id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.082 Rolnummer: A. 175131/X-12958 Zaak: Arrest 204082 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-28 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 04:45 Fiche Arrest nr 204.082 van 19 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 204.082 van 19 mei 2010 in de zaak A. 175.131/X-12.
- In zake:
- Patrick PAIS
- Paule VREYS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martin Denys kantoor houdend te 1560 HOEILAART de Quirinilaan 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Declercq kantoor houdend te 3000 LEUVEN J.P. Minckelerstraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 juli 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 12 mei 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de verzoekende partijen wordt verworpen en de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd tot de regularisatie van een overdekte trainingshal voor paarden, gelegen aan de Nijvelsebaan 109 te Huldenberg, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 98/h. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend en de verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. X-12.958-1/12 De tweede verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 februari
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Martin Denys, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Bieke Claes, die loco advocaat Philippe Declercq verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De kennisgeving van het verslag aan de verzoekende partijen gebeurt op grond van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. III. Feiten
- Op 17 maart 1995 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden het beroep van de eerste verzoeker tegen het besluit van 7 juli 1988 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het uitbreiden van een paardenstal met een overdekte trainingshal op een perceel gelegen te Huldenberg (Loonbeek), Nijvelsebaan 109, kadastraal bekend sectie B1, nr. 98/h. Het annulatieberoep dat de verzoekende partijen tegen het voornoemde besluit hebben ingesteld, wordt door de Raad van State verworpen met het arrest nr. 186.618 van 30 september
- X-12.958-2/12 Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven, ligt het voornoemde perceel in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling.
- Op 7 januari 2003 (datum van het ontvangstbewijs) vragen de verzoekende partijen bij het gemeentebestuur van Huldenberg een regularisatievergunning voor een op het voornoemde perceel opgerichte overdekte trainingshal voor paarden.
- Tijdens het openbaar onderzoek, dat liep van 15 januari 2003 tot 14 februari 2003, wordt één bezwaarschrift ingediend.
- Op 15 april 2003 geeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg een gunstig vooradvies over de aanvraag “mits de aanvraag in overeenstemming is met de van toepassing zijnde wetgeving”.
- Op 26 mei 2003 geeft de afdeling Land een ongunstig advies, waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “De afdeling Land heeft uw adviesaanvraag behandeld met betrekking tot: Regularisatie van overdekte trainingshal voor paarden door Pais-Vreys Nijvelsebaan 109, afd. 3, sie. D, nr. 981, Huldenberg (Neerijse) De aanvraag betreft het regulariseren van een overdekte trainingshal voor africhten van paarden als hobbyactiviteit. De aanvraag is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, aansluitend bij natuurgebied op grote afstand achter de woning van de aanvrager. De trainingshal is opgericht in aansluiting bij een vergunde paardenstal. De aanvrager heeft 8 paarden als hobbyactiviteit. Aanpalend bij de stallingen is er ook nog een bergplaats voor hooi, stro en berging voor paarden transsport voertuig. Een overdekte trainingspiste voor africhting van paarden kan slechts in overweging genomen nadat de fokkerij in voldoende mate aanwezig is, (aanwijzingen zijn o.a. het groot aantal af te richten paarden en het professioneel karakter van de fokkerij). Een volwaardige paardenfokkerij omvat volgens afdeling Land minstens 20 merries en 30 jongere paarden. Het louter africhten van paarden zonder fokken, wordt verwezen naar bestaande inplantingen in structureel aangetaste gebieden. Vermits er hier geen sprake is van een volwaardige paardenfokkerij wordt uit landbouwkundige overwegingen ongunstig advies verstrekt voor de regularisatieaanvraag”.
- Op 14 augustus 2003 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies, waarin onder meer het volgende wordt overwogen: X-12.958-3/12 “Vermits er hier geen sprake is van een volwaardige paardenfokkerij (cfr. advies afdeling Land van AMINAL) voldoet het voorgelegd ontwerp niet aan de omzendbrief betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen dd. 8 juli 1997 (wijziging via omzendbrief 25/1/2002): artikel 11 de agrarische gebieden”.
- Op 19 augustus 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg de gevraagde vergunning.
- Op 16 september 2003 stellen de verzoekende partijen bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant beroep in tegen de voornoemde weigeringsbeslissing.
- Wegens het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie stellen de verzoekende partijen op 19 maart 2004 bij de verwerende partij beroep in.
- Op 12 mei 2006 neemt de verwerende partij het met het onderhavig beroep bestreden besluit houdende weigering van de regularisatievergunning. IV. De regelmatigheid van de rechtspleging
- In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld. De hoofdgriffier heeft bij de kennisgeving van het auditoraatsverslag aan de verzoekende partijen melding gemaakt van artikel 21, zesde lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De tweede verzoeker heeft binnen de termijn van dertig dagen, bepaald in voornoemd artikel 21, zesde lid, geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. Dit wordt door deze partij niet betwist. Krachtens die wetsbepaling dient te zijnen aanzien de afstand van het geding te worden vastgesteld.
- De memorie van antwoord werd laattijdig ingediend en wordt bijgevolg uit de debatten geweerd. X-12.958-4/12 V. Onderzoek van de middelen A. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In het verzoekschrift wordt het volgende derde middel aangevoerd: “Derde middel, genomen uit de schending van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 48187 van 23 juni 1994 van de Raad van State, uit de schending van artikel 37 van het Regentsbesluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, uit de schending van de artikelen 13 en 10 van de stedebouwwet, uit de schending van artikel 190 van de gecoördineerde Grondwet, en uit de schending van het rechtszekerheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Doordat de Raad van State in het arrest nr. 48187 van 23 juni 1994 het eerdere ministerieel besluit dd. 11 mei 1989 heeft vernietigd, omdat dit aan beroepers de bouwvergunning heeft geweigerd op basis van de bestemming van de grond in het gewestplan Leuven, gewestplan waarvan de Raad van State heeft vastgesteld dat het op het ogenblik van het treffen van de beslissing niet-tegenstelbaar en bijgevolg niet-verbindend was. En doordat het bestreden besluit de bouwvergunning opnieuw weigert onder verwijzing naar dezelfde bestemming van het gewestplan Leuven, en de criteria toepast van de artikelen 11 en 15 van het KB van 28 december
- Terwijl het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest van de Raad van State het bestuur verplicht om een nieuwe beslissing te treffen rekening houdend met de vernietigingsmotieven van de uitspraak van de Raad, en het bestuur daarbij wordt teruggeplaatst ten tijde van het nemen van de vernietigde beslissing. En terwijl de minister meer bepaald aan beroepers de bouwvergunning niet meer kan weigeren met verwijzing naar de normen van de artikelen 11 en 15 van het KB van 28 december 1972, gezien deze regelen enkel betrekking hebben op gewestplanvoorschriften, en het gewestplan zoals gesteld moet geacht worden niet-tegenstelbaar te zijn”. Beoordeling
- Zoals werd uiteengezet in het arrest nr. 186.618 van 30 september 2008 kunnen administratieve rechtshandelingen die zijn gesteld na de inwerkingtreding van artikel 99 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, niet meer worden bekritiseerd op grond van de niet-tegenstelbaarheid van het gewestplan wegens het niet ter inzage zijn ten gemeentehuize van de als niet-normatief aangewezen gedeelten ervan. Er kan geen sprake zijn van enige schending van het gezag van gewijsde van ’s Raads arrest nr. 48.187 van 23 juni 1994, aangezien, zoals in het arrest nr. 186.618 van X-12.958-5/12 30 september 2008 werd uiteengezet, enerzijds het gezag van gewijsde van een annulatiearrest van de Raad van State moet worden gezien binnen het raam van de op het ogenblik van het nemen van het vernietigde besluit vigerende wetgeving en reglementering, en anderzijds de vergunningverlenende overheid gehouden is de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik van haar uitspraak en het gewestplan volgens de op dat ogenblik geldende reglementering wel tegenstelbaar was. Het derde middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In het verzoekschrift wordt het volgende tweede middel aangevoerd: “Tweede middel, genomen uit de schending van artikel 4 van het DRO van 18 mei 1999; uit de schending van artikel 2 van het Coördinatiedecreet van 22 oktober 1996, uit de schending van de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, uit de schending van artikel 53 §3 Coördinatiedecreet van 22 oktober 1996, uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen, uit de schending van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en wegens machtsoverschrijding. Doordat aan beroepers de bouwvergunning wordt geweigerd omdat de aanvraag in strijd zou zijn met de bestemming van de grond in het gewestplan als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Terwijl, vooropgesteld dat het gewestplan ten eerste tegenstelbaar zou zijn (...) en ten tweede zou prevaleren op het APA van Loonbeek (...), de aanvraag van beroepers om de bestaande paardenstal uit te breiden met een trainingshal geenszins strijdig is met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. En terwijl vooreerst volgens artikel 11.4.1 van het KB van 28 december 1972 een agrarisch gebied immers uitdrukkelijk bestemd is voor de landbouw ‘in de ruime zin’, waaronder ook de zogenaamde ‘para-agrarische bedrijven’ begrepen zijn. En terwijl, beroepers uitsluitend op private basis de eigen dieren wensen te verzorgen en te trainen met het oog op de competitiedressuur op professioneel niveau. En terwijl de nadere aanwijzing als landschappelijk waardevol gebied evenmin geldig kan ingeroepen tot weigering van de vergunning, nu de minister in het bestreden besluit met geen woord rept over het feit dat de constructie wegens het uitgesproken reliëf van het terrein volkomen ingebed is in het landschap, en volledig aan het oog onttrokken is. En terwijl de overwegingen in fine van het bestreden besluit met betrekking tot de omvang van het volume en de grootschaligheid van de constructie evenmin dienend kunnen zijn om de vergunning te weigeren. X-12.958-6/12 En terwijl immers de minister op die manier ook de bestaande en reeds vergunde stallingen bij de aanvraag betrekt, terwijl het hier uiteraard enkel gaat om de regularisatie van de trainingshal. En terwijl zodoende de minister, door bij zijn motivering alle bestaande constructies op de percelen te betrekken, zijn bevoegdheid te buiten gaat, nu hij uiteraard enkel en alleen de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening van de aangevraagde constructie kan beoordelen. En terwijl daarenboven moet worden vastgesteld dat de trainingspiste naadloos aansluit bij de bestaande bebouwing en op zich geenszins enige negatieve impact teweegbrengt op de omgeving. En terwijl de minister nochtans in het verleden reeds heeft geoordeeld dat wanneer het om een uitbreiding van een bestaande bedrijvigheid gaat, die gekenmerkt wordt door het bestaan van reeds meerdere en belangrijke bedrijfsgebouwen, niet kan worden gesteld dat een open landschap wordt aangesneden en aangetast (cf. bv. SV/B 4144/4957, M.B. dd. 9 augustus 2000). En terwijl onderhavige aanvraag en de oppervlakte en hoogte van de constructie dan ook door de minister diende beoordeeld te worden in relatie met de reeds bestaande bebouwing op en de constellatie van het terrein, i.p.v. de volledige bebouwing te beoordelen”. Beoordeling
- In zoverre in het tweede middel wordt voorgehouden dat de inrichting van de verzoekster een (para-)agrarische bestemming heeft en bijgevolg thuishoort in het agrarisch gebied, valt het samen met het eerste middel dat hierna wordt beoordeeld.
- In het tweede middel houdt de verzoekster voor dat in het bestreden besluit de nadere aanwijzing in het gewestplan als landschappelijk waardevol gebied niet kon worden ingeroepen tot weigering van de vergunning.
- Artikel 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bepaalt wat volgt : “De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”. Uit deze bepaling volgt dat de toelaatbaarheid van bouwwerken in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden moet worden getoetst op grond van een esthetisch criterium, hetwelk inhoudt dat de bedoelde werken moeten kunnen worden overeengebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap. X-12.958-7/12 Wanneer de vergunningverlenende overheid moet oordelen over een aanvraag tot regularisatie in landschappelijk waardevol gebied, mag ze in haar oordeel over de verenigbaarheid met de schoonheidswaarde van het landschap niet zwichten voor het gewicht van het voldongen feit.
- In het bestreden besluit wordt het volgende overwogen: “(...) Overwegende dat het eigendom gelegen is aan het kruispunt van de Nijvelsebaan en de Margijsbosweg, op circa 3,5 km van het centrum van Huldenberg; dat de Nijvelsebaan een smalle landelijke gemeenteweg is die parallel loopt aan de N253 tussen Huldenberg en Neerijse; dat langs deze weg verspreid vrijstaande woningen voorkomen, gebouwd in uiteenlopende stijlen; dat verder richting Neerijse langs de Nijvelsebaan zich nog een drietal grotere landelijke villa’s bevinden en deze weg verder als half-verharde weg doorloopt; dat de Margijsbosweg een smalle half-verharde weg is die de Nijvelsebaan verbindt met de N253 en door het Margijsbos loopt; dat de toegangsweg tot het domein zich bevindt aan de Margijsbosweg en verhard is met klinkers tot aan de trainin(gs)hal; dat het eigendom op de grens ligt tussen een open licht glooiend landbouwlandschap met verspreide bosfragmenten en het natuurgebied ‘Margijsbos’; dat dit bos volgens de biologische waarderingskaart als zeer waardevol wordt aangeduid; dat op het domein een modernistische woning met een complexe plattegrond aanwezig is; dat de overdekte trainin(gs)hal op circa 50 m van deze woning gelegen is, parallel met de Nijvelsbaan, net op het natuurlijke talud naar het natuurgebied toe; dat achter de trainingshal nog een tennisveld gelegen is; dat aan de andere kant van de Margijsbosweg zich een aantal weides voor paarden bevindt waarvan één grotendeels verhard met kiezels voor een openluchtpiste; Overwegende dat zowel qua omvang (totaal volume inclusief paardenstal bedraagt 8.992,08 m³) als omwille van de inplanting in een waardevol agrarisch gebied, op de grens met het natuurgebied Margijsbos, de aanvraag niet verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; dat de grootschaligheid van de constructie zich niet inpast in de omgeving waarbij de visuele impact ter plaatse en op het aanpalend natuurgebied te bezwarend is; dat er tevens onvoldoende aangetoond wordt dat hier geen onvermijdbare schade aan het natuurgebied wordt aangebracht. (...)”.
- Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening of van de bestaanbaarheid van het bouwproject met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij heeft wel de opdracht aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de overheid de feiten waarop haar beoordeling steunt, correct heeft vastgesteld en of zij op grond van die feiten in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen bouwwerken de schoonheidswaarde van het landschap al dan niet in het gevaar brengen. X-12.958-8/12
- Anders dan de verzoekster voorhoudt is er geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat de vergunningverlenende overheid bij haar esthetische beoordeling het volume van het gebouw waar tegenaan wordt gebouwd, betrekt. De verzoekster betwist niet als dusdanig de vaststelling in het bestreden besluit dat als gevolg van de inplanting van “de overdekte trainin(gs)hal (...) net op het natuurlijke talud naar het natuurgebied toe” “de visuele impact ter plaatse en op het aanpalend natuurgebied te bezwarend is”. Zij beperkt er zich toe te stellen dat de nadere aanwijzing als landschappelijk waardevol gebied niet geldig kan worden ingeroepen tot weigering van de vergunning, “nu de minister in het bestreden besluit met geen woord rept over het feit dat de constructie wegens het uitgesproken reliëf van het terrein volkomen ingebed is in het landschap, en volledig aan het oog onttrokken is”. Dat de minister “met geen woord rept over het feit dat de constructie wegens het uitgesproken reliëf van het terrein volkomen ingebed is in het landschap”, toont niet aan dat de overheid van onjuiste gegevens zou zijn uitgegaan en dat zij niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de bouwwerken niet voldoen aan het esthetisch criterium. Het tweede middel is ongegrond. C. Eerste middel
- In het eerste middel bekritiseert de verzoekster de overwegingen van het bestreden besluit volgens welke haar inrichting niet (para-)agrarisch is en bijgevolg niet thuishoort in het agrarisch gebied van het gewestplan. De hiervoor (randnummer 21) geciteerde overwegingen die in het tweede middel worden bekritiseerd, volstaan om het bestreden weigeringsbesluit te schragen. Hieruit volgt dat de in het eerste middel bekritiseerde overwegingen een overtollig motief van het bestreden besluit uitmaken. Kritiek op een overtollig motief kan niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit leiden. Het eerste middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In het verzoekschrift wordt het volgende vierde middel aangevoerd: X-12.958-9/12 “Vierde middel, genomen uit de schending van artikel 2 van het Coördinatiedecreet van 22 oktober 1996, uit de schending van het KB van 14 september 1955 houdende goedkeuring van het APA van de gemeente Loonbeek, uit de schending van artikel 190, 2e lid DRO van 18 mei 1999, en uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht der bestuurshandelingen. Doordat aan beroepers de bouwvergunning wordt geweigerd op grond van de bestemming van de grond in het gewestplan Leuven als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Terwijl de minister daarbij verkeerdelijk geen rekening houdt met het gegeven dat voor de deelgemeente Loonbeek bij KB van 14 september 1955 een APA werd goedgekeurd dat de grond indeelt in de zogenaamde ‘landbouwzone B’, gebied waarin volgens de bestemmingsvoorschriften van dit APA een constructie zoals deze die door beroepers werd aangevraagd niet uitgesloten is. En terwijl de bestemming als ‘landbouwzone B’ in het APA niet strijdig is met de latere bestemming in het gewestplan als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. En terwijl de minister in de bestreden beslissing minstens een evaluatie diende te maken van de verhouding tussen beide plannen van aanleg, en zich op onjuiste motieven steunt om te motiveren waarom de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan voorrang zouden genieten op deze van het APA. En terwijl immers de minister verkeerdelijk toepassing maakt van art 190, 2/ lid DRO, nu de gemeente Huldenberg niets eens over een plannenregister beschikt, zodat dan ook niet door de minister kan gesteld worden dat het APA hier niet in werd behouden”. Beoordeling
- De verzoekster beperkt er zich toe te beweren dat de betrokken constructie gelegen is binnen de zogenaamde “landbouwzone B” van het bij koninklijk besluit van 14 september 1955 goedgekeurde algemeen plan van aanleg van de gemeente Loonbeek (hierna: het APA), dat dit APA de aangevraagde constructie niet uitsluit en dat de bestemming “landbouwzone B” in het APA niet strijdig is met de latere bestemming in het gewestplan als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De verzoekster laat na aan te geven waarom zij de mening is toegedaan dat de bestemming “landbouwzone B” de gevraagde constructie niet uitsluit. In het arrest nr. 186.618 van 30 september 2008 werd vastgesteld dat blijkens een door de verzoekende partijen neergelegd stuk het APA inzake de bestemming “landbouwzone B” het volgende bepaalt: “Zone voorbehouden aan de landbouwuitbatingen de woonhuizen zullen er slechts kunnen toegelaten worden op eigendommen van minimum 1 ha. X-12.958-10/12 Langsheen de uitgeruste en aangelegde wegen zullen alleenstaande woonhuizen kunnen toegelaten worden op percelen van minstens 20 are hebbend langs deze wegenis een breedte van 20 m. Nijverheidsuitbatingen en inrichtingen welke wezenlijk aan de streek eigen is en grondstoffen gebruiken kunnen er eventueel slechts in zekere gevallen toegelaten worden. Gevallen waarover dient geoordeeld ten overstaan van de schade aan gewassen en karakter van het landschap”. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekster zich, wat de toepassing van het APA betreft, beperkt tot loutere beweringen. Een middel dat zich beperkt tot een loutere bewering of mededeling of het uiten van twijfel, is niet ontvankelijk. Daarenboven diende, gelet op de hiërarchie van de plannen van aanleg, de aanvraag alleszins te voldoen aan de gewestplanvoorschriften. Zoals hiervoor is gebleken volstaan de in het tweede middel bekritiseerde overwegingen (randnummer 21) om het bestreden weigeringsbesluit te schragen. Uit voormelde beweringen van de verzoekster blijkt dan ook niet dat het bestreden besluit op gebrekkige motieven is gesteund. Het vierde middel wordt verworpen. BESLISSING
- De afstand wordt vastgesteld in hoofde van de eerste verzoekende partij.
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, ieder voor de helft. X-12.958-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien mei 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-12.958-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.082 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div