id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.862 Rolnummer: A. 194911/VII-38042 Zaak: Arrest 203862 - Detectives - 11/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:44 Fiche Arrest nr 203.862 van 11 mei 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Detectives Beslissing : Verwerping Verwerping dwangsom Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 203.862 van 11 mei 2010 in de zaak A. 194.911/XII-6062 In zake: Bart ’T JAMPENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Piet Van Eeckhaut en Mieke Moorthamer kantoor houdend te Gent Recollenttenlei 41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp
- De vordering, ingesteld op 12 december 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 23 oktober 2009 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij de vernieuwing wordt geweigerd van de vergunning van Bart ’T Jampens om het beroep van privé-detective uit te oefenen. Tevens wordt gevraagd “[t]e zeggen voor recht dat de verwerende partij gedwongen wordt, onder verbeurte van een dwangsom van 2500 euro per dag, de hernieuwing van de vergunning te verlenen 10 dagen na de kennisname van het schorsingsarrest”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. XII-6062-1\17 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 maart 2010 en die is uitgesteld naar de zitting van 20 april
- Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mieke Moorthamer, die ook loco advocaat Piet Van Eeckhaut verschijnt voor verzoeker, en attaché Pascale Cornette die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.. Bij ministerieel besluit van 28 januari 1994 verkrijgt verzoeker de vergunning van privé-detective. Bij ministerieel besluit van 25 januari 1999 wordt die vergunning voor tien jaar vernieuwd. Op 18 juli 2008 dient verzoeker een aanvraag in tot vernieuwing van zijn vergunning. Op 6 augustus 2008 verleent de Veiligheid van de staat het advies “niet gekend”. Op 2 januari 2009 verleent de procureur des Konings te Gent een positief advies. In het bijgevoegd inlichtingsbulletin wordt wel melding gemaakt van een vonnis van 3 januari 2007 van de correctionele rechtbank te Brussel waarin aan verzoeker de opschorting van de veroordeling wordt verleend voor een periode van drie jaar voor de volgende feiten: “- als dader of mededader verduistering en knevelarij door ambtenaar- gelden, effecten, akten, roerende zaken. - als dader of mededader aanzetten tot het plegen van misdrijven-misdaden. - als dader of mededader informaticacriminaliteit–toegang verschaffen tot een informaticasysteem”. XII-6062-2\17 De verwerende partij vraagt daarop aan de procureur des Konings te Brussel haar een kopie toe te sturen van het voornoemd vonnis, alsook een kopie van het strafdossier waarop de uitspraak gebaseerd is. Op 2 februari 2009 wordt een afschrift van het vonnis van 3 januari 2007 van de correctionele rechtbank te Brussel aan verwerende partij medegedeeld. Zij wordt eveneens in het bezit gesteld van het strafdossier in de zaak. Met een aangetekende brief van 16 april 2009 wordt aan verzoeker medegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken overweegt om hem de vernieuwing van de vergunning als privé-detective te weigeren. Als reden wordt vermeld: “Conform de bewoordingen van artikel 3, § 4 van de voornoemde wet van 19 juli 1991 beschikt de Minister van Binnenlandse Zaken, onafhankelijk van de verificatie van de in artikel 3 §§1 tot 3 opgesomde voorwaarden, over een appreciatiebevoegdheid betreffende de door de kandidaat privé-detective gepleegde feiten die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene. In het advies, verleend door het parket van de Procureur des Konings te Gent d.d. 2 januari 2009 in het kader van Uw aanvraag tot vernieuwing van Uw vergunning, wordt gerefereerd naar een vonnis van de 51ste Kamer van de Correctionele Rechtbank te Brussel d.d. 3 januari
- Conform de bewoordingen van het voornoemd vonnis werd U de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een periode van drie jaar bevolen, dit voor de volgende feiten: ‘als dader of mededader verduistering en knevelarij door ambtenaar-gelden, effecten, akten, roerende zaken. Als dader of mededader aanzetten tot het plegen van misdrijven-misdaden. Als dader of mededader informaticacriminaliteit – toegang verschaffen tot een informaticasysteem.’ Uit de feiten die aan de basis liggen van dit vonnis blijkt dat U, in het kader van de uitoefening van Uw beroepsactiviteiten als privé-detective, via een contactpersoon bij de Staatsveiligheid, op regelmatige basis rijksregistergegevens heeft bemachtigd, die vervolgens, tegen betaling, werden doorgegeven aan de klant. Op deze wijze werden ook andere gegevens bekomen, zoals inschrijving DIV die bij een bepaalde nummerplaat hoorde. In sommige gevallen was het inwinnen van deze informatie de enige activiteit die door U als privé-detective in een bepaalde zaak werd gesteld en waarvoor een vaste bijdrage van 50 euro werd gevraagd. Voornoemde gegevens werden telefonisch doorgegeven of door afgifte van een computeroutprint. Hieruit volgt dat in dergelijke gevallen er ook geen voorafgaandelijke overeenkomst, noch een contract werd opgesteld in de zin van de voornoemde wet van 19 juli
- Uit het onderzoeksdossier met referentie BR.52.95.7879-03 blijkt dat U op een bepaald moment in het kader van het uitvoeren van detectiveactiviteiten een opdracht heeft aanvaard die bestond in het inwinnen van informatie omtrent XII-6062-3\17 magistraten en politiemensen, belast met een gerechtelijk onderzoek. De opdracht bestond er meer bepaald in zoveel mogelijk gegevens van deze personen te bemachtigen, gaande van adressen, bezit voertuigen en algemene bezittingen. Uw klant, die het voorwerp uitmaakte van een gerechtelijk onderzoek, had er tegenover de onderzoekers mee gedreigd privé-detectives aan te werven om inlichtingen nopens hen in te winnen. Hij had zich verder ook uitgelaten tegenover één van deze onderzoekers, welke aldus te weten was gekomen dat betrokkene over vertrouwelijke informatie, hem betreffend, bleek te beschikken. (Internationaal bevel tot aanhouding lastens Paul [P.] d.d. 25/11/2003). In dit kader heeft U zelf verklaard (proces-verbaal 258754 d.d. 24.11.2003) dat U in casu geen dossier wou aanmaken daar het volgens U over privacygevoelige informatie ging. U ontving voor de verrichte prestaties in deze zaak een som van 500 euro en tijdens de tweede ontmoeting een som van 1.400 euro. Alles gebeurde in het zwart. U heeft terzake ook bevestigd dat U op dat moment op de hoogte was dat U de detectivewet heeft overtreden. Uit het geheel van het dossier blijkt eveneens het repetitief karakter van deze feiten van inwinnen van privacygevoelige informatie in het kader van de uitoefening van Uw beroepsactiviteiten als privé-detective. Uit het geheel van de voornoemde elementen blijkt dat het vertrouwen die de overheid in U stelt, in vraag wordt gesteld. U wenst een functie uit te oefenen binnen de sector van de openbare veiligheid die nauw verwant is met de openbare orde. De hogervermelde feiten en Uw houding zijn dusdanig dat ze het vertrouwen ernstig raken doordat ze de morele integriteit en betrouwbaarheid aantasten, in het licht van de wet van 19 juli
- De voornoemde feiten werpen een negatief licht op Uw deontologische geschiktheid voor de functie van privé-detective. De wetgever heeft geoordeeld dat het beroep van privé-detective voorbehouden dient te blijven aan betrouwbare figuren die geen ongeoorloofde middelen en methodes gebruiken. Ik wens U op de hoogte te brengen van het gegeven dat deze feiten aan de basis kunnen liggen van een weigering van de vergunning als privé-detective die door u werd aangevraagd”. Aan verzoeker wordt eveneens medegedeeld dat hij zich in elke fase van de procedure kan laten bijstaan door een raadsman naar keuze, dat hij over een termijn van vijftien werkdagen beschikt om inzage te nemen van het administratief dossier en over een termijn van veertig werkdagen om zijn verweermiddelen in te dienen. Op 25 mei 2009 dient verzoeker zijn verweermiddelen in. Hij wordt op 14 september 2009 gehoord. Op 23 oktober 2009 beslist de minister van Binnenlandse Zaken, met een dertien bladzijden tellend besluit, dat de vernieuwing van de vergunning van verzoeker als privé-detective wordt geweigerd. XII-6062-4\17 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Het toepasselijke procedurereglement voorziet niet in de mogelijkheid voor verzoeker om op de nota van verwerende partij te antwoorden met een zogenaamde “memorie van wederantwoord”. Verwerende partij vraagt terecht dat de memorie uit de debatten wordt geweerd. V. Belang
- Verwerende partij werpt een exceptie van gebrek aan belang op. Een onderzoek van en een uitspraak over de exceptie zouden zich alleen opdringen indien voldaan mocht zij aan de grondvoorwaarden voor een schorsing, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is. VI. Schorsing A. Grondvoorwaarden voor een schorsing
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. B. Eerste middel Standpunt van verzoeker
- Wat de eerste grondvoorwaarde betreft, luidt een eerste middel: “Overschrijding van de termijn bepaald in artikel 2 § 1 lid 4 van de wet van 19 juli 1991, het beginsel van de rechtszekerheid en het verbod op willekeur”. In het middel voert verzoeker aan dat overeenkomstig artikel 2, § 1, vierde lid, van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé- detective (hierna: de wet van 19 juli 1991) de beslissing waarbij de vergunning XII-6062-5\17 wordt verleend of geweigerd binnen de zes maanden na de aanvraag ter kennis moet worden gebracht van de aanvrager. Gelet op die termijn en de vervaldatum van zijn vergunning (28 januari 2009) heeft verzoeker op 18 juli 2008 een aanvraag tot hernieuwing van zijn vergunning ingediend. Pas op 16 april 2009 -dus na de vervaldatum van zijn vergunning- werd hij ervan op de hoogte gebracht dat overwogen werd om de vernieuwing van zijn vergunning te weigeren. De termijn van zes maanden was toen al ruim overschreden. Beoordeling
- Luidens artikel 2, § 1, vierde lid, van de wet van 19 juli 1991 moet de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend of geweigerd binnen zes maanden na de aanvraag ter kennis worden gebracht van de aanvrager. Vooralsnog blijft de Raad van State bij de zienswijze, zoals reeds eerder verwoord in het arrest Dossogne, nr. 45.861 van 28 januari 1994, dat noch uit de wet van 19 juli 1991, noch uit enige andere rechtsregel voortvloeit dat de minister zijn bevoegdheid aan het einde van de bewuste termijn verliest, of dat de overschrijding van de termijn de aangevraagde vergunning zou opleveren.
- Het eerste middel is niet ernstig. C. Tweede middel Standpunt van verzoeker
- In een tweede middel -“Het lange stilzitten - overschrijding van de redelijke termijn”- voert verzoeker aan dat verwerende partij hem nooit enige verantwoording heeft gevraagd over de feiten die het voorwerp uitmaakten van het vonnis van 3 januari 2007 en waaraan door de pers “enige publiciteit” werd gegeven. Verzoeker heeft nooit enig bericht of enige controle gekregen. Hij heeft nochtans zelf verschillende malen telefonisch contact opgenomen met de directie Private Veiligheid, maar werd nooit doorverbonden met de bevoegde personen. Zijn verbazing was dan ook groot toen hij vernam dat de vernieuwing van zijn vergunning zou geweigerd worden. De feiten dateren immers van eind 2002, begin
- Het vonnis waarbij hij de gunst van de opschorting verkreeg, is van 3 januari
- Tussen de datum van het vonnis en zijn aanvraag tot vernieuwing van de XII-6062-6\17 vergunning zijn opnieuw 17 maanden verlopen zonder dat hem enig signaal werd gegeven dat de opschorting van de uitspraak gevolgen zou hebben voor zijn vergunning. Daarnaast heeft verzoeker zijn activiteiten meer dan 55 maanden kunnen verderzetten nadat hij in november 2003 voor de eerste maal werd gehoord. Sindsdien zijn er nooit problemen gerezen. Tijdens het vooronderzoek werd een huiszoeking bevolen waarbij alle dossiers werden gecontroleerd, doch deze grondige huiszoeking bracht geen andere onregelmatigheden aan het licht. Beoordeling
- Verzoeker stelt in essentie dat verwerende partij niet meer mocht weigeren om zijn vergunning te vernieuwen vanwege de feiten die tot het vonnis van 3 januari 2007 hebben geleid, aangezien zij destijds op geen enkele wijze ervan heeft laten blijken dat die feiten gevolgen zouden hebben voor zijn vergunning. Door de artikelen 2, § 1, en 18, van de wet van 19 juli 1991 wordt aan de minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid verleend om de vergunning van een privé-detective te schorsen voor een termijn van ten hoogste zes maanden, of in te trekken indien de detective de bepalingen van deze wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan niet naleeft. Het is op het eerste gezicht verdedigbaar dat verwerende partij niet zonder meer de vernieuwing van een vergunning mag weigeren op grond van feiten die zij voorheen blijkbaar niet ernstig genoeg achtte om de lopende vergunning te schorsen of in te trekken, en dat het haar in voorkomend geval toekomt aan te tonen wat dan wel de deugdelijke reden mag zijn voor haar ogenschijnlijk tegenstrijdige houding. Weliswaar lijkt er van een tegenstrijdigheid alleen sprake te kunnen zijn in zoverre de feiten verwerende partij toentertijd bekend waren.
- In de bestreden beslissing wordt vastgesteld “dat de Minister van Binnenlandse Zaken [...] pas op 2 januari 2009, bij ontvangst van het advies van [het] Parket van de Procureur des Konings te Gent op de hoogte werd gesteld van de feiten die aan de basis lagen van het vonnis van de 51/ Kamer van de XII-6062-7\17 Correctionele Rechtbank te Brussel d.d. 3 januari 2007; dat het bijgevolg voor de administratie niet mogelijk was in een vroeger stadium op te treden”. Vooralsnog blijkt niet dat die bewering onjuist zou zijn. Het feit dat de zaak “enige” persaandacht mocht genieten en dat verzoeker telefonisch contact heeft gezocht, maar niet gevonden, met de directie Private Veiligheid, volstaat niet om te doen aannemen dat de bevoegde diensten eerder van de zaak op de hoogte zijn geweest. Aan verwerende partij kan in de huidige stand van de procedure niet op goede grond worden tegengeworpen dat zij niet eerder de schorsing of intrekking van de vergunning van de verzoeker overwogen heeft.
- Het tweede middel is niet ernstig. D. Derde middel Standpunt van verzoeker
- In een derde middel acht verzoeker het motiverings-, redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel geschonden doordat verwerende partij het advies van de staatsveiligheid en van de procureur des Konings naast zich neergelegd heeft “zonder zich in een extreem geval te bevinden”. Onder verwijzing naar het arrest Pennie, nr. 64.562 van 18 februari 1997, voert verzoeker aan dat het feit dat de wetgever hun advies noodzakelijk heeft geacht moeilijk anders begrepen kan worden dan dat hij de Veiligheid van de staat en de procureur des Konings uitermate geschikt heeft geacht om de aanspraken van de aanvrager vanuit een strafrechtelijk oogpunt te beoordelen. Deze vaststelling volstaat uiteraard niet om die adviezen als bindend te beschouwen, maar wettigt wel de conclusie dat de minister van Binnenlandse Zaken bijzonder goede redenen moet hebben om over deze gunstige adviezen heen te stappen. Alleen in extreme gevallen kan aangenomen worden dat de minister van Binnenlandse Zaken een vergunningsaanvraag in strafrechtelijk opzicht strenger mag beoordelen dan de staatsveiligheid en de procureur de Konings. In de bestreden beslissing komt op geen enkele manier tot uiting dat men zich in zulk een extreem geval bevindt, zodat hier een duidelijke onredelijkheid aanwezig is. Beoordeling XII-6062-8\17
- Luidens artikel 2, § 1, van de wet van 19 juli 1991 mag niemand het beroep van privé-detective uitoefenen of zich als dusdanig bekend maken, indien hij daartoe vooraf geen vergunning heeft gekregen van de minister van Binnenlandse Zaken, na advies van de Veiligheid van de staat en van de procureur des Konings van de wettige hoofdverblijfplaats van de betrokkene en, bij ontstentenis ervan, de minister van Justitie. Inderdaad wordt in het voormeld arrest Pennie overwogen dat “maar in extreme gevallen aan te nemen [is] dat de Minister van Binnenlandse Zaken een vergunningsaanvraag in strafrechtelijk opzicht strenger zou beoordelen dan de Minister Justitie”. Evenwel betrof het arrest een beslissing die genomen werd vooraleer de wet van 19 juli 1991 gewijzigd werd door de wet van 30 december 1996 en vooraleer artikel 3, § 4, van de wet van 19 juli 1991 ging luiden: “§
- Onafhankelijk van de verificatie van de in §§ 1 tot 3 opgesomde voorwaarden, beschikt de minister van Binnenlandse Zaken over een appreciatiebevoegdheid betreffende de door de detective of de kandidaat detective gepleegde feiten die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene”. Die bepaling is het resultaat van een amendement dat als volgt werd toegelicht (Parl.St. Kamer, 1995-96, nr. 557/3, 2-3): “Bepaalde feiten, sommige overtredingen kunnen worden beschouwd als betrekkelijk onschuldig op strafrechtelijk vlak en daarom niet het voorwerp van een veroordeling uitmaken en zelfs door het parket zonder gevolg gerangschikt, zelfs als de feiten duidelijk aangetoond zijn. Op dezelfde wijze maken bepaalde feiten het voorwerp uit van een minnelijke schikking, veeleer dan van een veroordeling. Wanneer deze feiten worden geëvalueerd op deontologisch vlak, en meer in het bijzonder op het vlak van moraliteit, betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en beroepseerlijkheid, en niet op strafrechtelijk, burgerlijk of sociaal vlak, dan kunnen zij daarentegen ernstig zijn, zodat ze tot een weigering van de uitoefeningsvergunning aanleiding kunnen geven. Daarom trouwens brengt het parket, dat vroeger dergelijke feiten zonder gevolg heeft gerangschikt op strafrechtelijk vlak, ter attentie van de minister van Justitie die er zich op baseert, vaak negatief advies uit over de toekenning van de vergunning voor de uitoefening van het beroep van detective (bijvoorbeeld in gevallen van oplichting, geweldplegingen, gebruik van een valse hoedanigheid). Al heeft de wetgever het advies van Justitie steeds beschouwd als een belangrijk element in de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken en heeft hij steeds aan deze laatste een appreciatiebevoegdheid toegekend, de rechtspraak inzake geschillen [in de Franse tekst: “est peu cohérente”] en neigt ernaar in de praktijk deze appreciatiebevoegdheid niet te erkennen. XII-6062-9\17 Deze moet dus in de wet worden ingeschreven met als doel duidelijkheid en uniformiteit in de beslissingen te brengen. Voor de uitoefening van deze appreciatiebevoegdheid zullen voornamelijk in aanmerking worden genomen de criteria van betrouwbaarheid en eerlijkheid op moreel, financieel en professioneel vlak, de geoorloofdheid en ondubbelzinnigheid in het gebruik van de methoden en in de toegang tot de informatiebronnen”. In het verslag van de bevoegde commissie van de Kamer van volksvertegenwoordigers werd het doel van het amendement bovendien als volgt toegelicht (Parl.St. Kamer, 1995-96, nr. 557/4, 13): “de toekenning van een appreciatiebevoegdheid aan de minister van Binnenlandse Zaken betreffende de door de detective of de kandidaat-detective gepleegde feiten die een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in betrokkene; de door de minister te verrichten appreciatie kan leiden tot de weigering een vergunning af te leveren, zelfs indien de feiten geen voorwerp van een strafrechtelijke veroordeling hebben uitgemaakt; dit laatste is momenteel onmogelijk, gelet op de strikte interpretatie door de Raad van State van artikel 3, 1/”.
- In dit licht valt de Raad van State tenminste voorlopig niet bij dat de minister alleen in een extreem geval van het advies van de procureur des Konings mag afwijken. Voor het overige wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de andersluidende adviezen niet worden gevolgd. Het derde middel is bijgevolg niet ernstig. E. Vierde middel Standpunt van verzoeker
- Een vierde middel is afgeleid uit de schending van het evenredigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker herhaalt vooreerst dat de bewering van verwerende partij dat de minister van Binnenlandse Zaken pas op 2 januari 2009 bij de ontvangst van het advies van de procureur des Konings te Gent op de hoogte werd gesteld van de feiten die aan de basis lagen van het vonnis van 3 januari 2007 van de XII-6062-10\17 correctionele rechtbank te Brussel, niet opgaat. Hij verwijst naar artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 juni 1992 waarbij “de leden van de gemeentepolitie, de gerechtelijke politie bij de parketten en de rijkswacht, alsmede de ambtenaren van de Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie, die met dat doel door de Minister van Binnenlandse Zaken worden aangewezen” gemachtigd worden om toezicht te houden op de toepassing van de wet van 19 juli
- Bovendien werd door de media aandacht besteed aan de feiten en werd hij tijdens bijscholingen door collega’s en andere personen uit de sector aangesproken over de consequenties van de strafzaak. Hij heeft getracht telefonisch contact op te nemen met de bevoegde personen binnen de federale overheidsdienst (kortweg: FOD) Binnenlandse Zaken, maar werd niet doorverbonden. Ook de FOD Justitie was op de hoogte van het vonnis en het strafdossier. Reeds in de fase van het vooronderzoek in 2004 vroeg de administrateur-generaal van de Veiligheid van de staat inzage in het strafdossier. Daar de verwerende partij de Belgische Staat is en zowel de FOD Justitie als de FOD Binnenlandse Zaken daaronder ressorteren, kan de verwerende partij niet beweren dat zij niet van de strafzaak op de hoogte was. Vervolgens zet verzoeker uiteen dat hij meer dan een jaar na het vonnis, namelijk op 18 juli 2008, een aanvraag tot wijziging van zijn standplaats bij de FOD Binnenlandse Zaken indiende. Bij ministerieel besluit van 8 augustus 2008 werd de wijziging van de vestigingsplaats goedgekeurd. In dat besluit werd geoordeeld dat “op basis van de meegedeelde gegevens, geen enkel element de wijziging van de vergunning in de weg staat”. De verwerende partij achtte het klaarblijkelijk niet noodzakelijk de wijziging te weigeren, hoewel het vonnis van de correctionele rechtbank reeds kracht van gewijsde bezat. Beoordeling
- Het middel valt goeddeels samen met het tweede middel. Bij de aldaar aangehaalde redenen om het als niet ernstig te aanzien, wordt nog overwogen wat volgt. Dat de in artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 juni 1992 aangewezen ambtenaren gemachtigd zijn om toezicht te houden op de toepassing van de wet van 19 juli 1991 toont niet uit zichzelf aan dat de bevoegde diensten van de FOD Binnenlandse Zaken reeds vóór 2 januari 2009 op de hoogte waren van verzoekers deontologische inbreuken. XII-6062-11\17 Ook uit het feit dat de administrateur-generaal van de Veiligheid van de staat toelating kreeg om inzage en afschrift te nemen van het strafdossier, volgt niet dat de bevoegde diensten van de FOD Binnenlandse Zaken van de zaak op de hoogte waren. Verzoeker heeft op 18 juli 2008 een aanvraag tot wijziging van zijn vestigingsplaats ingediend. Bij ministerieel besluit van 8 augustus 2008 werd de lopende vergunning van de verzoeker aldus gewijzigd. Uit de omstandigheid dat in de aanhef van dat ministerieel besluit van 8 augustus 2008 gesteld wordt dat geen enkel element de wijziging van de vergunning in de weg staat, lijkt geenszins af te leiden dat de verwerende partij van oordeel was dat de meer vermelde deontologische inbreuken van verzoeker geen beletsel waren voor de uitoefening van het beroep van privé-detective. De verwerende partij heeft zich in haar besluit nu eenmaal alleen over de wijziging van de vestigingsplaats uitgesproken. Anders dan bij een aanvraag tot vernieuwing van de vergunning, moest de verwerende partij daarbij niet onderzoeken of de verzoeker nog steeds aan de voorwaarden om het beroep van privé-detective uit te oefenen voldeed. Het blijkt derhalve niet dat de verwerende partij reeds vóór verzoekers aanvraag tot vernieuwing van zijn vergunning geoordeeld zou hebben -of zou moeten hebben- dat de meer vermelde feiten geen ernstige tekortkoming aan de beroepsdeontologie uitmaken.
- Het vierde middel is niet ernstig. F. Vijfde middel Standpunt van verzoeker
- Een vijfde middel noemt het redelijkheidsbeginsel geschonden. Verzoeker zet uiteen dat hij een onberispelijke en succesvolle carrière heeft gehad van bijna twintig jaar en dat hij tot op vandaag heel wat tijd vrijmaakte voor opleiding zodat hij zijn beroep met de meeste expertise kon uitoefenen. Hij vraagt zich vervolgens af of de procedure tot weigering niet werd gestart omdat op het uittreksel uit het strafregister dat gevoegd was bij zijn aanvraag tot vernieuwing van zijn vergunning, verkeerdelijk vermeld stond dat hij door de XII-6062-12\17 correctionele rechtbank te Brussel veroordeeld was. De strafrechter had hem immers de gunst van de opschorting verleend om een sociale declassering te vermijden. De opschorting van de veroordeling is een daad van vertrouwen vanwege de strafrechter, waarmee de verwerende partij rekening had moeten houden. Verzoeker merkt op dat in het vonnis van de strafrechter duidelijk wordt aangegeven dat hij zich door de manipulatieve persoon van de heer P. heeft laten innemen. De feiten moeten dan ook in dat licht beoordeeld worden. Tijdens het vooronderzoek werden al zijn dossiers onderzocht; dit bracht geen andere onregelmatigheden aan het licht. De bestreden beslissing stelt dat verzoeker systematisch een aantal uitoefeningsvoorwaarden die de wetgever essentieel achtte niet heeft nageleefd, maar daarvan ligt geen enkel bewijs voor. Opnieuw wijst verzoeker erop dat tussen het vonnis en zijn aanvraag tot vernieuwing 17 maanden zijn verlopen, zonder dat de FOD Binnenlandse Zaken een signaal gaf waaruit blijkt dat de opschorting van de uitspraak gevolgen zou hebben voor zijn vergunning, dat hij zijn activiteiten 55 maanden probleemloos heeft kunnen voortzetten nadat hij in november 2003 een eerste maal werd verhoord, dat de procureur des Konings op 2 januari 2009 een positief advies gaf, en dat de adviseur van de Veiligheid van de staat op 6 augustus 2008 liet weten dat verzoeker in de bestanden niet gekend was. Ten slotte wijst verzoeker op de gevolgen van de beslissing voor hem en zijn gezin. Indien hij geen nieuwe vergunning krijgt, zijn de zware investeringen die hij heeft gedaan en de opleidingen die hij heeft gevolgd niet meer rendabel, aangezien alle functies in de veiligheidssector onderworpen zijn aan een vergunning van de FOD Binnenlandse Zaken. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 3, § 4, van de wet van 19 juli 1991 beschikt de minister van Binnenlandse Zaken over een appreciatiebevoegdheid met betrekking tot de door de detective gepleegde feiten die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene. XII-6062-13\17
- Het feit dat de strafrechter aan verzoeker het voordeel van de opschorting van de veroordeling heeft toegekend, is als zodanig niet van aard te beletten dat de minister van Binnenlandse Zaken toch nog de vernieuwing van de vergunning voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective weigert. In de bestreden beslissing wordt zeer uitgebreid, en op het eerste gezicht niet foutief, verantwoord waarom verwerende partij zich te dezen niet “gehouden” voelt door eenzelfde “bezorgdheid” als de rechter aan de dag legde bij het verlenen van de opschorting. Voorts wijzen de gegevens van het dossier uit dat de procedure tot weigering van de vergunning aan de verzoeker niet werd gestart naar aanleiding van de foutieve vermelding van het vonnis van de correctionele rechtbank als een “veroordeling” op het bij zijn aanvraag gevoegde uittreksel uit het strafregister. Het vonnis en het strafdossier werden door de verwerende partij opgevraagd ten gevolge van de vermelding ervan in de bijlage bij het advies van de procureur des Konings te Gent.
- Tegen verzoeker worden in de bestreden beslissing verscheidene inbreuken in aanmerking genomen, namelijk: - dat hij “in het kader van de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten als privé- detective, via een contactpersoon bij de Staatsveiligheid, op regelmatige basis rijksregistergegevens heeft bemachtigd, die vervolgens, tegen betaling, werden doorgegeven aan de klant”; - “dat op deze wijze ook andere gegevens werden bekomen, zoals inschrijving DIV die bij een bepaalde nummerplaat hoorde; dat in sommige gevallen het inwinnen van deze informatie de enige activiteit was die door [hem] als privé-detective in een bepaalde zaak werd gesteld en waarvoor een vaste bijdrage van 50 euro werd gevraagd”; - “dat in dergelijke gevallen ook geen voorafgaandelijke overeenkomst, noch een contract werd opgesteld in de zin van de voornoemde wet van 19 juli 1991”; - dat activiteiten in het zwart werden verricht. Inzonderheid tilt verwerende partij zwaar aan het feit dat verzoeker privacygevoelige en niet vrij toegankelijke persoonsgebonden informatie in de uitoefening van een detectiveopdracht vergaarde en erin handel dreef, terwijl de wetgever, voor wie in een democratische rechtsstaat het respect voor de privacy en de grondrechten van de burgers tot de hoofdbekommernissen behoort, juist “ten XII-6062-14\17 zeerste beducht was voor de informatievergaring door privé-detectives omdat het vergaren van informatie tot hun kernactiviteiten [behoort] en dit bovendien op professionele (gewoonlijk) en commerciële basis gebeurt (tegen betaling door de opdrachtgever)”. Net daarom, brengt verwerende partij in de beslissing in herinnering, “teneinde de personen die het voorwerp uitmaken van een onderzoek door een privé-detective te behoeden voor ongeoorloofde schendingen van hun democratische grondrechten en privacy, [heeft] de wetgever het noodzakelijk [geacht] de privé-detectives aan bijkomende, specifieke regelgeving te onderwerpen die stringente uitoefeningsvoorwaarden oplegt en de middelen en methodes die zij kunnen aanwenden strikt beperkt”. Bovendien gaat het niet om eenmalige feiten: de gewraakte praktijk deed zich niet alleen voor naar aanleiding van de zaak P.; ook in andere gevallen heeft verzoeker via zijn contactpersoon bij de Veiligheid van de staat informatie opgevraagd uit het rijksregister en van de dienst Wegverkeer. In de beslissing is er dan ook sprake van dat verzoeker “systematisch een aantal uitoefeningsvereisten die de wetgever essentieel achtte, niet heeft nageleefd” en wordt benadrukt dat de feiten “des te zwaarder wegen in het licht van het recurrente karakter van de feiten”. Een en ander is door verwerende partij in een dertien- bladzijdenlange formele motivering breedvoerig besproken en afgewogen. Mag de uitkomst van die afweging streng heten, ze is daarom niet onwettig. Streng en onwettig zij geen synoniemen.
- Gelet op wat voorafgaat kan de Raad van State er alleszins in de huidige stand van de procedure niet toe komen te besluiten dat de beslissing tot weigering van de vernieuwing van de vergunning van verzoeker de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat - de zware gevolgen die ze voor verzoeker kan meebrengen ten spijt. Het vijfde middel is niet ernstig. XII-6062-15\17 G. Zesde middel Standpunt van verzoeker
- In een zesde middel, geput uit de schending van “beginselen van behoorlijk bestuur, het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht”, voert verzoeker aan dat verwerende partij onzorgvuldig is geweest doordat het dossier bij de FOD Binnenlandse Zaken waarvan hij een kopie heeft gekregen verschillende vertrouwelijke stukken bevatte die geen betrekking hadden op zijn zaak, onder meer een vonnis van 24 mei 2006 van de politierechtbank te Halle en de conclusies van een advocaat. Deze stukken hebben blijkbaar meegespeeld bij de beoordeling van het dossier. Beoordeling
- Noch uit de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier blijkt dat de stukken die geen betrekking hebben op verzoeker en die door het parket blijkbaar per vergissing samen met het strafdossier van verzoeker aan de verwerende partij zijn bezorgd, enige rol hebben gespeeld in de besluitvorming.
- Aangezien aldus ook het zesde en laatste middel niet ernstig is, moet worden vastgesteld dat verzoeker geen ernstige middelen aanvoert, zodat niet is voldaan aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen. VII. Voorlopige maatregel 28 De verwerping van de vordering tot schorsing brengt de verwerping mee van de vordering tot het bevelen van een voorlopige maatregel, die er een accessorium van is. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing en de vordering tot oplegging -onder verbeurte van een dwangsom- van een voorlopige maatregel. XII-6062-16\17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 mei 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, staatsraad, waarnemend voorzitter met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust XII-6062-17\17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.862 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.729 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div