id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.113 Rolnummer: A. 186210/VII-37112 Zaak: Arrest 204113 - Natuurbehoud - Vergunningen - 20/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-31 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:46 Fiche Arrest nr 204.113 van 20 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 204.113 van 20 mei 2010 in de zaak A. 186.210/VII-37.
- In zake: de NV UNIVERSAL RUBBER MANUFACTURING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Blommaert en Jan Ghysels kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te Dendermonde Noordlaan 82-84 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 november 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 september 2007 houdende aanwijzing overeenkomstig artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet) van historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. VII-37.112-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 april
- Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stephane Wyckaert, die loco advocaten Dominique Blommaert en Jan Ghysels verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Patrick Vandendael, die loco advocaat Dirk Abbeloos verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij exploiteert een bedrijf waar rubberen voorwerpen worden vervaardigd. De bedrijfszetel is gevestigd aan de Budasteenweg 26 te Machelen, perceel 425 E
- De eigenlijke bedrijfsactiviteiten gebeuren op het naastgelegen nr. 28, perceel 425/
- Beide percelen worden sinds 1971 gehuurd door de verzoekende partij. 3.
- Uit een oriënterend bodemonderzoek, op beide percelen, uitge- voerd in opdracht van de verzoekende partij blijkt onder meer dat op perceel 425 E 2 een verontreiniging van het grondwater voorkomt en op perceel 425/2 een verontreiniging van grond en grondwater. Er wordt aanbevolen voor beide verontreinigingen een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren. 3.
- Op 11 augustus 2000 laat de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) aan de verzoekende partij weten dat het oriënterend bodemonderzoek niet voldoet en moet worden aangevuld. 3.
- Bij het aanvullen van het oriënterend bodemonderzoek met een verslag van 23 november 2000, besluit de deskundige opnieuw dat een beschrijvend bodemonderzoek nodig is op perceel 425 E 2 en wordt gesteld dat voor perceel VII-37.112-2/6 425/2 geen verder onderzoek nodig is omdat er geen VLAREBO-activiteiten aanwezig zouden zijn. 3.
- Op 6 februari 2001 meldt één van de twee mede-eigenaars aan OVAM het voornemen tot overdracht van beide gehuurde percelen aan de verzoekende partij en voegt bij de melding de verslagen van de bodemonderzoeken. 3.
- Op 7 februari 2001 laat OVAM aan de mede-eigenaar weten van oordeel te zijn dat er ernstige aanwijzingen zijn dat het perceel is aangetast door een historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt. De mede- eigenaar wordt aangemaand een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren en de voorgenomen overdracht kan voorlopig niet doorgaan. 3.
- Op 21 februari 2001 vraagt de mede-eigenaar vrijgesteld te worden van saneringsplicht bij toepassing van artikel 31 van het bodemsaneringsdecreet. 3.
- Op 29 maart 2001 laat OVAM aan de mede-eigenaar weten dat hij, zoals gevraagd, wordt vrijgesteld van saneringsplicht. Op 17 april 2001 laat OVAM aan de verzoekende partij weten van oordeel te zijn dat perceel 425/2 is aangetast door een historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt, dat een beschrijvend bodemonderzoek zich opdringt, dat zal worden voorgesteld de grond aan te wijzen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden en dat de overdracht kan doorgaan. 3.
- Op 8 mei 2001 wordt, onder een opschortende voorwaarde, het perceel 425 E 2 verkocht aan de verzoekende partij. 3.
- Op 16 februari 2007 meldt de mede-eigenaar opnieuw de voorgenomen overdracht van het perceel 425 E 2 aan OVAM en voegt daarbij een nieuw oriënterend bodemonderzoek. 3.
- Op 30 maart 2007 laat OVAM opnieuw weten van oordeel te zijn dat er ernstige aanwijzingen zijn dat het perceel 425 E 2 is aangetast door een historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt. De mede- eigenaar wordt opnieuw aangemaand een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren en opnieuw wordt meegedeeld dat de voorgenomen overdracht voorlopig niet kan doorgaan. VII-37.112-3/6 3.
- Op 25 april 2007 vragen de eigenaars opnieuw om van saneringsplicht te worden vrijgesteld. 3.
- Op 11 juni 2007 laat OVAM opnieuw aan de eigenaars weten dat zij worden vrijgesteld van saneringsplicht. 3.
- Op 3 september 2007 stelt OVAM voor het perceel aan te wijzen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. 3.
- Op 18 september 2007 wijst de bevoegde Vlaamse minister het perceel aan als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 10, §§ 1 en 2, samengelezen met artikel 30, § 2, van het bodemsaneringsdecreet, alsook van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat er op haar vraag nieuwe boringen zijn uitgevoerd op verschillende locaties en dat de daarbij genomen monsters van bodem en grondwater werden geanalyseerd. Uit de vergelijking van de analyses en de boorlocaties zou volgens de verzoekende partij blijken dat de verontreiniging niet tot stand is gekomen op het betrokken perceel zelf, maar er zich van buitenaf op heeft verspreid. De verzoekende partij verwijst naar artikel 10, §§ 1 en 2, van het bodemsaneringsdecreet en stelt dat het bestreden besluit, door het betrokken perceel aan te duiden als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden, niet gebaseerd is op een zorgvuldige en behoorlijke feitenvinding en belangenafweging en tevens niet op afdoende wijze in de feiten gemotiveerd is.
- De verwerende partij antwoordt dat, om een grond aan te duiden als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden, het VII-37.112-4/6 volstaat dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de verontreiniging een ernstige bedreiging vormt. Zij stelt dat dit vastgesteld is in een oriënterend bodemonderzoek en dat deze vaststelling door de verzoekende partij niet betwist wordt. De vraag of de aldus aangeduide grond een bronperceel is of een verspreidingsperceel, is volgens de verwerende partij daarbij van geen belang.
- De verzoekende partij repliceert dat ze wordt behandeld als ware de verontreiniging op het betrokken perceel ontstaan. Beoordeling
- Bij het bestreden besluit wordt een perceel grond aangewezen, bijgevolg geen saneringsplichtige. De vraag op welk perceel de verontreiniging tot stand is gekomen, is geen criterium bij de beoordeling of er ernstige aanwijzingen zijn dat de verontreiniging een ernstige bedreiging vormt. Ook indien de verwerende partij zelf zou hebben aangenomen dat de verontreiniging ontstaan is op een naastgelegen perceel, zou zij artikel 30, § 2, van het bodemsaneringsdecreet niet hebben kunnen schenden op de door de verzoekende partij aangevoerde wijze. Artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet kan immers pas ter sprake komen wanneer OVAM, nadat een grond werd aangewezen bij toepassing van artikel 30, § 2, van het bodemsaneringsdecreet, een saneringsplichtige aanmaant bij toepassing van artikel 31, § 1, van het bodemsaneringsdecreet. Artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet kan niet reeds bij de toepassing van artikel 30, § 2, van het bodemsaneringsdecreet geschonden worden. Geen rekening houden met een irrelevant criterium kan derhalve geen schending inhouden van de formele motiveringsplicht, het zorgvuldigheids- of het redelijkheidsbeginsel. Het enig middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. VII-37.112-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig mei tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.112-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.113 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div