← België

Arrest 203940 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 18/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.940 Rolnummer: A. 161461/XII-4426 Zaak: Arrest 203940 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 18/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-27 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:45 Fiche Arrest nr 203.940 van 18 mei 2010 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 203.940 van 18 mei 2010 in de zaak A. 161.461/XII-4426 In zake: Leon HELSEN wonende te Hallaar Hallaaraard 10 tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door Scholengroep 5 Mechelen-Keerbergen-Heist-op-den-Berg bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Stommels kantoor houdend te Antwerpen Amerikalei 220, bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 april 2005, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van het college van directeurs van [de scholengroep 5 van het Gemeenschapsonderwijs] toegestuurd bij brief gedateerd 4/2/05 [...] waarbij -minstens impliciet- geweigerd wordt de administratieve toestand van [Léon Helsen] te regulariseren [en] waarbij beslist wordt hem ter beschikking te stellen wegens ziekte van 12/11/02 tot 31/12/02, en waarbij tevens wordt beslist dat [dit] niet meer leidt tot een oproeping voor de pensioencommissie van de AGD”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. XII-4426-1\13 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 mei 2010. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt en advocaat Jan Fransen, die loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is sinds het schooljaar 1964-1965 werkzaam als leraar technische vakken en beroepspraktijk lager secundair onderwijs in het Rijks- onderwijs, nu het Gemeenschapsonderwijs. Met ingang van 1 september 1967 is hij vast benoemd. Met ingang van 1 september 1970 is hij aangesteld aan het Rijksinstituut voor technisch onderwijs te Heist-op-den-Berg. Op 9 april 1986 formuleert de directeur-generaal van het bestuur Secundair Onderwijs van het ministerie van Onderwijs een voorstel tot terbeschik- kingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst, als bedoeld in het koninklijk besluit van 18 januari 1974 dat met toepassing van artikel 164 van het statutaire koninklijk besluit van 22 maart 1969 de voorwaarden regelt waaronder personeelsleden van het Rijksonderwijs ter beschikking kunnen worden gesteld. Op 17 april 1986 gaat verzoeker tegen dat voorstel in beroep bij de raad van beroep overeenkomstig artikel 5 van het hogergenoemd koninklijk besluit van 18 januari 1974. Met een 10 juli 1986 gedateerd schrijven wordt XII-4426-2\13 verzoeker door het bestuur meegedeeld dat zijn zaak “op de rol van de Raad van Beroep zal geplaatst worden”. Bij brief van 13 augustus 1986 deelt het bestuur Beheer Personeel Rijksonderwijs van het ministerie van Onderwijs de studieprefect van het KTA te Heist-op-den-Berg mee dat de minister heeft beslist verzoeker, met toepassing van artikel 5 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974, “gedurende de beroeps- procedure en met ingang van 1.9.1986 van zijn ambtsbevoegdheid te ontheffen”. Op 9 maart 1995 schrijft de ARGO aan verzoeker dat de centrale raad recent besloot de dossiers aanhangig bij de raad van beroep “af te werken”, vermeldend dat “[d]oor omstandigheden buiten de wil van de ARGO [...] tot hiertoe geen gevolg [werd] gegeven aan uw beroep. Daar komt nu echter verandering in” en dat verzoeker binnenkort een oproep zal ontvangen voor een zitting van de raad van beroep. De raad van beroep geeft zijn advies pas op 14 november 1996. Hij adviseert verzoeker van zijn ambt te ontheffen in het belang van de dienst met ingang van 15 april 1986. Onder verwijzing naar voormeld advies besluit de centrale raad van de ARGO op 5 december 1996 verzoeker met ingang van 15 april 1986 ter beschikking te stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. Bij arrest nr. 111.844 van 24 oktober 2002 besluit de Raad van State, wegens schending van de redelijke-termijneis, tot de vernietiging van de beslissing van 5 december 1996 van de centrale raad van de ARGO, waarbij verzoeker met ingang van 15 april 1986 wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst ter beschikking wordt gesteld. 3.2. In het inleidend verzoekschrift verhaalt verzoeker dat hij zich na het arrest van de Raad van State aanbood bij de school. Na enkele besprekingen in de loop van de maand november 2002 wordt overeengekomen dat verzoeker een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen zou aanvragen. Daarbij, aldus verzoeker, “werd gesteld dat de terugkeer van verzoeker aanleiding gaf tot grote administratieve problemen, en werd verzoeker voorgesteld dat de aanvraag tot het bekomen van TBS55+ zo spoedig XII-4426-3\13 mogelijk zou worden ingediend om in te gaan vanaf 1/1/2003 (hetgeen achteraf werd toegestaan) en dat in afwachting hiervan, omdat men geen oplossing zag, gelet op zijn medische toestand, hij zijn afwezigheid zou laten dekken door een ziekteattest”. Op 12 december 2002 doet verzoeker dan de aanvraag voor terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen (de zogenaamde “TBS55+”), die de directeur van het KTA Heist-op- den-Berg op 13 december 2002 stuurt aan het ministerie van de Vlaamse Gemeen- schap. De afdeling Beleidsuitvoering Personeel Secundair Onderwijs (hierna: de afdeling) antwoordt namens de Vlaamse minister bevoegd voor onderwijs op 24 december 2002 aan de directeur: “Bij nazicht van het dossier van voormeld personeelslid is vastgesteld dat het op 11-11-2002 in totaal reeds 1188 dagen ziekteverlof heeft genoten. Met een sociale anciënniteit van 21 jaar op 11-11-2002 kan betrokkene vanaf zijn eerste indiensttreding tot heden aanspraak maken op 630 dagen ziekteverlof. Het aantal dagen ziekteverlof is overschreden op 12.11.2002. Overeenkomstig artikel 9 en 10 van het KB van 18.01.1974 wordt betrokkene ter beschikking gesteld wegens ziekte vanaf 12-11-2002 met een wachtgeld (toelage) gelijk aan 63% van de laatste activiteitswedde (toelage). De eventueel ten onrechte toegekende wedde (toelage) zal worden verrekend of teruggevorderd. Wil u een afschrift van deze brief aan betrokkene bezorgen en hem meedelen dat de Pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst hem eerlang zal oproepen”. De afdeling schrijft op 14 januari 2003 aan verzoeker dat hij “de gestelde voorwaarden vervult om vanaf 01.01.03, in afwachting van een definitieve beslissing van de Algemeen Geneeskundige Dienst, aanspraak te maken op [TBS55+]”. De afdeling schrijft op 16 januari 2003 aan verzoeker: “Uw aanvraag voor een TBS55+ met ingangsdatum 1 januari 2003 kwam bij ons pas binnen op 19 december 2002. Op 14 januari 2003 werd u op de hoogte gesteld van de omvang van het wachtgeld. Daarnaast bevond u zich de op ingangsdatum van de TBS55+ in de stand terbeschikkingstelling wegens ziekte. Artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11/02/2000 betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding stelt uitdrukkelijk : ‘Het personeelslid dat op de dag waarop de door hem XII-4426-4\13 aangevraagde volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegen- heden voorafgaand aan het rustpensioen ingaat, al ter beschikking gesteld is wegens ziekte of gebrekkigheid wordt opgeroepen om te verschijnen voor de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst. Als deze commissie het personeelslid definitief ongeschikt acht om zijn ambt uit te oefenen en het personeelslid de voorwaarden vervult om vroegtijdig op pensioen te worden gesteld, wordt de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen beëindigd door de oppensioenstelling van het personeelslid’. U zult dus eerlang worden opgeroepen door de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst. In afwachting van de oproeping zal u in de stand TBS55+ blijven. Indien de pensioencommissie beslist dat u arbeids- geschikt bent, kan u van uw TBS55+ blijven genieten tot aan uw pensioen. Beslist de pensioencommissie daarentegen dat u niet meer geschikt bent om uw functie uit te oefenen dan wordt u de maand volgend op de beslissing met pensioen wegens ziekte gesteld. Ik hoop hiermee eventuele onduidelijkheden in verband met uw situatie uitgeklaard te hebben”. Op 12 mei 2003 deelt de afdeling aan de administratieve gezondheidsdienst mee dat de aanvraag om onderzoek van verzoeker door de pensioencommissie voorbarig was en zij verzoekt “geen gevolg te willen geven aan voormelde oproeping tot onderzoek”. 3.3. Verzoeker gaat met pensioen op 1 juni 2004. 3.4. De Raad van State besluit in het arrest nr. 137.641 van 25 novem- ber 2004, wegens onbevoegdheid van de steller van de akte, tot de vernietiging van de beslissing van de Vlaamse Gemeenschap, die blijkt uit de hiervoor aangehaalde brief van 24 december 2002, waarbij verzoeker vanaf 12 november 2002 ter beschikking gesteld wordt wegens ziekte. 3.5. Met een brief van 10 januari 2005 maant verzoeker de Vlaamse Gemeenschap aan, met verwijzing naar artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, tot “bijkomend herstel”, namelijk “de reconstructie van de loopbaan”. De Vlaamse Gemeenschap in haar antwoord van 13 januari 2005, onder verwijzing naar de voormelde arresten, wijst haar bevoegdheid om een beslissing te nemen af en deelt mee “dat de administratie ten aanzien van u geen werkgever is en bijgevolg ook niet kan beslissen in welke administratieve stand u zich op welk ogenblik ook, bevindt”, dat zij verder “alle bijkomende periodes die voor de berekening van de loopbaan in aanmerking kunnen komen, aan de loopbaanfiche toegevoegd [heeft]” en dat zij de werkgever gevraagd heeft “ook in deze een beslissing te nemen”, maar nog geen antwoord heeft gekregen. XII-4426-5\13 3.6. Het college van directeurs van scholengroep 5 bezorgt op 4 februari 2005 aan verzoeker een brief “in verband met de uitvoering van het arrest van de Raad van State en een beslissing van het college van directeurs”. Die brief -met als hoofding “Uitvoering arrest Raad van State nr. 137.641 van 25 november 2004 Regularisatie administratieve toestand vanaf 12-11-2002” laat weten: “dat het college van directeurs van de scholengroep 5, in toepassing van artikel 27 § 4 - 1/ van het Bijzonder Decreet bevoegd voor het beheer van de loopbaan van de personeelsleden, na onderzoek van uw dossier, in vergadering van 20 januari 2005 de beslissing heeft genomen om u voor de periode van 12-11-2002 tot 31-12-2002 ter beschikking te stellen wegens ziekte”. De als bijlage gaande beslissing is de thans bestreden beslissing; ze luidt: “Juridische bepalingen * Arrest Raad van State nr 137.641 van 25-11-2004 * KB van 18-01-1974 artikel 9 : ‘het vast benoemde personeelslid is van rechtswege ter beschikking gesteld wanneer hij wegens ziekte afwezig is nadat hij het maximum aantal verlofdagen heeft genoten dat hem om die reden kan toegekend worden. * Decreet Rechtspositie van 27-03-199 1, artikel 75 : ‘een personeelslid wordt voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden, behoudens een uitdrukkelijke bepaling die het personeelslid van rechtswege of bij beslissing van een ter zake bevoegd orgaan van het Gemeenschapsonderwijs in een andere administratieve stand plaatst. * Bijzonder decreet van 14 juli 1998, artikel 27 § 4- l/ : ‘inzake personeelsbe- leid is het college van directeurs bevoegd voor het beheer van de loopbaan van de personeelsleden’. Beslissing : Gelet op het arrest van de Raad van State dd 25-11-2004 waarbij de beslissing van het departement Onderwijs, meegedeeld bij brief van 24-12-2002, waarbij de heer L. Helsen ter beschikking werd gesteld wegens ziekte vanaf 12-11-2002, werd vernietigd ; Gelet op de vaststelling van de Raad van State dat de terbeschikkingstelling wegens ziekte enkel kan worden beslist door het bevoegd orgaan van de inrichtende macht ; Gelet op het feit dat overeenkomstig artikel 27 § 4 - l/ van het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 de bevoegdheid het beheer van de loopbaan van personeelsleden behoort tot de bevoegdheden van het college van directeurs van de scholengroep ; Gelet op artikel 75 van het Decreet Rechtspositie van 27 maart 1991 dat bepaalt dat een personeelslid voor de vaststelling van zijn administratieve toestand altijd geacht wordt zich in dienstactiviteit te bevinden, behoudens een uitdrukkelijke bepaling die het personeelslid van recht[s]wege of bij beslissing XII-4426-6\13 van een ter zake bevoegd orgaan van het Gemeenschapsonderwijs in een andere administratieve stand plaatst ; Gelet op het feit dat een personeelslid overeenkomstig de bepalingen van artikel 9 van het KB van 18-01-1974 van rechtswege wordt terbeschikkingge- steld wegens ziekte, wanneer de voorwaarden daartoe zijn vervuld ; Gelet op het feit dat de Raad van State uit deze bepalingen afleidt dat de terbeschikkingstelling wegens ziekte geen discretionaire bevoegdheid is en dat de inrichtende macht, als de voorwaarden vervuld zijn, de terbeschikkingstel- ling moet uitspreken ; dat de inrichtende macht wel moet nagaan of de voorwaarden vervuld zijn ; Gelet op het feit dat de heer Helsen op 31.03.1986 een sociale anciënniteit had verworven van 21 jaar , wat resulteert in een contingent ziektedagen van 630 dagen, en betrokkene op dat ogenblik reeds 1188 ziektedagen had genoten ; Gelet op het feit dat, ongeacht de regeling van de administratieve toestand van betrokkene, vanaf zijn indiensttreding in het onderwijs de heer Helsen op 12-11-2002 maximaal een sociale anciënniteit zou kunnen verworven hebben van 38 jaar en dit zou resulteren in een contingent ziektedagen van maximaal 1140 dagen (38j x 30

  1. d); Gelet op het feit dat de heer Helsen op 12-11-2002 reeds 1é (*) dagen ziekteverlof heeft genoten (* 1188 ziektedagen op 31/03/1986 + 45 ziektedagen in de periode 01-04-1986 tot 30-06-1986) ; Rekening houdend met het feit dat het contingent ziektedagen waarop betrokkene recht heeft in elk geval op 12-11-2002 volledig is uitgeput ; Gelet op het feit dat betrokkene afwezig geweest is wegens ziekte vanaf 12-11-2002 tot 3 l-12-2002 ; beslist het college van directeurs : 1. de heer Leonard Helsen wordt terbeschikking gesteld wegens ziekte voor de periode van 12-11-2002 tot 31-12-2002 2. gelet op de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen vanaf 01-01-2003 en de pensionering van de heer Helsen op 1 juni 2004, leidt de terbeschikkingstelling wegens ziekte uiteraard niet meer tot een oproeping voor de pensioencommissie van de AGD. 2. deze beslissing wordt meegedeeld aan betrokkene en aan het departement onderwijs”. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep 4. Hoewel de bestreden beslissing zelf niet gedateerd is en aan verzoeker is meegedeeld op 4 februari 2005, blijkt uit het geciteerde begeleidend schrijven dat het college van directeurs ze genomen heeft op 20 januari 2005. XII-4426-7\13 5. Verzoeker ziet in de bestreden beslissing ook de impliciete weigering van verwerende partij om zijn situatie voor het verleden te regulariseren, rekening houdende met het arrest nr. 111.844 van 24 oktober 2002 en nr. 137.641 van 25 november 2004. Daargelaten of het arrest nr. 137.641 van 25 november 2004, dat een beslissing van de Vlaamse Gemeenschap vernietigt en waaraan verwerende partij dus vreemd is, haar wel tot rechtsherstel verplicht, stelt de Raad van State vast dat zij met de thans bestreden beslissing alleszins uitdrukkelijk beoogt de situatie van verzoeker te regelen met betrekking tot dezelfde periode (12 november 2002 - 31 december 2002) als die waarop de beslissing van de Vlaamse Gemeenschap betrekking had die bij het arrest nr. 137.641 werd vernietigd. Terecht merkt verzoeker op dat de bestreden beslissing “zich bovendien niet uitspreekt over de gevolgen van het arrest dd. 24/10/02”. Ook voor het verdere verleden is er geen sprake van een impliciete weigering, aangezien het college van directeurs ter uitvoering van ’s Raads arrest nr. 111.844 van 24 oktober 2002 op 10 mei 2005 ook een uitdrukkelijke beslissing heeft genomen, waartegen verzoeker een beroep heeft ingesteld gekend onder rolnummer A.164.380/XII-4498. Zoals de Raad van State in zijn arrest nr. 154.150 van 26 januari 2006 heeft vastgesteld, blijkt: “dat de overheid na de uitgesproken vernietigingen niet ‘in gebreke’ is gebleven, maar dat wel degelijk nieuwe beslissingen zijn genomen die uitdrukkelijk beogen uitvoering te geven aan bedoelde arresten; dat verzoeker niet aantoont, en de Raad spontaan ook geen reden ziet om te vermoeden dat het bestuur onwillig is om de arresten uit te voeren; dat verzoekers grief dienvolgens niet de niet-uitvoering van de arresten betreft, maar wel de wijze -al dan niet correct- waarop zij voor zoveel als nodig zijn uitgevoerd; dat echter de vraag of die beslissingen zelf rechtmatig zijn, beoordeeld moet worden binnen het raam van de door verzoeker ingestelde annulatieberoepen; dat er evenwel geen sprake meer is van een ‘in gebreke blijven’ in de zin van meervermeld artikel 36 [van de gecoördineerde wetten op de Raad van State], zodat daarvoor geen beroep kan worden gedaan op de dwangsomprocedure”. V. Ontvankelijkheid van het beroep 6. In de mate waarin met huidig beroep ook de nietigverklaring wordt nagestreefd van vermeende impliciete weigeringen om de administratieve XII-4426-8\13 toestand van verzoeker te regulariseren, is het om de sub 5 geschreven redenen niet ontvankelijk. 7. De bestreden beslissing houdt ook in dat verzoeker niet meer opgeroepen moet worden voor de pensioencommissie van de administratieve gezondheidsdienst. Verzoeker heeft geen belang erbij dit onderdeel van de beslissing te bestrijden. Zoals blijkt uit het feitenrelaas, kan het resultaat van deze oproeping voor de pensioencommissie verzoeker immers enkel in een voor hem meer nadelige, maar niet in een meer voordelige situatie brengen. Ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep ook in die mate niet ontvankelijk is. 8. In de memorie van antwoord betwist verwerende partij het belang van verzoeker, omdat hij geen personeelslid is van het Gemeenschapsonderwijs maar sinds 1 juni 2004 met pensioen is. Deze exceptie wordt niet aangenomen. Ook al is verzoeker ondertussen met pensioen, hij behoudt er belang bij dat zijn administratieve en geldelijke rechtspositionele toestand tijdens zijn loopbaan wettig is vastgesteld geworden, wat overigens ook een weerslag kan hebben op zijn pensioenrechten. V. Onderzoek van de middelen 9. In het inleidend verzoekschrift voert verzoeker zes vernietigings- gronden aan. Het auditoraatsverslag is ertoe beperkt het tweede middel te onderzoeken. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van de “kracht en gezag van gewijsde” van het arrest nr. 111.844 van 24 oktober 2002. Dit arrest betekent volgens verzoeker dat hij hierdoor in zijn status quo ante gebracht moet worden, die er geenszins een was van terbeschikkingstelling wegens ziekte. Verzoeker was in 1986 meerdere periodes afwezig wegens ziekte, maar hij was XII-4426-9\13 effectief in dienst van 8 maart 1986 tot 28 april 1986 en van 13 juni 1986 tot 31 augustus 1986. De bestreden beslissing maakt volgens verzoeker volkomen terecht melding van een maximale sociale anciënniteit van 1130 dagen, hetzij gesteund op 38 jaar. Verwerende partij maakt volgens verzoeker evenwel de fout door in zijn totaal aantal ziektedagen van 1188 ook de dagen mee te tellen dat hij geen wedde kreeg, doch slechts een wachtgeld, omdat zijn bezoldigde ziektedagen (ziektekrediet) tijdelijk opgebruikt was. De dagen waarop hij ter beschikking gesteld was wegens ziekte kunnen volgens verzoeker “uiteraard hier niet in rekening gebracht worden”. Wel is het volgens verzoeker zo dat bij hervatting van het werk na een periode van ambtshalve terbeschikkingstelling wegens ziekte, men opnieuw van nul af aan begint aan de heropbouw van een nieuwe sociale anciënniteit die aanleiding geeft tot de opbouw van een nieuw ziektekrediet. Verwerende partij vermengt volgens verzoeker de bezoldigde ziektedagen -waarvoor men een recht heeft op een ziektekrediet van dertig dagen per jaar- en de ziektedagen waarbij het personeelslid terugvalt op een wachtwedde. Verzoeker merkt op dat hij voor een totale duur van 651 dagen ter beschikking gesteld is wegens ziekte maar dat zijn sociale anciënniteit inzake ziektekrediet -daarom- nooit werd overschreden. Die dagen kunnen immers niet in mindering worden gebracht op het ziektekrediet. Bovendien rekent verzoeker voor dat hij ingevolge het arrest van 24 oktober 2002 geacht moet worden sedert 1 september 1986 in de stand van dienstactiviteit te zijn gebleven, waardoor hij een nieuw ziektekrediet heeft opge- bouwd van minstens 16 jaar, maal 30, of 480 dagen. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker nog dat die 480 dagen ruimschoots het aantal ziektedagen overschrijden dat hij tussen 12 november 2002 en 31 december 2002 in ziekteverlof was. Beoordeling 11. Hiervoor is reeds vastgesteld dat de thans bestreden beslissing noch uitdrukkelijk, noch impliciet uitvoering geeft aan het arrest nr. 111.844. XII-4426-10\13 Het arrest nr. 137.641 dan weer, vernietigt een beslissing tot terbeschikkingstelling van verzoeker wegens onbevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap, overheid die de destijds bestreden beslissing heeft genomen. Dit arrest kan dan ook geenszins zo worden begrepen dat het aan het Gemeenschapson- derwijs - overheid die wél bevoegd is ter zake -, en meer bepaald gelet op artikel 27, § 4, 1/, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapson- derwijs, het college van directeurs van de scholengroep, zou verboden zijn op te treden. De Raad van State ziet bijgevolg niet hoe het gezag van dit arrest miskend kan worden door verwerende partij. Overigens verduidelijkt ook verzoeker dit in het tweede middel nergens. In tegenstelling tot het opschrift van zijn middel, is de toelichting ervan immers toegespitst op de materiële draagkracht van de bestreden beslissing, aangezien verzoeker enkel een discussie voert over de berekening van zijn ziektedagen. In die berekening betrekt hij dan wel het gevolg dat het arrest nr. 111.844 volgens hem moet hebben bij de bejegening van zijn er aan voorafgaande administratieve toestand en de weerslag hiervan op zijn ziektekrediet. Het middel wordt bijgevolg aan de hand van zijn adstructie verder onderzocht en beoordeeld. 12. Uit de hiervoor geciteerde motivering van de beslissing blijkt dat verwerende partij uitgaat van de hypothese “ongeacht de regeling van de administra- tieve toestand van betrokkene”, dat verzoeker op 12 november 2002 “maximaal een sociale anciënniteit zou kunnen verworven hebben van 38 jaar”. Zij heeft met andere woorden aan verzoeker niet de 630 dagen toegekend die hij had verworven door zijn zogenaamde sociale anciënniteit in 1986, maar heeft wel degelijk met de voor verzoeker theoretisch méést gunstige situatie ingevolge het arrest nr. 111.844 rekening gehouden, te weten die waarbij zij na het arrest zou stilzitten zodat verzoeker geacht moest worden steeds in dienstactiviteit te zijn gebleven en dat hij sinds zijn indiensttreding in het onderwijs op 22 september 1964 tot 12 november 2002 dan ook een volledige loopbaan van 38 jaar had verworven. 13. Verzoeker betwist niet dat per jaar sociale dienstanciënniteit dertig dagen ziektekrediet wordt opgebouwd, wat met een loopbaan van 38 jaar een totaal geeft van 1140 dagen. Aangezien die 38 jaar de maximale effectieve loopbaan is van verzoeker tussen 1964 en 2002, zit in dit totaal reeds het aantal dagen verrekend dat verzoeker bijkomend na 1986 heeft opgebouwd dank zij het effect van het XII-4426-11\13 vernietigingsarrest. Verwerende partij hééft blijkens de bestreden beslissing verzoeker dit totaal van 1140 dagen toegekend. 14. Blijft ten slotte de grief van verzoeker dat op dit contingent enkel de betaalde ziekteverlofdagen aangerekend mogen worden, en niet de dagen van terbeschikkingstelling wegens ziekte waarvoor hij geen wedde maar wachtgeld ontving. Hij betwist bijgevolg het getal van 1é dagen ziekteverlof waarvan verwerende partij uitgaat. Evenwel voert verzoeker in dit middel -“schending van gezag en kracht van gewijsde”- geen enkele rechtsregel aan waaruit die stelling moet blijken. Hij brengt ook, behalve een staat van afwezigheden voor het jaar 1986, geen enkele concrete becijfering bij van zijn ziektedagen -verdeeld over, eensdeels, betaalde ziekteverlofdagen en, anderdeels, terbeschikkingstelling wegens ziekte- om de berekening door verwerende partij -en, voorheen, van de betrokken afdeling van het ministerie- te ontkrachten. Als het 30 juni 1986 gedateerde document (bijlage 16 bij het verzoekschrift) overigens al iets aantoont, dan is het wel de thesis van verwerende partij, nu het als totaal aantal “afwezigheden wegens ziekte” precies het getal 1é vermeldt. Deze grief kan bijgevolg niet doorgaan voor een ontvankelijk rechtsmiddel. Naar luid van artikel 2, § 1, 2/, van het algemeen procedurereglement moet immers het inleidend verzoekschrift een uiteenzetting bevatten van de middelen die worden aangevoerd om de vernietiging van het bestreden besluit te verkrijgen. Onder zulk rechtsmiddel wordt verstaan de opgave van een rechtsregel met daarbij een voldoende duidelijke uiteenzetting van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing wordt miskend. In zoverre is het middel bijgevolg onontvankelijk. 15. Het middel maakt niet de oplossing van het geschil mogelijk, zodat een aanvullend onderzoek moet worden bevolen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep in zoverre het is gericht tegen de impliciete weigering van het Gemeenschapsonderwijs om de rechtspositie van Leon Helsen voor de periode voorafgaand aan het arrest nr. 111.844 van 24 oktober 2002 te regulariseren en tegen de beslissing van 20 januari 2005 van het college van directeurs van scholengroep 5 van het Gemeenschapsonderwijs, in zoverre Leon Helsen niet wordt opgeroepen voor de pensioencommissie van de administratieve gezondheidsdienst. XII-4426-12\13 2. De debatten worden heropend voor wat betreft de beslissing van 20 januari 2005 van het college van directeurs van scholengroep 5 van het Gemeenschaps- onderwijs, houdende de terbeschikkingstelling wegens ziekte van Leon Helsen voor de periode van 12 november 2002 tot 31 december 2002. 3. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 18 mei 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-4426-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.940 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.281 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.