← België

Arrest 203821 - Politie - 10/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.821 Rolnummer: A. 167881/IX-5129 Zaak: Arrest 203821 - Politie - 10/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:43 Fiche Arrest nr 203.821 van 10 mei 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 203.821 van 10 mei 2010 in de zaak A. 167.881/IX-5129 In zake : Hans DEVOLDER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Vandenbussche kantoor houdend te Harelbeke Tuinstraat 37 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de politiezone RIHO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Coppens kantoor houdend te Roeselare Westlaan 358 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 18 november 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 12 september 2005 van de politieraad van de politiezone RIHO om Hans Devolder niet opnieuw op te nemen in het korps van de lokale politie. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 154.239 van 30 januari 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-5129-1/15 Auditeur Henri Colin heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april
  3. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wim Vandenbussche, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Alain Coppens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest anderslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker was, tot op het ogenblik dat zijn vrijwillig ontslag werd aanvaard met ingang van 1 januari 2004, inspecteur van politie bij de lokale politie van de politiezone Roeselare-Izegem-Hooglede (RIHO). 3.
  6. Op 24 november 2003 legt het politiecollege aan de verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing bij tuchtmaatregel voor een duur van 15 dagen op wegens het niet aanvangen van de dienst op het voorziene uur, zijn afwezigheid op de dienst en het bemoeilijken van een gerechtelijk dossier. Blijkens de door de verwerende partij neergelegde stukken heeft het politiecollege op 18 december 2003 besloten de tuchtsanctie in werking te doen treden op 1 januari
  7. IX-5129-2/15 3.
  8. Met een aangetekende brief van 15 december 2003 deelt de verzoeker aan de verwerende partij mee dat hij vrijwillig ontslag neemt; hij wijst erop dat de toepasselijke regelgeving voorziet dat de opzegtermijn van één maand (die loopt van 1 januari 2004 tot en met 31 januari 2004) in onderlinge afspraak kan ingekort worden. Met een brief van 18 december 2003 deelt de verwerende partij aan de verzoeker mee dat het politiecollege voorstelt de voorziene opzeggingster- mijn van één maand in te korten en zijn vrijwillig ontslag, mits zijn akkoord, op datum van 1 januari 2004 te laten ingaan. De verzoeker verklaart zich akkoord met dat voorstel. 3.
  9. Op 22 december 2003 besluit de politieraad de aanvaarding van het vrijwillig ontslag van de verzoeker bij hoogdringendheid aan de agenda toe te voegen en het vrijwillig ontslag van de verzoeker te aanvaarden met ingang van 1 januari
  10. 3.
  11. Met een 23 december 2003 gedateerd en door hem ondertekend document “functioneringsevaluatie n.a.v. vrijwillig ontslag” stelt verzoekers korpschef de eindvermelding “onvoldoende” voor. De samenvattende motivatie van die vermelding luidt als volgt: “INP Devolder Hans heeft zo zijn eigen idee met betrekking tot de inhoud en de betekenis van het beroep van politieambtenaar. Hij is heel zelfzuchtig ingesteld en houdt totaal geen rekening met zijn collega’s of de wensen van zijn oversten. Betrokkene kent enkel rechten en geen plichten. Om zijn rechten te laten gelden gaat betrokkene tot het uiterste en ontziet daarbij niets of niemand. Betrokkene doet enkel waar hij zin in heeft en op zijn manier. Hij duldt hierbij geen enkele tegenspraak.” In fine van dat document, wordt onder een luik “Bijkomende inlichtingen” vermeld wat volgt: “Op 15/12/2003 werden wij in kennis gesteld van het vrijwillig ontslag. Betrokkene wordt herhaaldelijk uitgenodigd (schriftelijk en telefonisch) teneinde zich aan te bieden voor de functioneringsevaluatie. Betrokkene heeft, tot op heden 23/12/2003, niet van zich laten horen en kon ondanks herhaalde- lijke contactname (aan zijn woning en telefonisch) niet aangetroffen worden. Teneinde betrokkene vooralsnog in kennis te stellen van deze evaluatie wordt deze functioneringsevaluatie bijgevoegd bij de kennisgeving van de goedkeu- ring door de politieraad van het vrijwillig ontslag dat per aangetekend schrijven aan INP Devolder Hans wordt toegezonden op 23/12/2003.” IX-5129-3/15 Het door de verwerende partij neergelegd document is niet voor kennisname ondertekend door de verzoeker, noch bevat het zijn commentaar, met name of hij al dan niet akkoord gaat met het advies dat werd uitgebracht. Blijkens de door de verwerende partij neergelegde stukken was de verzoeker gedurende de ganse maand december 2003 afwezig wegens ziekte. 3.
  12. Met een op 23 december 2003 ter post aangetekend verzonden brief deelt de voorzitter van de politieraad, onder de hoofding “Betreft: Aanvraag vrijwillig ontslag”, aan de verzoeker mee wat volgt: “Wij hebben uw schrijven d.d. 15.12.2003 betreffende de aanvraag tot het bekomen van vrijwillig ontslag in goede orde ontvangen. De politieraad heeft in zitting van 22.12.2003 akte genomen van uw verzoek. Er werd besloten uw ontslag te aanvaarden met ingang van 01 januari
  13. De personeelsdienst van de PZ RIHO werd hiervan ingelicht teneinde de nodige maatregelen en administratieve afhandelingen te kunnen treffen.” De brief maakt nergens gewag van enigerlei bijlage. 3.
  14. Met een aangetekende brief van 6 juli 2005 richt de verzoeker een verzoek tot heropneming in het politiekorps van de politiezone aan de korpschef. 3.
  15. Met een 11 juli 2005 gedateerde nota verstrekt de Dienst Intern Toezicht van de politiezone, ingevolge dat verzoek tot heropneming, advies aan de korpschef. In dat advies wordt nagegaan of de verzoeker voldoet aan de voorwaarden, opgesomd in artikel IX.III.4 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: RPPol). Dit artikel bepaalt onder meer het volgende: “Art. IX.III.
  16. De kandidaat voor heropneming moet de volgende voorwaar- den vervullen: 1/ op het ogenblik van het aangenomen ontslag, een functioneringsevaluatie zonder de eindvermelding ‘onvoldoende’ hebben; 2/ [...]; 3/ [...]; IX-5129-4/15 4/ [...]; 5/ [...]; 6/ [...]” Wat betreft de eerste in dat artikel gestelde voorwaarde voor heropneming wordt in het advies het volgende gesteld: “Op het ogenblik van het aangenomen ontslag (december 2003) was de evaluatieprocedure en daaruit voortvloeiende functioneringsevaluatie zoals deze wordt bedoeld in art. IX.III.4 nog niet in werking. Er werd bijgevolg een functioneringsevaluatie, in de zin van de omzendbrief GPI 11bis, opgesteld. Nadat betrokkene herhaaldelijk werd uitgenodigd teneinde kennis te nemen van de functioneringsevaluatie en deze uitnodigingen onbeantwoord bleven, werd de evaluatie per aangetekend schrijven toegezon- den aan de heer Devolder Hans. De toegezonden functioneringsevaluatie had de eindvermelding ‘onvoldoende’. Het tuchtblad van Devolder Hans vermeldde op 31/12/2003 de definitief geworden zware tuchtstraf ‘schorsing bij tuchtmaatregel voor de duur van 15 dagen’. Verzoeker voldoet niet aan de gestelde voorwaarde.” 3.
  17. Op 22 augustus 2005 neemt het politiecollege kennis van het advies van de Dienst Intern Toezicht van de politiezone, stelt het vast dat de verzoeker niet voldoet aan het eerste punt van de voorwaarden, opgenomen in artikel IX.III.4 en besluit het verzoekers vraag tot heropneming op de agenda van de eerstvolgende politieraad te plaatsen. 3.
  18. Op 12 september 2005 beslist de politieraad, met verwijzing naar het advies van de Dienst Intern Toezicht van de politiezone en naar het voorstel van het politiecollege, dat de verzoeker niet heropgenomen wordt in het korps van de lokale politie van de politiezone. Die beslissing, die op 22 september 2005 aan de verzoeker wordt betekend, is de bestreden beslissing. 3.
  19. Op 4 oktober 2005 dient de verzoeker hoger beroep in tegen zijn evaluatie met eindvermelding “onvoldoende” bij de Inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie; in zijn beroepschrift laat hij gelden dat hij tot 23 september 2005 niet op de hoogte was van het bestaan van een functioneringsevaluatie met vermelding “onvoldoende”, dat hem nooit enig adviesformulier met een voorgestelde eindvermelding werd voorgelegd, dat een dergelijk formulier dan ook nooit door hem werd ondertekend, noch voor akkoord, noch voor niet akkoord, dat de Dienst Intern Toezicht van de politiezone hem IX-5129-5/15 momenteel geen inzage geeft in zijn dossier om reden dat hij niet meer in functie is, dat ook een voorafgaand gesprek nooit heeft plaatsgevonden en hij er ook niet toe uitgenodigd werd, en dat hij, nu het bestaan van een functioneringsevaluatie hem tot 23 september 2005 totaal onbekend was, niet in de mogelijkheid was om vroeger hoger beroep aan te tekenen. 3.
  20. Op 13 oktober 2005 verzendt de Algemene Inspectie - dienst statuten het hiernavolgend e-mailbericht aan de Dienst Intern Toezicht van de politiezone: “Ik heb in goede orde uw faxbericht dd. 12-10-2005 in verband met het dossier Hans DEVOLDER ontvangen. U zond mij een afschrift van een brief dd. 23-12-2003, ondertekend door de heren burgemeesters D. DENYS en W. VERLEDENS, gericht aan dhr. H. DEVOLDER in verband met de aanvaarding van zijn vrijwillig ontslag evenals een functioneringsevaluatie nav. vrijwillig ontslag met betrekking tot de heer H. DEVOLDER. U voegde ook een afgifte bewijs van aangetekende zending (datumstempel 23-12-2003) bij. In voormelde functioneringsevaluatie staat dat, opdat betrokkene ervan alsnog in kennis zou worden gesteld, zij zou worden gevoegd bij de kennisge- ving van de goedkeuring van het vrijwillig ontslag door de politieraad. Kan u mij per kerende bevestigen dat dit wel degelijk is gebeurd en dat derhalve het bewijs van aangetekende zending ook de notificatie van de functioneringsevaluatie dekt? Er wordt in die evaluatie ook gesteld dat betrokkene herhaaldelijk schriftelijk werd uitgenodigd om zich voor die evaluatie aan te bieden. Kan u mij een afschrift van deze brieven bezorgen? [...]” Dezelfde dag antwoordt de Dienst Intern Toezicht van de politiezone het volgende: “Het bewijs van aangetekende zending dekt ook het evaluatieformulier. Ik kan u helaas geen afschriften van betrokken brieven overmaken daar er van deze geen kopijen werden bewaard. Van de telefonische oproepen naar betrokkene kan dit ook niet gebeuren aangezien op dat ogenblik de telefonische gesprekken van en naar de zone (nog) niet geregistreerd werden. [...]” 3.
  21. Op 18 oktober 2005 richt de verzoeker zich tot de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen met het verzoek de beslissing van 12 september 2005 van de politieraad waarbij zijn verzoek tot heropneming wordt afgewezen, te vernietigen; ook in dat verzoekschrift argumenteert de verzoeker dat er hem geen functioneringsevaluatie bekend is, dat hem nooit enige adviesformulier met een voorgestelde eindvermelding is voorgelegd, dat voorafgaande gesprekken nooit IX-5129-6/15 hebben plaatsgevonden en dat hij hiertoe ook niet werd uitgenodigd, en dat hem inzage in zijn persoonlijk dossier werd geweigerd om reden dat hij niet meer in functie is; hij besluit dat het document waarbij hem een functioneringsevaluatie met eindvermelding “onvoldoende” wordt toebedeeld niet rechtsgeldig is opgesteld, en dat er dus op basis van dat document geen geldige beslissing kon worden genomen door de politieraad. Ook op 18 oktober 2005 richt de verzoeker een brief aan de korpschef, waarin hij stelt dat een functioneringsevaluatie met de vermelding “onvoldoende” hem totaal onbekend is en hem ook nooit werd voorgelegd; hij vraagt dan ook inzage in zijn persoonlijk dossier, meer bepaald in het betreffend document. 3.
  22. Met een brief van 20 oktober 2005 deelt de Inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie aan de verzoeker mee wat volgt: “[...] U stelt in uw brief dat u tot op 23 september 2005 niet op de hoogte was dat uw dossier een functioneringsevaluatie met eindvermelding ‘onvoldoende’ bevatte. De PZ RIHO laat mij evenwel weten dat deze functioneringsevaluatie dd. 23 december 2003 u samen met de aanvaarding van uw vrijwillig ontslag met ingang van 1 januari 2004 werd betekend. De PZ RIHO legt mij hiertoe een bewijs van aangetekende zending met datum van 23 december 2003 voor. Ik meen dan ook te kunnen stellen dat uw gemotiveerd verzoekschrift niet lijkt te voldoen aan de voorwaarde bepaald bij artikel VII.I.44 RPPol met name dat het om geldig te zijn moet ingediend zijn binnen de 14 dagen na kennis- neming van de betwiste evaluatie. Een verdere behandeling van uw verzoek- schrift lijkt mij dan ook niet mogelijk. [...]” 3.
  23. Met een brief van 26 oktober 2005 deelt de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen aan de verzoeker mee dat de schorsingstermijn reeds verstreken was op het ogenblik dat zijn klacht inkwam, dat onderzoek van de beslissing echter reeds had uitgewezen dat een verzoek tot heropname in het korps kan worden geweigerd omwille van het feit dat betrokkene, op het ogenblik van het ontslag, een functioneringsevaluatie heeft met de eindmelding “onvoldoende”, dat dit mogelijk is op grond van artikel IX.II.4.1/, RPPol, dat de beslissing van de politieraad derhalve genomen is overeenkomstig de wetten en verordeningsbepalin- gen met betrekking tot de lokale politie en dat, aangezien het hier gaat over een perfect wettelijke beslissing, deze niet werd geschorst. IX-5129-7/15 3.
  24. Met een brief van 27 oktober 2005 deelt de verzoeker aan de Inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie mee dat de bewering dat zijn functioneringsevaluatie hem zou zijn toegestuurd samen met de brief waarin de aanvaarding van zijn vrijwillig ontslag werd betekend, totaal onjuist is, dat enkel deze brief hem verstuurd is, dat die brief niet vergezeld was van enig ander document, dat in de brief op geen enkele manier verwezen wordt naar een bijgevoegd document, en dat hij er bij blijft dat hem geen functioneringsevalua- tie werd toegestuurd, meegedeeld, voorgelegd of betekend; hij verzoekt dan ook zijn verzoekschrift alsnog te behandelen, daar er naar zijn mening is voldaan aan de voorwaarde dat het moet ingediend zijn binnen de veertien dagen na kennisneming van de betwiste evaluatie. 3.
  25. Met een brief van 3 november 2005 deelt de dienst Integrale Kwaliteitszorg van de politiezone RIHO, met verwijzing naar een overleg met de juridische dienst van de geïntegreerde politie, aan de verzoeker mee dat hij, gelet op zijn statuut van burger, geen inzage kan hebben in zijn persoonlijk dossier. 3.
  26. Met een aangetekende brief van 16 november 2005 richt de Inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie zich naar aanleiding van de brief van 27 oktober 2005 van de verzoeker tot de korpschef van de politiezone RIHO; hij vraagt de korpschef na te gaan of hij het standpunt van de Dienst Intern Toezicht van de politiezone RIHO inzake de betekening van de functioneringsevaluatie naar aanleiding van het vrijwillig ontslag aan de verzoeker kan bevestigen, de vraag te beantwoorden of deze evaluatie wel degelijk op 23 december 2003 tezamen met de aanvaarding van zijn ontslag aan de verzoeker werd toegestuurd en eventuele bijkomende gegevens te bezorgen die er zouden kunnen toe bijdragen zich een goed beeld te vormen van de geschetste problematiek inzake de betekening van de evaluatie; hij verzoekt om een schriftelijke reactie vóór 9 december
  27. 3.
  28. Met een brief van 25 november 2005 bevestigt de korpschef dat de evaluatie van de verzoeker werd meegestuurd met de beslissing van zijn ontslag; hij deelt nog mee dat via de dienst IKZ verschillende malen tevergeefs gepoogd werd de evaluatie aan de verzoeker te betekenen, en voegt daaraan toe dat, met veel moeite, pas na enkele maanden na zijn ontslag zijn korpsuitrusting kon gerecupe- reerd worden. IX-5129-8/15 IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  29. De verzoeker roept in een eerste middel in dat de bestreden beslissing gebaseerd is op onjuiste feiten en bijgevolg aangetast is door machtsover- schrijding. De bestreden beslissing is, aldus de verzoeker, gesteund op het vermeend bestaan van een negatieve functioneringsevaluatie. Er bestaat geen dergelijke evaluatie, minstens heeft hij er nooit kennis van gekregen en is deze evaluatie niet regelmatig tot stand gekomen. De laatste evaluatie waarvan de verzoeker kennis heeft, kaderde in de toekenning van een hogere loonschaal en was positief. De verzoeker wijst erop dat in tegenstelling tot wat zou moeten zijn gebeurd mocht er effectief ook later een andere functioneringsevaluatie zijn doorgevoerd, hij nooit werd uitgenodigd tot evaluatiegesprekken noch in dit verband enig document heeft ontvangen of getekend zoals beschreven in de desbetreffende omzendbrieven GPI 11 en GPI 11bis. De verzoeker concludeert dat er dus geen negatieve functione- ringsevaluatie, minstens geen regelmatige negatieve functioneringsevaluatie bestaat waardoor de weigeringsgrond van de Politieraad zonder voorwerp is geworden en de bestreden beslissing moet worden vernietigd.
  30. De verwerende partij antwoordt dat zij de verzoeker meermaals heeft uitgenodigd om mee te werken bij de voorbereiding van de functionerings- evaluatie en om kennis te nemen van deze evaluatie, doch tevergeefs. Zij stelt de functioneringsevaluatie met de eindvermelding “onvoldoende”, die opgesteld is aan de hand van de beginselen van behoorlijk bestuur, te hebben opgestuurd naar de verzoeker op 23 december 2003 samen met de kennisgeving van het vrijwillig ontslag. Na zijn vrijwillig ontslag, aldus de verwerende partij, verdween de verzoeker met de noorderzon zodat zij grote moeite had om hem te contacteren onder andere met het oog op de teruggave van zijn uitrusting. IX-5129-9/15 Ten slotte benadrukt de verwerende partij de zogenaamde kwade trouw van de verzoeker en diens ontoereikend professioneel functioneren.
  31. Hierop antwoordt de verzoeker in zijn memorie van wederant- woord dat hij nooit kennis heeft gekregen van het negatief functioneringsevaluatie- verslag; het werd, aldus de verzoeker, pas opgemaakt naar aanleiding van het door de verzoeker gevraagde vrijwillig ontslag en dit in een sfeer van negativiteit. Hij benadrukt ook dat het verslag niet is opgesteld zoals voorzien in de toepasselijke wetgeving; zo wordt nergens aangetoond door de verwerende partij dat hij schriftelijk of telefonisch zou gecontacteerd zijn om zich aan te bieden voor een functioneringsevaluatie. Voorts herhaalt hij dat het negatief functioneringsverslag hem niet was overgemaakt. Hij concludeert dat naar zijn mening het negatief evaluatieverslag niet werd opgesteld op 23 december 2003, doch later. Ten slotte merkt de verzoeker op dat het negatieve functionerings- verslag inhoudelijk onjuist is; hij meent dat hij wel degelijk toereikend functioneer- de. In zijn laatste memorie beklemtoont de verzoeker dat er geen enkel geldig bewijs is dat het functioneringsverslag effectief in tempore non suspecto aan hem werd overgemaakt en dat de brief van 20 oktober 2005 van de Inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie wel degelijk de beslissing is van de raad van beroep om het beroep als laattijdig af te wijzen temeer in fine van die brief vermeld wordt dat de verzoeker zich kan wenden tot de Raad van State. Beoordeling
  32. Naar luid van artikel IX.I.8, 1/ RPPol, geeft het vrijwillig ontslag aanleiding tot ambtsneerlegging. Naar luid van artikel IX.III.2 RPPol, wordt het personeelslid dat overeenkomstig artikel IX.I.8, 1/, sedert minder dan vier jaar ontslag uit zijn ambt heeft verkregen, onder de in artikel IX.III.4 bedoelde voorwaarden, op zijn verzoek opnieuw opgenomen in het politiekorps waarvan het deel uitmaakte op de datum van zijn ontslag. IX-5129-10/15 Het (destijds geldend) artikel IX.III.4 RPPol luidt als volgt: “Art. IX.III.
  33. De kandidaat voor heropneming moet de volgende voorwaar- den vervullen: 1/ op het ogenblik van het aangenomen ontslag, een functioneringsevaluatie zonder de eindvermelding ‘onvoldoende’ hebben; [...]”. Naar luid van artikel XIII.II.1, 1/ RPPol, treedt titel I van deel VII (“De evaluatie”) in werking op de door de minister bepaalde datum en ten laatste op 1 april
  34. Op het ogenblik dat verzoekers vrijwillig ontslag werd aanvaard, was titel I van deel VII nog niet in werking getreden. Naar luid van artikel XII.VII.2, eerste lid, van het RPPol, dat deel uitmaakt van hoofdstuk I (“De evaluatie”) van titel VII (“Overgangsbepalingen met betrekking tot deel VII van dit besluit”) van deel XII (“Overgangsbepalingen”) wordt, tot op de datum van inwerkingtreding van titel I van deel VII, telkenmale als overeenkomstig de bepalingen van het RPPol als vereiste wordt bepaald geen onvoldoende evaluatie te genieten, een advies opgesteld door de korpschef wanneer het personeelslid lid is van de lokale politie en wint deze te dien einde alle nodige inlichtingen in, inzonderheid bij de onmiddellijk hiërarchische meerdere. Naar luid van artikel XII.VII.2, tweede lid, RPPol betreft het in het eerste lid bedoelde advies de wijze van vervulling van de opdracht en kan de minister nadere regels bepalen inzake de inhoud van dit advies en de procedurerege- len. Bij ministeriële omzendbrief GPI 11 van 27 maart 2003 werden “nadere richtlijnen inzake de adviesprocedure voor de evaluatie van de personeelsle- den van de politiediensten” verstrekt; bij ministeriële omzendbrief GPI 11bis van 24 juni 2004, dus na verzoekers vrijwillig ontslag, werden “bijkomende richtlijnen inzake de evaluatie van het personeel” verstrekt. Naar luid van artikel XII.VII.3, kan, indien door de korpschef ingevolge artikel XII.VII.2 een negatief advies wordt opgesteld, het personeelslid hiertegen een beroep instellen bij de in artikel VII.I.41 bedoelde raad van beroep overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen VII.I.44 tot en met VII.I.
  35. IX-5129-11/15 Naar luid van het (destijds geldend) artikel VII.I.41, bestaat bij de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie de raad van beroep die als volgt is samengesteld: 1/ de Inspecteur-generaal van de algemene inspectie, voorzitter; 2/ één bijzitter per representatieve vakorganisatie; 3/ een overeenkomstig 2/ vastgesteld aantal bijzitters waarvan zo mogelijk evenveel leden tot de lokale als tot de federale politie behoren. Naar luid van het (destijds geldend) artikel VII.I.44, staat tegen de beslissing van de eindverantwoordelijke voor de evaluatie, waarbij deze besluit tot de eindvermelding “onvoldoende”, hoger beroep open bij de raad van beroep en moet dat hoger beroep, om geldig te zijn, bij gemotiveerd verzoekschrift worden ingediend bij de Inspecteur-generaal en dit binnen de veertien dagen na kennisne- ming van de in het eerste lid bedoelde beslissing. Naar luid van het (destijds geldend) artikel VII.I.45, oordeelt de raad van beroep op basis van het evaluatiedossier waarvan alle stukken, opgesteld in het raam van de betwiste evaluatie, deel uitmaken. Naar luid van het (destijds geldend) artikel VII.I.46, kan de raad van beroep hetzij de bestreden evaluatie bevestigen, dan wel geheel of gedeeltelijk wijzigen, houdt zijn beslissing de eindevaluatie in van de geëvalueerde over de betrokken evaluatieperiode en wordt de beslissing van de raad van beroep zonder verwijl ter kennis gebracht van de geëvalueerde en van de eindverantwoordelijke voor de evaluatie.
  36. De verzoeker stelt in hoofdorde dat er geen negatieve functione- ringsevaluatie is opgesteld. Het administratief dossier bevat evenwel wel degelijk een op 23 december 2003 gedateerde en door de korpschef ondertekende negatieve “functioneringsevaluatie n.a.v. vrijwillig ontslag”. De Dienst Intern Toezicht, en nadien de politieraad, kon op grond van dat stuk terecht tot de bevinding komen dat de verzoeker niet voldeed aan de eerste bij artikel IX.III.4 gestelde voorwaarde om heropgenomen te kunnen worden in het korps, met name op het ogenblik van het aangenomen ontslag een functione- IX-5129-12/15 ringsevaluatie zonder de eindvermelding “onvoldoende” hebben, mits de evaluatie definitief was.
  37. Tegen kwestieuze functioneringsevaluatie “onvoldoende” staat het bij artikel VII.I.44 bedoeld hoger beroep open dat een georganiseerd beroep is bij de raad van beroep die er verplicht uitspraak dient over te doen, dit met inbegrip van de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Te dezen dient te worden vastgesteld dat de verzoeker op 4 oktober 2005 tegen zijn functioneringsevaluatie hoger beroep instelt bij de inspecteur-generaal, tevens voorzitter van de raad van beroep; hij voert daarbij aan dat hij tot 23 september 2005 niet op de hoogte was van het bestaan van een negatieve evaluatie en dat hij dan ook niet in de mogelijkheid was om vroeger tegen die beslissing hoger beroep aan te tekenen. Met een brief van 20 oktober 2005 deelt de Inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie aan de verzoeker weliswaar mee dat hij “meent” dat het verzoekschrift niet “lijkt” te voldoen aan de voorwaarde dat het, om geldig te zijn, moet ingediend zijn binnen 14 dagen na kennisneming van de betwiste evaluatie en dat een verdere behandeling ervan hem dan ook niet mogelijk “lijkt”. Uit deze brief van 20 oktober 2005 blijkt niet dat de raad van beroep zelf verzoekers beroep heeft beoordeeld. De verwijzing in deze brief naar de mogelijkheid beroep aan te tekenen bij de Raad van State betreft een beroep tegen de beslissing van de politieraad om de verzoeker niet her op te nemen. De Inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie vraagt trouwens met een brief van 16 november 2005 gericht aan de politiezone RIHO om bijkomende informatie omtrent de betekening van het functioneringsverslag aan de verzoeker. Ook uit geen ander stuk van het administratief dossier blijkt dat de raad van beroep zelf al een uitspraak heeft gedaan over het beroep van de verzoeker.
  38. Uit de feiten, zoals ze de Raad van State zijn ter kennis gebracht, blijkt dat, na de bestreden beslissing, hoger beroep is ingesteld door de verzoeker IX-5129-13/15 tegen de evaluatie met vermelding onvoldoende en dat de raad van beroep vooralsnog geen uitspraak over dit georganiseerd administratief beroep heeft gedaan, noch wat de ontvankelijkheid van het beroep inzonderheid of het beroep tijdig is ingediend, noch wat de grond van de zaak betreft. Door de zaak niet aan de raad van beroep voor te leggen heeft de Inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale en lokale politie de verplichte rechtsgang die de verzoeker moest volgen geblokkeerd. Het is niet aan de Raad van State in de huidige stand van het geding kennis te nemen van de door de verzoeker aangevoerde onregelmatigheden waarmee de functioneringsevaluatie zou zijn behept noch van de ontvankelijkheid van het hoger beroep bij de raad van beroep. Wel leidt een en ander tot de vaststelling dat er geen eindbeslissing bestaat over de evaluatie van de verzoeker. De bestreden beslissing is uitsluitend gesteund op de overweging dat de verzoeker bij de functioneringsevaluatie de eindvermelding “onvoldoende” heeft gekregen. Dit vormt geen rechtsgeldig motief in zoverre zij als gezegd, steunt op een evaluatie die niet definitief is. Na de uitspraak van de raad van beroep zal het aan de politieraad van de politiezone RIHO zijn om een nieuwe beslissing te nemen over de vraag van de verzoeker tot heropneming, rekening houdend met de uitspraak van de raad van beroep. BESLISSING
  39. De Raad van State vernietigt de beslissing van 12 september 2005 van de politieraad van de politiezone RIHO om Hans Devolder niet opnieuw op te nemen in het korps van de lokale politie.
  40. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. IX-5129-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5129-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.821 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.239 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.