id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.168 Rolnummer: A. 171601/VII-37691 Zaak: Arrest 204168 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 20/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-31 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:46 Fiche Arrest nr 204.168 van 20 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 204.168 van 20 mei 2010 in de zaak A. 171.601/VII-37.
- In zake:
- Paul BROWAEYS
- Maria MARCHAND bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martin Denys kantoor houdend te Hoeilaart de Quirinilaan 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bergé kantoor houdend te Leuven Naamsestraat 165 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 maart 2006, strekt tot de nietigverklaring van het ministerieel besluit van 20 december 2005 houdende machtiging van de Vlaamse Landmaatschappij tot verwerving en hoogdringende onteigening ten algemene nutte van onroerende goederen gelegen te Gavere, bestemd voor de uitvoering van het inrichtingsplan Gaverse Scheldemeersen van het pilootlandinrichtingsproject Leie en Schelde. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. VII-37.691-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 april
- Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Martin Denys, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Justin Simenon, die loco advocaat Jan Bergé verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoekende partijen zijn eigenaars van een aantal onroerende goederen in de Scheldemeersen, rond hun woning te Meilegem. Deze percelen zijn gelegen in het binnengebied Leiegracht.
- Bij besluit van de Vlaamse regering van 26 oktober 1994 wordt het zogenaamde pilootlandinrichtingsproject Leie en Schelde afgebakend en worden de uitgangsdoelstellingen omschreven.
- Op 30 juni 1998 keurt de Vlaamse regering het richtplan van dit project goed.
- In het kader van dit landinrichtingsproject wordt het inrichtingsplan Gaverse Scheldemeersen opgemaakt en meegedeeld aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Gavere, die een openbaar onderzoek organiseert.
- Na overwegend gunstige adviezen van de gemeenteraad van Gavere en van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen keurt de Vlaamse regering met een ministerieel besluit van 22 april 2002 het inrichtingsplan goed. VII-37.691-2/6
- Op 20 december 2005 wordt het thans bestreden ministerieel besluit genomen. Aan de Vlaamse Landmaatschappij wordt machtiging verleend tot verwerving en hoogdringende onteigening ten algemenen nutte van onroerende goederen gelegen te Gavere, bestemd voor de uitvoering van het inrichtingsplan Gaverse Scheldemeersen van het pilootlandinrichtingsproject Leie en Schelde. Dit is het bestreden besluit. Bij dit besluit horen zes plannen. Plan 6 heeft betrekking op eigendommen van de verzoekende partijen gelegen te Gavere, afdeling 5, sectie B, nrs. 755c (bouwland), 755a (hooiland), 753/02b (bouwland), 754a (weiland), 753b (weiland), 752a (hooiland), 1725e (hooiland) en 751a (weiland).
- Dit besluit wordt bij uittreksel bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 januari 2006 en op 3 maart 2006 bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan de verzoekende partijen. IV. De ontvankelijkheid
- Zoals de verwerende partij terecht stelt hebben de verzoekende partijen slechts belang bij de nietigverklaring van het bestreden besluit voor zover dit besluit betrekking heeft op gronden waarvan zij eigenaars zijn. Het beroep is dan ook slechts ontvankelijk in de mate dat het betrekking heeft op de onteigening van die gronden. V. Onderzoek van het eerste middel, tweede onderdeel 12.
- De verzoekende partijen voeren in het tweede onderdeel van hun eerste middel onder meer de schending aan van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte (hierna: wet van 26 juli 1962). Zij betogen daarbij in essentie dat uit het bestreden besluit onvoldoende de vereiste hoogdringendheid blijkt, "gegeven het voorhanden zijn van mogelijke alternatieven", dat er nergens in wordt uitgelegd waarom het pilootinrichtingsproject dat reeds bij ministerieel besluit van 22 april 2002 werd goedgekeurd precies nu doorgang zou moeten vinden, en dat de wet van 26 juli 1962, volgens haar artikel 1, enkel van toepassing kan zijn wanneer het openbaar nut de onmiddellijke inbezitneming vordert van privé-eigendom. Volgens de verzoekende partijen blijkt voorts nergens uit de feiten of uit de houding VII-37.691-3/6 van de Vlaamse Landmaatschappij dat de onmiddellijke inbezitneming van de in het bestreden besluit betrokken percelen onontbeerlijk is voor het openbaar nut. 12.
- De verwerende partij repliceert dat het begrip hoogdringendheid ruim moet worden opgevat, dat "dient te worden gekeken naar de huidige hoogdringendheid, niettegenstaande het feit dat de procedure al een hele tijd loopt", en dat het feit dat het ministerieel besluit reeds dateert van 22 april 2002 onvoldoende is om te bewijzen dat de inbezitneming van de gronden nu niet meer dringend is. Zij voegt er aan toe dat het bestreden besluit werd genomen om te vermijden dat het inrichtingsplan slechts in fasen kan worden gerealiseerd. 12.
- De verzoekende partijen voegen in hun memorie van wederantwoord nog toe dat het bestreden besluit geen enkel concreet feit inroept om te rechtvaardigen dat van de ene dag op de andere werken moeten worden uitgevoerd die een onduldbare toestand zouden moeten beëindigen. 12.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid en te oordelen of het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming van de te onteigenen goederen vereist, maar dat hij enkel bevoegd is om in de uitoefening van het wettigheidstoezicht na te gaan of de feiten waarop de overheid steunt reëel zijn en of de beoordeling van de dringende noodzakelijkheid niet tegen alle redelijkheid ingaat. De verwerende partij verwijst ook naar rechtspraak van de Raad van State waarin wordt gesteld dat de procedure bij hoogdringendheid de facto de gewone procedure is geworden zodat geen al te hoge eisen kunnen worden gesteld. Voorts overloopt de verwerende partij de vijf in het auditoraatsverslag aangehaalde motieven van het bestreden besluit. Zij stelt dat die motieven niet kennelijk onredelijk zijn en dat zij afdoende zijn. VII-37.691-4/6 Beoordeling
- Hoewel de onteigenende overheid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt wat betreft de hoogdringendheid van de onteigening mag de Raad van State controleren of die hoogdringendheid wel voorhanden is, wat impliceert dat deze voldoende aannemelijk moet zijn gemaakt. Uit de aanhef van het bestreden besluit en uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de hoogdringendheid volgens de verwerende partij op volgende redenen berust: - de beoogde natuur- en landschapsdoelstellingen mogen niet worden gehypothekeerd door autonome evoluties; - er dient voldaan aan de behoefte van veilige recreatieve en functionele verbindingen voor niet gemotoriseerd verkeer (fietsers en wandelaars); - er dient vermeden dat het inrichtingsplan slechts in fasen kan worden gerealiseerd; - de inrichtingsmaatregelen moeten kunnen worden aangevat in 2006; - indien de gewone onteigeningsprocedure wordt gevolgd zou het project onredelijk veel vertraging oplopen. De eerste drie motieven zijn te theoretisch, vaag en te algemeen en onvoldoende met concrete elementen gestaafd. Zij kunnen bijgevolg de ingeroepen hoogdringendheid niet deugdelijk verantwoorden. Het vierde motief wordt tegengesproken door de feiten, aangezien de overheid de gerechtelijke onteigeningsprocedure niet heeft aangevat. Het motief dat, indien de gewone onteigeningsprocedure wordt gevolgd het project onredelijk veel vertraging zou oplopen, is een loutere affirmatie die als zodanig niets bijbrengt over de reden waarom de inbezitneming dringend is. De bewering dat de procedure bij hoogdringendheid de facto de gewone procedure is geworden zodat geen al te hoge eisen kunnen worden gesteld aan de motivering van de hoogdringendheid weegt niet op tegen de op de overheid wegende verplichting om haar bestuurshandelingen op afdoende wijze te motiveren en om aannemelijk te maken dat de door haar ingeroepen omstandigheden, die haar optreden verantwoorden, in werkelijkheid ook bestaan. Dit is, zoals reeds gesteld, te dezen niet het geval. Het tweede onderdeel van het eerste middel is gegrond. VII-37.691-5/6 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het ministerieel besluit van 20 december 2005 houdende machtiging van de Vlaamse Landmaatschappij tot verwerving en hoogdringende onteigening ten algemene nutte van onroerende goederen gelegen te Gavere, bestemd voor de uitvoering van het inrichtingsplan Gaverse Scheldemeersen van het pilootlandinrichtingsproject Leie en Schelde, in zoverre het betrekking heeft op de volgende percelen : - Gavere, afdeling 5, Sectie B, nr. 755c - Gavere, afdeling 5, Sectie B, nr. 755a - Gavere, afdeling 5, Sectie B, nr. 753/02b - Gavere, afdeling 5, Sectie B, nr. 754a - Gavere, afdeling 5, Sectie B, nr. 753b - Gavere, afdeling 5, Sectie B, nr. 752a - Gavere, afdeling 5, Sectie B, nr. 1725e - Gavere, afdeling 5, Sectie B, nr. 751a
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig mei tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Luc Hellin VII-37.691-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.168 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div