← België

Arrest 204114 - Natuurbehoud - Vergunningen - 20/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.114 Rolnummer: A. 187870/VII-37175 Zaak: Arrest 204114 - Natuurbehoud - Vergunningen - 20/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-31 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:46 Fiche Arrest nr 204.114 van 20 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 204.114 van 20 mei 2010 in de zaak A. 187.870/VII-37.

  1. In zake: de NV STERNA DISTRIBUTION COMPANY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Van Passel kantoor houdend te Antwerpen Frankrijklei 146 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te Avelgem Kasteelstraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: het GEMEENTELIJK HAVENBEDRIJF ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Van Putten kantoor houdend te Antwerpen Bordeauxstraat 14 bij wie woonplaats wordt gekozen Verzoekende partij in tussenkomst: de OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ (OVAM) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 15 april 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 8 oktober 2007 waarbij het beroep tegen de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) van 28 oktober 2003 tot weigering van vrijstelling van saneringsplicht aan het VII-37.175-1/7 Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen, gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt opgeheven. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De verzoekende partij in tussenkomst, OVAM, heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Het verzoek tot tussenkomst is afgewezen bij beschikking van 27 juni
  4. De tussenkomende partij, het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen, heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 februari
  5. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 april
  6. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart De Becker, die loco advocaat Marc Van Passel verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Charlotte Verhaeghe die loco advocaat Filip Vincke verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Eline D'Hooghe, die loco advocaat Wim Van Putten verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-37.175-2/7 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Het betrokken terrein was vroeger in concessie gegeven aan de NV Texaco. De verzoekende partij heeft in 1990 van de NV Texaco de op het terrein aanwezige infrastructuur gekocht, met de bedoeling de concessie over te nemen en op het terrein een opslagplaats te exploiteren. 3.
  9. Tussen de stad Antwerpen en de verzoekende partij ontstond discussie over de precieze bestemming van het terrein en voor de rechtbank van koophandel van Antwerpen is een geschil aanhangig gemaakt over de vraag of er ooit een concessie-overeenkomst tot stand is gekomen. De verzoekende partij beschouwde de maandelijkse betalingen die zij gedurende tien jaar heeft gedaan als vergoedingen voor het ter beschikking houden van het terrein met het oog op een nog overeen te komen concessie. De stad Antwerpen, en later de huidige tussenkomende partij, beschouwden de ontvangen maandelijkse betalingen als een vergoeding voor een mondeling overeengekomen concessie. In een vonnis van 11 februari 2009 oordeelt de twaalfde kamer van de rechtbank van koophandel van Antwerpen dat een concessie-overeenkomst tot stand is gekomen, maar dat deze minstens een einde kende op 20 november
  10. 3.
  11. Eind 1996 laat de verzoekende partij weten definitief geen concessie te willen. De tussenkomende partij antwoordt dat de volgens haar bestaande concessie slechts kan worden beëindigd als het terrein ontruimd en gesaneerd wordt. 3.
  12. De aanwezige gebouwen worden gesloopt en een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd waarvan verslag wordt opgesteld op 27 november
  13. De grond blijkt aangetast te zijn door een historische bodemverontreiniging en de deskundige meent dat er ernstige aanwijzingen zijn dat deze verontreiniging een ernstige bedreiging vormt. De verzoekende partij bezorgt het oriënterend bodemonderzoek op 24 januari 2001 aan OVAM en stelt dat zij de VII-37.175-3/7 grond nooit in concessie heeft gehad, dat er dus geen sprake is van een overdracht en dat OVAM zich voor sanering tot de tussenkomende partij moet richten. 3.
  14. Bij ministerieel besluit van 9 mei 2001 wordt de betroffen grond aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. 3.
  15. Op 22 augustus 2003 maant OVAM de tussenkomende partij aan om als eigenaar van de grond een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren. 3.
  16. De tussenkomende partij laat op 11 september 2003 aan OVAM weten dat zij van oordeel is niet saneringsplichtig te zijn. OVAM verwerpt dit standpunt en bevestigt de aanmaning bij de beroepen beslissing van 28 oktober
  17. De tussenkomende partij tekent administratief beroep aan. 3.
  18. Bij het bestreden besluit van 8 oktober 2007 wordt de door OVAM gedane aanmaning opgeheven omdat wordt geoordeeld dat de tussenkomende partij op voldoende wijze heeft aangetoond niet saneringsplichtig te zijn overeenkomstig artikel 10, §1, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet). IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  19. De verzoekende partij argumenteert in haar verzoekschrift dat zij een rechtstreeks, zeker, actueel en geoorloofd belang heeft. Volgens haar stelt het bestreden besluit dat de eigenaar, de tussenkomende partij, op voldoende wijze aantoont niet saneringsplichtig te zijn, dat de verzoekende partij controle uitoefende over het verontreinigde terrein en wijst het bestreden besluit haar bijgevolg minstens impliciet aan als gebruiker van het terrein. Dit betekent volgens de verzoekende partij dat zij door de bevoegde minister wordt beschouwd als de andere persoon die bij toepassing van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet saneringsplichtig is en dat zij verplicht zal worden om tot bodemsanering over te gaan. VII-37.175-4/7
  20. De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij niet rechtstreeks benadeeld wordt door het bestreden besluit. Zij stelt dat uit de beslissing dat de tussenkomende partij niet saneringsplichtig is, niet onmiddellijk volgt dat de verzoekende partij saneringsplichtig is en dat ten aanzien van de verzoekende partij nu wellicht de gewone procedure moet worden begonnen, met name een ingebrekestelling om een beschrijvend bodemonderzoek te laten uitvoeren. Zij stelt voorts dat bij die gelegenheid de verzoekende partij haar rechten zal kunnen laten gelden. Volgens de verwerende partij is het bestreden besluit een individuele beslissing die enkel gevolgen heeft voor de tussenkomende partij.
  21. De verzoekende partij repliceert dat indien zou worden geoordeeld dat zij niet over het vereiste belang beschikt, het gevaar bestaat dat er twee tegenstrijdige beslissingen bestaan, namelijk één waarin wordt geoordeeld dat zij de feitelijke controle uitoefent over het terrein en één waarin wordt geoordeeld dat zij niet die feitelijke controle uitoefent. Volgens de verzoekende partij bepaalt het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (hierna : bodemdecreet) dat de eigenaar wordt aangesproken als de gebruiker is vrijgesteld van saneringsplicht en dat de eigenaar van het terrein in die laatste hypothese opnieuw moet worden aangemaand door OVAM. Zij stelt dat de eigenaar zich dan kan beroepen op de reeds toegekende vrijstelling van saneringsplicht, wat in tegenspraak zou zijn met een eventuele vrijstelling van saneringsplicht toegekend aan de verzoekende partij. De verzoekende partij besluit dat gebeurlijke tegenstrijdige beslissingen enkel kunnen worden vermeden door haar toe te laten de annulatie van het bestreden besluit na te streven.
  22. De tussenkomende partij stelt geen opmerkingen te hebben over de ontvankelijkheid van het beroep. Uit de uiteenzetting van haar eigen belang blijkt dat zij meent dat het bestreden besluit de verzoekende partij aanwijst als sanerings- plichtige. Beoordeling
  23. Het bestreden besluit is tot stand gekomen bij toepassing van het bodemsaneringsdecreet. Het bestuur beschikt bij de aanwijzing als saneringsplichtige overeenkomstig artikel 10, § 1, van het bodemsaneringsdecreet over geen enkele beleidsvrijheid. Wanneer het bestuur een rechtshandeling stelt, uitgaande van de veronderstelling dat een bepaalde persoon saneringsplichtig is, kan bij het aanvechten van die rechtshandeling wel worden aangevoerd dat die VII-37.175-5/7 veronderstelling feitelijk onjuist is, maar de veronderstelling op zich is geen rechts- handeling en is niet voor vernietiging vatbaar. Bij historische bodemverontreiniging kan men slechts sanerings- plichtig zijn nadat men door OVAM wordt aangemaand om de bodemsanering uit te voeren, bij toepassing van artikel 31, § 1, van het bodemsaneringsdecreet. Die aanmaning moet worden gericht aan diegene die wordt aangewezen overeenkomstig voormeld artikel 10, § 1, van het bodemsaneringsdecreet. Bij het bestreden besluit wordt geoordeeld, na administratief beroep door de tussenkomende partij, dat OVAM zich in de feiten heeft vergist en dat de tussenkomende partij niet saneringsplichtig is overeenkomstig voormeld artikel 10, § 1, van het bodemsaneringsdecreet. Uit deze beslissing volgt niet dat de verzoekende partij saneringsplichtig wordt. Enkel een aanmaning om de bodemsanering uit te voeren zal rechtsgevolgen hebben voor de verzoekende partij. De verzoekende partij heeft geen rechtstreeks belang bij het uit het rechtsverkeer verwijderen van het bestreden besluit. De vernietiging van het bestreden besluit kan niet verhinderen dat OVAM de verzoekende partij gebeurlijk zal aanmanen om de bodemsanering uit te voeren. De verzoekende partij kan hoogstens een onrechtsreeks belang hebben indien op grond van een vernietigingsarrest moet worden aangenomen dat de verzoekende partij niet saneringsplichtig is overeenkomstig artikel 10, § 1, van het bodemsaneringsdecreet. Dergelijk onrechtstreeks belang, niet verbonden aan het uit het rechtsverkeer verwijderen van een rechtshandeling, maar aan het gegrond horen bevinden van een middel of het horen vaststellen van een feit, volstaat echter niet voor een ontvankelijk annulatieberoep. In de door de verzoekende partij uiteengezette hypothetische constructie met twee tegenstrijdige beslissingen, zal zij nog steeds niet saneringsplichtig kunnen zijn als zij niet eerst wordt aangemaand. Het beroep is onontvankelijk bij gebrek aan belang. VII-37.175-6/7 BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt het beroep.
  25. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. De verzoekende partij in tussenkomst wordt verwezen in de kosten van haar verzoek tot tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig mei tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.175-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.114 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.