id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.940 Rolnummer: A. 161461/XII-4426 Zaak: Arrest 203940 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 18/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-27 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:45 Fiche Arrest nr 203.940 van 18 mei 2010 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 203.940 van 18 mei 2010 in de zaak A. 161.461/XII-4426 In zake: Leon HELSEN wonende te Hallaar Hallaaraard 10 tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door Scholengroep 5 Mechelen-Keerbergen-Heist-op-den-Berg bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Stommels kantoor houdend te Antwerpen Amerikalei 220, bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 april 2005, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van het college van directeurs van [de scholengroep 5 van het Gemeenschapsonderwijs] toegestuurd bij brief gedateerd 4/2/05 [...] waarbij -minstens impliciet- geweigerd wordt de administratieve toestand van [Léon Helsen] te regulariseren [en] waarbij beslist wordt hem ter beschikking te stellen wegens ziekte van 12/11/02 tot 31/12/02, en waarbij tevens wordt beslist dat [dit] niet meer leidt tot een oproeping voor de pensioencommissie van de AGD”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. XII-4426-1\13 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 mei 2010. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt en advocaat Jan Fransen, die loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is sinds het schooljaar 1964-1965 werkzaam als leraar technische vakken en beroepspraktijk lager secundair onderwijs in het Rijks- onderwijs, nu het Gemeenschapsonderwijs. Met ingang van 1 september 1967 is hij vast benoemd. Met ingang van 1 september 1970 is hij aangesteld aan het Rijksinstituut voor technisch onderwijs te Heist-op-den-Berg. Op 9 april 1986 formuleert de directeur-generaal van het bestuur Secundair Onderwijs van het ministerie van Onderwijs een voorstel tot terbeschik- kingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst, als bedoeld in het koninklijk besluit van 18 januari 1974 dat met toepassing van artikel 164 van het statutaire koninklijk besluit van 22 maart 1969 de voorwaarden regelt waaronder personeelsleden van het Rijksonderwijs ter beschikking kunnen worden gesteld. Op 17 april 1986 gaat verzoeker tegen dat voorstel in beroep bij de raad van beroep overeenkomstig artikel 5 van het hogergenoemd koninklijk besluit van 18 januari 1974. Met een 10 juli 1986 gedateerd schrijven wordt XII-4426-2\13 verzoeker door het bestuur meegedeeld dat zijn zaak “op de rol van de Raad van Beroep zal geplaatst worden”. Bij brief van 13 augustus 1986 deelt het bestuur Beheer Personeel Rijksonderwijs van het ministerie van Onderwijs de studieprefect van het KTA te Heist-op-den-Berg mee dat de minister heeft beslist verzoeker, met toepassing van artikel 5 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974, “gedurende de beroeps- procedure en met ingang van 1.9.1986 van zijn ambtsbevoegdheid te ontheffen”. Op 9 maart 1995 schrijft de ARGO aan verzoeker dat de centrale raad recent besloot de dossiers aanhangig bij de raad van beroep “af te werken”, vermeldend dat “[d]oor omstandigheden buiten de wil van de ARGO [...] tot hiertoe geen gevolg [werd] gegeven aan uw beroep. Daar komt nu echter verandering in” en dat verzoeker binnenkort een oproep zal ontvangen voor een zitting van de raad van beroep. De raad van beroep geeft zijn advies pas op 14 november 1996. Hij adviseert verzoeker van zijn ambt te ontheffen in het belang van de dienst met ingang van 15 april 1986. Onder verwijzing naar voormeld advies besluit de centrale raad van de ARGO op 5 december 1996 verzoeker met ingang van 15 april 1986 ter beschikking te stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. Bij arrest nr. 111.844 van 24 oktober 2002 besluit de Raad van State, wegens schending van de redelijke-termijneis, tot de vernietiging van de beslissing van 5 december 1996 van de centrale raad van de ARGO, waarbij verzoeker met ingang van 15 april 1986 wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst ter beschikking wordt gesteld. 3.2. In het inleidend verzoekschrift verhaalt verzoeker dat hij zich na het arrest van de Raad van State aanbood bij de school. Na enkele besprekingen in de loop van de maand november 2002 wordt overeengekomen dat verzoeker een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen zou aanvragen. Daarbij, aldus verzoeker, “werd gesteld dat de terugkeer van verzoeker aanleiding gaf tot grote administratieve problemen, en werd verzoeker voorgesteld dat de aanvraag tot het bekomen van TBS55+ zo spoedig XII-4426-3\13 mogelijk zou worden ingediend om in te gaan vanaf 1/1/2003 (hetgeen achteraf werd toegestaan) en dat in afwachting hiervan, omdat men geen oplossing zag, gelet op zijn medische toestand, hij zijn afwezigheid zou laten dekken door een ziekteattest”. Op 12 december 2002 doet verzoeker dan de aanvraag voor terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen (de zogenaamde “TBS55+”), die de directeur van het KTA Heist-op- den-Berg op 13 december 2002 stuurt aan het ministerie van de Vlaamse Gemeen- schap. De afdeling Beleidsuitvoering Personeel Secundair Onderwijs (hierna: de afdeling) antwoordt namens de Vlaamse minister bevoegd voor onderwijs op 24 december 2002 aan de directeur: “Bij nazicht van het dossier van voormeld personeelslid is vastgesteld dat het op 11-11-2002 in totaal reeds 1188 dagen ziekteverlof heeft genoten. Met een sociale anciënniteit van 21 jaar op 11-11-2002 kan betrokkene vanaf zijn eerste indiensttreding tot heden aanspraak maken op 630 dagen ziekteverlof. Het aantal dagen ziekteverlof is overschreden op 12.11.2002. Overeenkomstig artikel 9 en 10 van het KB van 18.01.1974 wordt betrokkene ter beschikking gesteld wegens ziekte vanaf 12-11-2002 met een wachtgeld (toelage) gelijk aan 63% van de laatste activiteitswedde (toelage). De eventueel ten onrechte toegekende wedde (toelage) zal worden verrekend of teruggevorderd. Wil u een afschrift van deze brief aan betrokkene bezorgen en hem meedelen dat de Pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst hem eerlang zal oproepen”. De afdeling schrijft op 14 januari 2003 aan verzoeker dat hij “de gestelde voorwaarden vervult om vanaf 01.01.03, in afwachting van een definitieve beslissing van de Algemeen Geneeskundige Dienst, aanspraak te maken op [TBS55+]”. De afdeling schrijft op 16 januari 2003 aan verzoeker: “Uw aanvraag voor een TBS55+ met ingangsdatum 1 januari 2003 kwam bij ons pas binnen op 19 december 2002. Op 14 januari 2003 werd u op de hoogte gesteld van de omvang van het wachtgeld. Daarnaast bevond u zich de op ingangsdatum van de TBS55+ in de stand terbeschikkingstelling wegens ziekte. Artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11/02/2000 betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding stelt uitdrukkelijk : ‘Het personeelslid dat op de dag waarop de door hem XII-4426-4\13 aangevraagde volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegen- heden voorafgaand aan het rustpensioen ingaat, al ter beschikking gesteld is wegens ziekte of gebrekkigheid wordt opgeroepen om te verschijnen voor de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst. Als deze commissie het personeelslid definitief ongeschikt acht om zijn ambt uit te oefenen en het personeelslid de voorwaarden vervult om vroegtijdig op pensioen te worden gesteld, wordt de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen beëindigd door de oppensioenstelling van het personeelslid’. U zult dus eerlang worden opgeroepen door de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst. In afwachting van de oproeping zal u in de stand TBS55+ blijven. Indien de pensioencommissie beslist dat u arbeids- geschikt bent, kan u van uw TBS55+ blijven genieten tot aan uw pensioen. Beslist de pensioencommissie daarentegen dat u niet meer geschikt bent om uw functie uit te oefenen dan wordt u de maand volgend op de beslissing met pensioen wegens ziekte gesteld. Ik hoop hiermee eventuele onduidelijkheden in verband met uw situatie uitgeklaard te hebben”. Op 12 mei 2003 deelt de afdeling aan de administratieve gezondheidsdienst mee dat de aanvraag om onderzoek van verzoeker door de pensioencommissie voorbarig was en zij verzoekt “geen gevolg te willen geven aan voormelde oproeping tot onderzoek”. 3.3. Verzoeker gaat met pensioen op 1 juni 2004. 3.4. De Raad van State besluit in het arrest nr. 137.641 van 25 novem- ber 2004, wegens onbevoegdheid van de steller van de akte, tot de vernietiging van de beslissing van de Vlaamse Gemeenschap, die blijkt uit de hiervoor aangehaalde brief van 24 december 2002, waarbij verzoeker vanaf 12 november 2002 ter beschikking gesteld wordt wegens ziekte. 3.5. Met een brief van 10 januari 2005 maant verzoeker de Vlaamse Gemeenschap aan, met verwijzing naar artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, tot “bijkomend herstel”, namelijk “de reconstructie van de loopbaan”. De Vlaamse Gemeenschap in haar antwoord van 13 januari 2005, onder verwijzing naar de voormelde arresten, wijst haar bevoegdheid om een beslissing te nemen af en deelt mee “dat de administratie ten aanzien van u geen werkgever is en bijgevolg ook niet kan beslissen in welke administratieve stand u zich op welk ogenblik ook, bevindt”, dat zij verder “alle bijkomende periodes die voor de berekening van de loopbaan in aanmerking kunnen komen, aan de loopbaanfiche toegevoegd [heeft]” en dat zij de werkgever gevraagd heeft “ook in deze een beslissing te nemen”, maar nog geen antwoord heeft gekregen. XII-4426-5\13 3.6. Het college van directeurs van scholengroep 5 bezorgt op 4 februari 2005 aan verzoeker een brief “in verband met de uitvoering van het arrest van de Raad van State en een beslissing van het college van directeurs”. Die brief -met als hoofding “Uitvoering arrest Raad van State nr. 137.641 van 25 november 2004 Regularisatie administratieve toestand vanaf 12-11-2002” laat weten: “dat het college van directeurs van de scholengroep 5, in toepassing van artikel 27 § 4 - 1/ van het Bijzonder Decreet bevoegd voor het beheer van de loopbaan van de personeelsleden, na onderzoek van uw dossier, in vergadering van 20 januari 2005 de beslissing heeft genomen om u voor de periode van 12-11-2002 tot 31-12-2002 ter beschikking te stellen wegens ziekte”. De als bijlage gaande beslissing is de thans bestreden beslissing; ze luidt: “Juridische bepalingen * Arrest Raad van State nr 137.641 van 25-11-2004 * KB van 18-01-1974 artikel 9 : ‘het vast benoemde personeelslid is van rechtswege ter beschikking gesteld wanneer hij wegens ziekte afwezig is nadat hij het maximum aantal verlofdagen heeft genoten dat hem om die reden kan toegekend worden. * Decreet Rechtspositie van 27-03-199 1, artikel 75 : ‘een personeelslid wordt voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden, behoudens een uitdrukkelijke bepaling die het personeelslid van rechtswege of bij beslissing van een ter zake bevoegd orgaan van het Gemeenschapsonderwijs in een andere administratieve stand plaatst. * Bijzonder decreet van 14 juli 1998, artikel 27 § 4- l/ : ‘inzake personeelsbe- leid is het college van directeurs bevoegd voor het beheer van de loopbaan van de personeelsleden’. Beslissing : Gelet op het arrest van de Raad van State dd 25-11-2004 waarbij de beslissing van het departement Onderwijs, meegedeeld bij brief van 24-12-2002, waarbij de heer L. Helsen ter beschikking werd gesteld wegens ziekte vanaf 12-11-2002, werd vernietigd ; Gelet op de vaststelling van de Raad van State dat de terbeschikkingstelling wegens ziekte enkel kan worden beslist door het bevoegd orgaan van de inrichtende macht ; Gelet op het feit dat overeenkomstig artikel 27 § 4 - l/ van het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 de bevoegdheid het beheer van de loopbaan van personeelsleden behoort tot de bevoegdheden van het college van directeurs van de scholengroep ; Gelet op artikel 75 van het Decreet Rechtspositie van 27 maart 1991 dat bepaalt dat een personeelslid voor de vaststelling van zijn administratieve toestand altijd geacht wordt zich in dienstactiviteit te bevinden, behoudens een uitdrukkelijke bepaling die het personeelslid van recht[s]wege of bij beslissing XII-4426-6\13 van een ter zake bevoegd orgaan van het Gemeenschapsonderwijs in een andere administratieve stand plaatst ; Gelet op het feit dat een personeelslid overeenkomstig de bepalingen van artikel 9 van het KB van 18-01-1974 van rechtswege wordt terbeschikkingge- steld wegens ziekte, wanneer de voorwaarden daartoe zijn vervuld ; Gelet op het feit dat de Raad van State uit deze bepalingen afleidt dat de terbeschikkingstelling wegens ziekte geen discretionaire bevoegdheid is en dat de inrichtende macht, als de voorwaarden vervuld zijn, de terbeschikkingstel- ling moet uitspreken ; dat de inrichtende macht wel moet nagaan of de voorwaarden vervuld zijn ; Gelet op het feit dat de heer Helsen op 31.03.1986 een sociale anciënniteit had verworven van 21 jaar , wat resulteert in een contingent ziektedagen van 630 dagen, en betrokkene op dat ogenblik reeds 1188 ziektedagen had genoten ; Gelet op het feit dat, ongeacht de regeling van de administratieve toestand van betrokkene, vanaf zijn indiensttreding in het onderwijs de heer Helsen op 12-11-2002 maximaal een sociale anciënniteit zou kunnen verworven hebben van 38 jaar en dit zou resulteren in een contingent ziektedagen van maximaal 1140 dagen (38j x 30
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.