← België

Arrest 203830 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.830 Rolnummer: A. 161281/X-12260 Zaak: Arrest 203830 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:43 Fiche Arrest nr 203.830 van 10 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMERnr. 203.830 van 10 mei 2010 in de zaak A. 161.281/X-12.

  1. In zake: de b.v.b.a. T.S. FASHION bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Govaerts kantoor houdend te 3800 SINT-TRUIDEN Beekstraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van LIMBURG --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 29 maart 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 1 februari 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij, eensdeels, het beroep van de verzoekende partij wordt verworpen tegen het besluit van 9 november 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Tongeren waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het plaatsen van “4 screens in de raamopeningen op de verdieping” van een winkelpand te Tongeren, Sint-Truiderstraat 2, kadastraal bekend sectie C, nr. 788, en anderdeels, de voormelde stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. X-12.260-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 oktober
  4. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Tom Roosen, bestuurssecretaris, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Gehoord adjunct-auditeur Sofie De Doncker, daartoe gemachtigd bij besluit van 31 oktober 2008 van de adjunct-auditeur-generaal, in haar eensluidend advies. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De verzoekende partij dient op 15 oktober 2004 een aanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Tongeren tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het vervangen van een etalage, en het plaatsen van 3 zonneweringen en 4 screens aan een woning gelegen te Tongeren, Sint-Truiderstraat
  7. De aanvraag heeft betrekking op het perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 788 dat overeenkomstig het gewestplan Sint-Truiden-Tongeren, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 april 1977, gelegen is in woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde. Er bestaat voor dit perceel geen behoorlijk vergunde verkaveling. Het perceel is gelegen binnen de grenzen van het bij koninklijk besluit van 27 juni 1984 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg “Grote Markt- D7172/11B”.
  8. Bij brief van 28 oktober 2004 verleent de afdeling Monumenten en Landschappen van de AROHM een gunstig advies voor wat betreft het vervangen van de etalage en het plaatsen van 3 zonneweringen. De plaatsing van de 4 screens in de raamopeningen van de verdieping wordt ongunstig geadviseerd om redenen dat het gebouw is opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed en het aanbrengen van de screens het uitzicht van het gebouw grondig zou verstoren. X-12.260-2/8
  9. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Tongeren neemt op 9 november 2004 de beslissing tot het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning voor het wijzigen van de etalageramen en het aanbrengen van de zonneweringen. Het aanbrengen van de 4 screens wordt in navolging van het ongunstig advies van de afdeling Monumenten en Landschappen niet vergund overwegende dat “de plaatsing van 4 screens in de raamopeningen op de verdieping door de overdreven oppervlakte en overmatig gebruik van opvallende materialen niet in overeenstemming is met de bouwvoorschriften gevoegd bij het betreffende BPA inzonderheid met de bepalingen van artikel 10 (...) en met de bepalingen van artikel 18”. Voornoemd artikel 10 bepaalt wat volgt: “(...) commerciële reclame blijft beperkt tot die geveloppervlakken die overeenkomen met de betrokken handelsfunctie. Uithangborden en dergelijke met betrekking tot de aard van de handelsfunctie zijn op de hogere verdieping toegelaten mits de omvang bescheiden blijft (...)”. Artikel 18 luidt als volgt: “(...) een overmatige verscheidenheid van materialen en kleuren en het gebruik van camouflerende, nabootsende en in het oog springende gevelmaterialen, bekleding enz. zijn tegengesteld aan de doelstelling om de harmonie in de architectuur en het straatbeeld te bevorderen of te herstellen (...)”.
  10. Op 30 november 2004 stelt de raadsman van de verzoekende partij beroep in tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg.
  11. Bij besluit van 1 februari 2005 wordt het beroep van de verzoekende partij niet ingewilligd. Het bestreden besluit overweegt wat volgt: “(...) Overwegende dat de ordening ter plaatse wordt geregeld door het BPA ‘Grote Markt-D7172/11B’; dat in dit BPA ondermeer volgende artikels van kracht zijn : Artikel 10: ‘Commerciële reclame blijft beperkt tot die geveloppervlakten die overeenkomen met de betrokken handelsfunctie. Uithangborden en dergelijke met betrekking tot de aard van de handelsfunctie zijn op de hogere verdieping toegelaten mits de omvang bescheiden blijft (...)’ Artikel 18 : X-12.260-3/8 (...) een overmatige verscheidenheid van materialen en kleuren en het gebruik van camouflerende, nabootsende en in het oog springende gevelmaterialen, bekledingen enz. zijn tegengesteld aan de doelstelling om de harmonie in de architectuur en het straatbeeld te bevorderen of te herstellen...’. Overwegende dat op het betreffende perceel zich momenteel een pand bevindt dat opgenomen is in de inventaris van het bouwkundig erfgoed; dat op het gelijkvloers van dit pand een winkelruimte ingericht is; dat de beroeper een vergunning vroeg voor het wijzigen van etalageramen, het plaatsen van zonnewering en het plaatsen van screens in de raamopeningen op de verdieping; dat de eerste twee werken door het College van Burgemeester en Schepenen vergund werden; dat de vergunning geweigerd werd voor het plaatsen van de screens; Overwegende dat de dienst Monumenten en Landschappen een negatief advies verleende omtrent de plaatsing van de screens; Overwegende dat de aanvraag tot het plaatsen van vier screens voor de ramen van de verdieping betreft; dat op deze screens er telkens een opdruk van het logo van de onderliggende winkel staat; dat de screens dus kunnen beschouwd worden als een vorm van reclame-uithangbord voor de betreffende winkel; dat ze in deze zin niet in overeenstemming zijn met het BPA; Overwegende dat op het gevelontwerp duidelijk te zien is dat de screens erg bepalend zijn voor het uitzicht van de gevel; dat door het afschermen van de raamopeningen door de ondoorzichtige en in het oog springende screens het authentieke karakter van dit gebouw verloren gaat; dat dit niet aanvaardbaar is aangezien het hier gaat om een gebouw dat opgenomen is op de inventaris van het bouwkundig erfgoed; Overwegende dat de betreffende winkelruimte samen met de naastgelegen winkel ondergebracht is in één pand; dat hoewel er op het gelijkvloers een duidelijke scheiding is tussen beide winkels de eenheid van het gebouw op de verdieping nog duidelijk af te lezen is; dat indien er voor de vier ramen van de winkel van de beroeper screens zouden geplaatst worden dit het onderscheid tussen beide winkels nog zou versterken; dat de eenheid van het pand daardoor bijna volledig verloren zou gaan”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  12. De verwerende partij stelt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep: “Overwegende dat ons college, in limine litis, erop wenst te wijzen dat de verzoekende partij nergens in het verzoekschrift melding maakt van haar ondernemingsnummer; dat ingevolge artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, iedere handels- of ambachtsonderneming evenwel verplicht is om haar ondernemingsnummer te (doen) vermelden op ieder deurwaardersexploot dat op haar verzoek wordt betekend; dat dit artikel, ingevolge de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 tot bepaling van de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de vermelde wet van 16 januari 2003, in werking is getreden op 1 juli 2003; X-12.260-4/8 dat het vermelde artikel gelijkluidend is aan de artikelen 40 en 41 van de wetten op het handelsregister, gecoördineerd bij koninklijk besluit d.d. 24 juli 1964; dat dan ook kan worden geconcludeerd dat in een procedure voor uw Raad iedere handels- of ambachtsonderneming in het verzoekschrift niet langer melding moet maken van het handelsregisternummer, maar wel van het ondernemingsnummer, en dit op straffe van onontvankelijkheid; dat aangezien in casu het ondernemingsnummer niet werd vermeld, in toepassing van artikel 14 van de vermelde wet van 16 januari 2003, de vordering tot nietigverklaring onontvankelijk moet worden verklaard; 2 Overwegende dat ons college er verder op wijst dat, eveneens op straffe van onontvankelijkheid, het bij uw Raad ingediende verzoekschrift moet worden vergezeld van de statuten van de rechtspersoon, alsmede van een stuk waaruit blijkt dat tot het instellen van het beroep tot nietigverklaring tijdig werd beslist door het daartoe bevoegde orgaan, overeenkomstig de geldende wettelijke en statutaire bepalingen; dat immers, overeenkomstig artikel 257, 3de alinea van het Wetboek van Vennootschappen, enkel de zaakvoerder van de BVBA bevoegd is om namens de BVBA een rechtsgeding in te leiden en de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen, behoudens een statutair beding genomen in overeenstemming met het vermelde artikel 257 (...); dat ons college uw Raad dan ook vraagt het beroep als onontvankelijk te verwerpen, voor zover blijkt dat deze vereiste niet werd nageleefd; dat ons college ervan op de hoogte is dat in bepaling nr. 15.4 van het Raad van State-Vademecum betreffende de toepassing van de nieuwe procedureregels, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 14 januari 1999, is bepaald dat de Griffie van uw Raad de bovenvermelde stukken opvraagt en de verzoekende partij deze binnen een termijn van 15 dagen moet bezorgen; dat ons college echter niet met zekerheid weet of de verzoekende partij deze stukken, na hiertoe te zijn verzocht, ook effectief aan uw Raad heeft bezorgd; dat, indien dit niet het geval mocht zijn, de onontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring moet uitgesproken worden wegens het ontbreken van de statuten van de vennootschap en van een stuk waaruit blijkt dat tot het instellen van de vordering tijdig werd beslist door het daartoe bevoegde orgaan van de vennootschap”.
  13. In haar memorie van wederantwoord verwijst de verzoekende partij naar haar ondernemingsnummer zoals vermeld in haar memorie van wederantwoord en naar de mogelijkheid, zoals voorzien in artikel 14, tweede lid van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, om “bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen alsnog in een later stadium van de procedure te bewijzen”. Voorts verwijst zij naar haar aangetekend schrijven van 19 april 2005 waarmee zij haar gecoördineerde statuten heeft neergelegd ter griffie van de Raad van State, alsmede een verklaring van de enige zaakvoerder van 24 maart 2005 waarin werd beslist tot het instellen van het annulatieberoep. X-12.260-5/8 Beoordeling
  14. Artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen luidt als volgt : ‘Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer. Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen. Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank de vordering van ambtswege onontvankelijk”.
  15. Uit de bewoordingen van de wet kan afgeleid worden dat het bewijs van inschrijving in de loop van de procedure kan worden voorgelegd. Bij brief van 19 april 2005 bezorgde de verzoekende partij de gecoördineerde tekst van de statuten aan de griffie van de Raad van State. Uit dit stuk blijkt dat de verzoekende partij ten tijde van het indienen van het verzoekschrift was ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen. De eerste exceptie is ongegrond. Niets belette de verwerende partij ter griffie het dossier in te kijken. De bedenkingen van die partij met betrekking tot de bevoegdheid om het rechtsgeding in te leiden, kunnen niet als een exceptie worden beschouwd. V. Onderzoek van het enig middel Enig middel Standpunt van de partijen
  16. De verzoekende partij put een enig middel uit de schending van artikel 11 van de Grondwet, “het decreet van 22 oktober 1996” en de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het gelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht. Zij stelt dat: X-12.260-6/8 “de door verzoekster aangevraagde screens beschouwd worden als zijnde niet in overeenstemming met het gemeentelijk bijzonder plan van aanleg ‘Grote Markt’ omdat zij een vorm van commerciële reclame zouden zijn; dat het bedoelde BPA zulke reclame evenwel toelaat mits deze bescheiden blijft; dat uit de motivering van het bestreden besluit niet blijkt waarom de door verzoekster beoogde reclame niet aan deze voorwaarde zou voldoen; dat de in het bestreden besluit opgenomen beschrijving van de screens niet toelaat te concluderen in welke mate de door verzoekster beoogde reclame strijdig zou zijn met de voorschriften van het BPA; dat verzoekster een aanvraag heeft gedaan voor screens, uitgevoerd in zwart/wit, m.a.w. zonder een overmatige verscheidenheid van kleuren en zonder enig storend effect op het uitzicht van de gevel”. Tot slot doet zij gelden: “dat verzoekster bovendien niet in gelijke mate wordt behandeld als andere omliggende handelaars in dezelfde straat, voor wie hetzelfde BPA geldt; dat de gevels in de Sint-Truiderstraat te Tongeren een veelvoud van reclameborden in alle afmetingen en kleuren vertonen; dat aan deze andere uitbaters wel een stedenbouwkundige vergunning werd verleend, minstens dat tegen hen niet wordt opgetreden”. Beoordeling van het enig middel
  17. Het bestreden besluit steunt op twee motieven. Enerzijds wordt de stedenbouwkundige vergunning geweigerd omdat de aanvraag strijdt met de bepalingen van het van kracht zijnde BPA “Grote Markt”. Anderzijds wordt geoordeeld dat de eenheid van het pand, dat is opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed, omzeggens volledig verloren gaat door het plaatsen van 4 screens op de verdieping van het winkelpand.
  18. De verzoekende partij grondt haar middel louter op het eerste motief van het bestreden besluit.
  19. Met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat het tweede vermelde weigeringsmotief voldoende draagkrachtig is en volstaat om het bestreden besluit te schragen. De verzoekende partij voert tegen dit weigeringsmotief echter geen middel aan. De in het middel bekritiseerde overweging betreft derhalve een overtollig motief. Kritiek op een overtollig motief kan niet tot de vernietiging leiden. Het middel kan dan ook niet worden aangenomen. X-12.260-7/8 BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het beroep.
  21. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien mei 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.260-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.830 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.