id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.833 Rolnummer: A. 180912/X-13179 Zaak: Arrest 203833 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:43 Fiche Arrest nr 203.833 van 10 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 203.833 van 10 mei 2010 in de zaak A. 180.912/X-13.
(4)en 191§1 DORO is daarbij geenszins van louter informatieve waarde maar materieel recht. Het Hof van Cassatie was namelijk van oordeel dat de strafrechter toepassing dient te maken van de regel dat de constructies waarvan door enig bewijsmateriaal wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, maar die dateren van vóór de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, vermoed worden te zijn vergund indien de overheid niet kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift, dat de constructie in overtreding werd opgericht, nu dat statuut bestaat onafhankelijk van en voorafgaand aan de vermelding ervan in het vergunningenregister of het ontwerp ervan (Cass. 13 december 2005, P050891 N). In dit arrest werd de conclusie van de thans Procureur-generaal bij het Hof van Cassatie M. DE SWAEF bijgetreden welke ondermeer verwees naar de X-13.179-17/21 supra aangehaalde Parlementaire voorbereidingen en concludeerde dat de regeling materieel recht is: ‘(...) Tijdens de bespreking werd sterk de nadruk gelegd op, wat zou kunnen worden genoemd de materieelrechtelijke draagwijdte van het vermoeden van vergunning (zie o.a. Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 8). Heel duidelijk werd dit verwoord door Patrick Lachaert op de volgende wijze. Hij beklemtoonde het feit dat een bouwmisdrijf verjaard is, nog niet betekent dat het vergund is. Juist daarvoor werd het vermoeden van vergunning als oplossing voorgesteld: ‘Het CD&V-voorstel is daarom volgens de heer Lachaert onvolledig, in die zin dat het enkel de verjaring beoogt en niet handelt over het probleem van de vergunningsplicht. Het voorstel van de meerderheid tracht ook daarvoor een oplossing te bieden. Constructies waarvoor er geen bouwvergunning is, vergunning die er na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw moest zijn, maar die dateren van vóór de eerste, definitieve vaststelling van het gewestplan voor het gebied waarin ze zijn gelegen, worden geacht een vergunning te hebben. Daardoor kan er geen strafbaar feit zijn, omdat er geacht wordt een vergunning te zijn.’ En nog: ‘De heer Lachaert stelt verder dat in dit voorstel rekening wordt gehouden met de terechte kritiek van de burger dat men tussen de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 en de definitieve vaststelling van de gewestplannen een stedenbouwkundige vergunning kon krijgen omdat niemand wist in welke zone zou worden gebouwd. Voor die periode is er daarom een vermoeden van ‘onschuld’, behalve indien de overheid bewijsmateriaal kan voorleggen’ (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 24). 2.- In voor de aanvragers tijdens de hoorzitting neergelegde nota werd expliciet gewezen op het supra aangehaalde en werd gewezen op het feit dat de motivering van het Beroep van de Gemachtigde Ambtenaar tegen de gedeeltelijke inwilligingsbeslissing van de Bestendige Deputatie strijdig was met de feiten en artikel 96§4 DORO. De Gemachtigde Ambtenaar daarin gevolgd door verwerende partij in de bestreden beslissing verwijst namelijk naar een ‘goedgekeurd bouwplan’. Vastgesteld dient te worden dat het plan waar de gemachtigde ambtenaar en verwerende partij in de bestreden beslissing op steunen geenszins een goedgekeurd bouwplan betreft daar de gemeentelijke stempel ontbreekt. De Gemeente HAACHT en verwerende partij blijven bovendien tot op heden ingebreke dan wel een afgestempeld bouwplan voor te leggen. Verzoekende partij argumenteerde in het kader van de administratieve procedure dat het door de gemachtigde ambtenaar bijgebrachte bouwplan waarschijnlijkerwijze een bouwplan betreft dat mogelijks voorgelegd werd aan de Gemeente in het kader van een andere/vroegere bouwaanvraag welke geen uitwerking heeft gekregen nu het nooit goedgekeurd werd. Aan de bouwvergunning ging namelijk ondermeer nog een verzoek tot inlichtingen vooraf. De plaatselijke toestand van het perceel is bovendien zeer drassig wat mogelijks een andere inplanting dan initieel voorzien noodzakelijk heeft gemaakt waardoor een andere bouwaanvraag werd ingediend dan op vermeld bouwplan. Daarentegen beschikt verzoekende partij over Formulier A van de bouwvergunning dd. 12.06.1968 welke in tegenstelling tot supra vermeld plan voor en na de bouwwerkzaamheden werd afgestempeld als zijnde X-13.179-18/21 vergunningsconform zodat de initiële woning ontegensprekelijk in overeenstemming met de vigerende wetgeving werd opgericht. Bovendien werd bij aankoop van de woning door verzoekers bij de akte verleden door notaris K.L. VERSTRAETEN-PUYLAERT dd. 31.10.1969 een bouwplan gevoegd dat overeenstemt met de feitelijke situatie. De thans door de verwerende partij gehanteerde weerlegging van het vermoeden ex artikel 96 §4 2/ lid is dan ook strijdig met de bepaling zelf nu gesteund wordt op een niet goedgekeurd bouwplan en faalt dan ook volkomen in rechte en in feite. Aanvragers beschikken derhalve over een bestaand en vergunde woning zodat de supra weergegeven bepalingen van artikel 145bis DORO van toepassing zijn. De bestreden beslissing schendt dan ook de bepalingen en beginselen opgeworpen ter hoogte van het middel. Het tweede middel is gegrond”. 5.1.
- In zijn laatste memorie wijst de verzoeker erop dat ingevolge de inwerkingtreding van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voortaan voor woningen die gebouwd zijn tussen 22 april 1962 en de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarin ze gelegen zijn het vergund karakter alleen nog kan worden tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het bouwen van de woning. B. Beoordeling van het tweede middel 5.2.
- Ingeval er essentiële wijzigingen aan de oorspronkelijk aan het college van burgemeester en schepenen voorgelegde aanvraag worden aangebracht nadat beroep werd ingesteld op grond van artikel 53 van het gecoördineerde decreet, kunnen noch de bestendige deputatie, noch de bevoegde minister zich over die wijzigingen uitspreken aangezien luidens artikel 43 van hetzelfde decreet de beschikking op bouwaanvragen in de eerste plaats aan de gemeentelijke overheid is opgedragen en, buiten het in artikel 53, § 1 van het voormelde decreet bedoelde geval, waarin het college van burgemeester en schepenen verzuimt zich binnen de gestelde termijn over de vergunningsaanvraag uit te spreken, door geen andere overheid over een vergunningsaanvraag beslist kan worden zonder dat eerst de gemeente erover uitspraak heeft gedaan. Het komt aan diegene die gebruik wenst te maken van een uitzonderingsregel niet alleen toe zich daar in zijn aanvraag uitdrukkelijk op te beroepen, doch hij dient in zijn aanvraag eveneens de nodige concrete gegevens aan te brengen die aantonen dat aan de door deze uitzonderingsregel gestelde voorwaarden is voldaan. X-13.179-19/21 5.2.
- In onderhavige zaak wordt in de beschrijvende nota bij de regularisatieaanvraag uitdrukkelijk gesteld dat “de woning niet conform de bouwvergunning dd. 12 juni 1968 werd opgericht”. Volgens het bij de bouwaanvraag horende bouwplan is de woning op ongeveer 30 meter van de Vossenberg ingeplant. Verder voegden de aanvragers bij hun aanvraag het plan- Verhoeven dat ten opzichte van de Vossenberg een inplanting van de woning voorziet op ongeveer 50 meter. Bij de behandeling van hun beroep voor de bestendige deputatie stellen de aanvragers dat de gebouwde woning evenals de inplanting ervan sterk afwijkend waren van de vergunde bouwaanvraag, maar dat zij dit bij de aankoop niet wisten aangezien bij de aankoopakte enkel de landmetersschets was gevoegd en hen voor de verkoop door de vorige eigenaars het goedgekeurde plan (inplantingsplan en bouwplannen) van de bouwvergunning van 12 juni 1968 niet ter beschikking werd gesteld. In het middel stelt de verzoeker, in navolging van hetgeen hij in de administratieve procedure voor de minister heeft aangevoerd, dat hij beschikt over een vergunde woning daar de landmetersschets overeenstemt met de feitelijke situatie en de stelling in het bestreden besluit als zou de in 1968 verleende vergunning niet zijn gevolgd, steunt op het plan-Verhoeven dat “geenszins een goedgekeurd bouwplan betreft daar de gemeentelijke stempel ontbreekt”. Het komt erop neer dat de verwerende partij het plan-Verhoeven niet had mogen aanzien als het bouwplan dat op 12 juni 1968 werd vergund. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de aanvraag niet anders kon worden begrepen als betrekking hebbend op de afwijking tussen de bestaande situatie en het plan-Verhoeven dat door de aanvragers tot op de behandeling voor de bestendige deputatie werd aanzien als het bouwplan dat op 12 juni 1968 werd vergund. Pas bij de behandeling voor de minister hebben de aanvragers er zich tegen verzet dat het plan-Verhoeven werd aanzien als het bouwplan dat op 12 juni 1968 werd vergund. Het komt erop neer dat de aanvraag geen betrekking zou hebben op de afwijking tussen de bestaande situatie en het plan-Verhoeven, maar op de afwijking tussen de bestaande situatie en de landmetersschets, wat onmiskenbaar moet worden aanzien als een essentieel verschil. 5.2.
- De verzoeker doet niet blijken van het naar recht vereiste belang bij het middel vermits, zelfs indien de Raad van State het gegrond zou bevinden, de bevoegde minister om voormelde redenen niet anders zou kunnen dan vast te stellen niet bevoegd te zijn om zich uit te spreken over de in graad van administratief beroep op een essentieel punt gewijzigde aanvraag. X-13.179-20/21 5.2.
- Het tweede middel is niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien mei 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.179-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.833 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div