← België

Arrest 204185 - Sluitingen van vestigingen - 20/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.185 Rolnummer: A. 196478/XII-6196 Zaak: Arrest 204185 - Sluitingen van vestigingen - 20/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-21 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:46 Fiche Arrest nr 204.185 van 20 mei 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 204.185 van 20 mei 2010 in de zaak A. 196.478/XII-6196 In zake: de BVBA JOFFRY’S bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Luk Delbrouck en Lori Parroni kantoor houdend te Hasselt Maastrichterstraat 99 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:

  1. de BURGEMEESTER VAN DE STAD HASSELT
  2. de STAD HASSELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te Hasselt Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 17 mei 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 10 mei 2010 van de burgemeester van de stad Hasselt dat café Joffry’s, Luikersteenweg 114 te Hasselt, tot 1 augustus 2010 gesloten moet zijn van 23 u tot 8 u. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partijen hebben een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 mei 2010, om 9.30 uur. Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. XII-6196-1\6 Advocaat Lori Parroni, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Hugo Lamon, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Patricia De Somere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Verzoekster baat café Joffry’s uit aan de Luikersteenweg 114 te Hasselt. Om reden van geluidsoverlast legt de burgemeester van Hasselt bij besluit van 10 juli 2009 het café een eerste keer een vervroegd sluitingsuur -van 23 tot 8 u- op, tot en met 31 augustus
  7. Omdat de geluidsoverlast blijft aanhouden, wordt verzoekster op 30 april 2010 gehoord in verband met het voornemen van de burgemeester om opnieuw tijdelijk een vervroegd sluitingsuur op te leggen. Volgens verzoekster is er in de eerste plaats sprake van een ruzie met de buren; hij stelt voor het geschil voor de vrederechter te brengen. Overwegende dat het voorstel onvoldoende garanties biedt om de voor de buurt noodzakelijke terugkeer van de openbare rust te verkrijgen, beslist de burgemeester van Hasselt op 10 mei 2010 dat het café gesloten moet zijn van 23 u tot 8 u. Voor zijn rechtsgrond verwijst het besluit naar “de artikelen 133 tweede lid en 135 §2 van de Nieuwe Gemeentewet”. IV. Aanwijzing verwerende partij
  8. Volgens de nota is de vordering onontvankelijk in zoverre ze gericht is tegen de stad Hasselt: de bestreden beslissing kadert in de administratieve politiebevoegdheid van de burgemeester. XII-6196-2\6
  9. Dit standpunt wordt vooralsnog niet gevolgd. Tenminste in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat de stad Hasselt als rechtspersoon terecht wordt betrokken als verwerende partij in een vordering, gericht tegen een bestuurshandeling waarbij de burgemeester is opgetreden als een orgaan van de stad. V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  10. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te hertstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.
  11. Wat de tweede grondvoorwaarde betreft, betoogt verzoekster wat volgt: “Verzoekende partij lijdt een ernstig nadeel. Verzoekster realiseert de meeste omzet tussen 21u en 1u. Door de sluiting te bevelen vanaf 23u ziet verzoekster een groot deel van haar omzet verloren gaan. Bovendien hoeft het geen betoog dat verzoekster veel van haar vast cliënteel zal verliezen door deze maatregel. Immers zal het cliënteel van verzoekster zich voor de zeer beperkte tijd niet meer begeven naar de handelszaak van verzoekster doch een alternatief zoeken binnen Hasselt. Aangezien het aanbod van alternatieve locaties ruim is, zal deze maatregel met zich meebrengen dat verzoekster haar cliënteel verliest aan concurrerende etablissementen. Het nadeel is bijgevolg van financiële aard doch ook van algemene aard daar ze de leefbaarheid van de handelszaak ernstig in het gedrang brengt. Het ernstig nadeel is ook moeilijk te herstellen. Om het geschetste nadeel op een efficiënte wijze te bestrijden, dient de ten uitvoerlegging van de bestreden beslissing te worden geschorst. Zoniet blijft de beslissing immers uitvoerbaar en zal het nadeel ten volle intreden. Mogelijks zal verzoekster enkele van haar personeelsleden reeds dienen te ontslaan alsook ernstige moeilijkheden ondervinden met het betalen van al haar vaste kosten. Een faillissement is zeker niet ondenkbaar. Zodoende zal het financieel nadeel niet te herstellen zijn na het vernietigingsarrest, aangezien het enerzijds zeer moeilijk kan berekend en ingeschat worden en het bovendien zo overweldigend is dat de leefbaarheid van de handelszaak erdoor in het gedrang komt. [...] Het gevaar bestaat er in dat verzoekster haar handelszaak reeds zal dienen te sluiten vooraleer een uitspraak mag worden verwacht van uw Raad in de vernietigingsprocedure”. XII-6196-3\6 Dezelfde uiteenzetting moet ook verantwoorden dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. Bijkomend wordt in dat verband door verzoekster nog erop gewezen dat zij niet de kans heeft gehad “om de geijkte procedure voor de bevoegde Vrederechter te brengen” en dat een procedure voor de vrederechter zelfs onmogelijk wordt.
  12. Een vordering tot schorsing moet de verzoekende partij ervoor behoeden dat zij in afwachting van een uitspraak over haar beroep tot nietigverklaring van een beslissing, ten gevolge van die beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt. Alleen in díe uitzonderlijke gevallen waarin zelfs een (gewone) schorsing nog te laat dreigt te komen om dat moeilijk te herstellen ernstig nadeel te vermijden, is een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid gewettigd. Dat een verzoekende partij in een dergelijk uitzonderlijk geval verkeert, moet zij, gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, aan de hand van een uiteenzetting van de feiten in haar vordering aantonen. Deze feiten dienen concreet en verifieerbaar te zijn.
  13. Te dezen wordt met de verwerende partijen vastgesteld dat verzoekster in het verzoekschrift niet bepaald scheutig is met concrete informatie. Stavingsstukken in verband met het nadeel zijn er zelfs helemaal niet. Over omvang en omzet van het café mag de Raad van State alleen vernemen dat het café “een respectabele en florerende handelszaak” is, die blijkbaar meerdere personeelsleden in dienst heeft. Beweerdelijk zal verzoekster door de sluiting “een groot deel” van haar omzet verliezen. Elke precisering ontbreekt. Dit verwondert des te meer omdat verzoekster reeds eerder een vervroegd sluitingsuur moest ondergaan -toén zogezegd “met een niet te overziene schade voor verzoekster tot gevolg”-, en zij dus goed in staat moet worden geacht tot een nauwkeurige raming én staving van de te verwachten omzetdaling. Dat “veel van [verzoeksters] vast cliënteel” helemaal achterwege zal blijven omdat het vanwege het sluitingsuur niet meer de moeite waard zou zijn zich naar het café te begeven, is -inzonderheid voor een inrichting die blijkens de debatten ter terechtzitting al vanaf de middag open is- geenszins vanzelfsprekend; XII-6196-4\6 het is niet meer dan een gratuite bewering. Ook het argument dat verzoekster “mogelijks” “enkele” personeelsleden zal moeten ontslaan, ontbeert in al zijn vaagheid iedere overtuigingskracht. Evenmin wordt onthuld welke “vaste kosten” onbetaald dreigen te blijven; de Raad van State heeft er het raden naar. In zoverre, ten slotte, verzoekster zich erover beklaagt dat de bestreden beslissing hem verhindert de zogenaamde burenruzie aan de vrederechter voor te leggen, wordt tenminste vastgesteld dat zij zo doende alleen maar wijst op een gevolg van de bestreden beslissing, zonder evenwel te doen inzien waarom de beslissing en genoemd gevolg voor haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zouden opleveren.
  14. In de gegeven omstandigheden kan de Raad van State er niet toe komen om, zoals door verzoekster gevraagd, het denkbaar te achten dat het aangevochten besluit van de burgemeester de leefbaarheid van haar handelszaak in het gedrang brengt en haar failliet kan doen gaan. Verzoekster toont niet aan ten gevolge van de bestreden beslissing een nadeel te riskeren dat moeilijk te herstellen en ernstig is - laat staan nog een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat slechts door een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden voorkomen. Er is bijgevolg niet voldaan aan de tweede en derde grondvoorwaarde voor een schorsing. Die vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  16. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. XII-6196-5\6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 20 mei 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust XII-6196-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.185 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.