id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.872 Rolnummer: A. 158744/X-12161 Zaak: Arrest 203872 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 04:44 Fiche Arrest nr 203.872 van 11 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 203.872 van 11 mei 2010 in de zaak A. 158.744/X-12.
- In zake: Marcel GALMART bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Van der Snickt kantoor houdend te 9300 AALST Leopoldlaan 32 A/ 1-2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Boomstraat 14, bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 28 december 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 26 oktober 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij verzoekers beroep tegen het besluit van 16 december 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pepingen houdende weigering van de stedenbouwkundige vergunning tot regularisatie van een tuinhuis op een perceel gelegen te Pepingen, Molenstraat 10, kadastraal bekend sectie A, nr. 214/m, niet wordt ingewilligd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 146.168 van 16 juni 2005 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. X-12.161-1/8 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 november
- Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wendy Van Laethem, die loco advocaat Jan Van der Snickt verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 22 januari 2001 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pepingen aan de verzoeker een vergunning voor het bouwen van een woning, op een terrein gelegen aan de Molenhofstraat 10 te Pepingen, kadastraal bekend sectie A, nr. 214/m.
- Het terrein is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, deels gelegen in woongebied met landelijk karakter, deels in agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. X-12.161-2/8
- De vergunning van 22 januari 2001 motiveert met betrekking tot het eveneens vergunde bijgebouw: “Het bijgebouw wordt ingeplant in de tuinzone op een voldoende afstand van de perceelsgrenzen (min. 4m). Verder voorziet men beperkte reliëfwijzigingen. Het voorgesteld project brengt de goede ordening en de ontwikkeling van het gebied niet in het gedrang en integreert zich in de omgeving. Door de voorgestelde architectuur en gebruikte materialen zal het project harmoniëren met de omliggende bebouwing”.
- Op 27 oktober 2003 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker een aanvraag in voor de regularisatie van een tuinhuis dat in de plaats van het vergunde bijgebouw is opgetrokken. In de beschrijvende nota stelt hij dat dit tuinhuis groter is, maar minder hoog dan het vergunde bijgebouw.
- Over deze aanvraag wordt van 31 oktober 2003 tot 30 november 2003 een openbaar onderzoek georganiseerd. Er worden 4 bezwaarschriften ingediend.
- Op 16 december 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. Ze motiveert haar beslissing als volgt: “Het voorgesteld project brengt de goede ordening en ontwikkeling van het gebied in het gedrang en integreert zich niet in de omgeving. Door de voorgestelde architectuur en de gebruikte materialen zal het project niet harmoniëren met de bestaande omliggende bebouwing”.
- Op 20 januari 2004 stelt de aanvrager tegen deze weigeringsbeslissing administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant.
- Op 26 oktober 2004 beslist de deputatie het beroep niet in te willigen. Het bestreden besluit overweegt met betrekking tot de goede ruimtelijke ordening onder meer: “De aanvraag schaadt de goede plaatselijke ordening. Het naastliggend perceel betreft een perceel met een diepte van 29 m. Het bijgebouw staat ingeplant achter dit perceel waardoor het zicht wordt belemmerd. Gelet op de grootte van het perceel in kwestie zijn er tal van mogelijkheden om dergelijk bijgebouw op te richten zodat deze hinder voor de aanpalende buur niet optreedt. Volgens de vergunning verleend in 2001 was een bijgebouw toegestaan met een oppervlakte van 30 m², zijnde een gedeelte in glas als serre, een deel als bergruimte en een deeltje als afdak met een nokhoogte van 4,40 m ingeplant op X-12.161-3/8 4 m van de perceelsgrens. Dit gedeelte van de vergunning werd niet nageleefd en is derhalve vervallen. Aanvrager beroept zich op deze vergunning die destijds werd verleend door het college van burgemeester en schepenen om de voorliggende aanvraag te regulariseren. De vergunningverlenende overheid heeft echter het recht, maar ook de plicht om zodanig te beslissen dat de goede ruimtelijke ordening wordt gevrijwaard. Luidens het arrest van de Raad van State van 13/12/1966, inzake Mampaey kunnen vroegere tekortkomingen of vergissingen op dat vlak, ook die van andere overheden, hen niet van die plicht ontslaan. De toekenning van een bouwvergunning met miskenning van de eisen van de goede plaatselijke ordening kan een nieuwe vergelijkbare vergunning niet rechtvaardigen, noch kan het een recht doen ontstaan ten voordele van derden om, zelfs in dezelfde omstandigheden, ook vergunning te bekomen (RvS van 16/9/1966 inzake Naudts en Calewaert)”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van het vertrouwensbeginsel. Hij betoogt dat het college van burgemeester en schepenen in een eerdere vergunning heeft geoordeeld dat de goede ruimtelijke ordening niet was geschonden. Het tuinhuis waarvoor thans een regularisatievergunning wordt gevraagd, werd op dezelfde plaats opgericht als het vergunde bijgebouw, op voldoende afstand van de perceelgrenzen. De gebruikte houten planken en de architectuur zijn in harmonie met de onmiddellijke omgeving. De functie landelijk wonen wordt door het tuinhuis niet geschaad. Voorts wordt de meeroppervlakte van 7,2 m² van het tuinhuis gecompenseerd door de verminderde hoogte ervan. Met een hoogte van 3,31 meter kan het tuinhuis het uitzicht van de bewoners van het naastliggende perceel onmogelijk ernstig belemmeren. Gelet op de nagenoeg identieke oppervlakte, op het gebruik van dezelfde materialen en van dezelfde locatie kon de vergunningverlenende overheid niet afwijken van haar eerder ingenomen standpunt omtrent de goede ruimtelijke ordening. Beoordeling
- De verzoeker gaat uit van de foutieve premisse dat dezelfde overheid een verschillend standpunt zou hebben ingenomen over de goede ruimtelijke ordening. Het bestreden besluit werd immers genomen door de X-12.161-4/8 bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant als administratieve beroepsinstantie. Bijgevolg zijn de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen en de bestreden beslissing twee afzonderlijke beslissingen van twee verschillende overheden.
- Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep, onderzoekt de beroepsinstantie de opportuniteit en de legaliteit van de zaak. Zij spreekt zich uit op grond van een eigen beoordeling, zonder daarbij gebonden te zijn door de motivering die is vervat in de oorspronkelijke weigeringsbeslissing. Haar beoordeling komt volledig in de plaats van de beoordeling door de lokale overheid, ook voor wat betreft de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening. Een afwijkende beoordeling van een feitenkwestie door de beroepsinstantie houdt op zich geen schending in van het vertrouwensbeginsel. In het bestreden besluit wordt vooreerst vastgesteld dat het bijgebouw achter het naastliggende perceel is gelegen en daardoor het uitzicht belemmert vanop dat perceel, terwijl, gezien de grootte van het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft, er nog verscheidene mogelijkheden waren waarbij het uitzicht niet zou worden belemmerd. Voorts wordt overwogen dat de bouwvergunning van 22 januari 2001 “vervallen” is voor wat betreft het vergunde bijgebouw, nu dat bijgebouw niet werd opgericht en op de plaats van dat bijgebouw een tuinhuis werd opgericht waarvoor thans een regularisatieaanvraag werd ingediend. Er wordt geconcludeerd dat de aanvraag niet verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. De deputatie heeft rekening houdend met die elementen en op grond van een afdoende eigen beoordeling van de goede ruimtelijke ordening de regularisatieaanvraag geweigerd. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet). In een eerste middelonderdeel stelt hij dat de bestendige deputatie letterlijk het advies van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar overneemt, X-12.161-5/8 zonder zich dit advies op grond van stedenbouwkundige overwegingen eigen te maken. In een tweede middelonderdeel voert hij aan dat de deputatie niet antwoordt op de argumenten die hij naar aanleiding van een hoorzitting had aangevoerd. Beoordeling
- De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van de motiveringswet bepaalt dat deze slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen. Uit een en ander volgt dat op het vlak van de motiveringsverplichting de motiveringswet van suppletoire aard is. Het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), legt aan de bestendige deputatie wanneer zij in beroep uitspraak doet over stedenbouwkundige aanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de motiveringswet. Deze beslissingen vallen derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet.
- Aangaande het eerste onderdeel van het middel moet worden vastgesteld dat er geen enkele wettelijke bepaling bestaat die de bestendige deputatie verbiedt om rekening te houden met het verslag van haar provinciale stedenbouwkundige ambtenaar en het desgevallend te volgen en het zich eigen te maken. Evenmin is vereist dat de bestendige deputatie zich uitdrukkelijk moet aansluiten bij dit verslag, wanneer zij dit verslag overneemt in het bestreden besluit. Te dezen heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant zich integraal aangesloten bij het verslag van haar provinciale stedenbouwkundige ambtenaar en zich aldus impliciet maar zeker de beoordeling X-12.161-6/8 van de goede ruimtelijke ordening door de stedenbouwkundige ambtenaar eigen gemaakt. Het eerste onderdeel van het middel is ongegrond.
- De motiveringsplicht vereist dat de motivering afdoende is. Aan die verplichting is voldaan als de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt en als uit die beslissing blijkt dat de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die gegevens correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Wanneer de deputatie op grond van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet in beroep uitspraak doet over een stedenbouwkundige vergunning, treedt zij niet als administratief rechtscollege op, maar als orgaan van het actief bestuur. Hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe gehouden is alle bezwaren en opmerkingen te beantwoorden, maar dat zij ermee kan volstaan in de beslissing duidelijk aan te geven door welke met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen deze beslissing is verantwoord. Uit de bespreking van het eerste middel is reeds gebleken dat de deputatie op grond van een omstandige, afdoende eigen beoordeling de vergunning heeft geweigerd omwille van de onverenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening. Het tweede onderdeel van het middel is ongegrond.
- Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. X-12.161-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf mei 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-12.161-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.872 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.168 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div