id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.015 Rolnummer: A. 196312/XII-6181 Zaak: Arrest 204015 - Overheidsopdrachten - 18/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-19 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 04:45 Fiche Arrest nr 204.015 van 18 mei 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 204.015 van 18 mei 2010 in de zaak A. 196.312/XII-6181 In zake: de NV ZAVENTEM AIRWAY CAMPUS (NV ZAC) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bruno De Winter en Carlo Van Caekenberg kantoor houdend te Gent Stapelplein 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de REGIE DER GEBOUWEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. de POST NV van publiek recht 2. IRET Comm. VA samen vormend de tijdelijke handelsvennootschap DE POST- IRET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kaat Leus en Arne Vandaele kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Barteld Schutyser -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 27 april 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van 12 april 2010 van de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, bevoegd voor de Regie der Gebouwen om de opdracht: ‘Promotieovereenkomst voor de terbeschikkingstelling via een huurcontract van 18 jaar, verlengbaar met periodes van 3 jaar, van een gebouw voor de huisvesting in Aalst van de plaatselijke diensten van de FOD’s Financiën, Justitie, WASO en de Regie der Gebouwen, Bijzonder XII-6181-1\20 Bestek Nr. 2009/410000/021A’, toe te wijzen aan het consortium NV van publiek recht DE POST en de Comm. Ven. IRET, hetgeen tevens de beslissing tot niet- gunning aan de NV ZAC omvat”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 mei 2010, om 10.00 uur. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaten Bruno De Winter en Carlo Van Caekenberg, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Leopold Schellekens, die loco advocaat David D’Hooghe verschijnt voor de verwerende partij, en advocaten Arne Vandaele en Barteld Schutyser, die verschijnen voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een beperkte offerteaanvraag uit met als voorwerp “Promotieovereenkomst voor terbeschikkingstelling via huurcontract van 18 j, van gebouw in Aalst voor FOD’s Financiën, Justitie, Waso en Regie der Gebouwen”. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen op 31 oktober 2007 en in het Europees Publicatieblad op 2 november 2007. 3.2. Er worden drie aanvragen tot deelneming ingediend. Op 19 augustus 2008 worden deze drie kandidaten, met name de nv RCK Projectontwikkeling, de nv van publiek recht De Post, Real Estate, en de XII-6181-2\20 nv Zaventem Airway Campus, te dezen de verzoekende partij, geselecteerd en wordt beslist dat zij allen zullen worden uitgenodigd om een offerte in te dienen. 3.3. Bij brief van 17 september 2008 worden de kandidaten effectief uitgenodigd om een offerte in te dienen tegen 17 maart 2009 en wordt hen het bestek meegedeeld. 3.4. Het bestek bepaalt onder meer dat de inschrijvers bij hun offerte ofwel de uitvoerbare of reeds uitgevoerde bouwvergunning dienen te voegen die volledig overeenstemt met het in de offerte aangeboden gebouw of ontwerp, ofwel het bewijs dat de bouwaanvraag van het in de offerte aangeboden ontwerp werd ingediend. Enkel de offertes waarvan het bijgevoegde ontwerp door een volledig overeenstemmende uitvoerbare bouwvergunning wordt bekrachtigd, zullen worden beoordeeld. Ingeval een bouwvergunning wordt geweigerd of slechts toegestaan met wijzigingen aan het ontwerp, wordt de offerte als nietig beschouwd. Tevens wordt erop gewezen dat de beoordeling van de offertes ten laatste 90 kalenderdagen ingaand de dag na de opening van de offertes, dus op 15 juni 2009, zal aanvangen. De ontwerpen waarvan over de bouwaanvragen op dat moment nog geen resultaat bekend is, zullen als nietig worden beschouwd. 3.5. In een brief van 6 maart 2009 aan de verwerende partij wijst de verzoekende partij op een aantal vermeende onduidelijkheden en onwettigheden in het bestek en vraagt zij om de opening van de offertes te verdagen naar een latere datum. 3.6. Met een schrijven van 12 maart 2009 deelt de verwerende partij mee dat zij op dit verzoek niet kan ingaan en betwist zij de kritieken van de verzoekende partij. 3.7. Vervolgens dienen de drie geselecteerde kandidaten, waaronder de verzoekende partij, op 17 maart 2009 een offerte in. 3.8. In het gunningsverslag van 28 oktober 2009 wordt vervolgens besloten tot de substantiële onregelmatigheid van de offertes van de drie inschrijvers en wordt voorgesteld om de lopende gunningsprocedure stop te zetten en over te gaan tot een heraanbesteding onder de vorm van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. XII-6181-3\20 3.9. Op 23 november 2009 beslist de verwerende partij tot stopzetting van de gunningsprocedure, tot niet-toewijzing van de opdracht en tot het heraanbesteden van de opdracht onder de vorm van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. 3.10. Op 1 december 2009 wordt de voormelde beslissing meegedeeld aan de verzoekende partij, aan de tijdelijke handelsvennootschap De Post - IRET en aan nv RCK Projectontwikkeling en worden zij allen uitgenodigd om deel te nemen aan de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Als bijlage bij het schrijven wordt het nieuwe bestek gevoegd. Het bestek bepaalt onder meer dat de inschrijvers bij hun offerte een kopie van de uitvoerbare of reeds uitgevoerde bouwvergunning dienen te voegen die volledig overeenstemt met het in de offerte aangeboden gebouw of ontwerp. Tevens wordt bepaald dat de offertes die niet aan deze voorwaarde voldoen, niet beoordeeld zullen worden. In dit schrijven wordt tevens aangekondigd dat de opening van de offertes zal plaatsvinden op 14 december 2009, zoals ook is vermeld op de eerste bladzijde van het bestek. Onder artikel 104 van het bestek wordt weliswaar ook gewag gemaakt van 11 december 2009 als uiterste datum van indiening van de offertes. 3.11. Bij brief van 6 december 2009 deelt de raadsman van de verzoekende partij aan de verwerende partij mee dat de termijn voor de indiening van de offertes onredelijk kort is, de gelijkheid van de inschrijvers schendt en de mededinging in het kader van de nieuwe procedure onmogelijk maakt. De verzoekende partij vraagt de verwerende partij om een termijn van minstens 9 maanden te willen toestaan voor het indienen van de offertes. 3.12. Met een schrijven van 7 december 2009 deelt de verwerende partij mee dat de termijn voor alle inschrijvers dezelfde is en voortvloeit uit de planning waarin is voorzien dat het gebouw in gebruik wordt genomen tegen uiterlijk eind november 2011. Tevens wordt erop gewezen dat de verzoekende partij net als de andere inschrijvers bij de initiële offerteaanvraag reeds over een termijn van zes maanden beschikte om een offerte in te dienen. XII-6181-4\20 3.13. Op 8 december 2009 stelt de verzoekende partij een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in tegen de beslissing tot goedkeuring van het bestek 2009/410000/21A, in het bijzonder de bestekbepaling waarbij wordt gesteld dat de offertes uiterlijk maandag 14 december 2009 om 12.00 uur moeten worden ingediend, evenals tegen de beslissing van 23 november 2009 van de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, bevoegd voor de Regie der Gebouwen tot het heraanbesteden van de opdracht onder de vorm van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking - zaak gekend onder het rolnummer A.194.842/XII-6051. 3.14. Vervolgens wordt de verwerende partij door de verzoekende partij gedagvaard in kortgeding. Bij beschikking van 11 december 2009 beveelt de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent de verwerende partij om in afwachting van de uitspraak van de Raad van State inzake het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid de termijn voor de indiening van de offertes en de datum van de opening van de offertes met minstens 10 dagen uit te stellen tot 24 december 2009, wordt een verbod opgelegd om de termijn voor de indiening en de opening van de offertes te laten plaatsvinden op 14 december 2009, op straffe van verbeurte van een dwangsom, wordt de verwerende partij verplicht om de termijn voor het indienen van de offertes en de opening ervan uit te stellen tot de uitspraak van de Raad van State en wordt de verwerende partij verplicht om de kandidaat- inschrijvers van de nieuwe datum voor het indienen van de offertes en de opening van de offertes te verwittigen. 3.15. Bij brief van 14 december 2009 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat in navolging van de voormelde beschikking de termijn voor het indienen van de offertes wordt uitgesteld tot 24 december 2009, 12 uur. Tevens wordt meegedeeld dat indien het arrest van de Raad van State op dat ogenblik nog niet beschikbaar is, de indiening en de opening van de offertes nogmaals zal moeten worden uitgesteld, uitstel waarvan de verzoekende partij op de hoogte zal worden gesteld. 3.16. Met een schrijven van 24 december 2009 wordt aan de drie kandidaat-inschrijvers die uitgenodigd werden deel te nemen aan de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking meegedeeld dat aangezien er nog geen arrest van de Raad van State is tussengekomen op de gestelde datum van XII-6181-5\20 24 december 2009, de uiterste ontvangstdatum van de offertes wordt vastgesteld op 5 januari 2010 om 12.00 uur. 3.17. Bij arrest nr. 199.284 van 29 december 2009 verwerpt de Raad van State voormelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aangezien volgens de Raad niet is aangetoond dat de verzoekende partij door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen het rechtens vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan ondergaan. 3.18. Op 5 januari 2010 dienen twee inschrijvers een offerte in, met name de verzoekende partij en de tijdelijke handelsvennootschap De Post - IRET. De nv RCK Projectontwikkeling laat schriftelijk weten niet te kunnen deelnemen omdat haar eerder bij de beperkte offerteaanvraag ingediende project nog steeds niet is vergund. 3.19. In het gunningsverslag van 16 februari 2010 wordt voorgesteld om de offerte van de verzoekende partij uit te sluiten en de opdracht toe te wijzen aan de tijdelijke handelsvennootschap De Post - IRET. 3.20. Op 12 april 2010 beslist de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, in navolging van het gunningsverslag, dat de offerte van de verzoekende partij niet voldoet aan de essentiële eisen van het bestek om de redenen uiteengezet in het gunningsverslag, die in deze beslissing als volgt beknopt worden toegelicht: “- Uit de bijkomende inlichtingen geleverd door de nv ZAC, waarbij voor het eerst een voorstel tot invulling van de bezetting werd gedaan, zij het enkel op niveau van de FOD's en niet op niveau van functies en lokalen, blijkt dat de totale aangeboden beschikbare oppervlakte ruim ontoereikend is om het behoefteprogramma opgenomen in het bestek te realiseren. Ten opzichte van het behoefteprogramma (uitgedrukt in netto-oppervlakte) is er netto een tekort van 489,94 m2 of -6,73 %. De offerte voldoet dus niet aan de essentiële eisen van het bestek, waardoor het door de opdracht beoogde resultaat niet kan worden bereikt. Deze tekortkoming t.o.v. de essentiële eisen van het bestek kan zelfs binnen het kader van de onderhandelingsprocedure niet worden ongedaan gemaakt zonder de gelijke behandeling van alle inschrijvers te schenden; - Het aangeboden gebouw kan, volgens de bij de bijkomende inlichtingen gevoegde verklaring van een architect, niet voldoen aan de gestelde minimumeisen inzake energieprestatie zonder de uitvoering van ingrijpende, vergunningsplichtige werken, waarvan zelfs geen ontwerp bij de offerte is gevoegd, laat staan enige informatie omtrent de aanvraag of het bekomen van XII-6181-6\20 de bouwvergunning en dit ondanks het feit dat de nv ZAC al sedert de terbeschikkingstelling van het bestek op 17 september 2008, in het kader van de initiële beperkte offerteaanvraag, op de hoogte was van alle voorwaarden van de opdracht. Ook hier voldoet de offerte niet aan de essentiële eisen van het bestek, waardoor het door de opdracht beoogde resultaat niet kan worden bereikt. Deze tekortkoming t.o.v. de essentiële eisen van het bestek kan zelfs binnen het kader van de onderhandelingsprocedure niet worden ongedaan gemaakt zonder de gelijke behandeling van alle inschrijvers te schenden; - Bovendien is de planning die geleverd werd bij de bijkomende inlichtingen te summier en kan er niet worden nagegaan of deze planning realistisch is omdat er geen enkele indicatie in de offerte zit omtrent de aard en het eindresultaat (o.a. de herindeling en de afwerking van de lokalen) van de werken; - Er is ook grote onduidelijkheid over de detaillering van de jaarlijkse basishuurprijs. De samenstelling ervan die werd geleverd als antwoord op de vraag van de Regie der Gebouwen om bijkomende inlichtingen, verschilt grondig van de samenstelling in het huurcontract bij de offerte”. Aangezien er na de uitsluiting van de offerte van de verzoekende partij slechts één offerte overblijft, is de verwerende partij van oordeel dat de quotering van de resterende offerte aan de hand van de gunningscriteria geen zin heeft en wordt enkel nagegaan of de offerte van de tijdelijke handelsvennootschap De Post - IRET inhoudelijk voldoet aan de essentiële eisen van het bestek. Vervolgens wordt beslist om de opdracht toe te wijzen aan de tussenkomende partijen, voor een jaarlijks basishuurbedrag van 1.510.254,00 euro. Dit is de thans bestreden beslissing. 3.21. Bij brief van 13 april 2010 wordt de verzoekende partij in kennis gesteld van voormelde toewijzingsbeslissing, evenals van het feit dat haar offerte “niet werd weerhouden”. Tevens wordt meegedeeld dat de verwerende partij, in toepassing van artikel 21bis van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten (hierna: de overheidsopdrachtenwet), een wachttermijn in acht zal nemen van 15 kalenderdagen alvorens de opdracht te betekenen. IV. Tussenkomst 4. Met een op 5 mei 2010 ter post aangetekend verzoekschrift vragen de Post nv van publiek recht en IRET Comm. VA, samen vormend de tijdelijke handelsvennootschap De Post - IRET, om in het geding te mogen tussenkomen. XII-6181-7\20 Zij blijken voordeel te halen uit de bestreden beslissing en hebben er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Dienvolgens moet hun verzoek worden ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van de vordering A. Voorwerp van de vordering 5. De vordering tot schorsing is naast de bestreden toewijzingsbeslissing eveneens gericht tegen “de beslissing tot niet-gunning aan de NV ZAC”. Beoordeling 6. De verzoekende partij toont niet aan welk bijkomend voordeel de schorsing van de impliciete beslissing om de opdracht niet aan haar toe te wijzen haar zou verschaffen, zodat haar het belang bij dit deel van de vordering dient te worden ontzegd. B. Belang 7. De tussenkomende partijen betwisten het belang van de verzoekende partij bij de vordering tot schorsing en werpen daartoe een exceptie op. De verzoekende partij zou “wetens en willens” een substantieel onregelmatige offerte hebben ingediend. Beoordeling 8. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over deze exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak daarover zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing zijn vervuld, wat, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is. XII-6181-8\20 VI. De schorsingsvoorwaarden 9. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VII. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 10. Het eerste middel is genomen uit de schending van het beginsel van gelijke behandeling zoals uitgedrukt in de richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het gelijkheidsbeginsel en redelijkheidsbeginsel, het beginsel van mededinging zoals uitgedrukt in de voormelde richtlijnen en artikel 1 van de overheidsopdrachtenwet, evenals uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet). De verzoekende partij wijst erop dat de in het bestek voorziene termijn van 13 dagen voor het indienen van de offertes, waarbij eveneens de voorwaarde van het beschikken over een bouw- en milieuvergunning wordt opgelegd, kennelijk onredelijk is, de gelijke behandeling van de inschrijvers schaadt en elke mogelijke mededinging uitsluit. Bovendien zou hiervoor geen materiële, noch een formele motivering voorhanden zijn. Het gegeven dat de oorspronkelijk voorziene termijn van 13 dagen uiteindelijk, ten gevolge van door de verzoekende partij ondernomen gerechtelijke stappen, werd verlengd met een periode van 22 dagen, verandert volgens haar niets aan het onredelijk kort karakter ervan, nu het verkrijgen van de noodzakelijke XII-6181-9\20 bouwvergunning binnen deze termijn nog steeds onmogelijk is. Dit veronderstelt volgens de verzoekende partij een termijn van minimum 9 maanden. Volgens de verzoekende partij was de in het kader van de eerste procedure voorziene termijn van 6 maanden voor het indienen van de offertes, gelet op de complexiteit van de opdracht, voor alle inschrijvers onhaalbaar. Door in het kader van de tweede procedure een onredelijk korte termijn op te nemen, wist de verwerende partij volgens de verzoekende partij ook met zekerheid dat de facto enkel zou worden onderhandeld met de tijdelijke handelsvennootschap De Post - IRET, gezien dit de enige inschrijver was die reeds over de vereiste bouw- en milieuvergunningen beschikte. Volgens de verzoekende partij mag met de oorspronkelijke termijn van zes maanden geen rekening worden gehouden bij de beoordeling van de nieuwe termijn. Volgens de verzoekende partij kan van haar immers niet worden verwacht dat zij had moeten voorzien dat aansluitend op de beperkte offerteaanvraag, waarin zij reeds meedeelde dat de daarin voorziene termijn van zes maanden irrealistisch voorkwam, een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking zou worden opgestart, waarin opnieuw een nog veel kortere termijn zou worden opgenomen. Zij wijst er tevens op dat zij in het kader van de eerste procedure er geenszins vrijwillig voor gekozen heeft om een offerte in te dienen waarvoor geen bouwvergunning diende te worden bekomen aangezien zij toen al heeft opgemerkt dat de termijn te kort was, waardoor zij genoodzaakt was om op minder concurrentiële wijze in te schrijven. Uit het huidige gunningsverslag blijkt volgens haar duidelijk dat zij zonder vergunningsplichtige werken nooit kon voldoen aan de technische vereisten van zowel het eerste als het tweede bestek. Ook het schrijven van 7 december 2009 betreffende de vermeende planning, biedt volgens de verzoekende partij geen ernstige verantwoording voor de onredelijk korte termijn. Volgens haar is de aanbestedende overheid zelf verantwoordelijk voor het in het gedrang komen van de planning door meer dan zes maanden te wachten om een beslissing tot niet-gunning te nemen. Bovendien valt op dat de aanbestedende overheid er wederom drie maanden over heeft gedaan om tot een gunningsbeslissing te komen, terwijl de inschrijvers een termijn van amper 13 dagen werd gegeven. XII-6181-10\20 Alle vier de motieven om de offerte van de verzoekende partij als onregelmatig af te wijzen zijn volgens haar een rechtstreeks en onrechtstreeks gevolg van de afwezigheid van een redelijke termijn voor het verkrijgen van een uitvoerbare bouwvergunning. Ten slotte wijst de verzoekende partij er nog op dat voor de onderhandelingsprocedure met bekendmaking artikel 7 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken (hierna: het koninklijk besluit van 8 januari 1996), expliciet de verplichting oplegt om bij de vaststelling van de termijnen voor de ontvangst van de offertes rekening te houden met de complexiteit van de opdracht en met de nodige voorbereidingstijd van de offertes. Beoordeling 11.1. Door de partijen wordt niet betwist dat de initiële inschrijvingstermijn zoals vermeld in het bestek werd verlengd, dat alle inschrijvers hiervan op gelijke wijze op de hoogte werden gebracht en dat de totale inschrijvingstermijn uiteindelijk 35 dagen bedroeg. Voor de beoordeling van het middel lijkt dan ook rekening gehouden te moeten worden met deze termijn van 35 dagen. 11.2. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 bepaalt voor wat betreft de overheidsopdrachten voor aanneming van werken die het Europese drempelbedrag overschrijden dat bij de vaststelling van de termijnen voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming en offertes, de aanbestedende overheid inzonderheid rekening dient te houden met de complexiteit van de opdracht en met de nodige voorbereidingstijd van de offertes. Op het eerste zicht geldt deze algemene verplichting, die te dezen van toepassing lijkt, ook in geval van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. 11.3. Te dezen moet worden vastgesteld dat de huidige onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking volgt op een beperkte XII-6181-11\20 offerteaanvraag die werd stopgezet aangezien enkel onregelmatige offertes werden ingediend. Voor de beoordeling van de complexiteit van de opdracht en de nodige voorbereidingstijd van de offertes kan op het eerste gezicht in het voorliggende geval rekening worden gehouden met de voorafgaande beperkte offerteaanvraag, de voorbereidingstijd die de inschrijvers in het kader van die procedure reeds hebben gekregen en het feit dat de besteksbepalingen in het kader van de nieuwe opdracht grotendeels werden hernomen. De toegekende termijn wordt daarnaast door de verwerende partij nog gemotiveerd door het aflopen van de huidige huurovereenkomst eind december 2011 zodat tegen die datum de diensten verhuisd zouden moeten zijn naar een nieuwe locatie. In het licht van het geheel van voormelde elementen lijkt een termijn van 35 dagen niet onredelijk. Voorts leidt de verklaring van de architect van de verzoekende partij in het kader van de onderhandelingsprocedure dat het aangeboden gebouw niet kan voldoen aan de gestelde minimumeisen inzake energieprestatie zonder vergunningsplichtige werken, niet tot een andere opvatting. 11.4. Voor wat betreft de beweerde schending van het gelijkheidsbeginsel, valt op te merken dat de verwerende partij in toepassing van artikel 17, § 2, 1/,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.