id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.918 Rolnummer: A. 196435/XII-6192 Zaak: Arrest 203918 - Handelsvestigingen - 12/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-17 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 04:44 Fiche Arrest nr 203.918 van 12 mei 2010 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 203.918 van 12 mei 2010 in de zaak A. 196.435/XII-6192 In zake:
- de BVBA J. I. KARIM
- Joundi KARIM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Eric Van Der Mussele en Yolanda Vanden Bosch kantoor houdend te Antwerpen Stoopstraat 1 bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 8 mei 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterste dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 23 april 2010 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen tot sluiting van de instelling aan de Statielei 13 te Antwerpen, van maandag 10 mei 2010 tot en met zondag 23 mei
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010, om 10.00 uur. Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. XII-6192-1\7 Advocaat Eric Van Der Mussele, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Patricia De Somere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Eerste verzoekende partij, die als zaakvoerder tweede verzoekende partij heeft, baat een voedingswinkel uit aan de Statielei 13 te Antwerpen Op 17 april 2009 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen aan eerste verzoekende partij een vergunning voor een uitstalling vóór het pand aan de Statielei
- De vergunning wordt op 6 november 2009 ingetrokken. Gemotiveerd wordt onder meer: “De betrokkene volhardt in zijn handelingswijze ondanks de vele waarschuwingen en de opgelegde geldboetes. De betrokkene blijft immers de vergunningsvoorwaarden voor het plaatsen van [...] uitstallingen op de openbare weg overtreden. De reeds opgelegde boetes konden bij de betrokkene dan ook geen gedragsverandering teweeg brengen. Ook nadat de betrokkene werd gehoord in opdracht van het college in het kader van de procedure tot intrekking van de vergunning, volhardt de betrokkene in zijn overtredingen. Een zwaardere sanctie dringt zich dan ook op”. Bij brieven van 18 november 2009 wordt aan verzoekende partijen onder andere meegedeeld dat het college het voornemen heeft om bij de volgende vaststelling van inbreuken de handelszaak te sluiten. Blijkens een proces-verbaal van de politie van 15 januari 2010 is vastgesteld “dat er terug een uitstalling staat”. Nadat de sanctionerend ambtenaar van de stad Antwerpen verzoekende partijen op 11 februari 2010 hoorde, beslist het college van XII-6192-2\7 burgemeester en schepenen, onder verwijzing naar artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet en artikel 57, § 3, 11/, van het gemeentedecreet, de instelling aan de Statielei 13 te sluiten van maandag 10 mei 2010 tot en met zondag 23 mei
- In de “Argumentatie” wordt gemotiveerd: “De betrokkene volhardt in zijn handelingswijze ondanks de vele waarschuwingen, de opgelegde geldboetes en de intrekking van de uitstallingsvergunning. De betrokkene blijft immers [...] niet reglementaire uitstallingen op de openbare weg plaatsen. Een zwaardere sanctie dringt zich dan ook op”. IV. Ontvankelijkheid
- Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering wat de eerste verzoekende partij betreft. Een onderzoek van en een uitspraak over de exceptie zouden zich alleen opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan mocht zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is. V. Ernstige middelen
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te hertstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.
- Aangaande de eerste grondvoorwaarde voeren verzoekende partijen twee middelen aan. Een derde wordt alleen maar aangekondigd voor “het verzoekschrift in vernietiging”. In een eerste van die twee middelen doen verzoekende partijen de schending van artikel 119bis, § 7, 2/, van de nieuwe gemeentewet gelden, doordat “[n]ergens is aangetoond dat het PV met de vaststelling van 15-1 is toegestuurd aan de GAS ambtenaar binnen de maand door de verantwoordelijke overheid”. XII-6192-3\7 XII-6192-4\7
- Verwerende partij antwoordt daarop in de nota: “Het middel mist feitelijke grondslag. Uit het administratief dossier blijkt immers dat de sanctionerend ambtenaar, mevrouw [D. S.], aan beide verzoekende partijen bij brief van 3 november 2010 heeft gemeld dat er op 15 januari 2010 opnieuw een vaststelling is gedaan; als bijlage bij dit schrijven werd een kopie gevoegd van de pro justitia van 15 januari 2010 met betrekking tot de feiten van diezelfde dag. De sanctionerend ambtenaar kan uiteraard onmogelijk kopie van de vaststelling aan verzoekende partijen toezenden wanneer zij er zelf niet over zou beschikken. Bovendien is het duidelijk dat er tussen 15 januari 2010 en 3 februari 2010 minder dan een maand is verstreken”.
- Het verweer wordt in de huidige stand van de procedure zonder meer bijgevallen. Het eerste middel is niet ernstig.
- In een tweede middel betwisten verzoekende partijen dat er sprake is van een “niet reglementaire uitstalling”: ter motivering dat een sluiting als administratieve sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding van het gemeentelijk politiereglement dat voorziet in een verbod om de openbare weg privatief te gebruiken zonder toestemming voor het plaatsen van een uitstalling, roept verwerende partij het proces-verbaal van 15 januari 2010 in; dit is niet afdoende; in het verweer tijdens het verhoor werd uiteengezet “dat het niet ging om een uitstalling, maar om paletten geleverde en terug te nemen goederen”; met stukken van de leverancier van verzoekende partij wordt bewezen dat de goederen waren klaargezet om terug opgehaald te worden wegens kwaliteitsproblemen; de beslissing “berust enkel op de kwalificatie door de agent gegeven bij het opmaken van het PV, die ongerechtvaardigd is gelet op het verhoor van verzoeker en de stukken en toelichting die hij heeft gegeven, en geeft”.
- De bestreden beslissing motiveert onder meer dat er ook nog na de intrekking van de uitstallingsvergunning op 6 november 2009 en de daarmee samengaande verwittiging, een nieuwe vaststelling is gedaan: “Zo werd er op 15 januari 2010 tussen 14u55 en 16u00 vastgesteld dat de betrokkene een uitstalling plaatste op de openbare weg. Er stonden [paletten] met mandarijnen en bakjes tomaten op de openbare weg. Klanten namen hier goederen af om deze te kopen”. Verwerende partij merkt terecht op dat die materiële vaststellingen “als dusdanig door verzoekende partijen niet worden betwist”. Evenmin wordt betwist de vaststelling in het proces-verbaal dat op het palet met bakjes mandarijnen een prijsvermelding blijkt aangebracht. Een en ander wordt op het eerste gezicht ook XII-6192-5\7 genoegzaam bewezen door de foto’s bij het, 15 januari 2010 gedateerde, proces- verbaal van verhoor van tweede verzoekende partij. Dat de paletten er alleen stonden om door de leverancier “terug opgehaald” te worden “wegens kwaliteitsproblemen” met de goederen, lijkt nieuw en niet te stroken met eerdere verklaringen van verzoekende partijen. In het voormeld proces-verbaal van verhoor van 15 januari 2010 heet het immers: “De reden waarom het fruit nog op het voetpad staat is omdat mijn broer Hamsa dit nog moeten komen halen voor zijn winkel in de Vooruitzichtstraat”. Ook tijdens de hoorzitting van 11 februari 2010 vóór de sanctionerend ambtenaar wordt geenszins verklaard “dat het niet ging om een uitstalling, maar om paletten geleverde en terug te nemen goederen”. Integendeel verklaarde tweede verzoekende partij: “Vermoedelijk waren de goederen die buiten stonden toen de vaststeller langs kwam op desbetreffende plaats net geleverd”. Niet zonder pertinentie merkt verwerende partij daarover in de nota op dat dit “precies het tegenovergestelde is als datgene wat thans in het verzoekschrift wordt voorgehouden”. Met verwerende partij wordt tenminste voorlopig aangenomen dat het relaas van verzoekende partijen niet geloofwaardig is. Zij maken niet aannemelijk dat de bestreden beslissing deugdelijke motieven of een afdoende formele motivering mist. Ook het tweede middel is niet ernstig.
- Verzoekende partijen voeren geen ernstige middelen aan. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de grondvoorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 350 euro, elk voor de helft. XII-6192-6\7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 mei 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust XII-6192-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.