id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.919 Rolnummer: A. 196457/IX-6797 Zaak: Arrest 203919 - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen - 13/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-17 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:44 Fiche Arrest nr 203.919 van 13 mei 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 203.919 van 13 mei 2010 in de zaak A. 196.457/IX-6797 In zake :
- Bart LAEREMANS
- Jurgen CEDER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Deceuninck kantoor houdend te 9120 Beveren Kloosterstraat 87, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat David D’Hooge en advocaat Leopold Schellekens kantoor houdende te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 12 mei 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het koninklijk besluit van 10 mei 2010 tot regeling van sommige kiesverrichtingen voor de verkiezingen van de federale wetgevende kamers op zondag 13 juni 2010, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 11 mei 2010, tweede editie. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsge- vonden op 13 mei 2010 om 9.00 uur. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luc Deceuninck, die verschijnt voor de verzoekende partijen, de heer Bart Laeremans, die in persoon verschijnt, en advocaat Leopold Schellekens en IX-6797-1/5 advocaat Filip Lahaye loco advocaat David D’Hooghe, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van het aangevochten besluit kunnen verantwoor- den, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. IV. Het belang en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel
- De verzoekers wensen met de schorsing te voorkomen, zoals ze dit zelf aanvoeren, dat er ongrondwettige verkiezingen zouden worden gehouden, met name verkiezingen op grond van de bestaande kieswet, met een kieskring Brussel-Halle- Vilvoorde, zonder tegemoet te komen aan de bezwaren vermeld in het arrest 73/2003 van het Grondwettelijk Hof van 26 mei
- Op grond van een prima facie onderzoek, in de huidige stand van het geding, blijkt wat volgt.
- De wetgevende kamers werden van rechtswege ontbonden, conform artikel 195 van de Grondwet. Overeenkomstig artikel 46 van de Grondwet heeft de Koning, bij koninklijk besluit van 7 mei 2010, gepubliceerd in het Staatsblad van dezelfde datum, de kiescolleges bijeengeroepen voor de verkiezing van de federale wetgevende kamers op 13 juni 2010 en heeft hij de nieuwe Kamer en Senaat bijeengeroepen op 6 juli
- In toepassing van artikel 195 van de Grondwet, juncto artikel 46 van de Grondwet, is de Koning ertoe gehouden de kiescolleges bijeen te roepen, na een van rechtswege ontbinding van de wetgevende kamers ingevolge een verklaring tot herziening van de Grondwet. In toepassing van artikel 106 van de kieswet, dat door het Grondwette- lijk Hof niet ongrondwettig werd bevonden, bepaalt de Koning de datum van de IX-6797-2/5 verkiezingen, wat gebeurde bij koninklijk besluit van 7 mei 2010 waarbij Hij de datum van 13 juni 2010 heeft vastgesteld. Het bestreden besluit tot regeling van sommige kiesverrich- tingen begeleidt de organisatie van deze verkiezingen die conform de Grondwet werden vastgesteld op voornoemde datum.
- Artikel 63, §4 van de Grondwet stipuleert dat de formele wetgever bevoegd is voor het bepalen van de kieskringen en het verloop van de kiesverrichtingen. Bij het nemen van het koninklijk besluit tot regeling van sommige kiesverrichtingen richt de Koning zich dan ook naar de bepalingen van de kieswet. Het behoort niet tot de bevoegd- heid van de Koning in het kader van het nemen van de nodige regelingen voor de kiesverrichtingen, af te wijken van de door de formele wetgever vastgelegde kieskringen.
- De verzoekers stellen bij de uiteenzetting van hun moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij met de schorsing van het bestreden besluit wensen te voorkomen dat er onregelmatige, zelfs ongrondwettige verkiezingen zouden worden georganiseerd. Zoals uit het voorgaande evenwel blijkt, is de Koning op grond van de grondwettelijke bepalingen ertoe gehouden de kiescolleges samen te roepen, hetgeen gebeurd is middels het koninklijk besluit van 7 mei 2010, dat trouwens prima facie niet wordt aangevochten door de verzoekers. De verzoekers lijken in hun verzoekschrift ook niet te ontkennen dat, gelet op de ontbinding van de wetgevende kamers, verkiezingen dienen te worden gehouden. De schorsing van het bestreden koninklijk besluit kan dan ook niet voorkomen dat verkiezingen zullen worden gehouden op 13 juni eerstkomend.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de Koning volgens de Grondwet niet bevoegd is om af te wijken van de door de formele wetgever vastgestelde kieskringen, maar dat de Koning de kieswet terzake dient na te leven. Nu de kieswet slechts aangepast zou kunnen worden door de wetgevende kamers en aangezien, opdat deze wetgevende kamers een eventuele wijziging zouden kunnen aanbrengen, er eerst verkiezingen dienen te wordne gehouden, waarbij de Koning bij het bepalen van de kiesverrichtingen niet kan voorbijgaan aan de toepassing van de kieswet, valt op het eerste gezicht niet in te zien hoe een schorsing van het bestreden besluit tegemoet kan komen aan het door de verzoekers aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De door de verzoekers ingeroepen schendingen van de Grondwet volgen, op het eerste gezicht, immers uit de formele wet, de kieswet, en niet uit het koninklijk besluit waarbij de kiesverrichtingen worden geregeld. Er valt dan ook op het eerste gezicht niet in te zien hoe met het schorsen van het bestreden koninklijk besluit tegemoetgekomen zou kunnen worden aan de bezwaren geformuleerd in voornoemd arrest van het Grondwettelijk Hof.
- De verzoekers beschikken dan ook niet over het rechtens vereiste belang bij de vordering tot schorsing van het bestreden besluit. IX-6797-3/5
- Voor wat betreft een eventuele gedeeltelijke vernietiging van het koninklijk besluit, beperkt tot het in het eerste middel aangevochten artikel 2 van dit besluit, wordt ten overvloede vastgesteld dat de verzoekers evenmin aan de schorsingsvoorwaarden voldoen, nu zij niet in voldoende mate aantonen dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zouden ondergaan.
- De verzoekers baseren immers hun eerste middel op de omstandigheid dat artikel 2 van het koninklijk besluit bepaalt dat de voorzitter van het hoofdbureau van de kieskring voor de verkiezing van de kamer van volksvertegenwoordigers en de voorzitter van het collegehoofdbureau voor de verkiezing van de senaat moeten laten weten waar zij op donderdag 13 mei 2010 en op vrijdag 14 mei 2010 de voordrachten van de kandidaten in ontvangst zullen nemen, overeenkomstig artikel 115 van het kieswetboek, en dat via “een bericht dat uiterlijk op zondag 9 mei 2010 wordt bekendgemaakt”. Door te bepalen dat voornoemd bericht al moest bekendgemaakt worden op zondag 9 mei 2010, en aldus voorafgaand aan de afkondigingsdatum van het koninklijk besluit van 10 mei 2010, zou het bestreden besluit in strijd zijn met het algemeen rechtsbeginsel van het verbod tot willekeur dat op de overheid rust, het rechtszekerheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel.
- Opdat een besluit kan worden geschorst, dienen de verzoekers concreet aan te tonen hoe de bestreden bepalingen hen een nadeel toebrengen. Het is op het eerste gezicht niet duidelijk waarin het nadeel bestaat dat de verzoekers zouden lijden door deze bepaling. Immers, zoals de verwerende partij ter terechtzitting aangeeft, werd reeds op 7 mei 2010 door de verwerende partij via elektronische weg aan de verantwoordelijken van de verschillende politieke partijen meegedeeld dat de respectievelijke berichten op 9 mei 2010 zouden worden bekendgemaakt en kan men er in redelijkheid van uitgaan dat de verzoekers kennis hebben van deze berichten. Zelfs in het geval de verzoekers slechts door de publicatie van het koninklijk besluit van 10 mei 2010 op 11 mei 2010 kennis zouden hebben genomen van het bestaan van deze berichten, dan nog wordt vastgesteld dat de verzoekers vanaf de kennisname van het koninklijk besluit nog over drie dagen beschikten, met name tot en met vrijdag 14 mei 2010, om kennis te nemen van de berichten en zich naar de vermelde plaats te begeven om hun kandidatuur in te dienen. De verzoekers tonen niet aan dat het hen onmogelijk zou zijn de nodige lijsten tijdig in te dienen. Zoals de verwerende partij aangeeft, volgt de uiterste datum van de bekendmaking van deze berichten immers uit artikel 115 van de kieswet. Er valt niet in te zien op welke wijze de aangevochten bepaling van het koninklijk besluit in hoofde van de verzoekers zou kunnen leiden tot een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. IX-6797-4/5
- Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 350 euro, ieder voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien mei tweeduizend en tien, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Daniël Moons, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Daniël Moons IX-6797-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.919 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div