id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.809 Rolnummer: A. 192471/IX-6344 Zaak: Arrest 203809 - Politie - 10/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 04:43 Fiche Arrest nr 203.809 van 10 mei 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 203.809 van 10 mei 2010 in de zaak A. 192.471/IX-6344 In zake : Dirk OOSTERLINCK wonend te Bornem Branstsedreef 25 B alwaar woonplaats wordt gekozen tegen :
- de Politiezone MECHELEN die woonplaats kiest bij PZ 5358 MECHELEN gevestigd te MECHELEN Fr. De Merodestraat 88
- de stad MECHELEN die woonplaats kiest bij PZ MECHELEN - Juridische dienst, gevestigd te MECHELEN Fr. De Merodestraat 88 ----------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 mei 2009, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de korpschef van de politiezone Mechelen van 6 maart 2009 waarbij Dirk Oosterlinck wordt herplaatst. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 200.817 van 15 februari 2010 wordt de afstand van het geding vastgesteld. Bij arrest nr. 202.184 van 22 maart 2010 wordt de materiële vergissing in het voornoemd arrest nr. 200.817 van 15 februari 2010 rechtgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april
- IX-6344-1/3 Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. De verzoeker is gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Beoordeling
- Naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. De verzoekende partij heeft te dezen geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. In de kennisgeving aan de verzoekende partij, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, is meegedeeld dat de kamer de afstand van het geding zou uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. Op de zitting zet de verzoekende partij uiteen dat zij weliswaar niet tijdig om de voortzetting van het geding gevraagd heeft, maar dat zij toch positief geantwoord heeft op de vraag van de griffie om gehoord te worden, hetgeen bewijst dat zij wel degelijk wenste dat het geding volgens de normale procedure zou voortgezet worden. IX-6344-2/3 Zij verliest daarbij evenwel uit het oog dat de gecoördineerde wetten op de Raad van State zelf -artikel 17, § 4ter- hem de verplichting opleggen om, na de kennisneming van een voor hem ongunstig arrest omtrent de schorsings- vordering, de voortzetting van het geding te vragen. Dit is hem ook door de griffie van de Raad van State medegedeeld toen zij hem met de brief van 18 september 2009 het arrest in de schorsingszaak betekende. Het verzoek om gehoord te worden in het kader van de vaststelling van het vermoeden van afstand beoogt enkel de Raad van State toe te laten met zekerheid te kunnen vaststellen dat de verzoeker inderdaad niet om de voortzetting heeft gevraagd. Aangezien de verzoeker niet betwist dat hij niet tijdig om de voortzetting heeft gevraagd na ontvangst van de brief van 18 september 2009, is het vermoeden van afstand van het geding te dezen van toepassing. In het arrest nr. 200.817 van 15 februari 2010 werden de kosten van het geding reeds begroot, zodat in dit arrest geen uitspraak over de kosten dient te worden gedaan. BESLISSING De Raad van State stelt de afstand van het geding vast. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6344-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.809 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.990 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.817 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div