id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.874 Rolnummer: A. 184802/X-13414 Zaak: Arrest 203874 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:44 Fiche Arrest nr 203.874 van 11 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 203.874 van 11 mei 2010 in de zaak A. 184.802/X-13.414. In zake: 1. de c.v.b.a. ERO-INVEST 2. de c.v.b.a. WEST-IMMO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerard Soete kantoor houdend te 8400 OOSTENDE Kerkstraat 8, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 augustus 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 24 mei 2007 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij het beroep van de verzoekende partijen ingesteld tegen het besluit van 13 november 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende houdende weigering van de vergunning tot het plaatsen van publi-spandoeken op een perceel gelegen te Oostende, Madridstraat 14, kadastraal bekend sectie A, nr. 0005/c, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en de weigeringsbeslissing van het schepencollege wordt bevestigd. Het beroep strekt er tevens toe “te zeggen voor recht dat het beroep (...) toelaatbaar en gegrond was, de weigeringsbeslissing van het college (...) volledig vernietigd is en (...) de gevraagde vergunning is toegekend”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. X-13.414-1/11 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 maart 2010. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michel Lievens, die loco advocaat Gerard Soete verschijnt voor de verzoekende partijen, en adjunct-adviseur Pieter Dewulf, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 13 juli 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient de c.v.b.a. Ero-Invest bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor “aanbrengen publi-spandoeken”, op een terrein gelegen aan de Madridstraat 14 te Oostende. 3.2. De eerste verzoekende partij is huurster van het gebouw, dat eigendom is van de tweede verzoekende partij. 3.3. Het onroerend goed is volgens het bij koninklijk besluit van 26 januari 1977 vastgestelde gewestplan Oostende-Middenkust gelegen in woongebied. Het is eveneens gelegen binnen het gebied van het bijzonder plan van aanleg nr. 126B.01 “Stadscentrum-deelplan 1”, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 21 oktober 2004. Het is voor het overige niet gelegen binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. X-13.414-2/11 3.4. Op 13 november 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning, op grond van de volgende motivering : “Overwegende dat de bestemming volgens het bijzonder plan van aanleg, aaneengesloten bebouwing met hoofdbestemming wonen, horeca en/of handel is; Overwegende dat de aanvraag het plaatsen van een uithangbord op de voorgevel van een handelspand omvat; Overwegende dat de aanvraag het vervangen van een niet-vergund uithangbord betreft; Overwegende dat er een bestaand vergund uithangbord is aan de luifel op de voorgevel dat niet wordt verwijderd; Gelet op artikel 89 van de stedelijke verordening op de bouwwerken; Overwegende dat dit artikel bepaalt dat : ‘de uithangborden vastgehecht aan de gevels moeten voldoen aan de volgende bepalingen: (...) 2) Meer dan 2,50 m boven het peil van het trottoir :
- a)Uithangborden vlak tegen de gevel - Eén per bedrijf en per gevel; - Maximum hoogte : 0,75 m. In industrie-, ambachtelijke en commerciële zones of straten:1,50 m ; - Maximum uitsprong : 20 cm ; - Maximum lengte : de lengte der borden mag niet groter zijn dan de breedte van de gevel waaraan zij zijn bevestigd; - Plaatsing : evenwijdig met het vlak waartegen gesteund wordt. De borden mogen niet breder zijn dan de balkons of erkers waaraan zij bevestigd zijn. -
- b)... Wanneer één gebouw (op éénzelfde kadastraal perceel) verscheidene bedrijven huisvest moeten alle uithangborden samen binnen de hoger vermelde beperkingen blijven. De schikking van de verschillende borden dient zodanig te zijn dat het geheel een esthetisch verantwoord uitzicht vertoont.’; Overwegende dat het project afwijkt van punt 2),
- a)van bovenstaand artikel; Overwegende dat de aanvraag een bijkomend vlak uithangbord op de voorgevel betreft, waardoor er twee zijn in plaats van maximum één; Overwegende dat de voorgestelde afwijking het reclamebord 3,80 meter hoog is in plaats van de maximum toegelaten hoogte op die plaats van 1,50 meter, de afwijking op de hoogte is dus 2,30 meter; Overwegende dat het uithangbord niet evenwijdig met het gevelvlak wordt opgehangen; Overwegende dat het project van tegen de voorgevel tot 0,30 meter buiten de voorgevel uitspringt in plaats van de maximale uitsprong van 0,20 meter; Overwegende dat bovenvermelde afwijkingen een negatieve invloed hebben op het straatbeeld; Overwegende dat dergelijke afwijkingen afbreuk doet aan de goede plaatselijke ordening op die plaats en zowel stedenbouwkundig als esthetisch niet verantwoord zijn; Overwegende dat de werken niet verenigbaar zijn met de plaatselijke omgeving, ofschoon het hier een uitgangsbuurt betreft; Gelet op de aard van de afbeelding van het uithangbord; Overwegende dat het bord zichtbaar is vanop het Marie Joséplein; Overwegende dat de aanvraag werd ingediend na een klacht van buren als antwoord op het aangetekend schrijven aan de bouwheer van 21/03/2006; Overwegende dat in dit schrijven gevraagd werd het bestaande niet-vergunde vlakke uithangbord te verwijderen en het dwarse uithangbord te regulariseren; X-13.414-3/11 Overwegende dat tot op heden geen gevolg werd gegeven aan het bevel tot verwijderen van het vlakke uithangbord; Overwegende dat in de hierboven vermelde brief artikel 89 van de stedelijke verordening op de bouwwerken vermeld werd; Overwegende dat indien het bestaande dwarse uithangbord wordt behouden moet hiervoor een nieuwe regularisatieaanvraag worden ingediend; Overwegende dat het project NIET in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en niet verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat de goede plaatselijke ruimtelijke ordening in het gedrang wordt gebracht”. 3.5. Op 22 december 2006 stellen de verzoekende partijen beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. In dit beroepschrift wordt onder meer aangevoerd dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen ten onrechte toepassing had gemaakt van artikel 89 van de stedelijke verordening op de bouwwerken en wordt de beoordeling van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving betwist. 3.6. Op 24 mei 2007 wordt met de bestreden beslissing het beroep niet ingewilligd. IV. De regelmatigheid van de rechtspleging 4. De verzoekende partijen duiden de stad Oostende aan als tegenpartij en doen in de memorie van wederantwoord gelden wat volgt: “A. DE NIET-TOELAATBAARHEID VAN DE MEMORIE VAN ANTWOORD VAN DE DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN WEST-VLAANDEREN. 1. Ten onrechte is er een memorie van antwoord van de Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen. De Bestendige Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen deed uitspraak als administratief rechtscollege, zodat dat rechtscollege geen memorie van antwoord kan indienen betreffende haar eigen uitspraak. 2. Het is tegen alle wettelijke regels dat een administratief rechtscollege voor de Raad van State haar eigen beslissing zou mogen verdedigen omdat het dan gaat over een eigen belang waardoor de instantie niet als objectief administratief rechtscollege kon oordelen. 3. Doordat de Deputatie een memorie van antwoord neerlegt, erkent zij dat zij betrokken partij was zodat zij de belangen behartigt van de enige terzake doende partij STAD OOSTENDE. Als blijkt dat een administratief rechtscollege in feite de eigen belangen diende, zijn de rechten van de burger geschonden. 4. Door een memorie van antwoord neer te leggen erkende de Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen dat zij niet objectief oordeelde omdat zij zich als betrokken partij beschouwt die de belangen behartigt van STAD OOSTENDE”. X-13.414-4/11 Zij vragen “(d)e tussenkomst van de Deputatie (...) af te wijzen als niet-toelaatbaar, onontvankelijk dan wel volledig ongegrond”, “(m)instens de memorie van antwoord van de Deputatie (...) als niet-toelaatbaar, niet-ontvankelijk dan wel ongegrond af te wijzen”. 5. Het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), kent aan de bestendige deputatie, wanneer zij oordeelt in hoger beroep, dezelfde beoordelingsbevoegdheid toe als die waarover het college van burgemeester en schepenen beschikt. Die wettelijke bepaling is niet meer dan de uitdrukkelijke bevestiging van één der wezenskenmerken van het georganiseerd administratief beroep, met name dat bij het behandelen van zulk beroep de aanvraag in haar volledigheid, en dus zowel ten aanzien van de rechtmatigheid als ten aanzien van de opportuniteit van het gehele voorwerp ervan, wordt onderzocht. Uit het door artikel 53, §§ 1 en 2 van voornoemd decreet ingestelde beroep bij de bestendige deputatie vloeit voor deze de verplichting voort om over dat beroep uitspraak te doen. Het effectief instellen van het beroep door de verzoekende partijen, draagt dan ook de beslissingsbevoegdheid over de aanvraag van het college van burgemeester en schepenen naar de bestendige deputatie over en de beslissing van de bestendige deputatie komt in de plaats van de beslissing waartegen het beroep werd ingesteld. Hieruit volgt dat de verwerende partij het bestreden besluit heeft genomen als administratieve overheid en niet als administratief rechtscollege. Het lid van het auditoraat dat belast was met het waken over de uitvoering van de aan het onderzoek voorafgaande maatregelen heeft de aanduiding door de verzoekende partijen van de verwerende partij terecht gecorrigeerd door de huidige verwerende partij als zodanig in de zaak te betrekken. De exceptie wordt verworpen. V. Ontvankelijkheid van het beroep 6. De Raad van State is niet bevoegd “te zeggen voor recht dat het beroep (...) toelaatbaar en gegrond was, de weigeringsbeslissing van het college (...) volledig vernietigd is en (...) de gevraagde vergunning is toegekend”. In zoverre is het beroep van de verzoekende partijen niet ontvankelijk. 7. De verwerende partij voert de niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift aan op volgende gronden: X-13.414-5/11 “Overeenkomstig artikel 2 van het Besluit van de Regent tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dient een verzoekschrift een uiteenzetting van feiten en middelen te bevatten welke aanleiding geeft tot vernietiging van de bestreden beslissing. Het betreft een substantiële vormvereiste, zodat een annulatieverzoek die geen middelen bevat onontvankelijk is. (...) Onder middel in de zin van voornoemd artikel moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. ‘Voldoende duidelijk’ betekent dat men geen veronderstellingen over de juiste bedoeling van de verzoekende partij moet gaan maken. Bijgevolg is een verzoekschrift dat alleen omschrijvingen en een feitenrelaas bevat, die niet verder zijn ontwikkeld, niet ontvankelijk. Niet ontvankelijk is tevens wanneer enkel wordt aangevoerd dat een bepaling werd geschonden, zonder aan te tonen hoe aan die bepaling werd tekortgeschoten. (...) In casu voert de verzoeker in beide middelen op geen enkele wijze de schending in van een wettelijke of reglementaire bepaling noch van de wijze waarop een regel door de bestreden beslissing werd geschonden. Enkel in het eerste middel wordt aangevoerd dat ‘vermits de Bestendige Deputatie van de Provincie West-Vlaanderen niet antwoordt op tal van argumenten, (...) de beslissing volstrekt nietig (is).’ Er kan dan ook geen sprake zijn van middelen zoals gesteld in voormeld artikel 2 van het Besluit van de Regent”. 8. De verzoekende partijen repliceren wat volgt: “1. Waar wordt voorgehouden dat er geen uiteenzetting van de feiten noch van de middelen gebeurde, is dat niet correct. Punt A op blz. 2 is een uiteenzetting van de feiten. Punt D op blz. 3 e.v. zet de middelen van de vordering tot vernietiging uiteen. 2. Dat de middelen niet voldoende duidelijk omschreven zijn, is niet correct. In het eerste middel is uiteengezet dat er niet geantwoord is op het argument dat de stedelijke verordening niet-toepasselijk is omdat het niet gaat over bouwwerken gezien het aanbrengen van een dergelijk spandoek niet valt onder de omschrijving van uitvoering van bouwwerken. 3. Ook in het eerste middel wordt gesteld dat art. 89 van de verordening van STAD OOSTENDE ten onrechte wordt ingeroepen omdat het gaat over een spandoek en niet over een bord. 4. Er wordt letterlijk geargumenteerd in het eerste middel dat een spandoek geen constructie is in de zin van art. 88 e.v. Stedelijke Bouwverordening zodat daarom ten onrechte een regeling wordt toegepast betreffende een spandoek daar waar die enkel geldt voor uitgangborden. 5. In het tweede middel wordt gesteld dat er moest geoordeeld worden dat STAD OOSTENDE geen vergunning kon weigeren omdat zij zelf dergelijke spandoeken zonder vergunning aanbrengt dan wel er moest beslist worden dat er geen vergunning moest zijn omdat het gaat over aanbrengen van spandoeken. 6. Er is zodoende zeer duidelijk aangegeven welke schendingen er waren”. 9. Overeenkomstig artikel 2, § 1, 3/ van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient de verzoekende partij in het X-13.414-6/11 verzoekschrift een uiteenzetting te geven van de middelen die zij tot staving van het beroep tot nietigverklaring aanvoert. Onder middel wordt verstaan: de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden beslissing wordt geschonden. Het in het verzoekschrift uiteengezette middel kan slechts ontvankelijk worden genoemd in de mate dat het duidelijk en nauwkeurig werd geformuleerd derwijze dat het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij niet werden geschonden. Het komt de Raad van State niet toe een eigen constructie van het middel van de verzoekende partij in de plaats te stellen van haar uiteenzetting. 10. De verwerende partij heeft het eerste middel begrepen en beantwoord als een schending van de motiveringsverplichting. Uit het tweede middel heeft de verwerende partij de stelling van de verzoekende partijen gehaald dat “het aanbrengen van spandoeken niet vergunningsplichtig” is en voorts “dat overal in de stad dergelijke spandoeken opduiken met goedkeuring van de stad Oostende”. Deze middelen en derhalve het beroep van de verzoekende partijen, zijn in die mate ontvankelijk. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 11. De verzoekende partijen voeren aan wat volgt: “1. De Bestendige Deputatie besliste dat de spandoeken in casu wel degelijk als een uithangbord moeten worden verstaan omdat de aangebrachte publiciteit niet de minste twijfel laat over het bestaan over de aard van de uitgeoefende activiteiten of van de verkochte producten. 2. Er is niet geantwoord op het argument dat STAD OOSTENDE zich betreffende art. 89 Stedelijke Verordening Bouwwerken vergiste omdat de betreffende stedelijke verordening niet-toepasselijk is omdat het niet gaat over bouwwerken gezien het aanbrengen van een dergelijk spandoek niet valt onder de omschrijving van uitvoeren van bouwwerken. 3. Evenmin antwoordt de Bestendige Deputatie op het argument dat zelfs als de stedelijke verordening toepasselijk zou zijn, ten onrechte art. 89 van die verordening wordt ingeroepen omdat in de stedelijke verordening in de artikelen 88 e.v. uithangborden op gebouwen of andere bouwwerken wordt geregeld, wat betekent dat par. 3 van art. 88 X-13.414-7/11 e.v. enkel maar toepasselijk is wanneer het een ‘bord’ betreft wat niet het geval is gezien er wordt gewerkt met een spandoek. 4. Het fundamenteel argument was dat wanneer er sprake is van een uithangbord, het ook een bord moet zijn, zodat spandoeken daar niet onder vallen gezien die moeten onderscheiden worden van borden. 5. Er was geargumenteerd dat uithangborden, naast het feit dat het borden zijn, moeten voldoen aan de andere vereisten van de Stedelijke Verordening Bouwwerken. Art. 88 stelt dat uithangborden al dan niet verlichte constructies zijn waarop op permanente wijze de naam van de instelling of het bedrijf, de activiteit die er wordt uitgeoefend of reclame voor producten die er worden vervaardigd of verkocht, is aangebracht. Dat betekent dat het moet gaan over een constructie in de zin van art. 88. Een spandoek is geen dergelijke constructie in de zin van art. 88 e.v. Stedelijke Verordening Bouwwerken. 6. Er was uitdrukkelijk gesteld dat art. 89 voorziet dat uithangborden, die vastgehecht worden aan de gevels, aan een aantal bepalingen moeten voldoen, wat terzake niet het geval was vermits niet wordt gewerkt met een uithangbord en noch minder dat er een bord is dat wordt vastgehecht aan de gevel zodat het artikel niet-toepasselijk is gezien het enkel maar een spandoek betrof dat wordt gespannen. 7. De Bestendige Deputatie van de Provincie West-Vlaanderen besloot dat door de aangebrachte publiciteit er geen twijfel bestaat over de aard van de uitgeoefende activiteiten of van de verkochte producten, zodat daarom de spandoeken als een uithangbord moeten worden verstaan, temeer de spandoeken aan de gevel zijn vastgehecht. Evenwel wordt miskend dat de regeling van de stad enkel maar slaat op borden en niet op spandoeken. Een bord moet worden onderscheiden van een spandoek zodat de regeling betreffende de borden niet-toepasselijk is op de spandoeken. 8. Vermits de Bestendige Deputatie van de Provincie West-Vlaanderen niet antwoordt op tal van argumenten, is de beslissing volstrekt nietig. Antwoorden op de argumentatie zou voor gevolg hebben gehad dat het standpunt van verzoekers moest worden bijgetreden. Daarom is er volstrekte nietigheid. 9. Hoe dan ook is er volstrekte nietigheid van de beslissing van het College van Burgemeester en Schepen van de STAD OOSTENDE van 13 november 2006 doordat werd beslist dat een regeling betreffende een uithangbord toepasselijk is voor een spandoek”. Beoordeling 12. Uit wat voorafgaat blijkt dat wanneer de deputatie op grond van artikel 53, §3 van de gecoördineerde decreet in beroep uitspraak doet over een bouwvergunning, zij niet optreedt als administratief rechtscollege maar als orgaan van het actief bestuur. Hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsverplichting, niet er toe gehouden is al de in het beroep aangevoerde middelen of argumenten rechtstreeks en punt na punt te beantwoorden. Het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeeft door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen, zij is verantwoord. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verwerende partij, anders dan de verzoekende partijen aanvoeren, hun middel van de niet X-13.414-8/11 toepasselijkheid van artikel 89 van de stedelijke bouwverordening, wel rechtstreeks heeft beantwoord. Het bestreden besluit overweegt dienaangaande: “(...) Evenwel dient de aanvraag eveneens te beantwoorden aan de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening (...). Meer bepaald stelt artikel 89 dat de uithangborden vastgehecht aan de gevels op meer dan 2,5m boven het trottoir aan de volgende voorwaarden moeten voldoen: (...) Aangezien in casu 1 bedrijf in het gebouw is gevestigd, mag er slechts 1 uithangbord worden voorzien. Bovendien bedraagt de maximumhoogte 3,80m terwijl slechts 1,50m is toegelaten. Tenslotte is een uitsprong van 30 cm eveneens strijdig met de verordening. De maximale uitsprong bedraagt 20 cm. Beroeper voert aan dat het kwestieuze artikel enkel van toepassing is op uithangborden en niet op publiciteitsspandoeken. Nochtans definieert artikel 88 duidelijk wat onder een uithangbord moet worden begrepen: (...). De aangebrachte publiciteit laat niet de minste twijfel over bestaan over de aard van de uitgeoefende activiteiten of van de verkochte producten. De spandoeken moeten hier in casu wel degelijk als een uithangbord worden verstaan. Bovendien leidt er niet de minste twijfel dat dergelijke publiciteitsinrichtingen aan de gevel zijn vastgehecht. (...) Bijgevolg bestaat er een juridische belemmering bestaat om voormelde aanvraag te kunnen vergunnen”. 13. De verwerende partij verwerpt het door de verzoekende partijen aangevoerde argument op grond van de definitie van “uithangbord” in artikel 88 van de stedelijke bouwverordening dat als volgt luidt: “Uithangborden zijn al dan niet verlichte constructies waarop op permanente wijze de naam van de instelling of het bedrijf, de activiteit die er wordt uitgeoefend of reclame voor producten die er worden vervaardigd of verkocht, is aangebracht. De uitsprongen van de uithangborden worden gemeten vanaf de voorbouwlijn”. Het begrip “uithangbord” in deze bepaling omvat “al dan niet verlichte constructies” zodat de stelling van de verzoekende partijen als zouden uithangborden “borden” moeten zijn niet kan gevolgd worden, evenmin als de loutere bewering dat een spandoek geen constructie is in de zin van het voormelde artikel 88. De eerste verzoekende partij heeft bij haar aanvraag gesteld dat de bestaande uithangborden “worden vervangen naar analogie van de aangehaalde voorbeelden in bijlage door een tweedelig spandoek, enkel belicht”. Uit de bij de aanvraag gevoegde foto’s blijkt dat de spandoeken die als voorbeeld worden aangehaald alle bestaan uit een metalen raamwerk dat aan de gevel bevestigd wordt en waartussen het spandoek opgespannen wordt. De aanvraag betreft dus niet enkel het aanbrengen van “spandoeken”, maar impliceert tevens dat een constructie aan de gevel bevestigd wordt waartussen de spandoeken aangebracht worden. De X-13.414-9/11 verzoekende partijen betwisten niet dat op de spandoeken op permanente wijze de naam van het bedrijf, de activiteit die er wordt uitgeoefend of reclame voor producten die er worden vervaardigd of verkocht, wordt aangebracht. De verwerende partij heeft derhalve het bedoelde middel of argument op deugdelijke en afdoende wijze afgewezen. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 14. De verzoekende partijen voeren aan wat volgt: “1. Er werd beslist dat ingevolge de door de Bestendige Deputatie weerhouden legaliteitsbelemmering, een verdere beoordeling van de goede ruimtelijke ordening irrelevant was. Er was immers beslist dat spandoeken gelijk staan met uithangborden zodat zij vallen onder de regeling van de uithangborden waardoor er geen enkele discussie mogelijk is. 2. Er was op gewezen dat STAD OOSTENDE geen enkele regeling had betreffende dergelijke spandoeken. Verzoekende partijen waren de eerste die, om iedere discussie uit te sluiten, een vergunning voor die spandoeken aanvroegen. Nochtans duiken overal in de stad dergelijke spandoeken op met goedkeuring van STAD OOSTENDE. 3. STAD OOSTENDE heeft zelf een dergelijk spandoek geplaatst aan haar Stedelijk Bureau Toerisme. Verzoekende partijen wensen daarover geen enkele twijfel te laten bestaan zodat zij bij hun aanvraag voorbeelden van spandoeken voegden, ook het spandoek van het Stedelijk Bureau voor Toerisme. 4. Als STAD OOSTENDE zelf oordeelt dat er voor dergelijke spandoeken geen vergunningen moeten zijn, moet de Bestendige Deputatie daar rekening mee houden, zodat de Deputatie moet beslissen dat volgens de regelgeving in STAD OOSTENDE hetzij een vergunning niet kan geweigerd worden, hetzij er geen vergunning moet zijn omdat het gaat over het aanbrengen van spandoeken. 5. Verzoekende partijen hebben geen enkel risico willen nemen betreffende een eventuele inbreuk omdat zij van oordeel zijn dat hen niets mag kunnen verweten worden, zelfs niet het minste, zodat zij een absolute legaliteit nastreefden”. Beoordeling 15. In zoverre de verzoekende partijen betwisten dat de spandoeken “vallen onder de regeling van de uithangborden” is het middel ongegrond om de redenen uiteengezet in de bespreking van het eerste middel. X-13.414-10/11 16. In zoverre wordt gesteld dat de “STAD OOSTENDE zelf oordeelt dat er voor dergelijke spandoeken geen vergunningen moeten zijn”, geldt de vaststelling dat de verzoekende partijen verzuimen concrete bewijselementen voor te leggen met betrekking tot de door hen gelaakte ongelijke behandeling en voorts dat zij geen aanspraak kunnen maken op gelijkheid in een onwettige toepassing van de regelgeving. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, ieder voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf mei 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.414-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.874 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div