanleg Schauselbroek ligt ze verdeeld over een zone voor kernfuncties (bestemd voor handel, horeca, kantoren, ambachtelijke bedrijven), een zone voor nijverheid, en een zone voor waterweg. 3.
  11. Naar aanleiding van infrastructuurwerken die het Vlaamse Gewest wenst uit te voeren aan de Scheldebrug en de daarmee gepaard gaande gedeeltelijke onteigening van het bedrijfsterrein aan de Wilfordkaai, wordt de eerste tussenkomende partij gedwongen om een gedeelte van haar activiteiten aan de Wilfordkaai te verplaatsen naar de Scheldekaai. 3.
  12. Op 10 juni 2006 dient de eerste tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in die in hoofdzaak strekt tot herlokalisatie van bepaalde activiteiten naar de Scheldekaai. Tot het voorwerp van de aanvraag behoort tevens een uitbreiding van de inrichting met een nieuw aan te leggen loskade voor de overslag van per schip aangevoerde materialen en goederen. Voor de aanleg van de loskade wordt op 15 juni 2006 een stedenbouwkundige vergunning verleend. VII-36.986-3/15 3.
  13. Tijdens het openbaar onderzoek van de milieuvergunnings- aanvraag worden 401 bezwaarschriften ingediend. Als bezwaar wordt onder meer opgeworpen dat de activiteiten een havenuitbating omvatten die door Vlarem- rubriek 48.3 is ingedeeld als een klasse 1-inrichting. 3.
  14. Met een besluit van 10 oktober 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse de gevraagde milieuvergunning. De loskade wordt niet vermeld bij de vergunde rubrieken. Het vergunningsbesluit voorziet nochtans wel in bijzondere voorwaarden die specifiek betrekking hebben op de exploitatie van de loskade. Zo wordt onder meer voorzien in een uurregeling voor het lossen van de vaartuigen die normalerwijze dient plaats te vinden tussen 4.00 u en 22.00 u (bijzondere voorwaarde 13c). Tevens wordt in een uitzonderlijk nachtelijke exploitatiemogelijkheid voorzien bij "calamiteiten en/of bijzondere voorvallen". 3.
  15. Tegen voormelde vergunningsbeslissing worden een aantal administratieve beroepen ingesteld bij de Vlaamse regering. Ook de verzoeker stelt, tezamen met een andere omwonende, beroep in. In het beroepschrift wordt onder meer het volgende aangevoerd : "Door de aanvrager wordt vergunning gevraagd voor heel wat rubrieken die allen (net) vallen onder klasse 2 of
  16. Verzoekers zijn evenwel van mening dat de aanvrager een zeer belangrijke rubriek 'vergeet' aan te vragen waardoor de inrichting in werkelijkheid een klasse 1-inrichting wordt. Met name menen verzoekers dat de inrichting van Etn. D. Van Riet moet beschouwd worden als een haven of haveninstallatie voor de binnenscheepvaart voor schepen van meer dan 1.350 ton, hetgeen volgens rubriek 48.3 van bijlage 1 van Vlarem I een klasse 1-activiteit is. Verzoekers zijn er zich zeer goed van bewust dat de discussie over het al dan niet vallen onder rubriek 48.3 van de activiteiten van NV Belgomine (en dus van NV Etn. D. Van Riet) reeds gevoerd werd naar aanleiding van de vergunningsprocedure in
  17. Bij besluit dd. 11/09/2003 heeft de Bestendige Deputatie toen vastgesteld dat rubriek 48.3 niet van toepassing was. Niettemin zijn verzoekers van oordeel dat huidig dossier voldoende (nieuwe) gegevens bevat om tot het tegenovergestelde besluit te komen". Voorts wordt omstandig uiteengezet waarom de inrichting van de eerste tussenkomende partij als een haven of haveninstallatie moet worden beschouwd. 3.
  18. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht die overwegend voorwaardelijk gunstig zijn. VII-36.986-4/15 3.
  19. Met een besluit van 15 maart 2007 van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen worden de beroepen niet ingewilligd. De beroepen beslissing wordt mits aanpassing van de bijzondere exploitatievoorwaarden bevestigd. Specifiek met betrekking tot de exploitatie van de loskade worden de in eerste aanleg opgelegde voorwaarden aangevuld en wordt een aantal bijkomende voorwaarden toegevoegd. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  20. De NV Etablissementen Désiré Van Riet, eerste tussenkomende partij, werpt op dat de verzoeker geen belang heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit omdat uit artikel 24, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), zoals gewijzigd door het decreet van 19 mei 2006 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en energie, voortvloeit dat dergelijke vernietiging tot gevolg heeft dat de in eerste aanleg genomen beslissing van de gemeente Temse waarbij de gevraagde milieuvergunning werd verleend onder minder strikte voorwaarden terug uitwerking krijgt.
  21. De NV Waterwegen en Zeekanaal, derde tussenkomende partij, werpt eveneens op dat de verzoeker geen voordeel kan halen uit een gebeurlijke nietigverklaring, omdat alsdan zou worden teruggekeerd naar de vroegere vergunningstoestand die minder waarborgen biedt op het vlak van bescherming tegen omgevingshinder. De verzoeker zou voorts op meer dan 200 meter van de inrichting wonen : gemeten vanaf het perceel waarop de woning staat, en dus niet vanaf het achterliggende perceel landbouwgrond waarvan de verzoeker eigenaar is, is de loskade namelijk op een afstand van meer dan 300 meter gesitueerd. De bestaande beplanting en de aanwezigheid van een met dijken omringd bufferbekken, zorgen ervoor dat de verzoeker geen zicht heeft op de inrichting. Uit het arrest waarbij de vordering tot schorsing werd verworpen, meent de derde tussenkomende partij een gebrek aan belang in hoofde van de verzoeker te kunnen afleiden. Gelet op de ligging van de vergunde inrichting in industriegebied, zou ten slotte van de verzoeker een hogere tolerantiegraad mogen worden verwacht.
  22. Ten aanzien van voormelde excepties repliceert de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dat artikel 24, § 3, van het milieu- vergunningsdecreet te dezen niet relevant is, aangezien de ingestelde administratieve beroepen geen schorsende werking hadden, dat de vernietiging van het bestreden VII-36.986-5/15 besluit niet tot gevolg heeft dat de in eerste aanleg genomen beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse definitief wordt, maar wel dat de verwerende partij zich opnieuw over de tegen die beslissing ingestelde beroepen dient uit te spreken rekening houdend met de motieven van het vernietigingsarrest, dat hetzelfde geldt wat betreft het beweerd terugvallen op de basisvergunning van 24 maart 2003 en dat voormelde vergunning bovendien niet noodzakelijk nadeliger was omdat de vergunde inrichting gelegen was op een voor de verzoeker minder hinderlijke locatie aan de andere kant van de Scheldebrug.
  23. In haar toelichtende memorie werpt de eerste tussenkomende partij, in navolging van de uiteenzetting in het verzoekschrift tot tussenkomst van de derde tussenkomende partij, bijkomend op dat de verzoeker woont op meer dan 200 meter van de geplande exploitatie. Meer bepaald zou de afstand tussen de tuin van de verzoeker en de loskade meer dan 300 meter bedragen. Voorts zou de verzoeker geen rechtstreeks zicht hebben op de vergunde inrichting. Het belang van de verzoeker zou daarenboven "puur hypothetisch" zijn omdat hij, hoewel de loskade sinds 5 maart 2008 effectief in gebruik is, geen enkel bewijs voorlegt waaruit enige hinder blijkt. Tevens verwijst de eerste tussenkomende partij naar het arrest nr. 178.065 van 20 december 2007 waarbij de vordering tot schorsing werd verworpen wegens het niet-voldaan zijn aan de grondvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, waarin zou worden aangegeven dat de verzoeker zijn "inhoudsloos nadeel of belang" kracht dient bij te zetten. Ten slotte zou de verzoeker niet beschikken over een wettig en geoorloofd belang aangezien hij met betrekking tot de ingeroepen zichthinder de Raad van State tracht te misleiden door onvolledige en zelfs foutieve informatie. Beoordeling
  24. De vernietiging door de Raad van State van een in beroep genomen beslissing met betrekking tot een milieuvergunningsaanvraag, heeft tot gevolg dat de beroepsprocedure tegen de in eerste aanleg genomen beslissing moet worden hernomen. De verwerende partij is derhalve verplicht om na een vernietigingsarrest een nieuwe beslissing te nemen over de ingediende beroepen. De herneming van de beroepsprocedure kan er toe leiden dat de beoogde vergunning alsnog geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd of afhankelijk wordt gesteld van exploitatievoorwaarden die strenger zijn in vergelijking met deze die opgenomen waren in de vernietigde beslissing. De vernietiging van het thans bestreden besluit leidt er alleszins niet toe dat de in eerste aanleg genomen beslissing van het college VII-36.986-6/15 van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse - die volgens de eerste tussenkomende partij terug uitwerking zou krijgen - een definitief karakter krijgt. Het voordeel dat de verzoeker met de vernietiging van het bestreden besluit nastreeft staat voorts volledig los van de vroegere - overigens in de feiten achterhaalde - vergunningstoestand waarop de derde tussenkomende partij alludeert. Om zijn belang aan te tonen bij de nietigverklaring van de vergunning voor de exploitatie van een hinderlijke inrichting, moet degene die opkomt tegen die vergunning minstens aannemelijk maken dat hij hinder of nadeel kan ondervinden door de exploitatie. De afstand tussen de woon- of verblijfplaats van de omwonende en de plaats waar de hinder zijn oorsprong vindt, geldt daarbij als een belangrijk objectief criterium. Dit belang mag niet worden gelijkgesteld met de vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Zo kan enkel een ernstig nadeel dat bovendien moeilijk te herstellen is tot schorsing leiden terwijl een minder omvangrijk nadeel kan volstaan om een beroep tot nietigverklaring ontvankelijk te maken. De verwijzing naar de verwerping van de vordering tot schorsing op grond van het ontbreken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is dan ook niet dienend. De weging van het objectief gegeven van de afstand tussen de vergunde inrichting en de woonomgeving van de verzoeker hangt af van de concrete gegevens van de zaak, inzonderheid van de aard en de kenmerken van de vergunde inrichting. Rekening houdend met de concrete gegevens van de zaak is het te dezen aannemelijk dat de overslag van grond- en brandstoffen - activiteiten die trouwens in open lucht gebeuren - hinder kan teweegbrengen in de omgeving en dat die hinder zich kan voordoen tot op een afstand van 300 meter van de plaats van exploitatie. De beweerde hogere tolerantiedrempel is niet van aard de verzoeker zijn belang te ontnemen in een annulatieprocedure. Ten slotte maakt de bewering dat de verzoeker bepaalde feitelijke gegevens voorstelt teneinde de verwachte hinder of de omvang ervan te overdrijven, zijn belang niet onwettig. De excepties worden verworpen. VII-36.986-7/15 V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
  25. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van de artikelen 4, § 1, 9, §§ 2 en 4, van het milieuvergunningsdecreet, van de artikelen 5, § 1, 6, § 1, 1/, 6bis, § 1, 1/, 35 en 50, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van de formele motiveringsplicht, van het motiverings- beginsel, van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. De verzoeker stelt dat de verwerende partij vergunning heeft verleend voor onder meer het gebruik van een loskade, dat dergelijke inrichting moet worden beschouwd als een haven voor de binnenscheepvaart voor schepen van meer dan 1.350 ton die krachtens de indelingslijst bij Vlarem I is ingedeeld in de 1ste klasse, dat derhalve de deputatie in eerste aanleg en de Vlaamse regering in beroep bevoegd waren om over de ingediende milieuvergunningsaanvraag uitspraak te doen en dat de verwerende partij niet afdoende heeft geantwoord op de desbetreffende argumenten van het beroepschrift. In de toelichting bij het middel stelt de verzoeker onder meer het volgende : "Verzoekende partij meent dat de exploitatie van de loskade in casu onbetwistbaar ingedeeld is onder de rubriek 48.3.2 van bijlage 1 bij Vlarem I : havens en haveninstallaties, met inbegrip van visserijhavens voor de binnenscheepvaart voor schepen van meer dan 1.350 ton, zijnde een klasse 1-inrichting. Verwerende partij betwist dit en beargumenteert dit als volgt: 'Zoals reeds gesteld in de milieuvergunning afgeleverd door de Deputatie op 11 september 2003 in beroep betreft het hier geen haven of haveninstallatie. Aangezien Temse niet opgenomen is bij de afbakening van de havens (het Havendecreet heeft slechts 4 zones aangeduid : Antwerpen, Gent, Zeebrugge en Oostende) is rubriek 48 dus niet van toepassing. Het bedrijf betreft dus wel degelijk een klasse 2-bedrijf en geen klasse 1-bedrijf' (...). Deze motivatie is in geen geval correct of afdoende. Volgens de redenering van verwerende partij zijn enkel de zones die in het Havendecreet als zeehaven zijn aangeduid, te beschouwen als 'haven' in de zin VII-36.986-8/15 van rubriek 48 van bijlage 1 bij Vlarem I. Geen enkele bepaling uit het Havendecreet, het Milieuvergunningsdecreet of de uitvoeringsbesluiten Vlarem I en Vlarem II voorziet echter een koppeling tussen deze wetgeving onderling. Het is trouwens volstrekt ongeloofwaardig dat het de bedoeling was van de wetgever om met rubriek 48 enkel een milieuvergunningsplicht in te voeren voor de 4 grote zeehavens Antwerpen, Gent, Zeebrugge en Oostende. De redenering van verwerende partij heeft dan ook geen enkel objectief aanknopingspunt, zoals verzoekende partij verder zal aantonen : (...)".
  26. De verwerende partij antwoordt dat de inrichting terecht is gekwalificeerd als een 2de klasse inrichting, dat de vermelding van de loskade in de beschrijving van de inrichting niet maakt dat deze milieuvergunningsplichtig is, dat reeds in het kader van de behandeling van een vorige vergunningsaanvraag werd besloten dat indelingsrubiek 48 te dezen niet van toepassing is en dat in de betrokken sector een consensus heerst over de begrippen "haven" en "haveninstallatie" en dat het "dezelfde partijen (zijn) die de afbakening van de havens overeenkomstig het Havendecreet hebben doorgevoerd, zodat de stelling in de bestreden beslissing dat voorliggende locatie geen haven is, terecht is".
  27. In zijn memorie van wederantwoord herhaalt de verzoeker dat de loskade wel degelijk onderdeel is van de ingediende vergunningsaanvraag en dat het niet volstaat te poneren dat de exploitant geen activiteiten bedoeld in rubriek 48.3.2 mag uitoefenen.
  28. De eerste tussenkomende partij werpt in de eerste plaats op dat de verzoeker geen belang heeft bij het middel. De verzoeker zou namelijk geen beroep hebben ingesteld tegen de voorheen verleende milieuvergunning van 11 september 2003 die dezelfde activiteiten omvatte. Ten gronde stelt de eerste tussenkomende partij dat de discussie omtrent de toepasselijkheid van rubriek 48 reeds werd gevoerd en verwijst ze naar de consensus met de betrokken sector die erin bestaat dat "oeverplaatsen van bevaarbare waterwegen en kanalen waar een schip kan aanmeren (...) niet (vallen) onder de betekenis van het begrip 'haven'" en "voor deze installaties geen milieuvergunningsaanvraag (moet) ingediend worden op basis van de rubrieken 48.2 en subrubriek 48.3". Met betrekking tot de beantwoording van het door de verzoeker opgeworpen bezwaar meent de eerste tussenkomende partij dat de verwerende partij kon volstaan met een verwijzing naar de milieuvergunning van 11 september 2003 die de discussie over het al dan niet vergunningsplichtig zijn van een loskade heeft "afgesloten". VII-36.986-9/15
  29. In haar laatste memorie stelt de eerste tussenkomende partij vast dat het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) geen sectorale voorwaarden bevat voor de in subrubriek 48.3 bedoelde inrichtingen en koppelt aan die vaststelling de conclusie dat de verzoeker geen belang heeft bij het eerste middel. Wat betreft de grond van de zaak herinnert de eerste tussenkomende partij aan de rechtsmacht van de Raad van State die er toe beperkt zou zijn na te gaan of de vergunningverlenende overheid niet op kennelijk onredelijke wijze tot haar beslissing is gekomen en voorts wordt gewezen op een aantal inconsequenties in het auditoraatsverslag.
  30. De tweede tussenkomende partij laat gelden dat het bestreden besluit geen opheffing inhoudt van het verbod om zonder voorafgaande vergunning een haven te exploiteren, dat het volstaat vast te stellen dat de exploitant geen vergunning heeft verkregen voor het exploiteren van een dergelijke inrichting, dat aangezien er geen sprake is van de exploitatie van een haven het in het middel aangehaalde bevoegdheidsprobleem niet aan de orde is, dat het bestreden besluit ter weerlegging van het desbetreffende beroepsargument teruggrijpt naar de vergunningsbeslissing van 11 september 2003, dat voormelde vergunning een definitief geworden individuele rechtscheppende akte is die zelfs niet met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing kan worden gelaten en bijgevolg dat de in voormeld besluit opgenomen motivering waarin gesteld wordt dat de rubriek voor havens niet van toepassing is, moet worden geacht wettig te zijn, dat het bestreden besluit ten overvloede verduidelijkt dat de gemeente Temse geen deel uitmaakt van de havens zoals het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens (hierna : havendecreet) die aanwijst en het bestuur niet kennelijk onredelijk handelt door de geografische omschrijving van de Vlaamse havengebieden in zijn beoordeling te betrekken. Voorts beklemtoont de tweede tussenkomende partij de nood aan een restrictieve interpretatie van de in de indelingslijst gerubriceerde inrichtingen; bij gebrek aan een duidelijke definiëring van de gerubriceerde inrichting mag het bestuur zich niet beroepen op een bepaalde interpretatie van de desbetreffende bepalingen om lacunes in een regeling op te vullen.
  31. In haar laatste memorie stelt de tweede tussenkomende partij dat de verzoeker nooit heeft opgeworpen dat de exploitatie van een haven of haveninstallaties een wezenlijk en niet-afsplitsbaar onderdeel vormt van de ingediende vergunningsaanvraag maar dat zulks ambtshalve wordt opgeworpen in VII-36.986-10/15 het auditoraatsverslag, dat deze kwestie echter geen uitstaans heeft met een regel die de openbare orde raakt, dat het voor het overige geenszins vanzelfsprekend is dat de exploitatie van een haven of haveninstallatie inherent verbonden is met de betrokken inrichting, dat de Raad van State in zijn arresten nr. 100.327 van 25 oktober 2001 en nr. 113.947 van 19 december 2002 terecht de nodige terughoudendheid aan de dag heeft gelegd en niet geoordeeld heeft dat de exploitatie van een haven en haveninstallaties onafsplitsbaar zijn, dat de niet-vergunde exploitatie van een haven of haveninstallatie derhalve niet aan de orde is, dat de verzoeker zich gebeurlijk moet richten tot de met het toezicht belaste overheden, dat de verzoeker met zijn beroep nastreeft dat de Raad van State een voor het bestuur bindende interpretatie zou geven aan een reglementair begrip en, ten slotte, dat de Raad van State in zijn arresten nrs. 184.760, 184.761 en 184.762 van 26 juni 2008 heeft gewezen op de "onduidelijkheden en lacunes" in rubriek 48.3 van de indelingslijst, dat het in de gegeven omstandigheiden nog minder duidelijk is hoe tot een bepaalde interpretatie of definitie moet worden besloten, temeer omdat zulks zou strijden met het wettigheidsbeginsel in strafzaken zoals verwoord door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 36/2008 van 4 maart
  32. De derde tussenkomende partij betoogt dat geen aanvraag werd ingediend voor rubriek 48.3.2 en voor die rubriek evenmin een milieuvergunning werd verleend, dat tegen het exploiteren van een niet-vergunde inrichting desgevallend handhavend kan worden opgetreden, dat de gemeente Temse niet is opgenomen in de afbakening van de havens door het havendecreet, dat er te dezen dan ook geen sprake kan zijn van de exploitatie van een haven of haveninstallatie, dat blijkens een gegroeide consensus het begrip haven gedefinieerd wordt als een tot ligplaats voor schepen geschikt natuurlijk of gegraven waterbekken aan zee of aan de oever van een rivier of meer, dat beschutting biedt tegen wind en golven, dat een kaai of loskade niet valt onder het begrip ligplaats en haven en dat het duidelijk is dat het begrip haven restrictief moet worden opgevat. Beoordeling
  33. De omstandigheid dat de verzoeker de milieuvergunning van 11 september 2003 die dezelfde of alleszins vergelijkbare activiteiten omvatte, niet heeft aangevochten impliceert niet dat de verzoeker geen belang heeft bij voorliggend middel dat strekt tot de nietigverklaring van een beslissing waarbij deze activiteiten worden vergund op een andere locatie. De vaststelling van de eerste tussenkomende partij dat Vlarem II geen sectorale milieuvoorwaarden bevat voor VII-36.986-11/15 de in subrubriek 48.3 van de indelingslijst bedoelde inrichtingen, heeft evenmin uitstaans met het belang van de verzoeker dat gelegen is in de nietigverklaring van de bestreden milieuvergunning die hem persoonlijk schaadt. Het middel is ontvankelijk.
  34. Ten gronde wordt het middel als volgt beoordeeld. Luidens artikel 2 van de motiveringswet moeten alle bestuurs- handelingen met individuele strekking uitdrukkelijk worden gemotiveerd en luidens artikel 3 van die wet moet de motivering de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet de motivering afdoende zijn. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht is gelegen in de beschouwing dat de betrokken bestuurde in het hem aanbelangende besluit zelf, de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan het werd genomen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is het besluit met een annulatieberoep te bestrijden. Artikel 50, 3/, b), van Vlarem I bepaalt dat de uitspraak van de deputatie over het beroep tegen een door het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg genomen besluit over een ingediende milieuvergunningsaanvraag een "gemotiveerde beslissing" dient te omvatten over "de aanspraken en bezwaren die door de indiener(s) van het beroep werden gesteld". De motivering in het licht van de in het beroepschrift naar voor gebrachte bezwaren kan slechts afdoende zijn wanneer een antwoord wordt gegeven op de argumenten die het meest determinerend zijn voor de uitspraak over het ingestelde beroep. In zijn beroepschrift heeft de verzoeker in een omstandig betoog aangevoerd dat de vergunde inrichting, doordat zij een loskade omvat, behoort tot de vergunningsplichtige inrichtingen van de 1ste klasse. Het door de verzoeker ingeroepen argument is determinerend voor de uitspraak over het ingestelde beroep, omdat het gegrond bevinden ervan zou leiden tot de onbevoegdheid van de verwerende partij om over voorliggende vergunningsaanvraag uitspraak te doen. De bestreden milieuvergunning bevat meerdere bijzondere voorwaarden die specifiek betrekking hebben op de exploitatie van de loskade en die voorwaarden strekken er inzonderheid toe de hinderlijkheid van de betrokken activiteiten voor de omgeving te beperken. Wat voorafgaat laat toe VII-36.986-12/15 te besluiten dat de verwerende partij er zelf van is uitgegaan dat de loskade onlosmakelijk verbonden is met de overige activiteiten die met het bestreden besluit worden vergund. In de gegeven omstandigheden komt het niet aan de Raad van State toe om in de plaats van de verwerende partij en afbreuk doende aan de integrale milieuhygiënische beoordeling die uit het bestreden besluit blijkt, de exploitatie van de loskade als een van de inrichting afsplitsbaar onderdeel te beschouwen. Bedoeld bezwaar wordt in het bestreden besluit als volgt beantwoord : "Zoals reeds gesteld in de milieuvergunning afgeleverd door de Deputatie op 11 september 2003 in beroep betreft het hier geen haven of haveninstallatie. Aangezien Temse niet opgenomen is bij de afbakening van de havens (het Havendecreet heeft slechts 4 zones aangeduid : Antwerpen, Gent, Zeebrugge en Oostende) is rubriek 48 hier dus niet van toepassing. Het bedrijf betreft dus wel degelijk een klasse 2-bedrijf en geen klasse 1-bedrijf". Bij de beoordeling van het middel kan slechts rekening worden gehouden met bovenstaande motieven en niet met de standpunten die ter aanvulling of vervollediging van die motivering worden aangebracht in procedurestukken voor de Raad van State. Het havendecreet bevat een definitie van het begrip "havengebied". Luidens artikel 2, 4/, van voormeld decreet moet onder een "havengebied" verstaan worden "elke zeehaven en aanhorigheden in het Vlaamse Gewest die een ruimtelijk, economisch of functioneel geheel vormt". Het havendecreet dat in wezen betrekking heeft op de zeehavens is niet dienstig voor de afbakening van de door subrubriek 48.3 van de indelingslijst ingestelde milieuvergunningsplicht voor havens en haveninstallaties. Terzake kan volstaan worden met de vaststelling dat subrubriek 48.3 van de indelingslijst mede betrekking heeft op "visserijhavens" en havens en haveninstallaties voor de "binnenscheepvaart". De havens en haveninstallaties bedoeld in subrubriek 48.3 kunnen derhalve niet beperkt worden tot de vier zeehavens en havengebieden die aangeduid worden in het havendecreet. Ten overvloede geldt de vaststelling dat het opschrift van rubriek 48 van de bij Vlarem I gevoegde lijst van als hinderlijk beschouwde inrichtingen, niet alleen "zee-havengebieden" vermeldt, maar ook "havens". VII-36.986-13/15 De verwijzing naar de op 11 september 2003 verleende milieuvergunning kan daarenboven niet dienen als afdoende motivering van het bestreden besluit, omdat de uitspraak over een vroegere - zelfs vergelijkbare - vergunningsaanvraag de vergunningverlenende overheid er niet van ontslaat elke nieuwe aanvraag te toetsen aan de toepasselijke verordenende bepalingen. Het onaantastbaar karakter van de vergunning van 11 september 2003, die een louter individuele beslissing is en die in geen geval kan dienen als dwingende rechtsnorm voor het beoordelen van een latere vergunningsaanvraag, ontbeert dan ook elke relevantie. Het bezwaar van de verzoeker is derhalve niet afdoende beantwoord in het bestreden besluit. Het eerste middel is in die mate gegrond. BESLISSING
  35. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 15 maart 2007 waarbij de beroepen, onder meer van Bob d'Haen, tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse van 10 oktober 2006, houdende het verlenen aan de NV Etablissementen Désiré Van Riet van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een handel in bouwstoffen, brandstoffen en andere (bulk)goederen, deels gelegen aan de Wilfordkaai en deels aan de Scheldekaai te Temse, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd mits wijziging en aanvulling van de bijzondere exploitatievoorwaarden.
  36. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  37. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 375 euro, elk voor een derde. VII-36.986-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes mei tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-36.986-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.740 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.