← België

Arrest 203835 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.835 Rolnummer: A. 169821/X-12678 Zaak: Arrest 203835 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:43 Fiche Arrest nr 203.835 van 10 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 203.835 van 10 mei 2010 in de zaak A. 169.821/X-12.

  1. In zake: Carlo SACCOMANI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Ryckaert kantoor houdend te 9900 EEKLO Koningin Astridplein 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  2. de gemeente WAARSCHOOT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Vande Rostyne kantoor houdend te 9950 WAARSCHOOT Molenstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen
  3. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Koen DANEL wonende te 9950 WAARSCHOOT Oostmoer 20 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 27 januari 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 24 oktober 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Waarschoot waarbij aan de tussenkomende partij de vergunning wordt verleend voor het bouwen van een houten carport op een terrein gelegen te Waarschoot, Oostmoer 20, kadastraal bekend sectie C, nr. 351/z/
  5. X-12.678-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 23 juni
  7. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 november
  8. Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Celine Haegeman, die loco advocaat Luc Ryckaert verschijnt voor de verzoeker, advocaat Jan Coene, die loco advocaat Frank Vande Rostyne verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Wim Lammens, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de tweede verwerende partij, en Koen DANEL, die in persoon verschijnt, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten
  10. Op 5 juli 2005 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor het bouwen van een houten carport op X-12.678-2/9 een perceel gelegen aan de Oostmoer 20 te Waarschoot, kadastraal bekend sectie C, nr. 351/z/
  11. Het betrokken perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 24 maart 1978 vastgestelde gewestplan Eeklo-Aalter gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. De verzoeker is eigenaar en bewoner van het rechtsaanpalende perceel, gelegen aan de Oostmoer
  12. Van 15 juli 2005 tot 14 augustus 2005 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd, tijdens hetwelk de verzoeker een bezwaarschrift indient, dat onder meer luidt als volgt: “De inplanting van een bijgebouw op de perceelsgrens en aangebouwd aan het hoofdgebouw van een halfopen bebouwing is stedenbouwkundig niet verantwoord en veroorzaakt te veel hinder op het aanpalende perceel gelegen te 9950 Waarschoot, Oostmoer
  13. Het voorstel is strijdig met een goede stedenbouwkundige aanleg”.
  14. Op 19 augustus 2005 geeft de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar een gunstig advies over de aanvraag. Hij stelt daarbij het volgende: “Dit bezwaar wordt weerlegd omdat de garage slechts een hoogte heeft van 2.50 en een diepte van 6.00 m. Daarbij is ze gelegen in het noorden ten opzichte van de bezwaarindieners zodat er geen sprake is van lichthinder. Daarbij dient er vermeld te worden dat afsluitingen met dezelfde hoogte ook voor vergunning vatbaar zijn. Het voorstel om de garage achteraan op te richten (zie advies AROHM 12/09/03) zou voor de bezwaarindiener voor grotere geluidsoverlast kunnen zorgen. (...) Gelet dat de aanvraag voldoet aan de afwijkingsbepalingen van art. 145 bis inzake zonevreemdheid en de goede fysische toestand van de bestaande woning. Gelet dat de volumenorm gerespecteerd wordt en dat het karakter en het aantal woongelegenheden beperkt blijft tot het bestaande aantal en dat de woongelegenheden beperkt blijft tot het bestaande aantal en dat de woningbijgebouwen één bouwfysisch geheel vormen met de bestaande woning. De goede ruimtelijke ordening wordt niet in het gedrang gebracht”.
  15. Op 22 augustus 2005 verklaart het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Waarschoot het ingediende bezwaarschrift ontvankelijk maar ongegrond en geeft het een gunstig preadvies over de aanvraag. Het overweegt daarbij het volgende: X-12.678-3/9 “Overwegende dat de garage slechts een hoogte heeft van 2,50 m en een diepte van 6,00 m en dat dit bezwaar aldus kan worden weerlegd. Daarbij is ze gelegen in het noorden ten opzichte van de bezwaarindiener zodat er geen sprake is van lichthinder, en dient er vermeld te worden dat afsluitingen met dezelfde hoogte ook voor vergunning vatbaar zijn. Het voorstel om de garage achteraan op te richten (zie advies AROHM 12/09/2003) zou voor de bezwaarindiener voor grotere geluidsoverlast kunnen zorgen”.
  16. Op 14 oktober 2005 geeft de gemachtigde ambtenaar een gunstig advies over de aanvraag. Na te hebben vastgesteld dat de aanvraag principieel niet verenigbaar is met de gewestplanbestemming, maar dat te dezen toepassing kan worden gemaakt van artikel 145bis, § 1, eerste lid, 6° van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, sluit hij zich aan bij de beoordeling in het advies van het college van burgemeester en schepenen en overweegt hij nog het volgende: “Vanuit stedenbouwkundig oogpunt zijn er geen bezwaren. De aanvraag voldoet aan de uitzonderingsbepaling van het decreet. Het volume, de materiaalkeuze, de vormgeving e.d. past in de omgeving. De inplanting brengt toekomstige ontwikkelingen niet in het gedrang. De ruimtelijke draagkracht wordt niet overschreden. De aanvraag is voor vergunning vatbaar”.
  17. Op 24 oktober 2005 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Waarschoot de gevraagde vergunning te verlenen. IV. De ontvankelijkheid van de tussenkomst
  18. De tussenkomende partij heeft onder meer zijn verzoekschrift tot tussenkomst niet met een ter post aangetekende brief, zoals voorgeschreven, maar bij gewone brief aan de Raad van State toegezonden. Overeenkomstig artikel 84, § 1 van het algemeen procedurereglement dienen alle processtukken aan de Raad van State toegezonden te worden met een ter post aangetekende brief. Anders dan in het geval van de aangetekende zending, behoort het niet tot het wezen van de verzending bij “gewone brief” dat zij tegen ontvangstbewijs ter post wordt bezorgd. Dit kenmerk vormt het fundamenteel verschil tussen beide zendingen. De aangetekende zending, precies wegens dat specifiek kenmerk, wordt als enige geldige wijze van toesturen van de processtukken aan de Raad van State opgelegd. Voorts heeft dit verzoekschrift tot tussenkomst geen vaste datum gekregen binnen de in het algemeen procedurereglement bepaalde termijn. Het verzoek tot tussenkomst is derhalve niet ontvankelijk. X-12.678-4/9 V. Ontvankelijkheid van het beroep A. Tijdigheid van het beroep Uiteenzetting van de exceptie
  19. De eerste verwerende partij betwist de tijdigheid van het beroep. De verzoeker stelt enkel dat hij op 14 december 2005 kennis heeft genomen van de bestreden beslissing, terwijl de beslissing dateert van 24 oktober
  20. Hij geeft niet aan door welke feitelijke omstandigheden hij op de hoogte werd gebracht van de bestreden beslissing en dat het dus niet mogelijk is na te gaan of het beroep tijdig werd ingesteld. Omdat de verzoeker aldus de termijn voor het instellen van een beroep voor zich kan uitschuiven, is het beroep onontvankelijk. Beoordeling
  21. De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement), de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij liggen, wanneer zij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van de administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van het algemeen procedurereglement ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet X-12.678-5/9 vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat.
  22. In dit geval brengt de eerste verwerende partij geen concreet gegeven aan waaruit blijkt dat de verzoeker vóór 14 december 2005 kennis had van de bestreden vergunning. De exceptie is niet gegrond. B. Belang van de verzoeker Uiteenzetting van de exceptie
  23. De tweede verwerende partij betwist het belang van de verzoeker, die volgens haar niet aantoont wat zijn rechtstreeks en persoonlijk voordeel is bij een nietigverklaring van de bestreden beslissing. Het enige belang dat hij heeft bestaat erin een arrest waarin tot de nietigverklaring zou worden besloten, aan te voeren in een geding voor de gewone rechter. Een dergelijk onrechtstreeks belang volstaat niet. Bovendien is de Raad van State niet bevoegd om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot de niet conform de bestreden vergunning uitgevoerde werken. Beoordeling
  24. In de mate dat in het verzoekschrift de schending van burgerlijke rechten wordt aangevoerd waarvan de beoordeling tot de bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken behoort, is de Raad van State niet bevoegd er kennis van te nemen. De verzoeker is eigenaar en bewoner van een woning op een perceel dat grenst aan het perceel waarop de bestreden vergunning betrekking heeft. Hij beroept zich op de verstoring van zijn uitzicht door de vergunde constructie, die opgericht wordt tot op de grens tussen zijn perceel en dat van de vergunninghouder. X-12.678-6/9 Hij beschikt bijgevolg wel degelijk over een persoonlijk en rechtstreeks belang bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. De exceptie is niet gegrond. VI. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  25. In een enig middel wordt de schending aangevoerd van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO). De verzoeker stelt dat de vergunningverlenende overheid onvoldoende rekening heeft gehouden met het esthetische aspect van de goede ruimtelijke ordening en met de hinder die de vergunde constructie aan de buren berokkent. De vergunningverlenende overheid moet het project immers in al zijn aspecten onderzoeken. Vooreerst wordt de carport tot op de grens met het perceel van de verzoeker gebouwd, waardoor de open strook ter hoogte van de oprit wordt dichtgemaakt, wat de esthetiek van de omgeving in het gedrang brengt, omdat de indruk ontstaat van gesloten bebouwingen. De carport werd aan de achterkant grotendeels dichtgebouwd en is bijgevolg een aan de straatkant openstaand houten “kot”, hetgeen een storend uitzicht is en neerkomt op een “esthetische vloek”. Er werd geen bouwvrije strook gerespecteerd. Het bouwen tot tegen de perceelsgrens is slechts aanvaardbaar indien dit wordt gekoppeld aan de garage van de verzoeker. Ten slotte zou de vergunninghouder bij de bouw van de carport 40 cm van de eigendom van de verzoeker hebben ingepalmd. Beoordeling
  26. Zoals reeds werd gesteld bij de beoordeling van de exceptie met betrekking tot het belang van de verzoeker is de Raad van State niet bevoegd om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot burgerlijke rechten, die tot de uitsluitende bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken behoren. In de mate dat het middel betrekking heeft op de beweerde uitvoering van de bestreden vergunning in strijd met het eigendomsrecht, met name voor wat betreft het laatste door de verzoeker aangehaalde element, is het niet ontvankelijk. X-12.678-7/9
  27. Artikel 4 DRO bepaalt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. De verzoeker bekritiseert in zijn middel in wezen de hinder die deze constructie voor de buren zou opleveren, alsook het esthetische aspect van de vergunde constructie. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht vermag de Raad van State niet zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is wel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voor wat het eerste aspect betreft, wordt bij de beantwoording van het door de verzoeker ingediende bezwaarschrift overwogen dat er geen sprake kan zijn van lichthinder en dat afsluitingen van een zelfde hoogte eveneens vergunbaar zijn, zodat de hoogte van de vergunde constructie op zich geen hinder kan vormen. Voorts wordt overwogen dat het oprichten van de vergunde constructie dieper in het betrokken perceel alleszins meer geluidshinder zou opleveren. Deze beoordeling, die werd overgenomen in de bestreden beslissing, kan niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. Voor wat betreft het tweede aspect voert de verzoeker in essentie aan dat de indruk ontstaat van een gesloten bebouwing, dat hij uitkijkt op een houten “kot” en dat geen bouwvrije strook werd gerespecteerd. De eerste twee elementen zijn veeleer subjectieve impressies die in de bestreden beslissing anders en alleszins niet kennelijk onredelijk werden beoordeeld, nu erin wordt gesteld dat het volume, de materiaalkeuze en de vormgeving van de vergunde constructie in de omgeving passen, mede gelet op het “open” karakter van een carport in vergelijking met een gesloten constructie. Het feit dat de carport aan de rechterzijde en aan de achterzijde ten dele is afgesloten met houten halfdoorzichtige panelen doet geen afbreuk aan deze vaststelling. Ten slotte zijn er geen toepasselijke stedenbouwkundige X-12.678-8/9 voorschriften die een bouwvrije strook opleggen en die door de bestreden beslissing worden geschonden. Het enige middel is niet gegrond. BESLISSING
  28. De Raad van State verwerpt het beroep.
  29. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien mei 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.678-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.835 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.