id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.805 Rolnummer: A. 195364/X-15676 Zaak: Arrest 203805 - Politie - 10/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:43 Fiche Arrest nr 203.805 van 10 mei 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 203.805 van 10 mei 2010 in de zaak A. 195.364/IX-6696 In zake : Koen VAN PARYS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de gemeente MALDEGEM
- de burgemeester van de gemeente MALDEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te Kortrijk President Kennedypark 6/24 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 20 januari 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de burgemeester van de gemeente Maldegem waarbij aan Koen Van Parys de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 april
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. IX-6696-1/6 Advocaat Mathieu Lagaet, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Kaat Decock, die loco advocaat Dirk Van Heuven verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is op het ogenblik van de feiten die tot de hier bestreden tuchtsanctie hebben geleid, tewerkgesteld als inspecteur van politie in de politiezone Maldegem. Op 26 december 2008 blijkt de verzoeker betrokken geweest te zijn in een vechtpartij op straat, hetgeen tot een tussenkomst van de lokale politie van Bredene heeft geleid en tevens tot een kortstondige arrestatie van de verzoeker. Van het gebeuren werd proces-verbaal opgemaakt. 3.
- De verzoeker blijkt sinds 1 maart 2009 “afgedeeld” of gede- tacheerd naar de politiezone Middelkerke. Van de correcte juridische situatie van de verzoeker sinds 1 maart 2009 worden evenwel geen bewijzen overgelegd. 3.
- Bij brief van 20 april 2009 meldt de procureur des konings te Brugge aan de korpschef van de politiezone Maldegem dat het strafdossier over het gebeuren geseponeerd werd. 3.
- Op 2 juli 2009 beslist de korpschef van de politiezone Maldegem voor de feiten de hogere tuchtoverheid te vatten omdat hij van oordeel is dat die feiten mogelijks een zware tuchtstraf kunnen genereren. 3.
- Op 8 oktober 2009 stelt de burgemeester van Maldegem, in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, lastens de verzoeker een inleidend verslag IX-6696-2/6 op waarin hij het voornemen formuleert om aan de verzoeker voor de feiten de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. 3.
- De verzoeker dient een verweerschrift in en hij wordt op 23 november 2009 gehoord. 3.
- Op 25 november 2009 beslist de burgemeester aan de verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert aan dat hij ingevolge de bestreden beslissing geen blanco tuchtstrafblad meer heeft, hetgeen actueel, dringend en cruciaal is omdat hij wenst deel te nemen aan het vergelijkend examen voor aspirant- hoofdinspecteur. Dat examen is zodanig gestructureerd dat enkel de besten per taalrol toegelaten worden tot de opleiding, zulks op basis van een vergelijkend examen bestaande uit drie proeven, met name eerst een beroepsproef, vervolgens een persoonlijkheidsproef en tenslotte een gesprek met de selectiecommissie die uiteindelijk beslist welke kandidaten batig gerangschikt worden. Bij laatstvermeld gesprek heeft de commissie toegang tot het dossier van de kandidaat en kan zij kennis nemen van zijn tuchtverleden. In die optiek is hij benadeeld ten opzichte van andere kandidaten met een blanco tuchtverleden, omdat een tuchtstraf een negatief element is dat onmiskenbaar door de selectiecommissie mee betrokken wordt in haar globale evaluatie van de kandidaat. Volgens hem is dat nadeel niet louter hypothe- tisch, want het is zeer aannemelijk en logisch te veronderstellen dat de keuze tussen de kandidaten met vergelijkbare resultaten zal gaan naar diegene zonder tuchtverle- IX-6696-3/6 den, inzonderheid nu de tuchtfeiten, zoals omschreven door de tuchtoverheid, de indruk doen ontstaan dat verzoeker als een dronkenman al vechtend over straat rolt, terwijl het tegendeel waar is. Het nadeel is moeilijk te herstellen vermits de vernietiging pas zal volgen op een moment dat de vergelijkende examens en de evaluatie door de selectiecommissie reeds een feit zal zijn; het nadeel is ook ernstig aangezien het ertoe kan leiden dat verzoeker niet batig gerangschikt wordt en niet zal toegelaten worden tot de opleiding. Bovendien voert hij ernstige middelen aan die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden; in het bijzonder verwijst de verzoeker naar zijn achtste middel waarin de onbevoegdheid van de steller van de akte wordt aangevoerd. Hij stelt dat de Raad van State in dergelijk geval zelden nog een onderzoek naar het bestaan van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voert.
- De verwerende partij antwoordt daar in haar nota op dat het aangevoerde nadeel louter hypothetisch is, aangezien verzoeker zich op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift nog geen kandidaat gesteld heeft voor deelname aan het vergelijkend examen en de oproep voor dit examen trouwens nog niet verschenen is. Zij voert verder aan dat blijkens artikel VII.II.8 het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, het beschikken over een blanco tuchtblad geen toelatingsvoorwaarde is om deel te nemen aan het vergelijkend bevorderingsexamen en dat in ieder geval het tuchtblad van de kandidaat op geen enkel ogenblik beoordeeld wordt, zodat de blaam nooit een determinerende factor kan zijn in de bevorderingsprocedure. Dat de selectiecommissie toegang heeft tot het persoonlijk dossier van de kandidaat en zodoende kennis neemt van zijn tuchtverleden, wordt alvast niet gestaafd door de oproeping voor het vergelijkend examen. De verzoeker slaagt er aldus niet in aannemelijk te maken dat de tuchtstraf een rol, laat staan een doorslaggevende rol, zou spelen bij de beoordeling door de selectiecommissie. Voor zover de Raad van oordeel zou zijn dat de verzoeker toch een nadeel lijdt, is het in ieder geval niet ernstig omdat het een toekomstig nadeel betreft dat in ieder geval slechts kan ontstaan na een nieuwe administratieve beslissing waartegen beroep openstaat; het mogelijks niet in aanmerking komen voor een bevordering omwille van een lichte tuchtsanctie is in beginsel ook geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel en de verzoeker kan de vernietiging en de schorsing van toekomstige bevordering vragen indien ten onrechte rekening zou gehouden worden met de bestreden tuchtsanctie. IX-6696-4/6 Beoordeling
- Uit het dossier blijkt dat de verzoeker zich daadwerkelijk ingeschreven heeft voor de selectie 2010 voor de aanwijzing tot aspirant-hoofdin- specteur. In geval hij slaagt in de opeenvolgende proeven, zal hij binnen afzienbare tijd in aanmerking komen voor een gesprek met de selectiecommissie, die op dat ogenblik misschien zal kennis krijgen van het tuchtverleden van de verzoeker.
- De verwerende partij betwist niet dat de opgelegde tuchtstraf een rol kan spelen bij de beoordeling van de bekwaamheden van de verzoeker door de selectiecommissie. Er is evenwel geen reden om die loutere mogelijkheid, die overigens afhangt van de realisatie van verschillende onzekere factoren, thans reeds te catalogeren als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat volgt uit de hier bestreden beslissing, aangezien de door de verzoeker gevreesde situatie zich slechts kan manifesteren in een nieuwe administratieve beslissing, waartegen hij zich op dat ogenblik in rechte kan verzetten.
- De verzoeker verwijst naar het ernstig karakter van de aangevoer- de middelen en inzonderheid naar het “manifest” gegrond middel -het achtste- waarin hij aanvoert dat de burgemeester van Maldegem, wegens de detachering van de verzoeker, geen lichte tuchtstraf kon opleggen en bij gebrek aan vraag van de zone Middelkerke ook niet bevoegd was om een zware tuchtstraf op te leggen. Daargelaten de vaststellingen dat de Raad van State het ernstig karakter van een middel slechts uitzonderlijk bij de beoordeling van het nadeel betrekt, met name wanneer dat ernstig karakter bij een eerste aanblik van het verzoekschrift blijkt, en dat de verzoeker geen duidelijkheid verschaft over de juridische kwalificatie van zijn overgang naar de lokale zone Middelkerke, heeft de auditeur-verslaggever in zijn prima facie onderzoek de vereiste ernst van het middel niet onderkend omdat, naar zijn oordeel, artikel 21 van de tuchtwet slechts betrekking heeft op tuchtfeiten die plaats vinden tijdens de detachering. Ter terechtzitting brengt de raadsman van de verzoeker geen argumenten aan die de onjuistheid van deze uitlegging onmiddellijk duidelijk maakt; minstens is daarvoor nader onderzoek nodig, wat evenwel geen plaats heeft binnen het onderzoek van het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De ernst van het achtste middel ligt niet voor de hand; er wordt geen rekening mee gehouden bij de beoordeling van het nadeel. IX-6696-5/6
- Het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet aangetoond. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6696-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.805 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.691 ECLI:BE:RVSCE:2014:ARR.227.612 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div