← België

Arrest 204183 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 20/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.183 Rolnummer: Zaak: Arrest 204183 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 20/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-28 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:46 Fiche Arrest nr 204.183 van 20 mei 2010 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 204.183 van 20 mei 2010 in de zaken I. A. 87.866/IX-2064 II. A. 87.968/IX-2065 In zake: I. + II. Fabrice DELAHAYE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Geert Van Grieken en Nicolas Houssiau kantoor houdend te Brussel Vossendreef 4 bus 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: I. + II. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen

  1. Het beroep, ingesteld op 12 november 1999, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Landsverdediging van 1 oktober 1999 waarbij de aanvraag van Fabrice Delahaye tot het verkrijgen van een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking - tijdelijk regime met ingang van 1 oktober 1999 wordt geweigerd (zaak A. 87.866/IX-2064). Het beroep, ingesteld op 20 november 1999, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Landsverdediging van 1 oktober 1999 waarbij de aanvraag van Fabrice Delahaye tot vrijwillig ontslag met ingang van 1 oktober 1999 wordt geweigerd (zaak A. 87.968/IX-2065). IX-2064-1/39 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 116.003 van 17 februari 2003 is beslist tot de heropening van de debatten. Eerste auditeur-afdelingshoofd Raf Aertgeerts heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 maart
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Simon Menschaert, die loco advocaten Geert Van Grieken en Nicolas Houssiau verschijnt voor de verzoeker, en luitenant-kolonel militair administrateur Arnaud De Decker, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Raf Aertgeerts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker treedt op 24 december 1985 in dienst van de Krijgs- macht als leerling van de Koninklijke Kadettenschool. In 1987 wordt hij kandidaat- beroepsofficier bij de Luchtmacht en zet hij zijn studies voort aan de Koninklijke Militaire School. Op 25 september 1989 wordt hij opgenomen in het varend personeel van de Luchtmacht, waar hij met ingang van 26 september 1993 tot luitenant-vlieger wordt benoemd. IX-2064-2/39 3.
  6. Op 9 september 1998 staat de minister van Landsverdediging aan de verzoeker een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden (hierna ook: TAPA) toe voor de duur van twaalf maanden met ingang van 1 oktober
  7. 3.
  8. Op 8 juni 1999 vraagt de verzoeker zijn ontslag uit het kader der beroepsofficieren met ingang van 1 oktober
  9. Als motief vermeldt hij: “werk in de burgersector”. Op 10 augustus 1999 vraagt de verzoeker, op grond van hetzelfde motief en subsidiair aan zijn ontslagaanvraag, om een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking - tijdelijk regime (hierna: TALO-T) te verkrijgen vanaf 1 oktober
  10. 3.
  11. Op 1 oktober 1999 beslist de minister van Landsverdediging de beide aanvragen van de verzoeker te weigeren. De beslissing tot weigering van het aangevraagde ontslag is als volgt gemotiveerd: “Motivering in rechte: Artikel 21 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren. Motivering in feite: Uit de lezing van het geciteerde artikel volgt dat het bekomen van een ontslag geen absoluut recht is, maar onderworpen is aan een beoordeling van de minister, die het individueel belang moet afwegen tegenover het algemeen belang. Bij mijn beoordeling heb ik mij laten leiden door de door u gekende beheersregel vervat in de instructie SGP/AFDAN-216C van 15 maart 1989 waarin het volgende gesteld wordt: ‘Behoudens uitzonderlijke gevallen is de aanvraag tot ontslag van de BO en GO niet in tegenstelling met de belangen van de dienst en zal dergelijke aanvraag dus gunstig ontvangen worden door de heer Minister van Landsverdediging op voorwaarde dat de officier gedurende een periode gelijk aan 1,5 maal zijn vormingsduur op kosten van het leger één (of meerdere) functie(s) bekleed heeft die voorzien is (zijn) in de organieke tabellen’. Bij toepassing van deze beheersregel voldoet u pas aan de rende- mentsvoorwaarden op 1 juli
  12. Het dienstbelang verzet er zich tegen dat uw ontslag toegestaan wordt vooraleer u het vereiste rendement volbracht heeft. Na de specifieke vormingen die u gekregen heeft op kosten van het Ministerie van Landsverdediging, en rekening houdend met de noodzaak aan gevormd personeel met een zekere ervaring, kon en kan de krijgsmacht immers de rechtmatige verwachting koesteren dat u minstens tot na het voleindigen van de rendementsperiode in dienst blijft. De krijgsmacht heeft met deze rechtmatige verwachting rekening gehouden bij de vaststelling van het aantal militairen die in aanmerking IX-2064-3/39 kwamen voor het volgen van dezelfde vorming die u destijds gevolgd heeft. Uw vroegtijdig ontslag druist bijgevolg in tegen het dienstbelang. Om deze redenen kan ik, tot mijn spijt, geen gunstig gevolg geven aan uw aanvraag tot ontslag.” Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 87.968/IX-
  13. De beslissing tot weigering van de aangevraagde TALO-T vermeldt de volgende motivering: “Motivering in rechte: Artikel 20 § 2 van het KB van 24 juli 1997 betreffende o.m. de loopbaanonderbreking. Artikel 15bis § 1 van de wet van 01 maart 1958 betreffende het statuut van de officieren. Motivering in feite: Uit de samenlezing van de twee geciteerde artikelen volgt dat het bekomen van een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk stelsel) geen absoluut recht is, maar onderworpen is aan een beoordeling van de minister, die in redelijkheid het individueel belang kan afwegen tegenover het algemeen belang. De encadreringssituatie in de categorie der lagere officieren ingenieurs is precair. Ten gevolge van de rekruteringsbeperkingen en de duur van de vereiste vorming voor een beroepsofficier, is het bovendien onmogelijk op korte termijn de actueel openstaande functies op te vullen. Tevens wens ik er u op te wijzen dat de loopbaanonderbreking is ingevoerd om het personeelsovertal weg te werken, hetgeen in uw categorie niet meer het geval is. Derhalve kan ik, tot mijn spijt, niet ingaan op uw aanvraag.” Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 87.866/IX-
  14. IV. Zaak A. 87.866/IX-2064 A. Ontvankelijkheid van het beroep
  15. In de genoemde zaak vordert de verzoeker de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Landsverdediging van 1 oktober 1999 waarbij zijn aanvraag tot het verkrijgen van een TALO-T wordt geweigerd. Op het ogenblik van zijn aanvraag van een TALO-T op 10 augustus 1999 genoot de verzoeker een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden, waardoor hij zich in de stand “non-activiteit” bevond. IX-2064-4/39 Krachtens artikel 20, § 1, eerste lid, van de wet van 25 mei 2000 tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (hierna: de wet van 25 mei 2000), kan een beroepsofficier slechts een TALO-T verkrijgen onder de voorwaarde, onder meer, dat hij in werkelijke dienst is op het ogenblik dat hij zijn aanvraag indient. De bedoelde wetsbepaling heeft uitwerking met ingang van 20 augustus
  16. De vraag of de verzoeker in de gegeven omstandigheden over het rechtens vereiste belang bij zijn beroep beschikt, vermits ook na een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing, zijn aanvraag op grond van de voormelde wetsbepaling lijkt te moeten worden afgewezen, kan buiten beschouwing worden gelaten, vermits hierna zal blijken dat de middelen die door de verzoeker tegen de bestreden beslissing worden aangevoerd, hoe dan ook ongegrond zijn. B. Onderzoek van de middelen Standpunt van de partijen a. Eerste middel
  17. De verzoeker voert in een eerste onderdeel van het middel de schending aan van “het recht op verdediging en van het recht om zijn verweer te laten gelden en om gehoord te worden, evenals de schending van artikel 121 (voormalig artikel 107) van het Reglement A8 en van de noten

(6)en
(7)van het actuele Model B”. In een tweede onderdeel van het middel voert hij de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, alsook “machtsoverschrijding”. De verzoeker zet dit middel als volgt uiteen: “Verzoeker heeft enkel een verweerschrift ingediend tegen het eerste ongunstig advies; andere adviezen zijn hem onbekend. Uit de thans bestreden beslissing blijkt evenwel dat de Minister zich ontegensprekelijk gesteund heeft op andere ongunstige adviezen, die voorhouden dat de encadreringssituatie precair zou zijn. Luidens de bepalingen en beginselen -vermeld in de aanhef van het middel- geldt dat een nieuw ongunstig advies, dat steunt op andere redenen dan het eerste ongunstig advies, ook ter kennis moet gebracht worden van de betrokkene, die een nieuw verweer kan laten gelden. Zulks is in casu niet gebeurd. IX-2064-5/39 Men zal opmerken dat verzoeker bovendien om de tuin geleid werd inzake zijn recht tot verweer. Immers, het correcte formulier ‘Mod b’ vermeldt, althans in de correcte versie: noot
(6)en
(7): ‘voor te leggen en te ondertekenen: bij alle volgende adviezen waarbij nieuwe argumenten of bij iedere wijziging van het advies zelfs wanneer hiervoor geen nieuwe argumenten worden aangevoerd. Betrokkene mag altijd een verweerschrift indienen.’ Toevalligerwijze vermeldt het formulier, opgelegd aan verzoeker, niet die rechten. Het tart elke verbeelding dat heden ten dage men nog de ‘oude’ versie van het mod B aanwendt voor die officieren, die precies reeds in TAPA verkeren en wiens aansluitende ambtsontheffing nog belangrijker is. Zulk procédé is machtsoverschrijdend. Er is tevens schending van het gelijkheidsbeginsel, vermits blijkt dat de ene officieren - verzoeker inclusief - een oud formulier dienen te gebruiken en dat andere officieren het correcte formulier kunnen invullen.” 6. De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel van het middel dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de minister zich heeft gesteund op de adviezen die door de diverse autoriteiten over verzoekers aanvraag werden uitgebracht. Voorts laat zij gelden dat het recht van verdediging, behoudens andersluidend voorschrift, alleen van toepassing is in straf- en tuchtzaken, en dat het recht om te worden gehoord te dezen niet geschonden is, aangezien de bestreden maatregel niet gebaseerd is op het persoonlijke gedrag van de verzoeker en diens belangen niet zwaar aantast. Met betrekking tot de aangevoerde schending van “artikel 121 (voormalig artikel 107) van het Reglement A8 en van de noten
(6)en
(7)van het actuele Model B” betoogt de verwerende partij dat de bepaling waarnaar de verzoeker verwijst niet relevant is. Voor zover de verzoeker zich beoogt te beroepen op het huidige artikel 107 van het reglement A8 en de voetnoten
(6)en
(7)van het model B, moet volgens de verwerende partij worden vastgesteld dat de desbetreffende bepalingen slechts gelden voor adviezen die op het aanvraagformulier worden uitgebracht, maar dat het niet verboden is dat over de aanvraag van een TALO-T rechtstreeks een advies wordt uitgebracht bij de minister. De verwerende partij wijst er ten slotte op dat het reglement A8 uitgaat van de administratie en niet van de minister, zodat laatstgenoemde er niet door gebonden is. Bovendien werd het advies nooit gewijzigd en werd de verzoeker geïnformeerd toen een ander weigeringsmotief in aanmerking werd genomen. Op het tweede onderdeel van het middel antwoordt de verwerende partij dat de verzoeker niet aantoont dat hem werd opgelegd het kwestieuze formulier te gebruiken en dat hij overigens geen belang heeft bij het middelonderdeel, aangezien hij nauwkeurig het onderscheid kent tussen het vroegere en het nieuwe formulier en hij hoe dan ook zijn rechten op het gebruikte formulier heeft kunnen laten gelden. IX-2064-6/39
  1. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat voor de uitoefening van zijn recht van verweer hoegenaamd niet van belang is of de minister daadwerkelijk rekening heeft gehouden met de adviezen. Hij stelt dat het advies van de Chef van de Generale Staf hem had moeten worden meegedeeld, te meer omdat het een juridische overweging bevatte waarvan hij geen kennis had. Volgens de verzoeker was hij zich op het ogenblik van de indiening van zijn aanvraag niet bewust van het bestaan van “oude” en “nieuwe” formulieren.
  2. In zijn laatste memorie laat de verzoeker nog gelden dat het recht van verdediging en het recht op tegenspraak ook gelden wanneer daarvoor een formele grondslag bestaat. Volgens de verzoeker is deze grondslag te dezen terug te vinden in de voetnoten van het aanvraagformulier en in het reglement A
  3. Voorts betoogt de verzoeker dat ook de eindbeslissing op het aanvraagformulier wordt vermeld, na de adviezen, zodat moet worden aangenomen dat alle adviezen op het formulier dienden te worden opgenomen. Anders wordt het bestuur volgens de verzoeker aangemoedigd tot het houden van dubbele dossiers. Het recht op kennisneming van negatieve adviezen en op verweer daartegen kadert, zo stelt de verzoeker, in het streven naar openheid en zorgvuldige voorbereiding van beslissingen. Het beperken van het recht op kennisneming en verweer tot de adviezen die formeel op het aanvraagformulier zijn vermeld, werkt volgens de verzoeker ten slotte discriminerend. Beoordeling
  4. In zijn arrest nr. 86.477 van 3 april 2000 over verzoekers vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing overweegt de Raad van State met betrekking tot het eerste middel: “[...] dat verzoeker in zijn eerste middel, onder meer, de schending aanvoert van ‘het recht op verdediging en van het recht om zijn verweer te laten gelden en om gehoord te worden’; dat het recht van verdediging behoudens andersluidend voorschrift, alleen van toepassing is in straf- en tuchtzaken; dat, aangezien het in casu niet gaat om een strafzaak en evenmin om een tuchtzaak het recht van verdediging als zodanig niet van toepassing is; dat de Raad van State heeft geoordeeld dat het een beginsel van behoorlijk bestuur is dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de mogelijkheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen; dat, vermits de bestreden weigeringsbeslissing van 1 oktober 1999 niet gesteund is op het persoonlijk gedrag van verzoeker de hoorplicht in voorliggende zaak (in beginsel) niet van toepassing is; dat IX-2064-7/39 verzoeker in zijn eerste middel verder de schending aanvoert van ‘art. 121 (voormalig 107) van het Reglement A8 en van de noten
(6)en
(7)van het actuele model B’; dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen opmerkt dat er geen artikel ‘121 (voormalig 107)’ van het reglement A8 bestaat; dat uit het administratief dossier blijkt dat het reglement A8 ‘Onderrichting over de administratie van het militair personeel’ (uitgave 1989) werd uitgevaardigd door de Algemene Dienst Personeel van de Krijgsmacht; dat dit reglement een artikel 121 bevat dat betrekking heeft op de ‘formaliteiten te vervullen bij de opneming van een militair in een Belgisch of buitenlands burgerziekenhuis; dat het geen betoog hoeft dat dit artikel 121 op het eerste gezicht terzake niet van toepassing is; dat hetzelfde reglement A8 wel een artikel 107 bevat dat betrekking heeft op het ‘model B (formulier voor aanvragen en voorstellen)’; dat het wellicht deze reglementaire bepaling is die verzoeker geschonden acht; dat artikel 107, a., van het reglement A8 onder meer vermeldt: ‘(...) Ten slotte tekent betrokken militair dit stuk voor 'kennisgenomen' bij elk nieuw advies en bij de definitieve beslissing.’; dat het onderdeel c.,
(4), van genoemd artikel 107 luidt als volgt: ‘Het advies van de eerste hiërarchische overheid, elk daaropvolgend advies en de uiteindelijke beslissing moeten door belanghebbende op het Mod B gedateerd en ondertekend worden. In geval de opeenvolgende zelfde adviezen steunen op identieke redenen, volstaat het dat de belanghebbende het eerste advies ondertekent. In het tegenovergestelde geval moet hij elk advies ondertekenen. In elk geval moet de beslissing, of deze op het model B wordt ingeschreven dan wel het voorwerp uitmaakt van een afzonderlijk schrijven (bericht, brief, enz.), onmiddellijk via het korps ter kennis gebracht worden aan de betrokkene door hem het stuk te laten dateren, en 'voor gezien' te laten ondertekenen.’; dat er dient te worden vastgesteld dat met betrekking tot de aanvraag tot tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking, door verzoeker via een model B ingediend op 10 augustus 1999, twee ‘ongunstige’ adviezen werden uitgebracht op het model B; dat het eerste ongunstig advies op 10 augustus 1999 werd uitgebracht door kapitein-commandant van het vliegwezen Cornelis, korpscommandant van verzoeker; dat het tweede ongunstig advies op 26 augustus 1999 verleend werd door kolonel vlieger Singele van de Staf van de Luchtmacht; dat verzoeker beide ongunstige adviezen voor kennisneming heeft ondertekend: het eerste op 10 augustus 1999, het tweede op 7 september 1999; dat na kennisneming van het eerste ongunstig advies verzoeker geen omstandig verweerschrift heeft ingediend, doch wel het volgende genoteerd op het model B: ‘Ik wens aan te dringen met de uitspraak van het arbitragehof omtrent de rendementsvoorwaarden’; dat na kennisneming van het tweede ongunstig advies op 7 september 1999 verzoeker nagelaten heeft een verweerschrift in te dienen of op een andere wijze argumenten aan te dragen; dat het dan ook feitelijk onjuist is dat verzoeker in zijn eerste middel betoogt dat hij enkel een verweerschrift heeft ingediend tegen het eerste ongunstig advies en dat andere adviezen hem onbekend zijn; dat verzoeker heeft gereageerd met betrekking tot het eerste ongunstig advies vermeld op het model B; dat hij heeft nagelaten te reageren IX-2064-8/39 op het tweede ongunstig advies op hetzelfde model B dat door hem nochtans voor kennisneming werd ondertekend; dat in die omstandigheden op het eerste gezicht de bepalingen van artikel 107, a., en c.,
(4), van het reglement A8 niet kunnen geschonden zijn; dat na de twee ongunstige adviezen op het model B waartegen verzoeker zich kon verweren en zijn standpunt kenbaar maken, door de Chef van de Generale Staf, per order generaal-majoor Bovy van de Divisie Personeel van de Generale Staf, het dossier met betrekking tot de aanvraag van verzoeker van 10 augustus 1999 met een nota van 20 september 1999 voor beslissing aan de minister van Landsverdediging werd toegezonden; dat de bevoegde officier van de Generale Staf stelt dat verzoeker niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijke maatregel) aangezien hij niet in actieve dienst is op het ogenblik van de aanvraag; dat hij een ongunstig advies verleent met betrekking tot de aanvraag tot tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking ‘wegens encadreringsbehoeften in deze categorie officieren’; dat de bepalingen van artikel 107 van het genoemde reglement A8 enkel betrekking hebben op de adviezen van de hiërarchische meerderen uitgebracht op het model B; dat artikel 107 niet van toepassing is ten aanzien van het advies van de Divisie Personeel in de nota waarmede het dossier voor beslissing werd toegezonden aan de minister van Landsverdediging; dat er op het eerste gezicht geen bepaling bekend is die er zich zou tegen verzetten dat de bevoegde officieren van de Divisie Personeel aan de minister rechtstreeks een advies kunnen uitbrengen met betrekking tot een aanvraag tot tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking zonder dat verzoeker kennis heeft van dit advies en zijn standpunt ter zake kan laten gelden; dat met betrekking tot de voetnoten
(6)en
(7)op het model B, die verzoeker eveneens geschonden acht, dient te worden vastgesteld dat de tekst van deze voetnoten
(6)en
(7)op het model B dat door verzoeker op 10 augustus 1999 werd ondertekend, in zeker opzicht verschilt van de tekst van de voetnoten
(6)en
(7)op het model B, zoals het gevoegd is bij het reglement A8; dat inzonderheid de voetnoot
(7)in de ene en in de andere versie verschilt met betrekking tot de gevallen waarin het advies aan de betrokken militair dient te worden medegedeeld; dat beide versies van de voetnoot
(7)evenwel identiek zijn met betrekking tot de mogelijkheid om ‘altijd’ een verweerschrift in te dienen telkens de betrokken militair van het advies heeft kennis genomen; dat vermits verzoeker van de beide ongunstige adviezen op het model B heeft kennisgenomen hij bij beide adviezen een verweerschrift kon indienen indien hij dit wenste; dat hij zelf heeft nagelaten met betrekking tot het tweede ongunstig advies, uitgebracht door kolonel Singele van de Staf van de Luchtmacht, zijn verweer te laten gelden; dat de noten
(6)en
(7)op het model B op het eerste gezicht dan ook niet werden geschonden; dat bovendien dient te worden vastgesteld dat het feit dat aan verzoeker het gebruik van een zogenaamde ‘oude’ versie van het model B zou zijn ‘opgelegd’ in plaats van de ‘correcte’ versie, hem met betrekking tot zijn eventueel verweer niet heeft kunnen schaden: in beide gevallen wist verzoeker dat hij na de kennisneming van het ongunstig advies ‘altijd’ een verweerschrift mag indienen; dat verzoeker niet aantoont dat genoemde noten
(6)en
(7)werden geschonden, en dat ten aanzien van de officieren die een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking wensen te bekomen een ‘oude’ versie van het model B wordt aangewend; dat er evenmin op overtuigende wijze wordt aangetoond dat het gelijkheidsbeginsel zou geschonden zijn doordat voor de ene categorie officieren, waartoe verzoeker behoort, een oud formulier dient te worden gebruikt, terwijl andere officieren het correcte formulier kunnen invullen; dat het eerste middel niet ernstig is.” IX-2064-9/39 Hetgeen de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord en laatste memorie aanvoert, doet geen afbreuk aan deze overwegingen. De Raad van State bevestigt deze overwegingen voor het voorliggende beroep tot nietigverklaring en besluit dienvolgens dat geen enkel onderdeel van het eerste middel gegrond is. b. Tweede middel Standpunt van de partijen
  1. De verzoeker voert in een eerste onderdeel van het middel de schending aan van artikel 20 van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking, met toepassing van artikel 3, § 1, 1/, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie (hierna: het koninklijk besluit van 24 juli 1997), bekrachtigd bij wet van 12 december
  2. Hij laat gelden dat zijn aanvraag van een TALO-T werd geweigerd, omdat artikel 20, samengelezen met artikel 27, van het genoemde koninklijk besluit aan de minister een ruime discretionaire bevoegdheid zou toekennen, terwijl het arrest nr. 52/99 van 26 mei 1999 van het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) een ruime weigeringsbevoegdheid heeft afgewezen. Volgens de verzoeker kan de desbetreffende bepaling alleen zo worden gelezen dat hij een “recht” op een TALO-T kan laten gelden.
  3. In een tweede onderdeel van het middel voert de verzoeker aan dat de ruime interpretatie die de verwerende partij aan artikel 20, samengelezen met artikel 27, van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 heeft gegeven, het gezag van gewijsde van het arrest nr. 52/99 van 26 mei 1999 van het Grondwettelijk Hof schendt.
  4. In een derde onderdeel van het middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 10, 11 en 182 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en samen beschouwd. IX-2064-10/39 Hij betoogt dat de interpretatie die de verwerende partij aan artikel 20, samengelezen met artikel 27, van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 heeft gegeven, een beperking inhoudt van het recht op genot van de afvloeiingsmaatregelen, terwijl het Grondwettelijk Hof de in het koninklijk besluit van 24 juli 1997 opgelegde voorwaarden en verplichtingen uitdrukkelijk strijdig heeft bevonden met de artikelen 10, 11 en 182 van de Grondwet. Voorts wordt volgens de verzoeker, doordat de verwerende partij zijn recht op een TALO-T ontkent, een discriminatie in het leven geroepen ten aanzien van andere officieren die alle afvloeiingsmaatregelen, zonder onderscheid, kunnen aanvragen en verkrijgen.
  5. De verwerende partij antwoordt dat luidens de nog steeds van kracht zijnde bepalingen in verband met de TALO-T, het verkrijgen van een dergelijke tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking, geen absoluut recht betreft, maar de minister dienaangaande over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst zij voorts naar hetgeen de Raad van State dienaangaande heeft overwogen in zijn arresten nrs. 83.680 en 86.477, respectievelijk van 29 november 1999 en 3 april
  6. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat ook na de wet van 25 mei 2000, die het koninklijk besluit van 24 juli 1997 heeft opgeheven en vervangen door een overeenkomstige regeling met uitwerking op 20 augustus 1997, de problematiek van de conformiteit van die regeling aan de vereisten van de artikelen 12, 23 en 182 van de Grondwet aan de orde blijft. Hij suggereert de volgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in samenhang beschouwd met de artikelen 12, 23 en 182 van de Grondwet geschonden door de artikelen 20, § 2, en 27 van de wet van 25 mei 2000 [...]?” “Schendt het artikel 15bis van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de land-, de lucht-, de zeemacht en de medische dienst en der reserveofficieren niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd en in samenhang beschouwd met de artikelen 12, 23 en 182 van de Grondwet?” IX-2064-11/39
  7. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat “de aangevraagde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof moet gesteld worden met volgende verduidelijking”: “Schenden de artikelen 15bis en 21 van de wet van 1 maart 1958 houdende het statuut der beroepsofficieren, evenals de artikelen 20 en 27 van de wet van 25 mei 2000 (tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking) - artikel 15bis van de wet van 1 maart 1958 zoals aangenomen met retroactieve kracht tot 20 augustus 1997 bij artikel 27 van voormelde wet 25 mei 2000 en artikel 21 van de wet van 1 maart 1958 zoals formeel van toepassing vóór de wet van 16 maart 2000 (betreffende het ontslag van bepaalde militairen (...), de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en het terugvorderen van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden)- niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in samenhang beschouwd met de artikelen 12, 23 en 182 van de Grondwet en de rechtszekerheids- en vertrouwensbeginselen doordat de beroepsofficier die bij toepassing van artikel 15 van de wet van 1 maart 1958 een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden van twaalf maanden heeft bekomen, die tevens volledig of quasi-volledig voldoet aan de rendementsvoorwaarden, ingesteld bij de ontslagwet van 16 maart 2000, die eveneens tenminste vijftien jaar werkelijke dienst heeft volbracht als militair of kandidaat-militair van het actief kader en die ten slotte geen deel uitmaakt van het Technisch Korps van de Medische Dienst (officier-arts, -apotheker, -tandarts en -dierenarts), vermeld in artikel 20, § 1, van de wet van 25 mei 2000 in het rechtstreeks verlengde van de tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden van 12 maanden geen recht heeft op een definitieve ambtsontheffing of een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk stelsel), en de artikelen 15bis en 21 aan de minister van Landsverdediging een identieke discretionaire beslissingsbevoegdheid toekent, terwijl de wet van 16 maart 2000 (betreffende het ontslag van bepaalde militairen (...), de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en het terugvorderen van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden) bepaalt dat voor dezelfde officier het belang van de dienst zich niet verzet tegen de definitieve ambtsontheffing behoudens ‘uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen’ en de minister van Landsverdediging na het verlenen van een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden van twaalf maanden aangegeven -niet strijdig met de dienst bevonden- conform artikel 15 van de wet van 1 maart 1958 enkel in uitzonderlijke gevallen een verlenging kan IX-2064-12/39 toekennen, doch wel een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking of definitieve ambtsontheffing kan toekennen en krachtens artikel 20 § 3 van de wet van 25 mei 2000 de personeelsenveloppe zich in beginsel moet stabiliseren op 5000 officieren op 19 augustus 2000?” Beoordeling
  8. In zijn arrest nr. 86.477 van 3 april 2000 over verzoekers vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing overweegt de Raad van State met betrekking tot het tweede middel: “[...] dat verzoeker in het eerste onderdeel stelt dat artikel 20 van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 en het arrest van het Arbitragehof nr. 52/99 van 26 mei 1999 zo dienen gelezen te worden dat hij een recht heeft op een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk regime); dat in het eerste arrest Tondeur nr. 75.538, van 31 juli 1998, de Raad van State heeft geoordeeld dat een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk regime) geen absoluut recht is in hoofde van de militairen die een TALO(T) aanvragen en die voldoen aan de voorwaarden van artikel 20, § 1, van genoemd koninklijk besluit van 24 juli 1997; dat de minister van Landsverdediging derhalve over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt met betrekking tot aanvragen voor een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk regime); dat bij arrest nr. 52/99 van 26 mei 1999 het Arbitragehof artikel 10, 1/, vernietigt van de wet van 12 december 1997 ‘tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels’, in zoverre het artikel 20, § 1, eerste lid - wat betreft de woorden ‘met uitzondering van de officier-geneesheer, de officier- apotheker, de officier-tandarts en de officier-dierenarts’ en het 3/ - en tweede lid, artikel 21, § 2, tweede lid, en artikel 27, § 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 ‘tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking’ bekrachtigt; dat het Arbitragehof oordeelt dat het bestreden koninklijk besluit van 24 juli 1997 ‘niet (kon) worden genomen ter uitvoering van artikel 3, § 1, 1/, van de voormelde wet van 26 juli 1996, en (...) het derhalve elke rechtsgrond (mist)’ (B.3.6.); dat het Arbitragehof verder oordeelt: ‘B.4.
  9. Nu het koninklijk besluit van 24 juli 1997 niet werd genomen op basis van de bijzondere machtenwet, kan niet worden aanvaard dat de wetgever een zodanig besluit bekrachtigt dat, zonder rechtsgrond, dermate fundamenteel ingrijpt in de bij artikel 182 van de Grondwet uitdrukkelijk aan de wetgever voorbehouden aangelegenheid. B.4.
  10. De louter formele bekrachtiging van een zodanig besluit doet op discriminerende wijze afbreuk aan de grondwettelijke waarborg voor alle IX-2064-13/39 militairen dat zij niet kunnen worden onderworpen aan verplichtingen zonder dat die zijn vastgesteld door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.’; dat het Arbitragehof artikel 10, van de bekrachtigingswet van 12 december 1997 slechts gedeeltelijk vernietigt (‘in zoverre ...’) wegens schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 182 van de Grondwet; dat noch uit het beschikkend gedeelte, noch uit de motivering van het arrest nr. 52/99 op het eerste gezicht evenwel kan worden afgeleid dat een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk regime) een recht zou zijn in hoofde van de militairen die - zoals verzoeker - dergelijke tijdelijke ambtsontheffing hebben aangevraagd; dat verzoeker niet aantoont dat de bestreden weigeringsbeslissing van 1 oktober 1999 aan de bepalingen van artikel 20 van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 een lezing geeft die in strijd is met de artikelen 10, 11 en 182 van de Grondwet; dat op het eerste gezicht de bestreden beslissing geen machtsoverschrijding of een schending van artikel 20 van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 lijkt te bevatten; [...] dat in het tweede onderdeel verzoeker de schending aanvoert van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 52/99 van het Arbitragehof; dat luidens artikel 9, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de door het Arbitragehof gewezen vernietigingsarresten een absoluut gezag van gewijsde hebben vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad; dat in casu het arrest nr. 52/99 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 juli 1999 (p. 27293 e.v.); dat op het ogenblik dat de bestreden weigeringsbeslissing werd genomen op 1 oktober 1999 het arrest van 26 mei 1999 dan ook een absoluut gezag van gewijsde had; dat aangezien het arrest nr. 52/99 op 1 oktober 1999 een absoluut gezag van gewijsde had, de bestreden beslissing dit gezag van gewijsde in beginsel zou kunnen schenden; dat zelfs indien mag worden aangenomen dat het arrest nr. 52/99 op 1 oktober 1999 reeds een (absoluut) gezag van gewijsde bezit, men op het eerste gezicht niet inziet op welke wijze de bestreden beslissing van 1 oktober 1999 het gezag van gewijsde van het arrest nr. 52/99 zou hebben geschonden door te oordelen dat de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk stelsel) geen absoluut recht is, maar onderworpen aan de beoordeling van de minister van Landsverdediging; [...] dat in het derde onderdeel verzoeker de schending aanvoert van de artikelen 10, 11 en 182 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en samen beschouwd; dat uit het arrest van het Arbitragehof nr. 52/99 blijkt dat de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 ‘elke rechtsgrond’ missen en een schending inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 182 van de Grondwet; dat indien dit zou betekenen dat de bepalingen van genoemd reglementair besluit, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moeten blijven, verzoeker op het eerste gezicht geen belang heeft om aan te voeren dat de bestreden weigeringsbeslissing van 1 oktober 1999 de genoemde artikelen 10, 11 en 182 van de Grondwet zou schenden; dat immers, wanneer de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 niet mogen worden toegepast wegens de ongrondwettigheid ervan, met betrekking tot de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk stelsel) geen enkele beslissing meer kan worden getroffen: geen positieve beslissing waarbij een loopbaanonderbreking wordt toegestaan, maar ook geen negatieve beslissing die een loopbaanonderbreking zou weigeren; dat het ernstig bevinden van het derde onderdeel verzoeker dan geen enkel voordeel zou opleveren en hem niet dichter bij een eventuele loopbaanonderbreking brengen, hetgeen toch zijn IX-2064-14/39 bedoeling is; dat, zelfs indien verzoeker op het eerste gezicht toch belang zou hebben bij het aanvoeren van het derde onderdeel, dient te worden vastgesteld dat de ongrondwettigheid van de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 niet noodzakelijk inhoudt dat de bestreden weigeringsbeslissing ipso facto zelf ook de genoemde artikelen 10, 11 en 182 van de Grondwet zou schenden; dat immers, wanneer de norm - in casu het koninklijk besluit van 24 juli 1997 bekrachtigd door de wet van 12 december 1997 - de genoemde grondwetsartikelen schendt het niet evident is dat een individuele weigeringsbeslissing ook meteen dezelfde grondwetsartikelen zou schenden; dat de minister van Landsverdediging, op grond van het koninklijk besluit van 24 juli 1997, bij het beoordelen van een aanvraag tot tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk stelsel) over een discretionaire bevoegdheid beschikt; dat de minister bij het beoordelen van het dienstbelang gebruik maakt van een discretionaire bevoegdheid niet inhoudt dat de minister met de bestreden weigeringsbeslissing van 1 oktober 1999 artikel 182 van de Grondwet zou hebben geschonden; dat in het derde onderdeel evenmin op overtuigende wijze wordt aangetoond dat verzoeker door de bestreden weigeringsbeslissing ongelijk wordt behandeld of wordt gediscrimineerd en dat aldus de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden zijn geschonden; dat verzoeker evenmin aantoont dat met een, op het eerste gezicht, correcte toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 de artikelen 10, 11 en 182 van de Grondwet werden geschonden; dat het tweede middel niet ernstig is.” Hetgeen de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord en laatste memorie aanvoert, doet geen afbreuk aan deze overwegingen, die ook na de opheffing van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 en de retroactieve vervanging van de desbetreffende bepalingen bij de wet van 25 mei 2000 hun relevantie behouden. De Raad van State bevestigt deze overwegingen voor het voorliggende beroep tot nietigverklaring.
  11. De prejudiciële vraag die de verzoeker luidens zijn memorie van wederantwoord wenst te laten stellen aan het Grondwettelijk Hof, heeft betrekking op de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en beschouwd in samenhang met de artikelen 12, 23 en 182 van de Grondwet, door de artikelen 20, § 2, en 27 van de wet van 25 mei
  12. Artikel 20, § 2, van de wet van 25 mei 2000 luidt als volgt: “De tijdelijke ambtsontheffingen wegens loopbaanonderbreking, toegestaan in de periode bedoeld in § 3, eerste lid, nemen de bepalingen in acht die gelden voor de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking, met uitzondering evenwel van de bepalingen vastgesteld in artikel 21.” Artikel 27 van dezelfde wet voegt in de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de land-, de lucht-, de zeemacht IX-2064-15/39 en de medische dienst en der reserveofficieren van alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst (thans: de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de krijgsmacht, hierna: de wet van 1 maart 1958) een artikel 15bis in, luidend als volgt: “§
  13. De officieren die het aanvragen kunnen van de Minister van Landsverdediging een onderbreking van hun loopbaan bekomen. §
  14. Elke loopbaanonderbreking of elke verlenging wordt aangevraagd voor een duur van drie, zes, negen of twaalf maanden. Behoudens uitzonderlijke redenen waarover de Minister van Landsverdediging oordeelt, mag de duur van alle loopbaanonderbrekingen tijdens de loopbaan van de officier een totaal van zesendertig maanden niet overschrijden. §
  15. In geval van mobilisatie of in periode van oorlog kunnen de officieren geen loopbaanonderbreking bekomen. Hetzelfde geldt voor de officieren die zich in periode van vrede in de deelstand ‘in operationele inzet’ bevinden of die op preadvies gesteld zijn met het oog op deze inzet. De toegekende loopbaanonderbrekingen eindigen automatisch, zonder opzegging, in periode van oorlog of in geval van mobilisatie. In periode van vrede kunnen, in geval van operationele inzet of van preadvies met het oog op deze inzet, in uitzonderlijke gevallen en voor zover de personeelsbehoefte op geen enkele andere manier kan worden ingevuld, de toegekende loopbaanonderbrekingen ingetrokken worden. §
  16. De officier die zijn loopbaan onderbreekt mag noch zelf, noch door tussenpersonen enige betrekking, beroep of bezigheid uitoefenen, zowel in de openbare als in de privé-sector, tenzij hij daarvoor niet betaald wordt, of indien het gaat om een zelfstandige activiteit. Daarenboven mag hij geen enkele opdracht aanvaarden, noch enige dienst verlenen in een bedrijf met winstoogmerk, zelfs wanneer hij daarvoor niet wordt betaald. De officier behoudt evenwel het voordeel van een eventuele bijzondere afwijking toegestaan vóór het begin van de loopbaanonderbreking overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht. De betrekkingen of activiteiten bedoeld in de vorige leden kunnen in geen geval uitgeoefend worden in de sector van de produktie of van de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal, bedoeld in artikel 223, § 1, b), van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap.” Bij het arrest nr. 72/2002 van 23 april 2002 heeft het Grondwettelijk Hof uitspraak gedaan over de beroepen tot vernietiging van onder meer de artikelen 20, § 2, en 27 van de wet van 25 mei
  17. Deze annulatieberoepen werden alle verworpen wegens de ongegrondheid van de aangevoerde middelen. Daarnaast heeft het Grondwettelijk Hof met de arresten nr. 106/2002 van 26 juni 2002, en nr. 3/2003 van 14 januari 2003, uitspraak gedaan over prejudiciële vragen van de Raad van State met betrekking tot de artikelen 20, IX-2064-16/39 27 en 43 van de wet van 25 mei
  18. Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat onder meer de artikelen 20, § 2, en 27 van de wet van 25 mei 2000 niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, afzonderlijk genomen of gelezen in samenhang met de artikelen 12, 23, 108, 142, 160 en 182 van de Grondwet, noch het beginsel van de rechtszekerheid, noch het beginsel van het verbod van terugwerkende kracht. Op grond van artikel 26, § 2, tweede lid, 2/, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, is de Raad van State in de voorliggende zaak dan ook niet verplicht de door de verzoeker geformuleerde prejudiciële vraag met betrekking tot de artikelen 20, § 2, en 27 van de wet van 25 mei 2000 aan het Grondwettelijk Hof te stellen.
  19. De prejudiciële vraag die de verzoeker in zijn laatste memorie suggereert, lijkt in essentie geen betrekking te hebben op een ongrondwettigheid die in de wet zelf te vinden zou zijn, maar veeleer op de specifieke interpretatie door de verzoeker van de administratieve situatie waarin hij zich bevindt. Bovendien voert de verzoeker in deze vraag geen verschil in behandeling aan tussen twee categorieën van personen. Voorts was de door de verzoeker genoemde wet van 16 maart 2000 niet van toepassing op het ogenblik van de bestreden beslissing. Er is dan ook geen aanleiding om de door de verzoeker in zijn laatste memorie geformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.
  20. Met betrekking tot het tweede middel wordt dan ook besloten dat geen enkel onderdeel ervan gegrond is. c. Derde middel Standpunt van de partijen
  21. De verzoeker voert in een eerste onderdeel van het middel de schending aan van de artikelen 15bis, § 1, en 21 van de wet van 1 maart
  22. Hij betoogt dat de voormelde wetsbepalingen, conform de Grondwet, beperkend moeten worden geïnterpreteerd, dat het weigeringsmotief “in IX-2064-17/39 het belang van de dienst” niet kan worden aangewend om het ontslag te weigeren van een militair die ruimschoots aan de vereiste ontslagvoorwaarden voldoet en elders wil dienen, dat de minister alleszins oog moet hebben voor het individueel belang van de verzoeker en dat dit te dezen niet is gebeurd.
  23. In een tweede onderdeel van het middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 12, 23 en 182 van de Grondwet en van het verbod op dwangarbeid. De verzoeker laat gelden dat een extensieve interpretatie van de bevoegdheid van de minister om elk ontslag te weigeren, een schending inhoudt van de vrijheid van beroepskeuze en van arbeid, dat het door de wetgever bepaalde criterium van “het belang van de dienst” dermate onnauwkeurig is dat het aan de minister van Landsverdediging een te ruime beoordelingsvrijheid verleent en onverenigbaar is met de artikelen 12, 23 en 182 van de Grondwet, en dat het bij ontstentenis van duidelijke wettelijke criteria niet aan de verwerende partij toekomt om zelf op te treden.
  24. De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel van het middel dat artikel 21 van de wet van 1 maart 1958 te dezen niet relevant is, aangezien de voorliggende zaak geen betrekking heeft op een ontslagaanvraag, maar op een aanvraag van een TALO-T. Voorts verwijst zij naar haar standpunt dat de minister over een discretionaire bevoegdheid beschikt om een TALO-T al dan niet toe te staan. Volgens haar kan, gelet op de motivering van de bestreden beslissing, niet worden gesteld dat de minister op een kennelijk onredelijke wijze gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid. Zij wijst erop dat in de mate dat de verzoeker artikel 15bis, § 1, van de wet van 1 maart 1958 buiten toepassing wil laten, hij geen belang heeft bij het middelonderdeel, aangezien het deze bepaling is die de minister toelaat om een TALO-T toe te staan. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel laat de verwerende partij gelden dat de verzoeker niet duidelijk maakt hoe de minister bij het weigeren van zijn aanvraag van een TALO-T, de bepalingen betreffende de verlenging van de tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden of het ontslag (de artikelen 15 en 21 van de wet van 1 maart 1958) zou hebben geschonden. Voor zover de verzoeker stelt dat het door de wetgever bepaalde IX-2064-18/39 criterium onnauwkeurig is, uit hij volgens de verwerende partij kritiek op de wetgever. Ten slotte verwijst de verwerende partij naar hetgeen de Raad van State met betrekking tot het middel in het arrest nr. 86.477 van 3 april 2000 over verzoekers vordering tot schorsing heeft overwogen.
  25. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord op dezelfde wijze als hij heeft gedaan met betrekking tot het tweede middel. Hij stelt dezelfde prejudiciële vragen voor.
  26. Hetgeen de verzoeker in zijn laatste memorie met betrekking tot het middel nog aanvoert heeft in essentie betrekking op de weigering van zijn ontslag en wordt dan ook mede beoordeeld bij het hierna volgend onderzoek van het derde middel in de zaak A. 87.968/IX-
  27. Beoordeling
  28. In zijn arrest nr. 86.477 van 3 april 2000 over verzoekers vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing overweegt de Raad van State met betrekking tot het derde middel: “[...] dat artikel 182 van de Grondwet luidt als volgt: ‘De wet bepaalt op welke wijze het leger wordt aangeworven. Zij regelt eveneens de bevordering, de rechten en de verplichtingen van de militairen.’; dat artikel 15bis, § 1, van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de land-, de lucht-, de zeemacht en de medische dienst en der reserveofficieren van alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst, ingevoegd door artikel 27 van het koninklijk besluit van 24 juli 1997, luidt als volgt: ‘Artikel 15bis. §
  29. De officieren die het aanvragen kunnen van de minister van Landsverdediging een onderbreking van hun loopbaan bekomen.’; dat artikel 21 van dezelfde wet van 1 maart 1958 thans nog luidt als volgt: ‘Het ontslag moet schriftelijk worden ingediend; het heeft eerst uitwerking wanneer de Koning het heeft aangenomen. De Minister van Landsverdediging kan het ontslag weigeren indien hij oordeelt dat het strijdig is met het dienstbelang.’; IX-2064-19/39 dat de aangevoerde schending van artikel 21 van de wet van 1 maart 1958 terzake niet dienend is; dat met de bestreden beslissing van 1 oktober 1999 aan verzoeker de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijke maatregel) werd geweigerd; dat artikel 21 van de wet van 1 maart 1958 enkel betrekking heeft op het ontslag van officieren en niet op hun tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking, zodat genoemd artikel terzake niet van toepassing is; dat aangezien de bestreden beslissing van 1 oktober 1999 aan verzoeker de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking weigert artikel 21 van de wet van 1 maart 1958 niet kan geschonden zijn; dat de minister van Landsverdediging op grond van artikel 15bis, § 1, van de wet van 1 maart 1958, bij het beoordelen van een aanvraag tot tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking over een discretionaire bevoegdheid beschikt; dat de minister bij het beoordelen van een aanvraag tot tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking gebruik maakt van een discretionaire bevoegdheid niet inhoudt dat genoemde wetsbepaling aan de minister terzake een reglementaire bevoegdheid heeft verleend; dat de Raad van State bevoegd is om te oordelen of de minister de discretionaire bevoegdheid die hem is verleend bij artikel 15bis, § 1, van de wet van 1 maart 1958 op een wettige wijze heeft uitgeoefend; dat de Raad van State eventueel zal kunnen vaststellen dat het oordeel van de minister om een aangevraagde tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking als strijdig met het algemeen belang aan te merken, kennelijk onredelijk is; dat het Arbitragehof in het arrest nr. 81/95 van 14 december 1995 heeft geoordeeld dat de vrijheid van de persoon, gewaarborgd bij artikel 12 van de Grondwet, en meer in het bijzonder de vrijheid van arbeid, die wordt gewaarborgd door onder meer artikel 23, derde lid, 1/, van de Grondwet, verbieden dat een arbeid, onder dreiging met welke straf dan ook, van een persoon die zich daarvoor niet geheel uit eigen wil heeft aangeboden, zou worden geëist, zonder dat die arbeid kan worden verantwoord door beweegredenen van algemeen belang; dat het Hof verder oordeelt dat ‘aangezien de opdrachten die aan het leger worden toevertrouwd bijdragen tot de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, aan diegenen die voor de militaire loopbaan hebben gekozen bepaalde verplichtingen (kunnen) worden opgelegd.’ (overweging B.7.3.3.); dat, wanneer de minister van Landsverdediging gebruik maakt van de bevoegdheid die de wetgever hem heeft verleend in artikel 15bis, § 1, van de wet van 1 maart 1958 hij het algemeen belang beoordeelt; dat zelfs indien artikel 15bis, § 1, beperkend dient geïnterpreteerd te worden, zoals verzoeker stelt, dit niet belet dat de minister van Landsverdediging (minstens) over een beperkte beoordelingsbevoegdheid beschikt en een belangenafweging kan maken; dat de minister van Landsverdediging in de motivering van de bestreden beslissing dan ook kan oordelen dat ‘de encadreringssituatie in de categorie der lagere officieren ingenieurs precair is’, dat ‘ten gevolge van de rekruteringsbeperkingen en de duur van de vereiste vorming voor een beroepsofficier, het bovendien onmogelijk is op korte termijn de actueel openstaande functies op te vullen’, dat ‘de loopbaanonderbreking is ingevoerd om het personeelsovertal weg te werken, hetgeen in (de) categorie (van verzoeker) niet meer het geval is’; dat een dergelijk oordeel, op het eerste gezicht, niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt; dat hiermede immers niet blijkt dat de minister ‘een grove en buitensporige inbreuk’ op de individuele vrijheid, op de vrijheid van arbeid, gewaarborgd door de artikelen 12, en 23 van de Grondwet, en op het verbod van dwangarbeid zou hebben gepleegd; dat op het eerste gezicht verzoeker niet aantoont dat artikel 15bis, § 1, van de wet van 1 maart 1958 door de bestreden weigeringsbeslissing van 1 oktober 1999 werd geschonden; dat verzoeker evenmin aantoont dat met een, op het eerste gezicht, wettige toepassing van artikel 15bis, § 1, van de wet IX-2064-20/39 van 1 maart 1958 de artikelen 12, 23 en 182 van de Grondwet en het verbod op dwangarbeid werden geschonden; dat het derde middel niet ernstig is;” Hetgeen de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert, doet geen afbreuk aan deze overwegingen, die ook na de retroactieve vervanging van de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt ingeroepen bij de wet van 25 mei 2000, hun relevantie behouden. De Raad van State bevestigt deze overwegingen voor het voorliggende beroep tot nietigverklaring.
  30. Om dezelfde redenen als vermeld bij de beoordeling van het tweede middel is de Raad van State niet verplicht de door de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord gesuggereerde prejudiciële vraag met betrekking tot artikel 15bis van de wet van 1 maart 1958, dat werd ingevoegd bij artikel 27 van de wet van 25 mei 2000, aan het Grondwettelijk Hof te stellen.
  31. Ook met betrekking tot het derde middel wordt dienvolgens besloten dat geen enkel onderdeel ervan gegrond is. d. Vierde middel Standpunt van de partijen
  32. De verzoeker voert in het middel de schending aan van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Hij betoogt dat er administratieve rendementsnormen bestaan die door de minister en de Generale Staf vastgesteld zijn en dat hij conform deze normen gerechtigd was om “definitief te vertrekken”. Hij stelt dat de militair na het vervullen van de opgelegde aanwezigheidsperiode zijn vrijheid herwint, hetzij via TALO-T, hetzij via vrijwillig ontslag. De verzoeker ziet geen reden die de hem opgelegde “vrijheidsberoving en dwangarbeid” kan verantwoorden. Hij wijst er ook op dat ongelijke gevallen ongelijk moeten worden behandeld en dat iemand die “oud” genoeg is, zich in een wezenlijk andere situatie bevindt dan een “jonge” militair. IX-2064-21/39
  33. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat zij niet begrijpt dat de nota’s waarnaar de verzoeker verwijst en die dateren van 1988, 1992 en 1995, regels in het leven zouden kunnen roepen die van toepassing zijn op het systeem van TALO-T dat ingevoerd werd in 1997 en dat sedertdien uitwerking heeft. In de mate dat de verzoeker zich op het gelijkheidsbeginsel beroept, is volgens de verwerende partij de enige relevante vraag of over verzoekers aanvraag een wettige beslissing werd genomen. De bestreden beslissing, zo stelt de verwerende partij, kan gelet op de beoordelingsvrijheid van de minister en de omstandige motivering in feite niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. Ten slotte verwijst de verwerende partij naar hetgeen de Raad van State met betrekking tot het middel in het arrest nr. 86.477 van 3 april 2000 over verzoekers vordering tot schorsing heeft overwogen.
  34. In zijn memorie van wederantwoord bevestigt de verzoeker het vierde middel. Hij herinnert eraan dat hij reeds een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden genoot en dat hij de informele ontslagvoorwaarden quasi had bereikt. Beoordeling
  35. In zijn arrest nr. 86.477 van 3 april 2000 over verzoekers vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing overweegt de Raad van State met betrekking tot het vierde middel: “[...] dat de verzoeker met betrekking tot het vierde middel naar administratieve ‘rendementsnormen’ verwijst die zouden zijn vastgelegd in, enerzijds, een nota van de minister van 27 september 1988, en anderzijds, nota’s van de Generale Staf van 2 oktober 1992 en 11 mei 1995, waaruit zou blijken dat men op aanvraag ontslag of tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk stelsel) bekomt ‘na het vervullen van de opgelegde aanwezigheidsperiode’; dat de verwerende partij erop wijst dat niet begrepen kan worden hoe nota’s daterend van 1988, 1992 en 1995 regels zouden kunnen in het leven roepen die van toepassing zouden moeten zijn op het systeem van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk regime) dat slechts werd ingevoerd door het koninklijk besluit van 24 juli 1997 en uitwerking kan hebben vanaf 20 augustus 1997; dat overigens door verzoeker niet aannemelijk wordt gemaakt op welke wijze de nota’s van de Generale Staf de minister van Landsverdediging zouden kunnen binden bij zijn beoordeling van het dienstbelang; dat verzoeker geen administratieve ‘rendementsnormen’ voorlegt waaruit zou blijken dat hij een recht op ontslag IX-2064-22/39 of op tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk stelsel) heeft nadat hij een aantal dienstjaren heeft volbracht; dat uit de motivering in rechte en de motivering in feite van de bestreden weigeringsbeslissing van 1 oktober 1999 niet blijkt dat de minister van Landsverdediging zijn beslissing heeft gesteund op het al dan niet voldaan zijn aan de rendementsvoorwaarden; dat verzoeker in zijn uiteenzetting van het vierde middel niet aantoont en niet aannemelijk maakt dat de overheid de door hem genoemde administratieve ‘rendementsnormen’ in casu diende toe te passen, zodat zij haar eigen regels en het ‘opgewekt vertrouwen’ niet zou hebben gehonoreerd; dat verzoeker laat gelden dat hij wordt gediscrimineerd ten aanzien van andere militairen zonder dat hij evenwel precies aanduidt met welke andere militairen hij zijn toestand wenst te vergelijken; dat op het eerste gezicht er niet kan vanuit gegaan worden dat het toestaan van een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk stelsel) aan bepaalde militairen zonder meer een recht op tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking toekent aan alle andere militairen (of aan verzoeker in het bijzonder); dat het vertrek van bepaalde militairen door ontslag of tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking (tijdelijk stelsel) immers tot gevolg kan hebben dat een ‘precaire encadreringssituatie’ ontstaat die een invloed heeft op de goede werking en operationaliteit van de eenheden, in casu van de luchtmacht; dat op het eerste gezicht het toestaan van ambtsontheffingen op een ogenblik dat het dienstbelang zich hier niet tegen verzet niet inhoudt dat nadien een ambtsontheffing moet worden toegestaan wanneer het dienstbelang zich daar dan wel tegen verzet; dat er anders over oordelen wellicht zou betekenen dat wanneer op een bepaald ogenblik een ambtsontheffing werd toegestaan, er geen enkele beoordelingsruimte meer rest voor de minister, maar dat hij op basis van het gelijkheidsbeginsel zonder meer een ambtsontheffing dient toe te staan aan iedere militair die erom vraagt; dat dit laatste dan zou klemmen met de bepalingen vermeld in de motivering in rechte van de bestreden weigeringsbeslissing; dat op het eerste gezicht de enige relevante vraag inderdaad lijkt te zijn of er met betrekking tot de aanvraag van verzoeker tot tijdelijke ambtsontheffing door loopbaanonderbreking een wettige beslissing werd genomen; dat rekening houdend met de beoordelingsvrijheid de minister en de omstandige motivering in feite, de bestreden weigeringsbeslissing niet kennelijk onredelijk lijkt te zijn; dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij ten aanzien van andere militairen is gediscrimineerd of ongelijk behandeld; dat het vierde middel niet ernstig is.” De verzoeker voert in zijn memorie van wederantwoord en laatste memorie geen argumenten meer aan met betrekking tot de gegrondheid van het middel, die afbreuk zouden kunnen doen aan de voormelde overwegingen van het arrest over de vordering tot schorsing. De Raad van State bevestigt deze overwegingen voor het voorliggende beroep tot nietigverklaring. Het vierde middel is evenmin gegrond. IX-2064-23/39 V. Zaak A. 87.968/IX-2065 Onderzoek van de middelen a. Eerste middel Standpunt van de partijen
  36. De verzoeker voert in het middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij stelt dat de motivering van de weigeringsbeslissing niet afdoende is. Ze vermeldt weliswaar dat het verkrijgen van ontslag geen absoluut recht is en onderworpen is aan de afweging door de minister van het individueel belang tegenover het algemeen belang, maar rept met geen woord over de individuele belangen van de verzoeker. Nochtans impliceert de weigering van het ontslag volgens de verzoeker een zware inbreuk op zijn individuele vrijheid en op het recht tot het uitoefenen van andere arbeid. De verzoeker wijst er ook op dat hem reeds een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden was toegekend, waardoor de verwachting werd gecreëerd dat het daarop aansluitend ontslag zou worden ingewilligd. Hij betoogt dat geen enkele “concrete hypothetische dienstnoodwendigheid” werd aangestipt, hoewel hij in zijn verweerschrift had gewezen op “het overtal aan officieren”. Volgens de verzoeker houden de woorden “tot mijn spijt” van de minister geen verband met zijn individuele belangen, laat staan dat zijn individuele belangen werden afgewogen tegen het algemeen belang.
  37. De verwerende partij antwoordt dat uit niets blijkt dat de minister geen rekening zou hebben gehouden met het individueel belang van de verzoeker. Voorts laat zij gelden dat de minister niet elk element moet weergeven dat zijn beoordeling heeft beïnvloed, maar kan volstaan met het vermelden van de determinerende motieven van zijn beoordeling.
  38. De verzoeker repliceert dat bezwaarlijk kan worden geëist dat de minister uitdrukkelijk schrijft dat hij geen rekening houdt met individuele belangen, vooraleer zou mogen worden aangenomen dat hij daadwerkelijk geen rekening heeft IX-2064-24/39 gehouden met zulke belangen. Voorts stelt de verzoeker dat de administratieve dossiers, waarop de motivering steunt, onvolledig zijn. Beoordeling
  39. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De formele motiveringsplicht houdt evenwel niet in dat alle door de partijen aangevoerde argumenten moeten worden beantwoord. Het volstaat dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming wordt betrokken en dat blijkt, minstens op impliciete wijze, waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. In de motivering van de bestreden beslissing heeft de minister van Landsverdediging gesteld dat hij “het individueel belang moet afwegen tegenover het algemeen belang”. Op grond van de expliciet uiteengezette redenen, die betrekking hebben op de goede werking van de Krijgsmacht en derhalve op het algemeen belang, heeft de minister geoordeeld dat hij “geen gunstig gevolg [kan] geven aan [verzoekers] aanvraag tot ontslag”. Hieruit dient noodzakelijk te worden afgeleid dat de minister de door de verzoeker aangevoerde gegevens, die betrekking hebben op zijn “individueel belang”, als niet beslissend beschouwde. Uit de IX-2064-25/39 motivering kan derhalve worden afgeleid dat de minister de argumenten van de verzoeker in zijn besluitvorming heeft betrokken, doch dat deze argumenten naar zijn oordeel niet opwogen tegen het algemeen belang. Aldus heeft de minister in de motivering van de bestreden beslissing de determinerende motieven voor zijn beslissing vermeld. Die motivering is op zich “afdoende” in de zin van de wet van 29 juli
  40. De beweerde onvolledigheid van het administratief dossier heeft ten slotte niets te maken met de formele motivering van de bestreden beslissing. Het eerste middel is niet gegrond. b. Tweede middel Standpunt van de partijen
  41. De verzoeker voert in het middel de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, doordat verschillende “jonge” officieren, na herhaald verlengd verlof zonder wedde, wel ontslag hebben verkregen. Hij verwijst in dit verband naar de officieren Pakalin, Van Geertruide, Bauweraerts, Eelen, Kiebooms, Beerts en Hoogsteyns. Ook andere promotiegenoten-ingenieurs konden volgens de verzoeker hun vrijheid herwinnen. Hij verwijst ter zake naar de officieren Bauweraerts, Delahaye, Claerhout, Bonameau, De Troch, Broers, Paerewyck, Luyckx en Claeys. Volgens de verzoeker hebben zelfs kandidaten, waaronder medici, meteen na hun vorming ontslag verkregen.
  42. De verwerende partij antwoordt dat de situatie van de verzoeker verschilt van de situatie van de militairen waaraan hij zich spiegelt, vermits hij geen herhaald verlengd verlof zonder wedde heeft verkregen en hij evenmin kandidaat was. Volgens de verwerende partij kan in ieder geval niet worden aangenomen dat de toekenning van een ontslag of tijdelijke ambtsontheffing aan bepaalde militairen zonder meer een recht op ontslag of tijdelijke ambtsontheffing impliceert voor de andere militairen. Door het vertrek van sommige militairen kan immers een “precaire encadreringssituatie” ontstaan die een weerslag heeft op de goede werking of operationaliteit van de eenheid. De verwerende partij wijst op de IX-2064-26/39 beoordelingsvrijheid van de minister en stelt dat te dezen de weigeringsbeslissing niet kennelijk onredelijk is.
  43. De verzoeker repliceert dat de minister, door hem een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden toe te kennen, heeft bewezen dat de encadreringssituatie niet precair was en, door latere ontslagen in te willigen, heeft aangetoond dat de encadreringssituatie sindsdien evenmin precair is geworden.
  44. In zijn laatste memorie maakt de verzoeker een onderscheid tussen een eerste en een tweede onderdeel. In het eerste onderdeel stelt hij dat uit de feiten duidelijk blijkt dat de overheid op het ogenblik van zijn aanvraag tot tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden kennis had van zijn bedoeling om na het verstrijken van dat verlof van één jaar ontslag te nemen. Hij wijst op een bepaling die het verlenen van een verlof zonder wedde koppelt aan het verkrijgen van een daaropvolgend ontslag. Met name luidde artikel 18 van het reglement A12/1 “Onderrichtingen over de verloven en de vergunningen” volgens de verzoeker als volgt: “De minister van Landsverdediging beslist over het toestaan of het weigeren van de aanvraag. Indien de ingeroepen motieven doen uitschijnen dat de TAPA zal gevolgd worden door een aanvraag tot ontslag of een verbreking van de (weder)dienstneming zal de aanvraag tot TAPA, in principe slechts een gunstig gevolg krijgen op voorwaarde dat de militair de vereiste voorwaarden voor ontslag of verbreking vervult.” De verzoeker stelt dat eenmaal het administratief dossier terdege is aangevuld, zal blijken dat “[zijn] aanspraken op het verzilveren van het opgewekt vertrouwen gewettigd zijn”. In het tweede onderdeel stelt de verzoeker dat het voorbeeld van luitenant Kiebooms verhelderend is voor de aangevoerde discriminatie, nu deze ontslag heeft verkregen na twee jaar en twee maand opeenvolgende tijdelijke ambtsontheffingen, terwijl hij zelf noch een nieuwe tijdelijke ambtsontheffing, ditmaal wegens loopbaanonderbreking, noch ontslag heeft verkregen. IX-2064-27/39 Beoordeling
  45. Artikel 15bis, § 1, van de wet van 1 maart 1958, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, luidt als volgt: “De officieren die het aanvragen kunnen van de Minister van Landsverdediging een onderbreking van hun loopbaan bekomen.” Artikel 21 van dezelfde wet, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, luidt als volgt: “Het ontslag moet schriftelijk worden ingediend; het heeft eerst uitwerking wanneer de Koning het heeft aangenomen. De Minister van Landsverdediging kan het ontslag weigeren indien hij oordeelt dat het strijdig is met het dienstbelang.”
  46. De toekenning van een ontslag of een tijdelijke ambtsontheffing aan bepaalde militairen verleent niet zonder meer een recht op ontslag of tijdelijke ambtsontheffing aan alle andere militairen, waaronder de verzoeker. Het vertrek van bepaalde militairen door ontslag of tijdelijke ambtsontheffing kan immers tot gevolg hebben dat een precaire encadreringssituatie ontstaat die een invloed heeft op de goede werking en operationaliteit van de eenheden, te dezen de Luchtmacht. Het toestaan van ambtsontheffingen op een ogenblik dat het dienstbelang zich daartegen niet verzet, impliceert niet dat ook nadien ambtsontheffingen moeten worden toegestaan wanneer het dienstbelang zich daartegen wél verzet, en omgekeerd impliceert de weigering van een ambtsontheffing op een ogenblik dat het dienstbelang zich daartegen verzet, niet dat ook nadien een ambtsontheffing moet worden geweigerd wanneer het dienstbelang zich niet langer daartegen verzet. Er anders over oordelen zou betekenen dat geen enkele beoordelingsruimte voor de minister meer rest. Zulks zou niet bestaanbaar zijn met de bepalingen van de artikelen 15bis, § 1, en 21 van de wet van 1 maart 1958, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing.
  47. Het blijkt niet dat de militairen waarmee de verzoeker zich vergelijkt, zich in een vergelijkbare situatie als de verzoeker bevonden. De verzoeker ontkent niet dat een deel van die militairen, zoals de verwerende partij aanvoert, ofwel kandidaat waren, ofwel hun ontslag hebben verkregen na herhaald verlengd verlof zonder wedde. Van andere door de verzoeker genoemde militairen blijkt niet waarin de ongelijke behandeling met de verzoeker zou bestaan, nu zij IX-2064-28/39 blijkbaar evenmin ontslag hebben verkregen. Wanneer de verzoeker zich vergelijkt met andere militairen die in het verleden wel een ontslag of een tijdelijke ambtsontheffing hebben verkregen, zoals luitenant Kiebooms, moet worden vastgesteld dat de verzoeker niet aantoont dat zij zich vanuit het oogpunt van encadreringssituatie en rendement in dezelfde situatie als hijzelf bevonden. Voor zover de verzoeker in zijn laatste memorie met verwijzing naar artikel 18 van het reglement A12/1 “Onderrichtingen over de verloven en de vergunningen” laat gelden dat de verwerende partij het bij hem opgewekte vertrouwen heeft beschaamd door na het toekennen van een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden, zijn ontslagaanvraag af te wijzen, geeft hij het middel een volledig nieuwe invulling, wat hij niet ontvankelijk in zijn laatste memorie kan doen. Het tweede middel is niet gegrond. c. Derde middel Standpunt van de partijen
  48. In een eerste onderdeel van het middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 21 van de wet van 1 maart
  49. Hij stelt dat de minister op grond van zijn discretionaire bevoegdheid het ontslag heeft geweigerd “in het belang van de dienst”. Volgens de verzoeker dient het voormelde artikel 21 evenwel beperkend te worden geïnterpreteerd en kan het weigeringsmotief “in het belang van de dienst” niet worden aangewend om het ontslag te weigeren aan een militair die een tijdelijke ambtsontheffing heeft verkregen en die bij een andere werkgever wil dienen. Indien dit wel zou gebeuren, houdt dit volgens de verzoeker een schending in van de individuele vrijheid en de vrije arbeidskeuze bepaald in de artikelen 12 en 23 van de Grondwet. Voorts is de verzoeker van mening dat de minister oog moet hebben voor het individuele belang van de verzoeker en dat uit de woorden “tot mijn spijt” in de bestreden beslissing geen behoorlijke afweging van de individuele belangen blijkt. IX-2064-29/39 In een tweede onderdeel stelt de verzoeker dat indien het voormelde artikel 21 toch dermate extensief zou mogen worden geïnterpreteerd dat het aan de minister een bevoegdheid tot weigering van elk ontslag toekent, dit een schending zou inhouden van de artikelen 10, 11, 12, 23 en 182 van de Grondwet. De verzoeker betoogt dat het in de wet van 1 maart 1958 vermelde criterium van het “belang van de dienst” zo onnauwkeurig is dat het aan de minister een te ruime beoordelingsvrijheid verleent. Een dergelijke weigeringsbevoegdheid is volgens de verzoeker onverenigbaar met de artikelen 12, 23 en 182 van de Grondwet, vermits in deze bepalingen de normatieve bevoegdheid met betrekking tot het statuut van de militairen wordt voorbehouden aan de wetgever, waardoor het niet aan de verwerende partij toekomt om bij ontstentenis van duidelijke wettelijke criteria zelf op te treden. De verzoeker stelt dat hij te dezen wordt verhinderd, onder dwang van straf- en tuchtsancties, om een andere werkgever te dienen. Hij wenst dat de volgende prejudiciële vraag dienaangaande wordt gesteld aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt het artikel 21 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de land-, de lucht-, de zeemacht en de medische dienst en der reserveofficieren niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd en in samenhang beschouwd met de artikelen 12, 23 en 182 van de Grondwet?”
  50. De verwerende partij antwoordt dat de minister bij de beoordeling van ontslagaanvragen over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt die te dezen niet op een kennelijk onredelijke wijze werd uitgeoefend. Voorts is de verwerende partij van oordeel dat de door de verzoeker gesuggereerde prejudiciële vraag niet moet worden gesteld, vermits: - het niet evident is dat wanneer een norm, in casu artikel 21 van de wet van 1 maart 1958, grondwetsartikelen zou schenden, een individuele weigeringsbeslissing ook diezelfde grondwetsartikelen zou schenden; - die vraag niet de grondwettigheid van het voormelde artikel 21 betreft, maar wel de interpretatie van dit artikel door de Raad van State in die zin dat de minister inzake de aanvragen tot definitieve ambtsontheffing over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt; IX-2064-30/39 - de Raad van State kan weigeren om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, indien hij zelf de norm kan interpreteren conform de Grondwet, wat te dezen mogelijk is.
  51. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat artikel 21 van de wet van 1 maart 1958 bepaalt dat een “oude” officier, dit wil zeggen een officier waartegen niet meer wordt opgeworpen dat hij nog niet voldoet aan de vereiste rendementsvoorwaarden, recht heeft op ontslag tenzij uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen. Volgens de verzoeker hebben “oude” officieren dan ook recht op loopbaanonderbreking, evenals op ontslag en heeft de minister daarbij een beoordelingsmarge die quasi nihil is. De verzoeker stelt voorts dat de gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof moet worden gesteld met “verduidelijking”. Hij formuleert vervolgens dezelfde prejudiciële vraag als met betrekking tot het tweede middel in de zaak A. 87.866/IX-2064 (zie overweging 15). Zelfs indien de artikelen 15bis en 21 van de wet van 1 maart 1958 grondwettig zouden zijn, is de bestreden beslissing volgens de verzoeker onrechtmatig. Zoals de Raad van State in de arresten nr. 169.109 van 19 maart 2007, Weltens, nr. 170.007 van 14 april 2007, Weltens, nr. 171.010 van 10 mei 2007, Kürten en nr. 171.300 van 20 mei 2007, Weltens, het uiteengezet, moet de overheid in het ontslagrecht immers bijzonder keurig en coherent handelen, mag de rechtzoekende militair zijn legitieme aanspraken verzilveren en moet het bestuur bij “voorspelbare” problemen aangeven dat er overmacht is en dat ze gedurende jaren al het mogelijke heeft gedaan om vrijwillige ontslagen niet te moeten weigeren. De verzoeker vindt in het administratief dossier geen gegevens waaruit blijkt hoe precair de situatie voor de ingenieurs wel was en ten aanzien van welke organieke tabellen -de oude of de nieuwe- er een “precariteit” zou hebben bestaan. Hij meent dat wat de overheid in 2007 voor de piloten aan de Raad van State heeft uiteengezet, evenzeer voor de ingenieurs kan gelden. De verzoeker formuleert voorts een aantal grieven. Wat de aanwervingen betreft, stelt hij dat het tijdelijke kader, waarvan ook ingenieurs deel uitmaakten, radicaal is afgebouwd en dat de overheid vervolgens een recruteringsstop heeft ingevoerd waarbij ontslagnemende officieren verplicht worden verder te werken in plaats van vrijwillige kandidaten te recruteren voor IX-2064-31/39 dezelfde kostprijs. Wat de afvloeiingen betreft, betoogt hij dat sinds 1997 militairen worden betaald om af te vloeien, dat in de retroactieve wet van 25 mei 2000 enkel een voorbehoud is gemaakt voor de officieren van het Technisch Medisch Korps en dat er dus geen noodzaak was om voor de periode van 1997 tot 2000 dat voorbehoud uit te breiden tot de ingenieurs. Volgens de verzoeker was de retroactieve uitsluiting van loopbaanonderbreking van personen die op het ogenblik van hun aanvraag niet in actieve dienst waren, ingegeven door het motief van de wetgever dat diegene die in verlof zonder wedde was, daaropvolgend ontslag zou moeten verkrijgen. Hij meent dan ook dat indien er sprake zou zijn geweest van een dermate onoverbrugbaar deficit dat de ontslagaanvraag van ingenieurs geweigerd moest worden, de wetgever in de wet van 25 mei 2000 in een uitsluitingsclausule voor ingenieurs zou hebben voorzien naar het voorbeeld van de clausule voor de officieren-artsen. Vermits in zijn geval geen sprake was van onvoldoende rendementsvoorwaarden en hem bovendien reeds een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden was verleend, is de verzoeker van oordeel dat de wetgever zijn uitsluiting van de afvloeiingsmaatregel nooit heeft gewenst. Voorts stelt de verzoeker dat pas na de door hem gevraagde aanvulling van het administratief dossier men een gedegen inzicht zal hebben in de rechtmatigheid van de bestreden beslissing, dat hij terdege uitzicht had op een ambtsontheffing, vermits de tijdelijke ambtsontheffing enkel werd verleend wanneer werd voldaan aan de ontslagvoorwaarden en dat hij in 2001 wel werd ontslagen, zonder de dienst te hebben hernomen na afloop van zijn tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden. De verzoeker is van mening dat hij het slachtoffer is geworden van de intentie van het departement Landsverdediging om aan militairen een “afkoopsom” op te leggen en hen daarom opeenvolgende, onbezoldigde, tijdelijke ambtsontheffingen toe te kennen totdat er een uitvoerbare wetsbepaling bestond die dergelijke betaling afdwingbaar stelde. Voorts wijst hij op de “rendements”-reglementering, destijds verwoord in het reglement JSP-A/AFDAN 216 C van 15 maart
  52. Hij is van mening dat de toezegging “behoudens uitzonderlijke gevallen wordt ontslag verleend aan officieren die aan de rendementsvoorwaarden voldoen” betekent dat “jonge officieren” hoe dan ook ontslag kunnen krijgen, weliswaar in uitzonderlijke omstandigheden. Een andere lezing staat volgens hem haaks op de regel dat beperkingen met betrekking tot grondrechten restrictief moeten worden gelezen. IX-2064-32/39 Precies om die reden is volgens hem de ontslagaanvraag van een officier die voldeed aan de rendementsvoorwaarden nooit geweigerd van 1972 tot
  53. In de plotse ommekeer in zijn nadeel in 1999 ziet hij dan ook een schending van de wet en van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Beoordeling
  54. Artikel 21 van de wet van 1 maart 1958, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, bepaalt dat de minister van Landsverdediging ontslag kan weigeren, indien hij oordeelt dat het strijdig is met het dienstbelang. De verzoeker acht deze wetsbepaling, indien ze in die zin wordt geïnterpreteerd dat ze aan de minister een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid verleent, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd en in samenhang gelezen met de artikelen 12, 23 en 182 van de Grondwet. In zijn verzoekschrift suggereert de verzoeker om dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. In zijn arrest nr. 39/2005 van 16 februari 2005 heeft het Grondwettelijk Hof eenzelfde prejudiciële vraag reeds ontkennend beantwoord. Het Hof overweegt in dat arrest onder meer: “B.3.
  55. Volgens de in het geding zijnde bepaling kan de Koning het ingediende ontslag van een officier alleen aannemen wanneer de Minister van Landsverdediging niet heeft geoordeeld dat het strijdig is met het dienstbelang. Er dient bijgevolg te worden onderzocht of die machtiging binnen de aldus in B.3.2 vermelde perken blijft. B.
  56. De in het geding zijnde bepaling verleent de Koning of de Minister geen reglementaire bevoegdheid maar kent deze een discretionaire bevoegdheid toe waarbij de Minister een evenwicht dient na te streven tussen het belang van het leger en dat van de betrokken militair. Een dergelijke toewijzing van individuele beslissingsbevoegdheid aan de Koning of een minister door de wet komt niet neer op een delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de Koning, hetgeen op grond van artikel 182 van de Grondwet verboden is. Dezelfde grondwetsbepaling staat niet eraan in de weg dat aan de Koning of de Minister beslissingsbevoegdheid wordt toegekend die deze toestaat elke ontslagaanvraag te onderzoeken en ze af te wegen tegen de behoeften van het leger, meer bepaald inzake encadreringsvereisten, die naar gelang van de omstandigheden kunnen evolueren. IX-2064-33/39 B.
  57. Ofschoon een dergelijke toewijzing van bevoegdheid aan de Koning en de Minister een ruime beoordelingsbevoegdheid inhoudt, is zij niet onverenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet daar de notie ‘dienstbelang’ op voldoende duidelijke wijze aangeeft dat de Minister bij het nemen van zijn beslissing de goede werking van de krijgsmacht voorop dient te stellen en zijn beslissing dient te motiveren, rekening houdend met het dienstbelang. Evenmin kan uit de onbepaaldheid van de notie ‘dienstbelang’ worden afgeleid dat de wetgever de Koning of de Minister zou hebben toegestaan de beginselen van gelijkheid of niet-discriminatie te miskennen. De bevoegde rechter zal in elk geval oordelen of de Koning of de Minister de bevoegdheid die hun is verleend overeenkomstig de wet uitoefenen zodat aan de betrokkenen een afdoende rechtsbescherming wordt geboden. B.
  58. De toetsing aan de artikelen 10 en 11, gelezen in samenhang met de artikelen 12 en 23 van de Grondwet leidt, wat betreft de naleving van het legaliteitsbeginsel, niet tot een andere conclusie.” Op grond van artikel 26, § 2, tweede lid, 2/, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, is de Raad van State in de voorliggende zaak dan ook niet verplicht de door de verzoeker geformuleerde prejudiciële vraag met betrekking tot artikel 21 van de wet van 1 maart 1958 aan het Grondwettelijk Hof te stellen.
  59. De prejudiciële vraag die door de verzoeker in zijn laatste memorie wordt “verduidelijkt”en die dezelfde is als die welke hij in zijn laatste memorie met betrekking tot het tweede middel in de zaak A. 87.866/IX-2064 heeft geformuleerd (zie overweging 15), moet om dezelfde redenen als hiervóór vermeld in de zaak A. 87.866/IX-2064 evenmin aan het Grondwettelijk Hof worden gesteld (zie overweging 18).
  60. Artikel 21 van de wet van 1 maart 1958, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, verleent aan de minister van Landsverdediging de bevoegdheid om een aangevraagd ontslag te weigeren indien hij oordeelt dat het strijdig is met het dienstbelang. Zoals het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 39/2005 van 16 februari 2005 kent de desbetreffende wetsbepaling een discretionaire bevoegdheid toe, waarbij de minister een evenwicht dient na te streven tussen het belang van het leger en dat van de betrokken militair. De Raad van State is bevoegd om te oordelen of de minister die discretionaire bevoegdheid op een wettige wijze heeft uitgeoefend. Zo zal de Raad van State eventueel kunnen vaststellen dat het oordeel van de minister om een aangevraagd ontslag als strijdig met het belang van de dienst aan te merken, kennelijk onredelijk is. IX-2064-34/39 Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de minister van Landsverdediging, steunend op de in de instructie van 15 maart 1989 gestelde rendementsvoorwaarde, heeft geoordeeld dat het dienstbelang zich ertegen verzet dat aan de verzoeker ontslag wordt toegestaan vooraleer hij het vereiste rendement heeft volbracht, dat na de specifieke vormingen die de verzoeker heeft gekregen op kosten van het ministerie van Landsverdediging en rekening houdend met de noodzaak aan gevormd personeel met een zekere ervaring, de Krijgsmacht immers de rechtmatige verwachting kon en kan koesteren dat de verzoeker minstens tot na het voleindigen van de rendementsperiode in dienst blijft, dat de Krijgsmacht met deze rechtmatige verwachting rekening heeft gehouden bij de vaststelling van het aantal militairen die in aanmerking kwamen voor het volgen van dezelfde vorming die de verzoeker destijds heeft gevolgd en dat het vroegtijdig ontslag van de verzoeker bijgevolg indruist tegen het dienstbelang. De minister is aldus zijn beoordelingsbevoegdheid niet te buiten gegaan. Zijn oordeel, dat in overeenstemming is met de voorafgaande adviezen van de verschillende hogere militaire overheden, kan niet als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. De door de verzoeker in zijn laatste memorie geformuleerde grieven, doen hieraan geen afbreuk. De verzoeker stelt weliswaar dat hij aan de rendementsvoorwaarden voldoet, maar dit is niet meer dan een loutere bewering die op geen enkele wijze wordt gestaafd.
  61. Voor zover de verzoeker in zijn laatste memorie het middel uitbreidt tot een schending van het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel, moet ambtshalve worden opgeworpen dat hij dat niet op een ontvankelijke wijze in zijn laatste memorie kan doen.
  62. Het derde middel is niet gegrond. d. Vierde middel Standpunt van de partijen
  63. De verzoeker voert in het middel de schending aan van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” en van het rechtszekerheids-, het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel. IX-2064-35/39 Hij verwijst naar administratieve “rendementsnormen” die zijn vastgelegd, enerzijds, in een nota van de minister van 27 september 1988, en anderzijds, in nota’s van de Generale Staf van 2 oktober 1992 en 11 mei 1995, waaruit zou blijken dat men op aanvraag ontslag of een TALO-T bekomt “na het vervullen van de opgelegde aanwezigheidsperiode”. Voorts betoogt hij dat op grond van het gelijkheidsbeginsel ongelijke gevallen ongelijk moeten worden behandeld en dat bijgevolg een “oude” militair anders moet worden behandeld dan een “jonge” militair die net zijn vorming heeft beëindigd.
  64. De verwerende partij antwoordt dat geen enkele interne norm of beheersregel bestaat die bepaalt dat de verzoeker een recht op ontslag of op een TALO-T zou hebben, bijvoorbeeld na een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden of na het volbrengen van de rendementsperiode. Voorts stelt zij dat de minister niet gebonden is door een beheersregel van de administratie.
  65. De verzoeker laat in zijn laatste memorie nog gelden dat hem reeds een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden was toegekend en dat hij de informele ontslagvoorwaarden bijna had bereikt. Hij stelt dat uit de feiten duidelijk blijkt dat op het ogenblik van zijn aanvraag van een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden de overheid kennis had van zijn bedoeling om na het verstrijken van dat verlof van één jaar ontslag te nemen. Hij stelt dat wel degelijk een bepaling bestond die het verlenen van een verlof zonder wedde koppelt aan het verkrijgen van een daaropvolgend ontslag. Hij verwijst dienaangaande wederom naar artikel 18 van het reglement A12/1 “Onderrichtingen over de verloven en de vergunningen” (zie overweging 39). Eenmaal het administratief dossier terdege is aangevuld, zal volgens de verzoeker blijken dat zijn “aanspraken op het verzilveren van het opgewekt vertrouwen gewettigd zijn”. IX-2064-36/39 Voorts betoogt hij dat zijn ontslag door het ministerie van Landsverdediging werd uitgesteld tot na de publicatie van een nieuwe ontslagwetgeving, ingevoerd bij wet van 16 maart 2000, op grond waarvan een “afkoopsom” kon worden afgedwongen bij vrijwillig ontslag. Beoordeling
  66. De verzoeker stelt dat de overheid met de bestreden beslissing haar eigen regelen en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel schendt, doordat administratieve “rendementsnormen” zouden bestaan die een recht op ontslag verlenen wanneer een militair een bepaalde aanwezigheidsperiode volbrengt, alsook dat een interne norm zou bestaan die een militair een recht op ontslag verleent na een tijdelijke ambtsontheffing. Wat de administratieve “rendementsnormen” betreft, moet de verwerende partij worden bijgevallen dat niet blijkt dat een interne norm of beheersregel bestaat die een militair een recht op ontslag verleent na het volbrengen van de rendementsperiode. Met betrekking tot het recht op ontslag na een tijdelijke ambtsontheffing, wijst de verzoeker op artikel 18 van het reglement A12/1 “Onderrichtingen over de verloven en de vergunningen”. Dit artikel, dat niet is terug te vinden in het dossier, zou bepalen dat wanneer een militair een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden aanvraagt en hierbij laat uitschijnen daaropvolgend ontslag te zullen vragen, dit verlof in principe slechts kan worden toegekend indien hij de vereiste voorwaarden voor ontslag vervult. Deze bepaling heeft dus betrekking op de voorwaarden om een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden te verkrijgen met het oog op een daaropvolgende vraag tot vrijwillig ontslag. Ze houdt niet de verplichting in voor de minister om, na de eventuele vaststelling dat de vereiste voorwaarden voor ontslag vervuld zijn en de toekenning van het gevraagde verlof, ook de daaropvolgende ontslagaanvraag in te willigen. Op grond van artikel 21 van de wet van 1 maart 1958, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, beschikt de minister immers over een discretionaire bevoegdheid om elke ontslagaanvraag te beoordelen en kan hij het gevraagde ontslag, indien hij dit strijdig bevindt met het dienstbelang, alsnog weigeren. Zo is het mogelijk dat op het IX-2064-37/39 ogenblik van de toekenning van het gevraagde verlof het dienstbelang zich niet verzet tegen een ontslag, maar dat dit anders is op het einde van dat verlof. Bijgevolg maakt de verzoeker evenmin aannemelijk dat een interne norm zou bestaan op grond waarvan een militair een recht op ontslag heeft na een tijdelijke ambtsontheffing.
  67. In zoverre de verzoeker in het middel ten slotte de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, moet worden vastgesteld dat hij het middel niet nader verduidelijkt en dat het middel bijgevolg niet ontvankelijk is. Voor zoveel als nodig wordt erop gewezen dat bij de beoordeling van het tweede middel reeds werd geconcludeerd dat de verzoeker geen schending van het gelijkheidsbeginsel aantoont (zie overweging 42).
  68. Het vierde middel is niet gegrond. BESLISSING
  69. De Raad van State verwerpt de beroepen.
  70. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vorderingen tot schorsing en van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op 694,12 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 20 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier, De voorzitter, IX-2064-38/39 Vera Wauters Paul Lemmens IX-2064-39/39 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.183 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.