← België

Arrest 203867 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.867 Rolnummer: A. 182132/X-13226 Zaak: Arrest 203867 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 04:43 Fiche Arrest nr 203.867 van 11 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 203.867 van 11 mei 2010 in de zaak A. 182.132/X-13.226. In zake: Dirk VAN DOREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dio Van Renne kantoor houdend te 9000 GENT Gebroeders Vandeveldestraat 99 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Henry Van Burm kantoor houdend te 9000 GENT Cyriel Buyssestraat 12 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: het OCMW van de stad GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Geerts kantoor houdend te 9000 GENT Sint-Martensstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 30 maart 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 15 december 2006 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan het OCMW van de stad Gent de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot “regularisatie van de wijziging van de rijrichting van de in- en uitrit” van het rust- en verzorgingstehuis “Zonnebloem”, gelegen te Gent (Zwijnaarde), Hutsepotstraat 29, kadastraal bekend Gent sectie C, nrs. 134/r, 135/e en 146/k2. X-13.226-1/18 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 juli 2007. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dio Van Renne, die verschijnt voor de verzoeker, advocaat Gert Rasschaert, die loco advocaat Henri Van Burm verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Filip Geerts, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker is eigenaar van een woning gelegen aan de Heerweg-Zuid 18 te Gent (Zwijnaarde), palend aan het rust- en verzorgingstehuis “Zonnebloem”. X-13.226-2/18 3.2. Bij besluit van 5 december 2003 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar werd aan de tussenkomende partij de stedenbouwkundige vergunning verleend voor de bouw van dit rust- en verzorgingstehuis, gelegen aan de Hutsepotstraat 29 te Gent (Zwijnaarde), op de percelen kadastraal bekend sectie C, nrs. 134/r, 135/e en 146/k2, ter vervanging van het reeds bestaande rusthuis, waarbij als voorwaarde werd gesteld dat “de ingebruikname van de nieuwbouw slechts kan gebeuren indien alle op het terrein vereiste werkzaamheden ivm de aanleg van toegangswegen zijn voltooid. Hiervoor dient een afzonderlijke stedenbouwkundige vergunning te worden aangevraagd”. 3.3. Bij besluit van 31 maart 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar werd aan de tussenkomende partij de stedenbouwkundige vergunning verleend voor onder meer de aanleg van de wegenis op de voormelde percelen. Uit de “Beschrijving van de omgeving, de bouwplaats en het project” in het voorwaardelijk gunstig advies van 24 februari 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent over de aanvraag, wordt, wat de wegenis betreft, vermeldt wat volgt: “De hoofdtoegang (br. = 5,00

  1. m)bevindt zich langs de Hutsepotstraat. In totaal worden er 73 parkeerplaatsen voorzien, 20 bovengronds en 53 ondergronds. De ondergrondse parkeerplaatsen zijn te bereiken via een inrit t.h.v. de voorgevel. Deze inrit is teven voorzien van een loskade. De secundaire ontsluiting is voorzien langs de Heirweg-Zuid. Vanaf de hoofdtoegang van het rust- en verzorgingstehuis wordt er aan de rechter- en achterzijde, aansluitend op de secundaire ontsluitingsweg, een brandweg (br. = 4,00
  2. m)aangelegd”. 3.4. Met een brief van 5 september 2005 beklaagt de verzoeker er zich bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent over dat de zgn. secundaire ontsluitingsweg die naast zijn eigendom loopt, in werkelijkheid als enige hoofdtoegang wordt gebruikt voor zowel in- als uitrijdend verkeer voor het nieuwe rust- en verzorgingstehuis. Met een brief van 26 september 2005 werd de verzoeker door de burgemeester van de stad Gent in kennis gesteld van het antwoordschrijven van 19 september 2005 van het O.C.M.W. van de stad Gent waarin hieromtrent wordt gesteld wat volgt: “Wat betreft de problematiek van de hoofdingang, hebben de bevoegde diensten de volgende bemerkingen: X-13.226-3/18 De hoofdingang voor voetgangers is langs de Hutsepotstraat. De inrit voor auto’s is langs de Heerweg Zuid, de uitrit langs de Hutsepotstraat. In het adviserend gedeelte van de bouwvergunning is er inderdaad sprake van een hoofdingang langs de Hutsepotstraat en spreekt men van een secundaire ontsluiting langs de Heerweg Zuid. De bijzondere voorwaarden die worden opgelegd in de stedenbouwkundige vergunning vermeld(
  3. en)dat de breedte van de rijweg ter hoogte van de aansluiting met de openbare weg moet beperkt blijven tot 5 m. In de bouwvergunning staat vermeld ‘De wegenis op het terrein blijft volledig privaat, er is dus geen beslissing van de gemeenteraad vereist over de zaak der wegen.’ De vraag van de heer Van Doren de huidige situatie recht te zetten door deze weg enkel te gebruiken als secundaire ingang, is niet duidelijk, vermits er maar één weg is met één ingang en één uitgang. De ontwerpers hebben, om veiligheidsredenen, geopteerd om de ingang van voertuigen (meestal vrachtwagens van leveranciers) langs de Heerweg Zuid te voorzien. In de directe nabijheid van de uitgang langs de Hutsepotstraat zijn er twee scholen voor jonge kinderen. Door te opteren voor een uitgang aan de Hutsepotstraat met een slagboom, die alleen opengaat via een jeton of badge, wordt het verkeer maximaal vertraagd zodat de veiligheid van de kinderen aanzienlijk vergroot (...)”. 3.5. Op 24 maart 2006 dient de tussenkomende partij bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een aanvraag in tot “regularisatie wegenis: wijziging rijrichting in- & uitrit” op het betrokken domein. Wat betreft de “ruimtelijke context” van de aanvraag wordt in de beschrijvende nota uiteengezet wat volgt: “Regularisatiedossier waar reeds een vergunning werd afgeleverd op 31/03/2005 met kenmerk 8.00/44021/26963.3. Het handelt hier over de wijziging van de rijrichting van de toegangswegen naar en van het rusthuis. De secundaire toegangsweg, gelegen langs de Heerweg-Zuid, wordt enkel gebruikt als inrit en de hoofdtoegang, gelegen langs de buurtweg Hutsepotstraat, als uitrit. Dit heeft tot gevolg dat de buurtweg l nl. Hutsepotstraat een stuk veiliger is aangezien er zich 2 scholen in de onmiddellijke omgeving bevinden”. 3.6. Het openbaar onderzoek over de aanvraag wordt gehouden van 7 april 2006 tot 7 mei 2006. Hoewel de verzoeker, in tegenstelling tot andere (mede)eigenaars van de aanpalende percelen, niet wordt aangeschreven, dient hij toch bij het college van burgemeester en schepenen een bezwaarschrift in. 3.7. Op 12 oktober 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen een voorwaardelijk gunstig advies over de aanvraag. X-13.226-4/18 3.8. Bij het thans bestreden besluit van 15 december 2006 verwerpt de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar het bezwaar van de verzoeker en verleent hij de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen 4.1. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van “de beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek

(1)de materiële motiveringsplicht, zoals onder meer bepaald in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen,
(2)het redelijkheidsbeginsel en
(3)het zorgvuldigheidsbeginsel”: “doordat A. de verwerende partij de bestreden vergunning niet alleen niet afdoende motiveert, doch daarbij in haar motivering dan wel in de adviezen waarnaar in de bestreden vergunning eenvoudigweg wordt verwezen, ook manifest foutieve gegevens en feiten opneemt die in tegenstrijd zijn met de realiteit; B. de gedurende het openbaar onderzoek door verzoeker geformuleerde bezwaren in de bestreden vergunning niet, dan wel op een gebrekkige, onbehoorlijke en zelfs foutieve wijze worden weerlegd; C. de verwerende partij in haar beslissing niet in redelijkheid tot een correcte afweging van alle belangen is gekomen en hierdoor het redelijkheidsbeginsel werd geschonden, hetgeen nochtans de enige juridische beperking betreft op de voor het overige vrije appreciatie van het bestuur; D. de verwerende partij met haar bestreden vergunning het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, - door zowel de materiële zorgvuldigheidsnorm te overtreden, die - resumerend - verwerende partij nochtans verplichtte bij de uitoefening van haar vergunningverlenende taak in een sterke mate van zorgvuldigheid niet onnodig de belangen van diegene die bij haar taakoefening kunnen betrokken zijn, te schaden; - alsook de procedurele zorgvuldigheidsnorm te overtreden, die - eveneens resumerend - veronderstelde dat de verwerende partij bij de voorbereiding van de bestreden vergunning
(1)een zorgvuldig onderzoek verrichte naar de feiten en hun juistheid en volledigheid verifieerde,
(2)de voorliggende adviezen zorgvuldig bestudeerde en toetste naar hun overeenstemming met de realiteit en
(3)zich een zelfstandig oordeel vormde los van de voorliggende adviezen; terwijl A. luidens artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen elke beslissing houdende toekenning van een stedenbouwkundige vergunning enerzijds uitdrukkelijk en anderzijds afdoende moet worden gemotiveerd, hetgeen betekent dat de beslissing pertinent moet zijn (de motieven moeten te maken hebben met de beslissing), de motivering draagkracht moet hebben en er moet zijn voldaan aan de evenredigheidsvereiste (de omvang van de X-13.226-5/18 motivering in rechte en in feite moet evenredig zijn met het belang van de genomen beslissing); en de materiële motivering van de bestreden vergunning uiteraard niet op verkeerde feiten en feitelijke overwegingen mag zijn gebaseerd; B. de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren met de nodige zorgvuldigheid dienen te worden onderzocht, en, desgevallend weerlegd moeten worden met een afdoende en correcte motivering. C. en D. verzoeker in het hoger aangehaalde feitenrelaas alsook hieronder aantoont dat de verwerende partij met de bestreden vergunning noch zorgvuldig opgetreden is, noch een redelijke belangenafweging heeft doorgevoerd toelichting In de bestreden vergunning van 15.12.2006 sluit de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar zich grotendeels eenvoudigweg aan bij het standpunt dat door het college van burgemeester en sehepener m.b.t. de bezwaren was ingenomen. (...). Dat standpunt van het College van Burgemeester en schepenen bevat evenwel aangaande de door verzoeker aangebrachte bezwaren essentiële fouten, onder meer op de hierna volgende punten: a. Ten onrechte wordt inzake het wijzigen van de hoofdingang voorgehouden - dat de wegenis op de site volledig (...) uitgevoerd werd zoals voorzien in de vergunning 2004/70125. - dat die vergunning uitging van twee volwaardige toegangen, gezien beide ontsluitingsroutes ontworpen zijn volgens eenzelfde profiel en de Hutsepotstraat en Heerweg-Zuid functioneren op eenzelfde niveau - dat de gewijzigde rijrichting verkeerskundig géén problemen oplevert (terwijl huidige verkeerssituatie voor de fietsende kinderen in de Heerweg-Zuid véél gevaarlijker is dan voorheen). In werkelijkheid evenwel is voorheen NOOIT sprake geweest van twee volwaardige toegangen, getuige daarvan: - STUK 6- ‘nota stedenbouwkundige vergunning’ dd. 28.01.2003 van de Tijdelijke vereniging Projectgroep Zonnebloem waar op p. 2 duidelijk wordt gesteld: ‘De hoofdtoegang tot het terrein wordt genomen via de Hutsepotstraat’ ‘Verder wordt een secundaire ontsluiting van het terrein gemaakt via de Heerweg Zuid. (nu ook toegang naar het voetbalveld)’ - STUK 13 - advies van de Technische Dienst van de Stad Gent dd. 19.06.2003: ‘De hoofdtoegang bevindt zich in de Hutsepotstraat (buurtweg). (...) De uitrit links thv de linker achtervleugel van het rusthuis, geeft uit op een aan te leggen secundaire ontsluitingsweg. De secundaire ontsluiting is voorzien langs de Heerweg-Zuid. Vanaf de inrit van het rustoord aan de voorgevel wordt aan de rechterkant en achteraan aansluitend op de secundaire ontsluitingsweg een brandweg (breedte 4
  1. m)aangelegd. (...)’ - STUK 16 - eerste vergunning dd. 05.12.2003: ‘De hoofdtoegang blijft langs de Hutsepotstraat, welke een gemeenteweg is met een voldoende draagkracht’. - STUK 18 - schrijven van de Dienst Administratie, Stedenbouwkundige vergunningen van de Stad Gent dd. 02.02.2004 ‘De toegangsweg betreft een secundaire ingang voor het rusthuis. (...) Als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de breedte van de rijweg, ter hoogte van de aansluiting met de openbare weg (zowel langsheen de Hutsepotstraat als langsheen Heerweg-Zuid) beperkt blijven tot maximaal 5 m.’ - STUK 21 - gemotiveerd advies van het College van Burgemeester en Schepenen dd. 24.02.2005: X-13.226-6/18 ‘De hoofdtoegang (br. = 5,00 m.) bevindt zich langs de Hutsepotstraat. (...) De secundaire ontsluiting is voorzien langs de Heerweg-Zuid. Vanaf de hoofdtoegang van het rust- en verzorgingstehuis wordt er aan de rechter- en achterzijde, aansluitend op de secundaire ontsluitingsweg een brandweg (br. = 4,00 m.) aangelegd. (...)’ Uit voorgaande stukken blijkt zwart op wit dat de toegangsweg langs de Heerweg-Zuid steeds slechts als een secundaire ontsluitingsweg werd voorgesteld, hetgeen haaks staat op de motivering waarnaar de bestreden beslissing verwijst alsdat de wegenis op de site zou zijn uitgevoerd zoals voorzien in de vergunning 2004/70125. Evenmin kan men getuigen dat de draagkracht en het profiel van de Heerweg-Zuid identiek is aan dat van de Hutsepotstraat en beide straten op eenzelfde niveau functioneren. Het is daarentegen duidelijk dat de Heerweg-Zuid een aanzienlijk mindere draagkracht heeft dan de Hutsepotstraat. b. Ten onrechte wordt inzake de lawaaihinder voorgehouden dat dagelijks slechts een honderdtal wagens de ingang langs de Heerweg-Zuid zouden oprijden en dat in een randstedelijk gebied de lawaaihinder van een dergelijk aantal wagens daarmee beperkt blijft tot een aanvaardbaar niveau. Evenwel is die - theoretische- berekening van het aantal ‘bewegingen’ een serieuze onderschatting van de realiteit: - nu het aantal personeelsleden uiteraard niet in ‘full time equivalenten’ dient uitgerekend te worden doch in een grotere aantal reële equivalenten; - nu totaal voorbijgegaan wordt aan de problematiek van het sluipverkeer over de site en het gebruik van de parking van de site voor de ouders van de schoolgaande jeugd; desbetreffend wordt niet ingegaan op de door verzoeker geformuleerde bezwaren; - nu er ook in geen enkele mate gehoor wordt gegeven aan het bezwaar van verzoeker dat de lawaaihinder voornamelijk ’s morgens vroeg geleden wordt en verzoeker daardoor zelfs dagelijks wordt gewekt, hetgeen zelfs in een randstedelijk gebied onaanvaardbaar is. Bovendien worden de weekends van verzoeker, toch bedoeld als rustpunt na een werkweek, eveneens verstoord door talrijke familiale bezoeken aan het rusthuis. Ten onrechte stelt de bestreden vergunning - met een stereotiepe uitdrukking - dat het woonklimaat van de bebouwde omgeving niet in het gedrang komt, terwijl dit woonklimaat in hoofde van verzoeker zoals hoger aangetoond wel degelijk in ernstige mate wordt aangetast, doch de verwerende partij dit helemaal niet heeft onderzocht en géén enkele belangenafweging heeft gemaakt. Welk belang wordt overigens gediend door de verkeerssituatie zoals zij geregulariseerd werd door de bestreden vergunning, in vergelijking met de initieel vergunde verkeerssituatie ? Geen enkel belang ! Enig respect voor de eerbiediging van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel is door de verwerende partij in haar bestreden vergunning niet aan de dag gelegd. Verzoeker heeft hiermee aangetoond dat van een omstandige, nauwgezette en correcte motivering in de bestreden vergunningen geen sprake is”. 4.2. De verwerende partij antwoordt: “De verzoekende partij verwijt de bestreden vergunning dat zij niet afdoende werd gemotiveerd en dat manifest foutieve gegevens en feiten werden opgenomen. X-13.226-7/18 Naar aanleiding van het openbaar onderzoek werden namens de verzoeker bezwaren ingediend die als volgt werden samengevat (...): 1. Bezwaar ivm wijzigen hoofdingang: De aanvraag gaat veel verder dan het louter wijzigen van de rijrichting van de toegangswegen van en naar het rusthuis. Met de gewijzigde rijrichting verschuift immers de feitelijke hoofdingang van de Hutsepotstraat naar Heerweg-Zuid. Dit is totaal in strijd met het concept dat aan de grondslag lag van de voorgaande vergunningsaanvraag. 2. Bezwaar ivm lawaaihinder : Het gebruik van de toegang via Heerweg-Zuid als hoofdingang (enige inrit) zorgt voor een aanzienlijke verkeersstroom. Sluipverkeer en oneigenlijk gebruik van de parking versterken de aanwezige verkeersstroom. Het continu aan- en afrijden en de werking van de slagboom zorgen voor een onaanvaardbare lawaaihinder. 3. Bezwaar ivm verkeersdruk Heerweg-Zuid : Het wijzigen van de hoofdingang leidt tot een aanzienlijke vermeerdering van het verkeer in Heerweg-Zuid. Deze verkeerstoename is onaanvaardbaar gezien het beperkt profiel van deze weg en de functie ervan als fietsas. De bezwaren werden als volgt besproken: 1. Bezwaar ivm wijzigen hoofdingang : Bezwaar wordt niet weerhouden. De wegenis op de site werd volledig uitgevoerd zoals voorzien in de vergunning 2004/70125. De bestaande vergunde situatie gaat de facto uit van twee volwaardige toegangen, gezien beide ontsluitingsroutes ontworpen zijn volgens eenzelfde profiel en onderdeel uitmaken van eenzelfde ontsluitingscircuit. Verkeerskundig levert de gewijzigde rijrichting bovendien géén problemen op. Hutsepotstraat en Heerweg-Zuid functioneren immers op eenzelfde niveau. Beiden vervullen een belangrijke rol in de ontsluitingsstructuur van de kern Zwijnaarde. Hun profiel is vergelijkbaar. De bebouwing langs beide assen draagt een gemengd karakter : woningen en gemeenschapsvoorzieningen komen naast elkaar voor. 2. Bezwaar ivm lawaaihinder : Bezwaar wordt niet weerhouden. Het rusthuis telt 125 bewoners en beschikt over 90 personeelsleden (te rekenen in full time equivalenten) met een permanentie van (
  2. ca)40 personeelsleden op hetzelfde moment. Vanuit deze capaciteit en rekening houdende met het aantal bezoekers en het aan-en afrijden van medisch personeel kan het aantal bewegingen geschat worden op een 100-tal. Dit aantal is aanvaardbaar voor een functie in een randstedelijk kerngebied. De lawaaibinder van toekomende wagens zal dan ook beperkt blijven tot een aanvaardbaar niveau. 3. Bezwaar ivm verkeersdruk : Bezwaar wordt niet weerhouden. Zoals reeds bij de weerlegging van bezwaar 1 werd aangehaald is er géén verschil in verkeerskundig en ruimtelijk (opzicht) tussen Heerweg-Zuid en Hutsepotstraat. Bovendien zijn de verkeersintensiteiten op de site relatief beperkt waardoor ook de hinder naar het openbaar domein beperkt blijft. Concludente merkt op dat het recht van de belanghebbende om bezwaren en opmerkingen te formuleren tijdens het openbaar onderzoek, voor het college van burgemeester en schepenen de verplichting meebrengt om de gemaakte bezwaren en opmerkingen ernstig te onderzoeken en te beoordelen. Het behoort evenwel niet tot de bevoegdheid van de Raad van State zijn beoordeling van de aangevoerde bezwaren in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. In de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht is Uw Raad volgens vaste rechtspraak enkel bevoegd om na te gaan of de overheid bij de beoordeling van de bezwaren is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. X-13.226-8/18 In casu blijkt dat bij de bespreking van de bezwaren (door het college van burgemeester en schepenen, dat werd gevolgd in de alhier bestreden beslissing) is uitgegaan van een correcte voorstelling van zaken en werd met name uitgegaan van een correcte beschrijving van de omgeving, de bouwplaats en het project: ‘De aanvraag omvat het wijzigen van de circulatie op de bestaande site van het rust-en verzorgingstehuis ‘Zonnebloem’. De site maakt deel uit van de kern van Zwijnaarde en is toegankelijk zowel via de Hutsepotstraat als via Heerweg-Zuid. Doel van deze aanvraag is de zonder vergunning doorgevoerde circulatiewijziging op de site te regulariseren. De wegenis die uitgeeft op Heerweg-Zuid is 6 m breed, met een versmalling tot 5 m ter hoogte van de aansluiting op Heerweg-Zuid. De weg die uitgeeft op Hutsepotstraat is 7,08 m breed met een versmalling tot 5 m ter hoogte van de aansluiting met Hutsepotstraat. Aan beide toegangen werd gewerkt met tweerichtingsverkeer. Bij de uitvoering van het oorspronkelijk vergund plan (2004/ 70125) werd echter geopteerd voor een circuit met éénrichtingsverkeer, waarbij de toegang via Heerweg-Zuid functioneert als inrit om vervolgens de site te verlaten via Hutsepotstraat. In het kader van de gewijzigde situatie aan de Hutsepotstraat werd de hefboominstallatie 8 m verschoven in de richting van de straatzijde’. De verzoekende partij stelt dat - inzake de beoordeling van de bezwaren - ten onrechte wordt voorgehouden : a. In verband met het wijzigen van de hoofdingang: - dat de wegenis werd uitgevoerd zoals voorzien in de vergunning 2004/70125: nochtans blijkt uit geen enkel gegeven dat de wegenis technisch anders uitgevoerd zou zijn dan oorspronkelijk voorzien. De omstandigheid dat in de praktijk de circulatie anders verliep dan oorspronkelijk voorzien maakt precies het voorwerp uit van de beoordeling van de betwiste vergunningsaanvraag, die strekt tot regularisatie van de circulatie op het terrein; - dat de vergunning uitging van twee volwaardige toegangen, gezien beide ontsluitingsroutes ontworpen zijn volgens eenzelfde profiel en functioneren op eenzelfde niveau: nochtans gaat het om - technisch - twee volwaardige toegangen met een breedte van resp. 6 (Heerweg-Zuid) en 7,08 m (Hutsepotstraat), derwijze dat deze bespreking/motivering correct is. De omstandigheid dat er oorspronkelijk sprake was van een secundaire ontsluiting via de Heerweg-Zuid belet niet te stellen dat het technisch gaat om twee volwaardige toegangen (...). - dat de gewijzigde rijrichting verkeerskundig géén probleem oplevert: de eiser stelt desbetreffend enkel dat de Heerweg-Zuid een aanzienlijke mindere draagkracht heeft dan de Hutsepotstraat, doch brengt geen enkel concreet gegeven aan dat ondersteunt dat de Heerweg-Zuid onvoldoende draagkracht zou hebben om de toegangsfunctie te verwerken; b. In verband met de lawaaihinder: - dat slechts een honderdtal bewegingen per dag worden geschat: in het bestreden besluit werd op grond van concrete gegevens (het bewonersaantal en het personeelsaantal) een schatting gemaakt van het aantal bewegingen, dewelke als dus danig niet wordt weerlegd door de verzoekende partij. De eiser stelt dat geen rekening wordt gehouden met ‘sluipverkeer’. Dit is uiteraard geen aanvaardbaar argument vermits uiteraard alleen maar met reglementair voor het RVT bestemd verkeer rekening kan worden gehouden en trouwens niet eens wordt aangetoond dat de weg in kwestie als sluipweg wordt gehanteerd, hetgeen overigens ingevolge de aanwezigheid van een slagboom weinig waarschijnlijk is. X-13.226-9/18 Het is derhalve niet onredelijk te stellen dat een honderdtal bewegingen per dag aanvaardbaar is voor een functie in een randstedelijk kerngebied en dat de lawaaihinder zal beperkt blijven tot een aanvaarbaar niveau”. 4.3. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker: “De verwerende partij tracht in haar memorie van antwoord te weerleggen dat de bestreden vergunning niet afdoende werd gemotiveerd en dat manifest foutieve gegevens en feiten werden opgenomen. Daartoe volstaat de verwerende partij ermee: - enerzijds letterlijk het antwoord van de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen dd. 25.01.2007 aan de raadsman van verzoeker te citeren, waarbij de bezwaren van verzoeker worden besproken (...); - en anderzijds - onmiddellijk in aansluiting op dat citaat - te ‘besluiten’ dat bij de bespreking van die bezwaren (door het College van Burgemeester en Schepenen, dat in de bestreden vergunning werd gevolgd) ‘blijkt dat het is uitgegaan van een ‘correcte voorstelling van zaken’ en van een correcte beschrijving van de omgeving, de bouwplaats en het project’, waarbij - als zogenaamd bewijs daarvan - geciteerd wordt uit het gemotiveerd advies van het College van Burgemeester en Schepenen dd. 12.10.2006 (...). De verwerende partij gaat evenwel niet of nauwelijks in op de door verzoeker in zijn tweede middel opgeworpen essentiële fouten in het standpunt van het College van Burgemeester en Schepenen (waarbij de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar zich in de bestreden vergunning dd. 15.12.2006 zoals gesteld grotendeels eenvoudig aansloot): - Inzake het wijzigen van de hoofdingang zou - nog steeds volgens de verwerende partij - uit geen enkel gegeven blijken dat de wegenis technisch anders uitgevoerd werd dan oorspronkelijk voorzien in de (tweede) vergunning 2004/70125. Daarmee ontkent de verwerende partij ten onrechte niet alleen dat in de (tweede) vergunning 2004/70125, maar ook dat in de eerste vergunning 2003/70058 steevast uitgegaan werd van een hoofdtoegang tot de site via de Hutsepotstraat, en een slechts secundaire ontsluiting via de Heerweg-Zuid. Wanneer evenwel van dat verkeersconcept afgestapt wordt om over te schakelen naar een roll-on - roll-of parkingsysteem (en daartoe de bestreden regularisatievergunning wordt aangevraagd) diende de site uiteraard wel degelijk technisch anders ingericht worden (qua verkeerssignalisatie, aanbrengen van infoborden, plaatsing en functioneren van slagbomen, edm.) én kan in de bestreden vergunning niet correct voorgehouden worden dat de wegenis op de site uitgevoerd werd zoals voorzien in de (tweede) vergunning 2004/70125. Onder verwijzing naar hetgeen verzoeker daaromtrent hoger in huidige memorie stelde aangaande de essentieel verschillende breedte en inrichting van de verschillende toegangen (...), kan de verwerende partij niet volhouden dat zowel de toegang via de Heerweg-Zuid als deze via de Hutsepotstraat ‘ontworpen zijn volgens eenzelfde profiel en functioneren op eenzelfde niveau’, noch dat de Hutsepotstraat als de Heerweg-Zuid eenzelfde draagkracht zouden hebben om de toegangsfunctie te verwerken. Verzoeker meent daarentegen te kunnen stellen dat de toegang aan de Hutsepotstraat - aanzienlijk breder is (dan deze aan de Heerweg-Zuid), en daarom perfect tegelijk kan functioneren als in- én uitrit; - aanzienlijk overzichtelijker is (dan deze aan de Heerweg-Zuid), nu zich zowel links als rechts van de toegang niet onmiddellijk huizen bevinden; X-13.226-10/18 - aanzienlijk veiliger is (dan deze aan de Heerweg-Zuid), nu de maximaal toegelaten snelheid daar omwille van de aanwezigheid van de twee schooltjes slechts 30 km/u bedraagt; - aanzienlijk kindvriendelijker is (dan deze aan de Heerweg-Zuid), nu alle fietsende jeugd die zich naar de gemeentelijke sportzaal Hekers begeeft (gelegen in Ter Linden, zijnde een zijstraat van de Heerweg-Zuid) de Heerweg-Zuid dient door te rijden en daar in de huidige verkeerssituatie geconfronteerd wordt met een toevloed van voertuigen voor het RVT. Precies om te voldoen aan een bredere, overzichtelijkere en veiligere verkeerscirculatie, werden - zoals hoger reeds gesteld (...) - zelfs meerdere gebouwen gesloopt, ondanks groot en omvangrijk plaatselijk protest tegen de afbraak van (onder meer) het ‘oude’ rusthuis... - Inzake de lawaaihinder gaat de verwerende partij ten onrechte uit van slechts een honderdtal bewegingen per dag, hetgeen naar haar oordeel aanvaardbaar zou zijn voor een functie in een randstedelijk kerngebied. Bovendien zou enkel met het voor het RVT bestemd reglementair verkeer rekening kunnen gehouden worden en niet met het sluipverkeer. Onder verwijzing naar hetgeen verzoeker daaromtrent hoger in huidige memorie stelde aangaande de hinder die hij ondervindt (...), moet de verwerende partij erkennen dat ruim meer dan een honderdtal wagens per dag de secundaire inrit aan de Heerweg-Zuid gebruiken. Ook het gebruik van de site door sluipverkeer (mede door het vaak niet of niet afdoende werken van de slagbomen, waardoor iedereen de site kan op- en afrijden) werd door verzoeker aangetoond, minstens aannemelijk gemaakt. Verzoeker ziet overigens geen enkele reden waarom dit sluipverkeer niet mee in aanmerking zou mogen genomen worden om de door hem en zijn gezin geleden hinder te begroten. Verzoeker toonde aan dat hij vanaf ’s ochtends 5u30, minstens om de 5 à 6 minuten door een voorbijrijdende wagen in zijn nachtrust wordt gestoord, alsook dat hij zelfs op zondag minstens om de 2 minuten geconfronteerd wordt met hinderlijk verkeer op nauwelijks twee meter van zijn woning. (...) Dit kan niet meer aanvaardbaar genoemd worden, zelfs niet in een randstedelijk kerngebied, temeer er - zoals hoger toegelicht - een perfect én vergund alternatief bestaat dat niemand schaadt. De verwerende partij stelt terecht dat het inderdaad niet tot de bevoegdheid van Uw Raad behoort om uw beoordeling van de door verzoeker aangevoerde bezwaren in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Uw Raad is in het kader van het wettigheidstoezicht echter wél bevoegd om na te gaan of de vergunningsverlenende overheid bij de beoordeling van die bezwaren uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot de bestreden vergunning is gekomen. Verzoeker heeft aldus aangetoond dat van een omstandige, nauwgezette en correcte motivering op grond van juiste feitelijke gegevens in de bestreden vergunning geen sprake is”. 4.4. De tussenkomende partij laat met betrekking tot dit middel het volgende gelden: “De verzoekende partij werpt op dat de bestreden vergunning niet afdoende werd gemotiveerd, dat haar bezwaren ofwel niet ofwel op een gebrekige, onbehoorlijke en zelfs foutieve wijze werden weerlegd, alsook dat het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel werden geschonden. X-13.226-11/18 2.1. Omtrent de motivering en het ontmoeten van de bezwaren van verzoekende partij 2.1.1. De kritiek welke de verzoekende partij uit aangaande de beoordeling door de verwerende partij van haar bezwaren, is onterecht. Er kan dienaangaande verwezen worden naar de weerlegging van de kritiek in de memorie van antwoord van de verwerende partij, hetgeen alhier voor zoveel als nodig als herhaald dient beschouwd te worden. Veel meer dan een eigen visie poneren, doet de verzoekende partij niet. 2.1.2. De vergunningsaanvraag was er precies op gericht de situatie zoals deze zich in de praktijk bleek te veruitwendigen en die enigszins anders was dan initieel was vooropgesteld, te regulariseren. Dienvolgens gaat het niet op terug te grijpen naar de initieel beoogde toestand om de regularisatie te bestrijden. Een regularisatie is er precies op gericht een wijziging of afwijking ten opzichte van een bepaalde vergunde toestand regelmatig te maken. De initiële toestand kan bij de beoordeling van de vraag tot regularisatie dan ook niet als dienstig argument weerhouden worden. Immers, indien mocht worden aanvaard dat een vraag tot regularisatie kan afgewezen worden op grond van de initieel beoogde en vergunde toestand, dan zou om het even welke regularisatie onmogelijk worden aangezien de initieel vergunde toestand alsdan feitelijk als onveranderlijk zou gekwalificeerd worden. De verzoekende partij dient concreet aan te geven op welke manier de verwerende partij tekort zou zijn geschoten bij haar motivering. De praktische bezwaren die door de verzoekende partij geuit werden, werden besproken en op gemotiveerde wijze weerlegd. De verwerende partij beschikt over een discretionaire beoor- delingsbevoegdheid en er wordt door de verzoekende partij niet aangetoond dat de verwerende partij kennelijk onredelijk zou hebben gehandeld. Bij de beoordeling van de schending van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel beschikt de Raad van State slechts over een marginale bevoegdheid in die mate dat slechts kan worden nagegaan of de verwerende partij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, die correct beoordeelde en vervolgens op grond daarvan in redelijkheid tot de bestreden beslissing is gekomen.(...). Zulks is in casu het geval. 2.1.3. Het eerste onderdeel van dit middel is ongegrond. 2.2. Omtrent het redelijkheidsbeginsel 2.2.1. De verzoekende partij meent dat de verwerende partij niet in redelijkheid tot een correcte afweging van alle belangen is gekomen. Zij bedoelt eigenlijk dat haar individueel belang had moeten primeren op het belang van bewoners, personeel en bezoekers van het rust- en verzorgingstehuis, alsook op het belang van diegenen die nabij de andere toegangsweg, uitgevend op de Hutsepotstraat, woonachtig zijn. Immers, hoe minder bewegingen langs de toegangsweg uitgevend op Heerweg-Zuid, hoe meer bewegingen langs de toegangsweg uitgevend op de Hutsepotstraat. Hoe het redelijkheidsbeginsel concreet geschonden zou zijn, geeft de verzoekende partij niet aan. De verwerende partij heeft vastgesteld dat beide toegangswegen volgens hun aard en kenmerken in staat zijn om effectief als gebruikelijke toegangsweg te dienen, weze het als inrit dan wel als uitrit. Dienvolgens kon geen betere afweging van alle belangen gemaakt worden dan door de ‘lasten’ volledig gelijkmatig te verdelen. Het aanwenden van de ene weg als inrit en de andere X-13.226-12/18 weg als uitrit heeft tot gevolg dat beide wegen precies evenveel bewegingen te verwerken krijgen. Het initiatief van de verzoekende partij strekt ertoe zelf geen enkele ‘last’ te ondervinden tegenover een dubbele ‘last’ voor de Hutsepotstraat. 2.2.2. Een overheidsbeslissing kan slechts vernietigd worden wegens schending van het redelijkheidsbeginsel wanneer deze beslissing kennelijk onredelijk is, met andere woorden wanneer vaststaat dat geen enkele -over een discretionaire macht beschikkende - redelijke overheid in dezelfde omstandigheden een dergelijke beslissing zou nemen (...). Hiervan is in casu geen sprake. Overigens dient vastgesteld dat de verzoekende partij zichzelf tegenspreekt wanneer zij een schending van het redelijkheidsbeginsel inroept. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel kan immers pas sprake zijn wanneer de motieven van een beslissing op zichzelf in feite en in rechte juist zijn, maar tussen die motieven en de inhoud van de beslissing een kennelijke wanverhouding bestaat (...). Dit weerlegt de bewering van de verzoekende partij dat de beslissing gebaseerd zou zijn op onjuiste dan wel onvolledige informatie. En in het andere geval is de grief gestoeld op de schending van het redelijkheidsbeginsel alleszins niet gegrond (...). 2.2.3. Het tweede onderdeel van dit middel is ongegrond. 2.3. Omtrent het zorgvuldigheidsbeginsel 2.3.1. De verzoekende partij meent dat de materiële zorgvuldigheidsnorm alsook de procedurele zorgvuldigheidsnorm overtreden werden. Een ‘onnodige’ belangenschade, waarover de verzoekende partij het heeft, ligt niet voor. De situatie waarvan regularisatie gevraagd wordt, beoogt de meest vlotte en veilige bereikbaarheid en verkeerscirculatie, waarbij de eraan verbonden ‘lasten’ maximaal gespreid worden. Voor wat de procedurele zorgvuldigheid betreft, laat de verzoekende partij louter theoretische overwegingen gelden zonder aan te geven hoe concreet een overtreding zou voorliggen. Het volstaat uiteraard niet de inhoud van een norm weer te geven, om deze norm meteen als geschonden te beschouwen. 2.3.2. Het derde onderdeel van dit middel is ongegrond”. 4.5. In zijn laatste memorie laat de verzoeker onder meer nog gelden wat volgt: “Enerzijds is het evident dat een secundaire ontsluitingsweg via de Heerweg-Zuid nauwelijks of geen passage voor verzoeker zou impliceren (op een uitzonderlijke brandweerwagen of ziekenwagen na), terwijl een exclusieve ingang via de Heerweg-Zuid alle voertuigen op nauwelijks anderhalve meter van de tuin van de woning van verzoeker laat passeren. Desbetreffend getuigt de bestreden beslissing geenszins van redelijkheid nu de toegang via de Hutsepotstraat véél verder gelegen is van de aanpalende panden (de afstand tot het dichtst bij gelegen huis rechts bedraagt minstens 7 meter en de afstand tot het links gelegen schooltje zelfs ca. 25 meter), die van in- of uitrijdend verkeer totaal géén last zouden hebben. Anderzijds zijn de tellingen door de gerechtsdeurwaarder net niet gebeurd op ogenblikken dat er sowieso veel bewegingen zijn, namelijk ’s ochtends tussen 7u00 en 8u00 - het ogenblik dat het merendeel van het personeel X-13.226-13/18 aankomt en ook veel leveranciers hun goederen leveren (de tellingen gebeurden daarentegen tussen 5u30 en 7u00: om de 5 à 6 minuten passeerde een wagen) en op zondagnamiddag tussen 1 5u00 en 17u00 - wanneer de bejaarden het meeste bezoek ontvangen (de tellingen gebeurden daarentegen tussen 14u00 en 15u00: om de 2 minuten passeerde een wagen). (...) Tot slot is een theoretisch uitgangspunt van een honderdtal bewegingen per dag op deze site gewoonweg onwaarschijnlijk weinig en is in de praktijk dagelijks (en dit van zeer vroeg!) sprake van honderden wagens en vrachtwagens die de site van het RVT betreden via de toegangsweg aan de Heerweg-Zuid betreden, in acht genomen: - de 133 woongelegenheden voor bejaarden in het RVT - de 90 personeelsleden - de (vracht)wagens van leveranciers (voedingsmiddelen, geneesmiddelen, onderhoudsproducten, ...) - de wagens van onderhoudspersoneel (onderhoud gebouw, tuin, ...) - de wagens voor ziekenvervoer en de hulpdiensten - de wagens van vertegenwoordigers van geneesmiddelen en allerlei andere producten - de wagens van dokters - de wagens van bezoekers - de wagens van derden, die bij goed weer ook vrij gebruik mogen maken van het (overigens prachtige) terras van het RVT - het sluipverkeer over de site en het gebruik van de parking van de site door de ouders van de schoolgaande jeugd in de buurt bij aanvang en einde van de nabijgelegen twee schooltjes. Dit kan niet meer aanvaardbaar, redelijk en zorgvuldig genoemd worden, zelfs niet in een randstedelijk kerngebied, temeer door de bestreden vergunning de meest schadelijke wegeninfrastructuur voor de meest directe buur van het RVT, zijnde verzoeker, werd vergund, terwijl er een perfect én vergund alternatief bestaat dat niemand schaadt (nl. een in- en uitgang via de Hutsepotstraat)”. Beoordeling 4.6. De aanvraag diende en werd ook onderworpen aan een openbaar onderzoek op grond van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen. Artikel 11, § 1 van voormeld besluit bepaalt: “Art. 11. § 1. De vergunningverlenende overheid spreekt zich uit over de ingediende bezwaren en opmerkingen. Indien het een aanvraag betreft waarover het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig artikel 127 van het decreet dient te adviseren, spreekt dat zich er ook over uit, behalve indien de aanvraag van de gemeente zelf uitgaat of de adviestermijn verstreken is”. 4.7. Te dezen heeft de verzoeker in zijn bezwaarschrift onder meer laten gelden wat volgt: X-13.226-14/18 “2. Met deze nieuwe vergunningsaanvraag gaat het O.C.M.W. GENT integraal in tegen de situatie die zij in haar eerdere vergunningsaanvragen had laten uitschijnen: - waarbij het gebruik van de toegang via de Heerweg-Zuid slechts secundair, subsidiair en occasioneel zou zijn ; - en waarbij cliënten als aanpalende eigenaars van deze secundaire toegangsweg - over een lengte van bijna 100 meter - nagenoeg geen hinder zouden hebben van verkeer voor het R.V.T. Het huidige onwettige gebruik van de wegenis van het R.V.T. heeft voor mijn cliënten echter voor gevolg dat zij via de secundaire toegangsweg aanzienlijke lawaaihinder ondervinden van voorbijrijdende vracht- en personenwagens naar het R.V.T. toe. Concreet worden cliënten vanaf ’s morgens vroeg gewekt door de vrachtwagens van leveranciers en door de voertuigen van personeelsleden die de ochtendploeg uitmaken. De hele dag door rijden auto’s via de toegangsweg — die voor iedereen toegankelijk is — af- en aan. De secundaire toegangsweg wordt in de praktijk gebruikt als een sluipweg om het kruispunt van de Heerweg-Zuid met de Hutsepotstraat te ontlopen. Bij aanvang en afloop van de schooluren maken de ouders van de kinderen uit de nabije scholen, via de secundaire toegangsweg gebruik van de parking op het terrein van het rusthuis om de kinderen op school af te zetten en op te halen. In tegenstelling tot een occasionele beweging op de secundaire weg worden cliënten bijgevolg geconfronteerd met vele tientallen en op sommige dagen zelfs honderden bewegingen per dag! Elk voertuig dat de secundaire weg gebruik, dient te vertragen en te stoppen aan de slagboom. Na het openen van de slagboom zet elke wagen - ter hoogte van de woning van mijn cliënten ! - opnieuw aan en dit (al
  3. te)vaak met loeiende motor. Bij het opnieuw neerkomen ‘slaat’ de slagboom met een irritante dreun telkens in de daartoe voorziene houder. De ruime tuin bij de woning van mijn cliënten, voorheen een oase van rust, is geenszins nog een rustig toevluchtsoord nu de secundaire toegangsweg werkelijk paalt aan deze tuin”. 4.8. Het college van burgemeester en schepenen heeft dit bezwaar in zitting van 12 oktober 2006 beantwoord als volgt: “2. Bezwaar ivm lawaaihinder: bezwaar wordt niet weerhouden. Het rusthuis telt 125 bewoners en beschikt over 90 personeelsleden (te rekening in full time equivalenten) met een permanentie van ca. 40 personeelsleden op hetzelfde moment. Vanuit deze capaciteit en rekening houdend met het aantal bezoekers en het aan- en afrijden van medisch personeel kan het aantal bewegingen per dag geschat worden op een 100-tal. Dit aantal is aanvaardbaar voor een functie in een randstedelijk kerngebied. De lawaaihinder van toekomende wagens zal dan ook beperkt blijven tot een aanvaardbaar niveau”. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar heeft zich wat betreft de “evaluatie bezwaren” aangesloten “bij het standpunt ingenomen door het college van burgemeester en schepenen d.d. 12/10/2006”. X-13.226-15/18 Wat betreft de “beoordeling van de goede ruimtelijke ordening” wordt hieromtrent in het bestreden besluit gesteld: “De aanvraag brengt het karakter noch het woonklimaat van de bebouwde omgeving in het gedrang. Het verkeersgenererend karakter van de site blijft relatief beperkt en is aanvaardbaar binnen het niveau van een randstedelijk kerngebied. De verkeersstromen blijven beperkt, waardoor de hinder naar het openbaar domein eveneens beperkt is. Op de site zelf dienen de nodige verkeersremmende maatregelen genomen te worden, teneinde onaangepaste snelheden op het terrein te voorkomen”. 4.9. De verzoeker stelt dat inzake de lawaaihinder ter verwerping van zijn bezwaar ten onrechte wordt voorgehouden dat dagelijks slechts een honderdtal wagens de ingang langs de Heerweg-Zuid zouden oprijden én dat in een randstedelijk gebied de lawaarhinder van een dergelijk aantal wagens daarmee beperkt blijft tot een aanvaardbaar niveau. Hij stelt dat het daarbij gaat om een “theoretische” berekening van het aantal “bewegingen” die een “serieuze onderschatting (
  4. is)van de realiteit” aangezien het aantal personeelsleden niet in “full time equivalenten” maar in reële equivalenten moet worden berekend, er totaal voorbijgegaan wordt aan de problematiek van het sluipverkeer, en geen gehoor wordt gegeven aan zijn bezwaar dat de lawaaihinder voornamelijk ’s morgens vroeg geleden wordt waardoor hij dagelijks wordt gewekt en dat zijn rust tijdens de weekends door de talrijke familiale bezoeken aan het rusthuis voortdurend wordt verstoord. 4.10. Daargelaten de vraag of in redelijkheid kan worden gesteld dat de lawaarhinder van een honderdtal wagens per dag op privaat domein op enkele meters van de woning van de verzoeker omwille van de ligging ervan in een randstedelijk kerngebied tot een aanvaardbaar niveau is beperkt, moet worden vastgesteld dat de beantwoording van het bezwaar is gesteund op een louter theoretische schatting van het aantal voertuigen dat per dag de ingang zal gebruiken. Alleszins blijkt deze schatting te steunen op onjuiste feitelijke gegevens waar voor het aantal personeelsleden wordt uitgegaan van “full time equivalenten” daar waar uiteraard moet worden uitgegaan van het reële aantal personeelsleden dat dagelijks de betrokken ingang gebruikt. Ook het argument dat alleen maar met reglementair voor het RVT bestemd verkeer rekening kan worden gehouden gaat niet op aangezien om de lawaaihinder te beoordelen uiteraard rekening moet worden gehouden met alle verkeer dat de betrokken ingang gebruikt, ook al is dit niet voor het RVT bestemd. X-13.226-16/18 Daarenboven gaat het te dezen om een regularisatievergunning, zodat de vergunningverlenende overheid voor de beantwoording van het bezwaar zelf in de mogelijkheid was het aantal voertuigen dat dagelijks de toegang gebruikt evenals het tijdstip ervan nauwkeurig te bepalen. Er dient dan ook te worden vastgesteld dat de vergunningverlenende overheid, door zich enkel te steunen op een louter theoretische berekening waarbij zij zich daarenboven heeft gebaseerd op foutieve parameters, is tekort geschoten in de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht en het bezwaar van de verzoeker niet afdoende heeft beantwoord. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van 15 december 2006 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan het OCMW van de stad Gent de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot “regularisatie van de wijziging van de rijrichting van de in- en uitrit” van het rust- en verzorgingstehuis “Zonnebloem”, gelegen te Gent (Zwijnaarde), Hutsepotstraat 29, kadastraal bekend sectie C, nrs. 134/r, 135/e en 146/k2. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-13.226-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf mei 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.226-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.867 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.