← België

Arrest 204115 - Milieuvergunningen - 20/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.115 Rolnummer: A. 189685/VII-37258 Zaak: Arrest 204115 - Milieuvergunningen - 20/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-31 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:46 Fiche Arrest nr 204.115 van 20 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 204.115 van 20 mei 2010 in de zaak A. 189.685/VII-37.

  1. In zake: Lucas SNELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Van Wesemael kantoor houdend te Brussel Louizalaan 137, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te Dendermonde Noordlaan 82-84 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 12 september 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 14 juli 2008 waarbij het beroep van Lucas Snels tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 januari 1993, houdende weigering van de vergunning voor de uitbreiding van een landbouwbedrijf, gelegen aan de Princeven 4 te Minderhout-Hoogstraten, zonder voorwerp wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. VII-37.258-1/12 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 april
  4. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mathieu Malfait, die loco advocaat Philippe Van Wesemael verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Patrick Vandendael, die loco advocaat Dirk Abbeloos verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoeker exploiteert een landbouwbedrijf, gelegen aan de Princeven 4 te Minderhout-Hoogstraten. Volgens het gewestplan Turnhout is het bedrijf integraal gelegen in agrarisch gebied. De inrichting bestaat uit meerdere varkensstallen die op verschillende tijdstippen werden gebouwd. 3.
  7. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoogstraten heeft op 11 oktober 1977 een eerste exploitatievergunning verleend voor 600 gespeende varkens en 120 grote zoogdieren. 3.
  8. Wegens de uitbreidingen van het bedrijf, dient de verzoeker in november 1989 bij het provinciebestuur een milieuvergunningsaanvraag in voor het houden van 2.520 varkens en 15 grote zoogdieren (en voor de opslag van 6.116 m³ dierlijke mest, de opslag van 129 ton krachtvoer in silo's en de opslag van twee maal 10.000 liter gasolie in bovengrondse houders). De aanvraag heeft betrekking op de stallen die op het ogenblik van de aanvraag gebouwd waren. VII-37.258-2/12 3.
  9. Op 21 januari 1993 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de vergunning voor de varkens en verleent ze slechts een vergunning voor het houden van 15 runderen. 3.
  10. De verzoeker stelt tegen voormelde beslissing beroep in bij de Vlaamse regering. 3.
  11. Met een ministerieel besluit van 14 mei 1996 wordt het beroep "zonder voorwerp" verklaard om reden dat de documenten en de plannen van de originele aanvraag niet met de bestaande toestand overeenkomen en dat zelfs bepaalde stallen werden afgebroken. 3.
  12. Met het arrest nr. 146.545 van 23 juni 2005 vernietigt de Raad van State het ministerieel besluit van 14 mei
  13. 3.
  14. In het kader van de herneming van de beroepsprocedure worden opnieuw een aantal adviezen uitgebracht : - op 22 augustus 2005 brengt de Vlaamse Landmaatschappij een ongunstig advies uit; - op 23 september 2005 verleent de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen gunstig advies; - op 13 april 2006 brengt de afdeling Milieuvergunningen een ongunstig advies uit. 3.
  15. Op 14 juli 2008 - ruim drie jaar zijn verstreken sinds het vernietigingsarrest van 23 juni 2005 - doet de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur opnieuw uitspraak over het beroep en daarbij komt de minister andermaal tot de conclusie dat het door de verzoeker ingestelde administratief beroep zonder voorwerp is. Deze beslissing, die thans wordt bestreden, steunt op de volgende motieven : "Overwegende dat bij een heroverweging na vernietiging door de Raad van State van het bestreden besluit, de vergunningverlenende overheid verplicht is rekening te houden met de op het ogenblik van de heroverweging geldende reglementering; Overwegende dat het beroep betrekking heeft op het besluit van de deputatie waarbij vergunning wordt verleend, voor een termijn verstrijkend 11 oktober 2007 voor een stal voor 16 grote zoogdieren en waarbij de vergunning wordt geweigerd voor de uitbreiding met een varkensstal voor 2.520 varkens tot een totaal van 3.120 varkens (520 zeugen en 2.600 mestvarkens); dat de exploitant uitsluitend in beroep was gegaan tegen de weigering van de uitbreiding; dat ondertussen deze vergunning (bestreden beslissing) vervallen is op 11 oktober 2007; VII-37.258-3/12 Overwegende dat rekeninghoudend met de nadien (sinds de vergunningsaanvraag in 1989) genomen vergunningbeslissingen van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, het arrest nr. 77.547 van 10 december 1998 van de Raad van State en het later schrijven van 17 juni 2002 van de afdeling Milieuvergunningen met de vermelding dat de exploitant over een stilzwijgende vergunning beschikt, en het feit dat er geen runderen meer werden gehouden sinds 1992 (volgens de Mestbankaangifte voor het aanslagjaar 1993), waardoor in toepassing van artikel 28, §1, 3/ van het milieu- vergunningendecreet de vergunning voor de runderen is vervallen, dat de exploitant nu een vergunning heeft, voor een termijn verstrijkend op 01 september 2011, voor het exploiteren van een varkenshouderij voor 2.590 varkens > 10 weken (402 zeugen en 2.188 andere varkens), 10.722 m³ mestopslag, de opslag van 1 x 8.000 liter en 2 x 10.000 liter en 1 x 200 liter gasolie in bovengrondse houders, een mestverwerkingsinstallatie met een totale capaciteit van 10.200 ton/jaar, en voor een termijn verstrijkend op 01 januari 2019 voor het exploiteren van een grondwaterwinning categorie A met een maximum opgepompt debiet van 20 m³/dag en 7.300 m³/jaar; Overwegende dat momenteel door de exploitant een nieuwe milieuvergunningsaanvraag wordt opgesteld voor de uitbreiding van de bestaande inrichting; dat dit gepaard gaat met het opstellen van een milieueffectenrapport; dat deze aanvraag eertijds zal ingediend worden". 3.
  16. Voor de beoordeling van de zaak is het van belang erop te wijzen dat de verzoeker in 1990 op grond van het toenmalige artikel 25 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (hierna : ARAB) aangifte heeft gedaan van de exploitatie van een gemengde veeteeltinrichting bestaande uit 135 grote zoogdieren en 3.120 gespeende varkens. Op 17 februari 1994 heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen gedeeltelijk akte genomen van deze aangifte. De aktename, geldend als vergunning, heeft meer bepaald betrekking op stallen voor 1.000 gespeende varkens, de opslag van 4.654 m3 dierlijke mest, elektromotoren met een gezamenlijk vermogen van 27,4 kW en stallen voor 120 grote zoogdieren. In het beschikkend gedeelte van het aktenemingsbesluit wordt gepreciseerd dat de 1.000 gespeende varkens en de 120 grote zoogdieren, waarvan akte wordt genomen, de op 11 oktober 1977 "ten onrechte" door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoogstraten vergunde 600 gespeende varkens en 120 grote zoogdieren omvatten. 3.
  17. Voorts dient te worden vermeld dat de verzoeker in april 1992 een milieuvergunningsaanvraag heeft ingediend voor de uitbreiding van de inrichting met 1.590 varkens, waarvan 402 zeugen. Die aanvraag heeft betrekking op veestallen die na 1989 werden gebouwd. Op 30 juli 1992 heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning om een gemengde veehouderij met stallen voor 135 stuks vee, 3.120 varkens + zeugen en 2.250 biggen jonger dan tien weken te veranderen door uitbreiding met een stal voor VII-37.258-4/12 1.590 varkens (waaronder 402 zeugen) en 1.320 biggen jonger dan tien weken, geweigerd. De weigeringsbeslissing is in beroep bevestigd bij besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting van 2 april
  18. Met het arrest nr. 77.547 van 10 december 1998 is het ministerieel besluit van 2 april 1993 evenwel vernietigd. Uit de aanhef van het thans bestreden besluit blijkt dat de afdeling Milieuvergunningen met een brief van 17 juni 2002 aan de raadsman van de verzoeker heeft meegedeeld dat het administratief beroep tegen het deputatiebesluit van 30 juli 1992 niet opnieuw werd onderzocht en behandeld, waardoor in toepassing van artikel 25, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning de vergunning geacht moet worden te zijn verkregen en dat de exploitant bijgevolg beschikt over een stilzwijgende vergunning voor het veranderen door uitbreiding van een varkensfokkerij met een stal voor 1.590 varkens (waarvan 402 zeugen) en 1.320 biggen van minder dan tien weken. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  19. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat de verzoeker geen voordeel kan halen uit een gebeurlijke nietigverklaring van het bestreden besluit, omdat de beoogde uitbreiding geënt is op een basisvergunning, verleend op 11 oktober 1977 waarvan de geldigheidsduur is verstreken op 11 oktober 2007, zodat de vergunningsaanvraag, op grond van het principe verwoord in artikel 30, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), ook na een vernietigingsarrest zou moeten worden afgewezen bij gebrek aan voorwerp.
  20. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat de exceptie vertrekt van een verkeerde premisse, dat hij namelijk op 17 februari 1994 bij wege van aktename vergunning heeft verkregen voor het houden van 1.000 varkens en 120 grote zoogdieren, dat deze aktename geldend als vergunning pas verstrijkt op 1 september 2011 en de op 11 oktober 1977 verleende vergunning omvat, dat laatstvermelde vergunning derhalve uit het rechtsverkeer is verdwenen en vervangen is door een nieuwe basisvergunning die geldig is tot 1 september 2011 en dat de gevraagde uitbreiding gekoppeld is aan de nieuwe basisvergunning van 17 februari
  21. VII-37.258-5/12
  22. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat de vergunning van 11 oktober 1977 beschouwd dient te worden als basisvergunning voor de exploitatie van de inrichting, dat deze vergunning niet uit het rechtsverkeer is verdwenen, dat het latere aktenemingsbesluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 17 februari 1994 onmogelijk in de plaats kan komen van een vroeger verleende vergunning, dat artikel 2 van voormeld besluit van 17 februari 1994 enkel beoogt uit te sluiten dat de exploitant tegelijk gebruik zou maken van beide beslissingen omtrent de uitbating, dat er geen juridische grondslag bestaat voor de stelling dat de aktename van 17 februari 1994 het vroegere besluit van 11 oktober 1977 heeft geïncorporeerd en dat, zelfs indien er van incorporatie van het vergunde aantal dieren sprake zou zijn, zulks in elk geval niet opgaat voor de oorspronkelijke vergunningstermijn tot 11 oktober 2007 die ongewijzigd is gebleven. Beoordeling
  23. De exceptie raakt de grond van de zaak. In het eerste middel betwist de verzoeker precies dat zijn administratief beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 januari 1993 bij gebrek aan voorwerp moest worden afgewezen. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
  24. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, van artikel 10, eerste lid, van het ARAB, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State nr. 146.545 van 23 juni
  25. Tevens voert de verzoeker machtsoverschrijding aan en stelt hij dat het bestreden besluit de rechtens vereiste feitelijke grondslag ontbeert. VII-37.258-6/12 De verzoeker zet het volgende uiteen : "Doordat een administratief beroep van beroeper, strekkende tot het bekomen van een exploitatievergunning, door de minister 'zonder voorwerp' verklaard wordt. Terwijl beroeper er het raden naar heeft op basis van welke redenering of regelgeving de minister tot deze conclusie komt. En terwijl noch het feit dat beroeper na de tussenkomst van een vernietigingsarrest van de Raad van State een stilzwijgende milieuvergunning heeft bekomen voor het exploiteren van 1.590 varkens waarvan 402 zeugen, noch het feit dat sinds 1992 geen runderen meer op het bedrijf worden gehouden en de vergunning hiervoor dienvolgens is vervallen, noch het feit dat beroeper in 2004 een exploitatievergunning heeft bekomen voor het uitbaten van een mestverwerkingsinstallatie, noch de overweging 'dat momenteel door de exploitant een nieuwe milieuvergunningsaanvraag wordt opgesteld voor de uitbreiding van de bestaande inrichting' uiteraard enige invloed hebben op de behandeling van de aanvraag, ingediend in november
  26. En terwijl de aanvraag anno 1989 uiteraard slaat op de toen bestaande stallen, opgetrokken tussen 1970 en 1989 (stallen 3 en 4, stal 1, stal 6, stal 7 en stallen 2 en 5, cf. supra onder de voorgaanden), en de stilzwijgende vergunning voor 1.590 varkens waarvan 402 zeugen, ingediend in april 1992, op de stallen die werden bijgebouwd na het indienen van de ARAB-aanvraag in november 1989 (stallen 8 en 9). En terwijl deze beide aanvragen dan ook volledig los staan van elkaar en elkaar aanvullen en de stilzwijgende milieuvergunning uiteraard geen uitstaans heeft met de behandeling van het administratief beroep inzake de aanvraag ingediend in november
  27. En terwijl de minister bij het nemen van de bestreden beslissing dan ook bijzonder onzorgvuldig en onredelijk is te werk gegaan, door uit de verwijzing naar de stilzwijgende milieuvergunning op het bedrijf meteen af te leiden dat het indertijd ingestelde administratief beroep tegen de weigering van de uitbreiding met 2.025 varkens En terwijl het motief waarop de minister zich steunt des te meer klemt, wanneer men overweegt dat noch beroeper, noch de minister zelf, n.a.v. de administratieve procedure die heeft geleid tot het Ministerieel Besluit dd. 10 juni 1996, vernietigd bij arrest nr. 146.545 van 23 juni 2005, ooit heeft gesteld dat deze aanvraag tot uitbreiding samenviel met de aanvraag tot uitbreiding uit april
  28. En terwijl ook het verval van de vergunning voor de 15 runderen er evenmin aan in de weg staat dat de aanvraag door de minister alsnog kan worden behandeld, nu deze overigens zelf stelt dat het eertijds ingediende administratief beroep expliciet was beperkt tot de weigering van de uitbreiding met 2.520 varkens. En terwijl zodoende deze vergunning nooit is verleend, zodat deze ook niet, zoals verkeerdelijk door de minister wordt beweerd, kan vervallen. En terwijl immers bij het inwilligen van het administratief beroep de minister geenszins gebonden is aan de eertijds verleende termijn voor het exploiteren van de 15 runderen die is vervallen op 11 oktober
  29. En terwijl de devolutieve werking van het beroep impliceert dat de beroepsinstantie de vergunningsaanvraag waarop het beroep betrekking heeft zowel wat de legaliteit als de opportuniteit betreft terug onderzoekt (cf. o.m. R.v.St., Van De Voorde, nr. 102.580 van 17 januari 2002). En terwijl deze overweging van de minister des te meer klemt, nu deze overweging zijn oorsprong vindt in het eigen verzuim van de minister om binnen een redelijke termijn uitspraak te doen over het dossier van beroeper (de brief waarbij het nieuwe onderzoek van de aanvraag na de tussenkomst van het VII-37.258-7/12 arrest van de Raad van State werd aangekondigd dateert van 19 juli 2005, zodat de minister er ruim drie jaar heeft overgedaan om het beroep 'zonder voorwerp' te verklaren). En terwijl de minister daarbij uiteraard ook rekening had moeten houden met het gestelde in het arrest nr. (...) 146.545 van 23 juni 2005 van de Raad van State. En terwijl de minister echter niet alleen heeft nagelaten dit te doen, maar in het geheel geen enkel onderzoek heeft gevoerd naar de grond van het administratief beroep en de aanvraag van beroeper. En terwijl tenslotte ook de overweging dat beroeper 'eertijds' een nieuwe aanvraag tot uitbreiding zal indienen, evenmin invloed heeft op de behandeling van onderhavige aanvraag. En terwijl beroeper immers op generlei wijze afstand heeft gedaan van het administratief beroep ingesteld op 15 maart 1993 en het de minister geenszins toekomt dit in de plaats van beroeper te doen. En terwijl dan ook niet anders kan worden vastgesteld dan dat de minister de in het middel aangehaalde bepalingen heeft geschonden".
  30. De verwerende partij antwoordt dat de tenuitvoerlegging van de beroepen beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 januari 1993 niet werd geschorst door het instellen van het administratief beroep door de verzoeker, dat de geldigheidstermijn van voormelde vergunning inmiddels is verstreken, dat de verzoeker in zijn beroepschrift geen betwisting heeft gevoerd omtrent de in eerste aanleg verleende vergunningstermijn, dat zelfs de integrale inwilliging van het beroep van de verzoeker geen enkel rechtsgevolg zou teweegbrengen omdat de termijn van de door het beroep bestreden vergunning is verstreken op 11 oktober 2007 en dat voormelde einddatum geenszins willekeurig is aangezien de vergunning voor de verandering van een bestaande inrichting slechts kan worden verleend voor een bepaalde duur die de einddatum van de lopende vergunning niet mag overschrijden.
  31. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 januari 1993 slechts vergunning heeft verleend voor 15 runderen, dat het verval van de vergunning voor het houden van 15 runderen totaal irrelevant is nu reeds sinds 1992 geen runderen worden gehouden op het bedrijf en dat een beslissing houdende weigering van een vergunning niet kan vervallen.
  32. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat de exploitatievergunning van 11 oktober 1977 de basisvergunning vormt, dat een op die vergunning geënte uitbreiding van de inrichting slechts kan gelden tot 11 oktober 2007, zodat zij bij het nemen van het thans bestreden besluit geen andere keuze had dan het administratief beroep van de verzoeker af te wijzen bij gebrek aan voorwerp. VII-37.258-8/12 Beoordeling
  33. Luidens de motivering van het bestreden besluit steunt het zonder voorwerp verklaren van het beroep van de verzoeker onder meer op de vaststelling dat het beroep betrekking heeft op een vergunningsbesluit waarvan de geldigheidstermijn is verstreken op 11 oktober
  34. Het administratief beroep van de verzoeker is gericht tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 januari 1993 waarbij zijn vergunningsaanvraag van november 1989 gedeeltelijk wordt ingewilligd en slechts vergunning wordt verleend voor de uitbreiding van de inrichting met een stal voor 15 grote zoogdieren en aanhorigheden. Voormelde vergunning werd verleend voor een termijn tot 11 oktober 2007 en de geldigheidsduur ervan valt aldus samen met de op 11 oktober 1977 verleende exploitatievergunning voor het houden van 600 gespeende varkens en 120 grote zoogdieren. Met betrekking tot dezelfde inrichting heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen evenwel op 17 februari 1994 akte genomen, geldend als vergunning, van de exploitatie van een landbouwbedrijf omvattende stallen voor 1.000 gespeende varkens en 120 grote zoogdieren. Artikel 2 van het voornoemde besluit van 17 februari 1994 bepaalt het volgende : "De 1000 gespeende varkens en 120 grote zoogdieren waarvan akte genomen wordt omvatten de op 11 oktober 1977 ten onrechte door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Hoogstraten vergunde 600 gespeende varkens en 120 grote zoogdieren". De motivering van voormelde beslissing verduidelijkt : "Overwegende dat het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Hoogstraten geen milieuvergunning diende te verlenen aan dit bedrijf voor het houden van 1000 of minder gespeende varkens of voor het houden van 500 of minder grote zoogdieren in agrarisch gebied vóór 3 april 1990 omdat dergelijke vee- en varkensbedrijven toen onder bepaalde voorwaarden, voorwaarden waar het bedrijf van de heer Snels aan voldoet, niet tweede klas vergunningsplichtig waren". VII-37.258-9/12 Uit wat voorafgaat blijkt dat het bestuur van oordeel was dat de inrichting van de verzoeker niet vergunningsplichtig was op het ogenblik dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoogstraten bij besluit van 11 oktober 1977 vergunning verleende voor het houden van 600 varkens en 120 runderen. Aangezien de basisvergunning van een inrichting principieel niet gesitueerd kan zijn op een ogenblik dat de inrichting niet aan de vergunningsplicht is onderworpen en mede rekening houdend met het feit dat de "ten onrechte" vergunde dieren volledig geïncorporeerd werden in het latere aktenemingsbesluit van 17 februari 1994, moet te dezen aangenomen worden dat voormeld besluit van 17 februari 1994 de basisvergunning voor de inrichting vormt en dat de thans in het geding zijnde uitbreidingsaanvraag geacht moet worden daarop betrekking te hebben. Blijkens de aanhef van het thans bestreden besluit geldt het aktenemingsbesluit van 17 februari 1994 als vergunning tot 1 september
  35. Derhalve kon de verwerende partij niet op goede gronden concluderen dat het administratief beroep betrekking heeft op een vergunning die "vervallen is op 11 oktober 2007".
  36. Het feit dat de verzoeker een beperkt administratief beroep heeft ingesteld, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Het administratief beroep van de verzoeker tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 januari 1993 is, blijkens de bewoordingen van het beroepschrift, uitdrukkelijk beperkt "in zoverre deze hem de exploitatievergunning weigert voor 2.250 varkens, de opslag van 5.146 m3 mest en de opslag van 116 ton krachtvoeder in silo’s, en in zoverre deze hem zekere exploitatievoorwaarden oplegt". Op het ogenblik van het instellen van het beroep bestond enkel de "basisvergunning" van 11 oktober 1977 die geldig was tot 11 oktober 2007 zodat een op die vergunning geënte aanvraag tot uitbreiding maximaal verleend kon worden voor een termijn samenvallend met deze van de lopende basisvergunning. Het kan de verzoeker niet ten kwade worden geduid dat zijn beroep niet mede gericht was tegen de toegekende vergunningstermijn die in de gegeven omstandigheden de maximaal mogelijke was.
  37. De vergunningsaanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid, heeft betrekking op varkensstallen die gebouwd zijn vóór 1990, terwijl de vergunningsaanvraag tot uitbreiding met 1.590 varkens, die in 1992 werd ingediend, betrekking had op twee stallen die in 1990 werden opgericht. Beide aanvragen staan volledig los van elkaar, zodat het - na een annulatiearrest - stilzwijgend inwilligen van de in 1992 ingediende aanvraag niet van invloed is op het voorwerp van de vergunningsaanvraag die de inzet vormt van voorliggend geding. VII-37.258-10/12
  38. De omstandigheid dat de verzoeker een nieuwe milieuvergunningsaanvraag voor de uitbreiding van de inrichting zou voorbereiden, vormt geen deugdelijk motief om een hangend administratief beroep als doelloos af te wijzen. De vergunningverlenende overheid kan immers niet anticiperen op het voorwerp van een nog niet ingediende, en dus toekomstige, vergunningsaanvraag. Bovendien legt de verwerende partij geen enkel gegeven voor op grond waarvan zij met absolute zekerheid zou hebben kunnen besluiten dat de verzoeker inmiddels afstand heeft gedaan van de in november 1989 ingediende vergunningsaanvraag die aan de basis ligt van voorliggend geding.
  39. Het eerste middel is gegrond.
  40. Uit het gegrond bevinden van het eerste middel volgt dat de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie feitelijke grondslag mist en derhalve moet worden verworpen. BESLISSING
  41. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 14 juli 2008 waarbij het beroep van Lucas Snels tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 januari 1993, houdende weigering van de vergunning voor de uitbreiding van een landbouwbedrijf, gelegen aan de Princeven 4 te Minderhout-Hoogstraten, zonder voorwerp wordt verklaard.
  42. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  43. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. VII-37.258-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig mei tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.258-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.115 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.