← België

Arrest 204227 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.227 Rolnummer: A. 159769/X-12198 Zaak: Arrest 204227 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:46 Fiche Arrest nr 204.227 van 25 mei 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 204.227 van 25 mei 2010 in de zaak A. 159.769/X-12.198. In zake: 1. Maria JANSSENS 2. Greet JANSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de stad SCHERPENHEUVEL-ZICHEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 MECHELEN Antwerpsesteenweg 18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de b.v.b.a. FREDERICKX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 BERINGEN Scheigoorstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 februari 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 4 oktober 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Scherpenheuvel-Zichem houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan de b.v.b.a. FREDERICKX tot het regulariseren van 2 bouwsilo’s te Scherpenheuvel-Zichem, Schuttersveldstraat 11, kadastraal bekend sectie B, nrs. 262/r en 262/e. X-12.198-1/19 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 159.031 van 19 mei 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeksters hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeksters hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 augustus 2006. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verzoeksters hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2009. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verzoeksters, en advocaat Thomas Rykalts, die loco advocaat Cies Cysen verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Wim Mertens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-12.198-2/19 III. Feiten 3.1. De tussenkomende partij produceert gewapende betonelementen aan de Schuttersveldstraat 11 te Scherpenheuvel-Zichem. 3.2. De verzoeksters zijn omwonenden van de inrichting van de tussenkomende partij. Meer bepaald bevinden de silo’s zich op ongeveer 150 meter van de tuin en 200 meter van de woning van de eerste verzoekster en op ongeveer 200 meter van de tuin en 250 meter van de woning van de tweede verzoekster. 3.3. Het bedrijfsterrein is volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Aarschot-Diest deels gelegen in gebied voor ambachtelijke bedrijven en gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen, en deels in agrarisch gebied. 3.4. De tussenkomende partij vraagt op 13 september 2004 (datum van het ontvangstbewijs) aan de verwerende partij een stedenbouwkundige vergunning voor het regulariseren van twee bouwsilo’s bij een bestaand bedrijf op een terrein gelegen aan de Schuttersveldstraat 11 te Scherpenheuvel-Zichem, kadastraal bekend sectie B, nrs. 262/r en 262/e. 3.5. Op 14 september 2004 wordt de aanvraag gunstig geadviseerd door de verwerende partij. 3.6. Op 24 september 2004 deelt de gemachtigde ambtenaar aan de verwerende partij mee “dat ingevolge het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar (BS 19 mei 2000), op basis van art. 7 een beslissing kan genomen worden door het college van burgemeester en schepenen”. 3.7. De verwerende partij verleent op 4 oktober 2004 de gevraagde vergunning. Dit is het bestreden besluit. 3.8.1. Voor de exploitatie van de inrichting worden tevens opeenvolgende milieuvergunningen verleend. De basisvergunning wordt verleend X-12.198-3/19 bij besluit van 14 november 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. 3.8.2. Op 15 december 2004 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in om de bestaande inrichting te veranderen. Deze aanvraag heeft onder andere betrekking op de opslag van cement in de twee vermelde silo’s. 3.8.3. Met een besluit van 12 mei 2005 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning. Tegen de voormelde beslissing stellen onder meer de huidige verzoeksters beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. Na het inwinnen van de vereiste adviezen, neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het besluit van 9 november 2005 waarbij de beroepen ongegrond worden verklaard en de beroepen milieuvergunning wordt bevestigd. Bij arrest van de Raad van State nr. 160.593 van 27 juni 2006 wordt het ministerieel besluit van 9 november 2005 op vordering van de verzoeksters geschorst. 3.8.4. Ingevolge dit schorsingsarrest trekt de verwerende partij het ministerieel besluit van 9 november 2005 in en verwerpt zij, na het inwinnen van het gunstig advies van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid van 20 juli 2006, op 13 november 2006 opnieuw de administratieve beroepen. De verzoeksters bestrijden het besluit van 13 november 2006 bij de Raad van State. Bij arrest nr. 172.260 van 14 juni 2007 wordt het ministerieel besluit van 13 november 2006 geschorst. Vervolgens wordt het geschorste besluit vernietigd bij arrest nr. 182.922 van 15 mei 2008. 3.8.5. Na dit vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure tegen de beslissing van 12 mei 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant hernomen. Met een besluit van 23 oktober 2008 bevestigt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur de beroepen vergunning, met uitzondering van de portaalkraan waarvoor de vergunning wordt geweigerd. De verzoeksters vechten vervolgens het ministerieel besluit van 23 oktober 2008 aan. Bij arrest nr. 192.135 van 2 april 2009 wordt het besluit van 23 oktober 2008 geschorst. X-12.198-4/19 3.8.6. Op 19 oktober 2009 wordt het geschorste besluit van 23 oktober 2008 ingetrokken door de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur en vervangen door een nieuw besluit waarbij in dezelfde zin, weze het op grond van een andere motivering, wordt beschikt over de beroepen tegen het deputatiebesluit van 12 mei 2005. De verzoeksters bestrijden ook dit besluit van 19 oktober 2009 bij de Raad van State. Bij arrest nr. 200.936 van 16 februari 2010 wordt het besluit van 19 oktober 2009 geschorst, in zoverre “opnieuw uitspraak wordt gedaan over de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams- Brabant van 12 mei 2005, houdende het verlenen aan de BVBA Frederickx van de milieuvergunning voor het veranderen van een inrichting voor de productie van gewapende betonelementen, gelegen aan de Schuttersveldstraat 11 te Scherpenheuvel-Zichem”. Over het annulatieberoep is tot op heden nog geen uitspraak gedaan. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Tijdigheid van het beroep A. Standpunt van de partijen 4.1. In het verzoekschrift stellen de verzoeksters dat “een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning afgegeven is, (nog) niet door de BVBA FREDERICKX op het terrein (werd) aangeplakt” en dat zij op 8 december 2004 kennis namen van het bestreden besluit. 4.2. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord dienaangaande de volgende exceptie op : “2.1. Onontvankelijkheid Ratione temporis In het inleidende verzoekschrift tot nietigverklaring wordt de ontvankelijkheid ratione temporis gestaafd door middel van de loutere ponering dat verzoekende partijen op 8 december 2004 kennis namen van de verkregen vergunning. Het verzoekschrift wordt volgens hen dan ook zeker tijdig ingediend. Zulke summiere stellingname staat in schril contrast met de uitvoerige argumentatie omtrent de overige onderdelen van het verzoekschrift. Verweerster legt dan ook de vinger op de wonde wanneer zij vaststelt dat het verzoek tot nietigverklaring laattijdig is. De bestreden beslissing dateert van 4 oktober 2004. Uw Raad mocht het verzoekschrift slechts op 7 februari 2005 ontvangen. X-12.198-5/19 Dit is manifest laattijdig. De stelling van verzoekers dat zij bovendien slechts op 8 december 2004 kennis verkregen van de afgeleverde vergunning doet de werkelijkheid geweld aan. Verzoekers hebben er in hun strijd tegen de omliggende bedrijven immers de gewoonte van gemaakt om wekelijks bij de diensten van het Stadsbestuur langs te gaan en inzage te vragen in alle mogelijke vergunningsdossiers. Zulks kan bevestigd worden door alle werknemers van de diensten milieu en ruimtelijke ordening van verweerster. Dit wordt ook bevestigd door het feitenrelaas van verzoekers zelf. In reactie op een schrijven van het College dd. 3 maart 2004 waar een brief van de BVBA Frederickx werd overgemaakt aan de raadsman van verzoekers en waarbij de exploitant aankondigt binnen de 2 weken een vergunningsaanvraag in te dienen neemt men onmiddellijk na het verstrijken van deze periode op 26 maart 2004 inzage. Verzoekers geven ook aan herhaaldelijk en regelmatig navraag te doen bij de stedelijke diensten (...). Verzoekers hebben dan ook zonder enige twijfel vroeger kennis genomen van de bestreden beslissing dan zij beweren. Gelet op hun gebetenheid in deze dossiers kan de feitelijke kennisname ten laatste 14 dagen na de datum van de bestreden beslissing een feit zijn. Uw Raad oordeelde reeds meermaals dat van zodra een derde op de hoogte is van het bestaan van een bouwvergunning of kan vermoeden dat er één is afgeleverd hij het nodige dient te doen om ervan kennis te nemen (...). (...) Indien geen verplichting tot bekendmaking of betekening bestaat, rust op de burger bovendien de plicht waakzaam te zijn (...). Zulks kadert bovendien ook in de zorgvuldigheidsplicht die de overheid opzichtens de rechtsonderhorige kan inroepen en waarbij ook de burger noodzakelijkerwijze de nodige alertheid dient aan de dag te leggen indien hij zijn rechten aan het uitputten is. Het is daarbij zeer redelijk te vermoeden dat verzoekende partijen langer op de hoogte waren van de verkregen bouwvergunning, gelet op hun consistente ijver terzake en gelet op de persoonlijke betrokkenheid in het bijzonder. De diligentieplicht in hoofde van de verzoekende partijen kadert in de zorgvuldigheidsplicht die opzichtens de rechtsonderhorige kan worden inroepen en waarbij ook de burger noodzakelijkerwijze de nodige alertheid dient te hebben indien hij zijn rechten aan het uitputten is (...) Wie beroep instelt behoort te bewijzen dat zijn beroep binnen de beroepstermijn is ingediend (...). Verzoekende partijen laten volkomen na dit te doen en beperken zich daarentegen in hun verzoekschrift tot het formuleren van een holle bewering. Naar recht en redelijkheid kan niet aangenomen worden dat verzoekers, als rechtsreeks betrokken, -zelfs instigerende- omwonende partijen dewelke regelmatig contact hadden met het Stadsbestuur, niet eerder op de hoogte waren van de afgeleverde bouwvergunning. Uw Raad beoordeelde dergelijke casussen waarbij de verzoekende partijen ontbeerden aan voldoende alertheid als volgt: ‘Het past dan ook niet dat de geldigheid der akten, reglementen of beslissingen, gedurende onbepaalde tijd onzeker blijven naar gelang van de spoed welke de partijen aan de dag leggen om een beroep tot nietigverklaring in te stellen.’ (...) Het mag niet in de macht van de potentiële verzoeker liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij in rechte wenst te bestrijden, die kennisneming uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn in beroep willekeurig te verschuiven, X-12.198-6/19 zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandelingen buiten het weten zowel van de overheid van wie zij uitgaat als van alle andere belanghebbenden in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien.’ (...) Gelet op de specifieke omstandigheden eigen aan de zaak, o.a. de reeds jarenlange procedures en briefwisseling is het geenszins redelijk te noemen dat verzoekende partijen wachten tot 7 februari 2005 met het indienen van een vernietigingsverzoek bij uw Raad. (...) Uiteraard geldt zulks a fortiori in casu gelet op de ‘roeping’ van verzoekers tot het vrijwaren van de streek van bedrijven. Aangaande deze overwegingen heeft de gefingeerde weergave van een datum manifest geen enkele impact. Zodat de vordering tot nietigverklaring om deze redenen als onontvankelijk dient te worden afgewezen daar het duidelijk is dat verzoekende partijen meer dan 60 dagen voor het instellen van het beroep kennis hadden, minstens hadden kunnen of moeten hebben, van de bestreden beslissing”. 4.3. De tussenkomende partij sluit zich in het verzoekschrift tot tussenkomst aan bij deze exceptie en voegt daar in de “memorie van antwoord” het volgende aan toe : “2. ONONTVANKELLIKHEID. De tussenkomende partij volhardt in haar standpunt m.b.t. de onontvankelijkheid zoals weergegeven in het verzoek tot tussenkomst. Wat de onontvankelijkheid ratione temporis betreft wil de tussenkomende partij nog het volgende toevoegen. Het is een feit dat de tussenkomende partij de bewijslast draagt dat zij de vergunning d.d. 04.10.2004 wel heeft aangeplakt aan het terrein. Het bepalen van het tijdstip waarop de termijn van 60 dagen om zich tot Uw Raad te wenden is aangevat, is echter niet volledig afhankelijk van het bewijs (van het tijdstip) van aanplakking van de vergunning op het terrein. De verzoekende partijen waren bij schrijven van verweerster d.d. 03.03.2004 persoonlijk op de hoogte gebracht van het feit dat er door de tussenkomende partij een aanvraag tot regularisatie van de bestaande toestand zou worden ingediend. De verwerende partij had nochtans geen verplichting in die zin. Uit een nieuwe brief van verweerster aan de verzoekende partijen d.d. 04.06.2004 konden de verzoekende partijen vervolgens opmaken dat er nog geen beslissing tot regularisatie werd genomen. Zoals bij iedere regularisatie van een bestaande toestand het geval is, veruitwendigt deze zich niet in de uitvoering van werken op het terrein, hetgeen een reden temeer is voor een belanghebbende partij om de zaken ook zelf nauwgezet verder op te volgen en zich te informeren. Verzoekende partijen lijken na het schrijven d.d. 04.06.2004 de zaak evenwel te hebben geagendeerd op 6 maanden, hetgeen ook kan verklaren waarom zij op 08.12.2004, omzeggens exact 6 maanden later, een afschrift van de bestreden beslissing hebben verkregen. Enig document (e-mail, fax, briefwisseling,...) uitgaande van verzoekers, daterende van de 6 maanden durende periode tussen 04.06.2004 en 08.12.2004, en verband houdend met de kwestie van de regularisatie, wordt niet voorgelegd. Artikel 52 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening d.d. 22.10.1996 voorziet nochtans voor wat de totale duur van de aanvraagprocedure betreft in een ordetermijn van 75 dagen. X-12.198-7/19 Het feit dat dit een ordetermijn is die zich richt tot de aanvrager en geen termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven, belet niet dat de verzoekende partijen, als belanghebbenden, na het schrijven van verweerster d.d. 04.06.2004 met die termijn rekening hadden dienen te houden bij het bepalen van de duur van de aanvraagprocedure en derhalve van de tijdigheid van een eventuele juridische actie die zij tegen de eindbeslissing zouden willen ondernemen bij Uw Raad. In die hypothese hadden zij via de regelgeving inzake openbaarheid van bestuur ruim eerder kennis verkregen van de stand van de aanvraagprocedure (ofwel hadden zij vernomen dat op 16.08.2006 een aanvraag werd ingediend en bijgevolg dat de procedure lopende was en weldra tot een beslissing zou leiden, ofwel hadden zij onmiddellijk vernomen dat op 04.10.2006 een beslissing werd genomen) dan pas op 08.12.2006 zoals thans, volgens bewering van verzoekers, het geval zou zijn geweest. Het beroep is niet ontvankelijk”. Beoordeling 5.1. De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partijen er kennis van hebben gehad of geacht moeten worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van potentiële verzoekende partijen liggen, wanneer zij in de mogelijkheid zijn kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wensen te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. X-12.198-8/19 Eens die redelijke termijn is verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partijen kennis hadden of konden hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning. Het is dan weer zaak van de verzoekende partijen in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning hebben proberen in te winnen. 5.2. In dit geval betreft het bestreden besluit een regularisatievergunning, hetgeen impliceert dat de verzoeksters niet door de aanvang van de werken gealarmeerd konden worden. Wanneer het alzo zeer moeilijk is het tijdstip aan te tonen waarop de verzoeksters konden vermoeden dat de bestreden vergunning kon zijn afgeleverd, is dit op de eerste plaats aan de tussenkomende partij zelf te wijten. 5.3. De verwerende en de tussenkomende partij verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar een brief van 3 maart 2004, uitgaande van de verwerende partij. In de bijlagen bij deze brief, die gericht is aan de raadsman van de verzoeksters, wordt “de huidige toestand (inclusief de reeds uitgevoerde werken) en de planning voor 2004” beschreven. Aangaande de twee voormelde silo’s wordt in de bijlagen het volgende gesteld : “Hoewel deze silo’s verplaatst kunnen worden, en het onroerende karakter ervan kan betwist worden, zullen wij toch de nodige stappen ondernemen om de regularisatie ervan te bekomen. Onze architect zal binnen de 2 weken een regularisatieaanvraag indienen”. Uit deze brief kan enkel worden afgeleid dat de tussenkomende partij voornemens was om binnen afzienbare tijd een regularisatieaanvraag in te dienen. Deze brief stelt wel dat “binnen de 2 weken” een regularisatieaanvraag zal worden ingediend, maar het blijkt toch nog ruim 6 maanden, namelijk tot 13 september 2004, te hebben geduurd vooraleer de aanvraag uiteindelijk werd ingediend. Verder wordt verwezen naar een brief van 14 juni 2004, gericht aan de raadsman van de verzoeksters, waaruit zou moeten blijken dat er nog geen beslissing inzake de regularisatie was genomen. Deze brief stelt het volgende : “Wij hebben uw schrijven van 05 mei 2004 uitvoerig besproken op het schepencollege van 07 juni 2004. X-12.198-9/19 Wij laten uw verzoek (om in rechte op te treden) onderzoeken door onze gebruikelijke raadsman. Van zodra wij het antwoord van onze raadsman kennen, komen wij op de zaak terug”. Deze brief is een reactie op een brief van 5 mei 2004 van de verzoeksters aan de gemeente, waarin wordt gevraagd verscheidene stedenbouwkundige inbreuken en milieu-inbreuken begaan door de tussenkomende partij te beëindigen door middel van een milieustakingsvordering/herstelvordering en/of een stopzettingsbevel op initiatief van de gemeente. Daargelaten de vraag of uit deze brief kan blijken dat er inderdaad nog geen beslissing inzake de regularisatie was genomen, dient te worden vastgesteld dat de verzoeksters hieruit niet kunnen afleiden wanneer er dan wel een vergunning zou worden verleend of te verwachten zou zijn, en zelfs, evenmin of er intussen al een aanvraag is ingediend. 5.4. Waar de verwerende partij stelt dat de verzoeksters er “in hun strijd tegen de omliggende bedrijven (...) de gewoonte van gemaakt (hebben) om wekelijks bij de diensten van het Stadsbestuur langs te gaan en inzage te vragen in alle mogelijke vergunningsdossiers” en dat “gelet op hun gebetenheid in deze dossiers (...) de feitelijke kennisname ten laatste 14 dagen na de datum van de bestreden beslissing een feit (kan) zijn”, brengt zij daarvan geen bewijs bij. Voorts kan uit de verwijzing naar “de reeds jarenlange procedures en briefwisseling” nog niet worden afgeleid dat de verzoeksters kennis konden hebben van het bestaan en de draagwijdte van de regularisatievergunning vóór 8 december 2004. 5.5. De tussenkomende partij kan niet worden gevolgd waar zij stelt dat de verzoeksters, gelet op de termijn bepaald in “artikel 52 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening d.d. 22.10.1996”, “na het schrijven van verweerster d.d. 04.06.2004 (lees : 14.06.2004) met die termijn rekening hadden dienen te houden bij het bepalen van de duur van de aanvraagprocedure en derhalve van de tijdigheid van een eventuele juridische actie die zij tegen de eindbeslissing zouden willen ondernemen bij Uw Raad”, te meer nu de verzoeksters, zoals reeds gesteld, uit deze brief niet konden afleiden wanneer er dan wel een vergunning zou worden verleend of te verwachten zou zijn, noch of er intussen al een aanvraag was ingediend. De decretaal bepaalde termijnen voor de behandeling van aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen zijn in principe termijnen van orde. Het kan van de verzoeksters in de gegeven omstandigheden niet verlangd worden dat zij zich op X-12.198-10/19 geregelde tijdstippen naar het gemeentehuis begeven om na te gaan of inmiddels nog geen vergunning werd verleend. 5.6. Aangezien de verwerende partij en de tussenkomende partij bijgevolg geen bewijskrachtig gegeven aanvoeren waaruit blijkt dat de verzoeksters meer dan 60 dagen vóór het instellen van het annulatieberoep kennis hadden of moesten hebben van het bestaan en de draagwijdte van het bestreden besluit, dient de exceptie te worden verworpen. Het belang van de verzoeksters Standpunt van de partijen 6. De verwerende partij werpt de volgende exceptie op : “2.2. Gebrek aan belang in hoofde van verzoekende partijen

  1. a)Verwerende partij werpt op dat de vordering tot vernietiging thans onontvankelijk moet worden verklaard wegens gebrek aan belang in hoofde van verzoekende partijen. Het belang fungeert als één van de ontvankelijkheidsvoorwaarden en raakt de openbare orde (...). Uw Raad dient bijgevolg zelfs ambtshalve op het gemis aan belang te wijzen in hoofde van de verzoekers, zelfs zo partijen hiervan geen gewag zouden maken in de loop van de procedure (...). Luidens artikel 19, eerste lid, R.v.St.-wet, kunnen de aanvragen, moeilijkheden en beroepen bedoeld bij de artikelen 11, 12, 13 en 14 voor de afdeling administratie van de Raad van State worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of een belang. Dit belang moet bovendien persoonlijk, rechtstreeks en geoorloofd, alsmede actueel zijn. Elke mogelijke twijfel daaromtrent moet door de verzoekende partij worden weggenomen (...). Laten verzoekers dit na, of slagen zij er niet in de twijfel op dat punt weg te nemen, dan is het beroep niet ontvankelijk (...). In casu gebeurt dit geenszins, wel integendeel.
  2. b)Verzoekende partijen zijn gevestigd op respectievelijk meer dan 200 - 250 meter van de geplande bouwwerken. Zelfs vertrekkende van achteraan de tuin van verzoekende partijen -waar de gebouwen van het betrokken bedrijf waarschijnlijk enkel met een telescoop door de dichte gewassen te aanschouwen zijn- bedraagt de afstand tot aan de bouwwerken voor beiden tussen de 150 en 200 meter! Er kan verwezen worden naar de rechtspraak van Uw Raad dat enkel verzoekers die aantonen in de onmiddellijke nabijheid wonen van het perceel waarvoor een vergunning werd afgegeven van het vereiste belang doen blijken.(...) Uit de rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat met de onmiddellijke nabijheid ‘vlakbij’ wordt bedoeld. Uw Raad is in bepaalde gevallen zelfs van mening dat onder onmiddellijke omgeving een kring van ongeveer 100 meter dient te worden verstaan (...). X-12.198-11/19 In het arrest Verschraegen en Scheire werd een afstand van 100 à 150 meter als te ver beschouwd (...), meerdere honderden meters ook (...). Aangezien huidig verzoekende partijen geenszins wonen in dergelijke ‘onmiddellijke nabijheid’ van de inrichting, getuigen zij niet van het vereiste belang.
  3. b)Bovendien zijn de bouwwerken voor beide verzoekers van op die afstand, door ondermeer de andere naburige constructies in de omgeving, niet zichtbaar tenzij vanuit bepaalde zorgvuldig gekozen plaatsen en invalshoeken.
  4. c)Er dient ook vastgesteld dat verzoekende partijen zich zijn komen vestigen in de streek op het moment dat het kwestieuze bedrijf reeds in uitbating was. Voor eerste verzoekster geldt zulks a fortiori nu zij zich bewust recentelijk in de ouderlijke woning is komen vestigen, terwijl zij probleemloos had kunnen blijven wonen in de echtelijke woning. Bovendien zijn de bedrijfsactiviteiten door de jaren heen -en de constructies- hetzelfde gebleven. Iemand die zich, zoals in casu, met kennis van zaken komt vestigen in de omgeving van een bedrijf, kan zich achteraf niet ernstig beklagen over een regularisatievergunning afgeleverd aan dat bedrijf. Bovendien hebben verzoekende partijen blijkbaar jarenlang moeiteloos kunnen leven met de exploitatie van het bedrijf. Het beste bewijs situeert zich dienaangaande in de vergunningshistoriek die - weliswaar gekleurd- geschetst wordt door verzoekers zelf. Verzoekers wonen reeds 20 jaar ter plaatste en toch hebben zij nooit geageerd tegen: • De bouwvergunning van 22 april 1966; • De exploitatievergunning dd. 8 maart 1967; • De bouwvergunning dd. 8 april 1988; • De bouwvergunning van 7 december 1992; • De vergunning voor grondwaterwinning dd. 19 augustus 1997, • De bouwvergunning van 15 juni 1999 1. Milieuvergunning van 25 juni 1996 Waar de exploitatie niet grondig verschilt met deze in het verleden is het duidelijk dat verzoekende partijen heden bezwaarlijk nog enig belang ten derde kunnen brengen. Pas in juli 1999 -voor de lokale verkiezingen (?)- laten zij voor het eerst van zich horen door zich te verzetten tegen het besluit van de Gemeenteraad van de Stad Scherpenheuvel-Zichem houdende vaststelling van het BPA SCHUTTERSVELD. Dit jarenlang stilzitten van verzoekende partijen tegen de aan de exploitant afgeleverde bouw- en milieuvergunningen, leidt tot de conclusie dat verzoekende partijen geen geoorloofd en actueel belang hebben bij het instellen van het vernietigingsberoep tegen de nu afgeleverde regularisatievergunning van al jarenlang bestaande bouwwerken. Dit alles dient, versterkt door de desinteresse ten aanzien van de lopende vergunningsprocedure, evenals versterkt door het jarenlang stilzitten van verzoekende partijen tegen de in het verleden afgeleverde vergunningen, te leiden tot de conclusie dat verzoekende partijen geen geoorloofd en actueel belang hebben bij het voeren van deze procedure voor Uw Raad. Tevens klemt de vaststelling dat verzoekers dit uitzicht (de constructies zijn al sinds jaren aanwezig) reeds jarenlang tolereren (en zelfs in de buurt zijn komen wonen) zodat het huidig aangevoerd nadeel ‘pour les besoins de la cause’ overkomt. Zodat de vordering bij gebrek aan belang als onontvankelijk dient te worden afgewezen”. X-12.198-12/19 Beoordeling 7.1. Het wordt niet betwist dat de tuinen van de verzoeksters zich op respectievelijk 150 meter en 200 meter van de silo’s bevinden, en de woningen op 200 meter en 250 meter. Het wordt evenmin betwist dat de eerste verzoekster vanuit haar woning zicht heeft op de silo’s, en de tweede verzoekster vanuit haar tuin. Een woning en een tuin zijn geen “bepaalde zorgvuldig gekozen plaatsen en invalshoeken”. De betreffende silo’s zijn blijkens de plannen 14,95 meter en 19,45 meter hoog, zodat het aannemelijk is dat de verzoeksters hiervan een visuele hinder kunnen ondervinden, ook al wonen zij niet vlak naast de silo’s. De verzoeksters doen hierdoor reeds blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. 7.2. De bewering van de verwerende partij dat “de verzoekende partijen zich zijn komen vestigen in de streek op het moment dat het kwestieuze bedrijf reeds in uitbating was” en dat de “verzoekende partijen blijkbaar jarenlang moeiteloos (hebben) kunnen leven met de exploitatie van het bedrijf” vermag daar niets aan te veranderen. De in het verleden reeds verleende vergunningen kunnen, net zomin als het jarenlang gedogen van een bepaalde bedrijfsexploitatie, niet tot gevolg hebben dat daardoor de in de onmiddellijke nabijheid wonende buren de wettigheid van later verleende vergunningen niet meer zouden kunnen betwisten. De exceptie wordt verworpen. Het verval van de vergunning Standpunt van de partijen 8. In de memorie van wederantwoord maken de verzoeksters een “voorwaardelijk voorbehoud” met betrekking tot de teloorgang van het voorwerp van het beroep. Zij stellen dienaangaande het volgende : “II.1 VOORWAARDELIJK VOORBEHOUD : DE TELOORGANG VAN HET VOORWERP. 2. Voor de bestreden vergunning geldt het besluit dd. 9 november 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur ‘houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing nr. D/PMVC/04L21/03263 van 12 mei 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende het verlenen van de vergunning aan de b.v.b.a. FREDERICKX, Schuttersveldstraat 11, 3272 Scherpenheuvel- X-12.198-13/19 Zichem, om een inrichting voor productie van gewapende betonelementen gelegen te 3272 Schepenheuvel-Zichem, Schuttersveldstraat 11, te veranderen’, als de gekoppelde milieuvergunning. Bij arrest (...) heeft Uw Raad besloten tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze milieuvergunning. 3. Ook al legt FREDERICKX het schorsingsbevel van Uw Raad naast zich neer (het bedrijf produceert onverstoorbaar verder, alsof Uw Raad de schorsing van de tenuitvoerlegging van haar milieuvergunning niet zou hebben bevolen, terwijl het Vlaams gewest dit alles maar zijn beloop laat gaan), verzoekende partijen verwachten zich aan een nieuwe milieuvergunningsaanvraag van FREDERICKX. Wellicht zal FREDERICKX hiervoor niet wachten totdat Uw Raad een arrest ten gronde over de milieuvergunning heeft genomen. Men kan in redelijkheid verwachten dat FREDERICKX een nieuwe milieuvergunningsaanvraag voor de exploitatie o.m. van de bouwsilo’s zal aanvragen. 4. Zo FREDERICKX inderdaad een nieuwe milieuvergunningsaanvraag voor de exploitatie van de bouwsilo’s aanvraagt, moet met toepassing van art. 5 van het Milieuvergunningsdecreet dd. 28 juni 1985, zoals vervangen door art. 12 van het decreet 19 mei 2006, en van art. 128, laatste lid van het DRO, zoals vervangen door art. 26 van het decreet van 26 april 2000, worden vastgesteld dat de bestreden stedenbouwkundige beslissing is vervallen. Als regel geldt immers dat uit de nieuwe aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning blijkt dat de vergunningsaanvrager heeft verzaakt aan haar eerste aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning en dat deze toestand dient gelijkgesteld te worden met de in artikel 5 van het Milieuvergunningsdecreet en art. 128 van DRO bedoelde weigering van vergunning in laatste aanleg. Door de indiening van een nieuwe milieuvergunningsaanvraag vervalt de stedenbouwkundige vergunning omdat die gekoppeld is aan de eerste milieuvergunning waarvan het bedrijf klaarblijkelijk afstand heeft gedaan. (...) 5. Zo de bestreden beslissing hangende de procedure vervalt en de zaak hierdoor zijn voorwerp verliest, moeten de kosten in ieder geval ten laste van de verwerende partij worden gelegd”. Beoordeling 9.1. Het blijkt niet, in tegenstelling tot wat de verzoeksters “verwachten”, dat de tussenkomende partij een nieuwe milieuvergunningsaanvraag heeft ingediend. Zij blijkt dus ook geen afstand te hebben gedaan van de eerdere aanvraag of verleende milieuvergunning. 9.2. Uit de feitenuiteenzetting blijkt dat de tussenkomende partij op heden nog beschikt over een, zij het door de Raad van State geschorste, milieuvergunning van 19 oktober 2009 voor onder meer de twee silo’s. Er kan dan ook niet worden gesteld dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning zou zijn vervallen wegens de definitieve weigering van de milieuvergunning. Het beroep is niet zonder voorwerp. X-12.198-14/19 V. De gegrondheid Standpunt van de partijen 10. De verzoeksters zetten het eerste middel, derde onderdeel, als volgt uiteen in het verzoekschrift : “Eerste middel Genomen uit de schending van art. 7, 1/ van het Besl. Vl. Reg. van 5 mei 2000 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar (hierna ‘Besluit van 5 mei 2000’); artt. 2, 45, § 2, vierde en zesde t.e.m. achtste lid, 50, derde lid, en 79 van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962; artt. 2 en 43, §§ 1 en 2, zesde, zevende, negende t.e.m. elfde en dertiende lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna ‘Coördinatiedecreet; artt. 7, 8 en 11 van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna ‘inrichtingsbesluit’); de te volgen richtlijnen inzake de toepassing van de artt. 7, 8 en 11 van het Inrichtingsbesluit opgenomen in de Ministeriële Omzendbrief van 3 augustus 1979 houdende toelichting bij het K.B. van 28 december 1972; artt. 7, 8 en 11 van de Omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna ‘Inrichtingsomzendbrief’); de bestemmingen agrarisch gebied en gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s vastgelegd door het gewestplan Aarschot-Diest, vastgesteld bij K.B. van 7 november 1978; artt. 2 en 3 van de Formele Motiveringswet van 29 juli 1991; en met toepassing van art. 159 van de Grondwet; (...) En doordat, derde onderdeel, de verwerende partij, zonder voorafgaandelijk eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar, een stedenbouwkundige vergunning verleent voor het regulariseren van 2 bouwsilo’s die geen fysisch geïntegreerd deel uitmaken van het bestaande gebouwencomplex; Terwijl, derde onderdeel, art. 7, 1/, van het Besluit van 5 mei 2000 slechts in een voorwaardelijke vrijstelling van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar voorziet voor ‘verbouwings- en uitbreidingswerkzaamheden aan een bestaand, vergund industrieel of ambachtelijk bedrijf voorzover ze geen wijziging van de industriële of ambachtelijke functie van het gebouw met zich meebrengen, voorzover de hoogte van de gebouwen en de installaties beperkt blijft tot de afstand vanaf dat punt van het gebouw tot de perceelgrenzen en voorzover de uitbreiding een fysisch geïntegreerd deel uitmaakt van het bestaande gebouwencomplex’; (...) ‘Als reeds gesteld, voorziet art. 7, 1/ van het Besluit van 5 mei 2000 slechts in een vrijstelling van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar voor ‘verbouwings- en uitbreidingswerkzaamheden aan een bestaand, vergund industrieel of ambachtelijk bedrijf voorzover ze geen wijziging van de industriële of ambachtelijke functie van het gebouw met zich meebrengen, voorzover de hoogte van de gebouwen en de installaties beperkt blijft tot de afstand vanaf dat punt van het gebouw tot de perceelgrenzen en voorzover de uitbreiding een fysisch geïntegreerd deel uitmaakt van het bestaande gebouwencomplex’. In het tweede middelonderdeel is aangetoond dat de in 1966 vergunde werkplaats tussen 1966 en 1992 zonder vergunning is uitgebreid tot een X-12.198-15/19 heuse productiehal, dat de vergunningen van 1992 en 1999 voor de uitbreiding van die illegale productiehal kennelijk onwettig zijn, en dat de uitbreiding(
  5. en)die ná 1992 werd(
  6. en)gerealiseerd méér omvatte(
  7. n)dan werd vergund met de vergunning van 1992 en 1999: Een groot deel van die illegale uitbreidingen zijn in de diepte en in de hoogte gerealiseerd. Vermits de silo’s achter de productiehal zijn ingeplant en indien men de bestreden beslissing beoordeelt ten opzichte van alleen de in 1966 vergunde werkplaats, dan stelt men vast dat deze silo’s zich op méér dan 10 m van die werkplaats bevinden en méér dan de helft (‘silo 2’ zelfs voor 2/3) boven die werkplaats uitsteken en dus geen fysisch geïntegreerd deel kunnen uitmaken van die werkplaats. Maar ook wanneer men - in het kader van dit derde middelonderdeel - abstractie maakt van het tweede middelonderdeel, kan men niet anders dan besluiten dat de 2 silo’s geen fysisch geïntegreerd deel uitmaken van het/de bestaande gebouwencomplex of productiehal. Op het plan m.b.t. de opstand wordt voor ‘silo 1’ een hoogte van 14,95 m opgegeven en voor ‘silo 2’ een hoogte van 19,45 m. Volgens de bouwplannen van 1999 meet de productiehal op zijn hoogste punt 10,00 m. Silo 1 steekt dus nagenoeg 1/3 boven het hoogste punt van de productiehal uit. Silo 2 steekt zelfs nagenoeg de helft boven dit punt uit. Bovendien bevinden de 2 silo’s zich op ca. 1 m van de achteraan gelegen uitbouw van de productiehal. De metalen stelsels waarop deze silo’s steunen, blijken enkel met metalen latten aan die achtergelegen golfplaten uitbouw van de productiehal te zijn verbonden om te vermijden dat zij bij hevige wind zouden omvallen. Het gaat duidelijk om eenvoudig en snel op te bouwen, en dus ook eenvoudig en snel af te breken, constructies. In het arrest VERNAECKT, waaruit valt af te leiden dat de silo’s in die zaak een hoogte hadden van 8,45 m en op 0,5 m van het bedrijfsgebouw werden ingeplant, heeft uw Raad geoordeeld ‘dat uit de aanduiding van de plaatsing van de silo’s op de goedgekeurde plannen (...) blijkt dat deze silo’s alleszins los van het bestaande gebouwencomplex worden ingeplant, en er dus geen ‘fysisch geïntegreerd deel’ van uitmaken zoals (...) vereist door (...) artikel 7, 1/, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000’. Uit dit arrest valt af te leiden dat in casu, gelet op de hoger aangegeven afmetingen, géén van beide silo’s een fysisch geïntegreerd deel uitmaakt van het bestaande gebouwencomplex in de zin van art. 7, 1/, van het Besluit van 5 mei 2000, zodat van deze bepaling geen toepassing kan worden gemaakt en het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar dus vereist is volgens art. 43, § 1 van het Coördinatiedecreet. Dit advies is niet gevraagd. Het middel, in dit onderdeel, is dan ook gegrond”. Beoordeling 11.1. Het toentertijd geldende artikel 43, § 1, eerste en tweede lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) luidt als volgt : “Zolang voor het gebied waar het goed gelegen is, geen door de Vlaamse Regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk uitvoeringsplan bestaat, kan de vergunning enkel worden verleend op eensluidend advies van de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaar of ambtenaren van de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en X-12.198-16/19 Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, hierna ‘de gemachtigde ambtenaar’ te noemen. De Vlaamse Regering kan de lijst vaststellen van de werken en handelingen waarvoor het advies van de gemachtigde ambtenaar niet is vereist. In dat geval is artikel 44 toepasselijk”. Artikel 7, 1/ van het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende besluit van 5 mei 2000 van de Vlaamse regering tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar, stelt het volgende : “Het advies van de gemachtigde ambtenaar is niet vereist voor de volgende handelingen en werken volgens het gewestplan gelegen in industriegebied in de ruime zin : 1/ de verbouwings- en uitbreidingswerkzaamheden aan een bestaand, vergund industrieel of ambachtelijk bedrijf voorzover ze geen wijziging van de industriële of ambachtelijke functie van het gebouw met zich meebrengen, voorzover de hoogte van de gebouwen en de installaties beperkt blijft tot de afstand vanaf dat punt van het gebouw tot de perceelgrenzen en voorzover de uitbreiding een fysisch geïntegreerd deel uitmaakt van het bestaande gebouwencomplex. Een eventuele uitbreiding van het bouwvolume mag maximaal 100% van het oorspronkelijke volume bedragen”. 11.2. In casu heeft de verwerende partij de gemachtigde ambtenaar om advies verzocht, doch deze deelde met een brief van 24 september 2004 het volgende mee : “In antwoord op uw boven vernoemd schrijven deel ik u mee dat ingevolge het Besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar (BS 19 mei 2000), op basis van art. 7 een beslissing kan genomen worden door het college van burgemeester en schepenen”. De gemachtigde ambtenaar ging er dus vanuit dat de bewuste werken en handelingen vrijgesteld waren van zijn eensluidend advies. 11.3. Er dient vooreerst te worden vastgesteld dat, indien een eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar was vereist en dit advies niet werd verleend, dit ook het bestreden besluit vitieert. De verzoeksters hebben, in tegenstelling tot wat de tussenkomende partij voorhoudt, belang bij dit middel. 11.4. De verwerende en de tussenkomende partij houden ook onterecht voor dat de verzoeksters de mededeling van de gemachtigde ambtenaar met een annulatieberoep hadden dienen te bestrijden. Krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet een beroep tot nietigverklaring X-12.198-17/19 immers een administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Om ontvankelijk te zijn moet het beroep een handeling tot voorwerp hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoeksters. Aldus zijn enerzijds handelingen die in de loop van een administratieve procedure door de overheid worden gesteld met het oog op de totstandkoming van een administratieve rechtshandeling maar die zelf geen rechtsgevolgen hebben, niet voor vernietiging vatbaar -de mogelijke onregelmatigheden waarmee zij zouden zijn aangetast, kunnen wel ontvankelijk worden aangevoerd in een beroep tot nietigverklaring van de eindbeslissing- terwijl anderzijds handelingen ter voorbereiding van een administratieve eindbeslissing die zelf rechtsgevolgen hebben doordat zij onmiddellijk en beslissend de inhoud van de eindbeslissing voor een deel of geheel bepalen en dus een direct en definitief nadeel aan de verzoekende partij berokkenen, wel afzonderlijk met een beroep tot nietigverklaring kunnen worden bestreden. 11.5. De mededeling van de gemachtigde ambtenaar van 24 september 2004 is een voorbereidende handeling en wijzigt de rechtstoestand van de verzoeksters niet. De weigering van de gemachtigde ambtenaar om advies te verlenen was niet bindend voor de verwerende partij met betrekking tot het inhoudelijk gevolg dat zij aan de regularisatieaanvraag moest verlenen. 11.6. Uit artikel 7, 1/ van het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende besluit van 5 mei 2000 van de Vlaamse regering tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar volgt dat één van de voorwaarden opdat geen eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar vereist zou zijn, erin bestaat dat “de uitbreiding een fysisch geïntegreerd deel uitmaakt van het bestaande gebouwencomplex”. 11.7. In casu blijkt uit de ingediende bouwplannen dat de silo’s zich op ongeveer 10 meter van een bestaande productiehal bevinden en op, volgens de verzoeksters en de verwerende partij, 1 meter van de “na 1966 aan de productiehal uitdrukkelijk aangebrachte wijzigingen”. Bovendien blijkt uit deze plannen dat de betreffende silo’s ongeveer 15 en 20 meter hoog zijn en dat zij, blijkens de neergelegde foto’s, ruim boven de bestaande bouwwerken uitsteken. Qua materieel en uitzicht zijn zij daarenboven verschillend van de bestaande omringende bouwwerken. X-12.198-18/19 Zelfs al neemt men met de tussenkomende partij aan dat de fysische integratie niet betekent dat de vergunde werken tegen de reeds bestaande bouwwerken moeten aanplakken, kan men in de gegeven omstandigheden bezwaarlijk voorhouden dat de silo’s een “fysisch geïntegreerd deel” uitmaken van het bestaande gebouwencomplex. Het derde onderdeel van het eerste middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van 4 oktober 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Scherpenheuvel-Zichem houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan de b.v.b.a. FREDERICKX tot het regulariseren van 2 bouwsilo’s te Scherpenheuvel-Zichem, Schuttersveldstraat 11, kadastraal bekend sectie B, nrs. 262/r en 262/e. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig mei 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.198-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.227 Gerelateerde publicatie(
  8. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.031 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.