← België

Arrest 204248 - Politie - 25/05/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.248 Rolnummer: A. 187558/IX-5886 Zaak: Arrest 204248 - Politie - 25/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-04 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:47 Fiche Arrest nr 204.248 van 25 mei 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 204.248 van 25 mei 2010 in de zaak A. 187.558/IX-5886 In zake : Marc WILLEMS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de burgemeester van de stad ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 120 bus 4 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 maart 2008, strekt tot de nietigverkla- ring van het besluit van 15 januari 2008 van de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij Marc Willems voor twee maanden tuchtrechtelijk geschorst wordt. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 mei 2010. IX-5886-1/13 Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Leen Vanbrabant, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Patrick Van Der Straten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker is sinds 1982 in dienst van de politie te Antwerpen. Hij is commissaris van politie en diensthoofd van de jeugdbrigade van de lokale politie. 3.2. Op 23 februari 2007 richt de korpschef van de verzoeker een schrijven aan de procureur des Konings te Antwerpen waarin hij stelt vernomen te hebben dat de verzoeker reeds enige tijd actief zou zijn in het bedrijfsleven met name bij de NV Fricon te Temse; de verzoeker zou in januari 2007 voornamelijk verlof genomen hebben en ’s avonds gewerkt hebben en zich tevens ziek gemeld hebben van 25 tot en met 31 januari 2007; de korpschef deelt mee dat hij vermoedt dat de verzoeker reeds een bezoldigde activiteit uitoefent, hetgeen onverenigbaar is met zijn functie. De korpschef brengt bij brief van 1 maart 2007 tevens de burgemeester van de stad Antwerpen, in zijn hoedanigheid van tuchtoverheid, op de hoogte van dit schrijven aan de procureur des Konings. 3.3. Op 6 maart 2007 stelt de burgemeester een voorafgaand onderzoeker aan. IX-5886-2/13 Op 29 mei 2007 geeft de procureur des Konings aan de burgemeester kennis van een vooronderzoek van het parket dat uitgelopen is op een klassering zonder gevolg. Hij deelt de burgemeester mee dat de verzoeker een beroepsactiviteit uitoefende voor de NV Fricon zonder in regel te zijn met artikel 135 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: WGP). Mede op grond van het geseponeerd strafonderzoek wordt het vooronderzoek vervolgd. Op 16 augustus 2007 wordt een eindverslag aan de burgemeester bezorgd. Daaruit blijkt dat de verzoeker tussen 1995 en 1999 zaakvoerder is geweest van een firma Anyos die actief was als groothandel in motorvoertuigen en dat hij tot juni 2007 ook zaakvoerder is geweest van een firma Akoya. 3.4. Op 27 augustus 2007 stelt de burgemeester in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid een inleidend verslag op. De feiten die de verzoeker ten laste gelegd worden, worden in dit verslag als volgt omschreven: “2.1 Feit 1: De firma ANYOS werd op 1 april 1995 opgericht met als activiteit een groothandel in motorvoertuigen. De zaakvoerder betrof WILLEMS Mark die toen politieagent brigadier was. De maatschappelijke zetel was gelegen Steenovenstraat 12 te Stekene. Betrokkene bevorderde op 29 oktober 1997 tot adjunct-politiecommissaris. Betrokkene verklaarde dat hij op kleinschalige basis handel dreef in voertuigen en dat de vennootschap werd verkocht in 1999. 2.2 Feit 2: De vennootschap AKOYA werd opgericht op 30 april 1994 als patrimoni- umvennootschap. De zaakvoerder betrof WILLEMS Mark. Met die vennoot- schap gebeurde enkel de financiering van de aflossingen en het innen van de huurgelden van de gezinswoning. In 2004 nam betrokkene een btw-nummer voor AKOYA om gezondheidsproducten van ‘Herbalife’ te kunnen verkopen in eigen naam. Later werd de activiteit uitgebreid met EUPHONY waarbij goedkope formules werden aangeboden om telefoonverbindingen te kunnen realiseren. WILLEMS Mark kreeg contact met de beheerder van FRICON m.n. Rumes Frank die voorstelde om voor de firma FRICON te komen werken. Aan betrokkene werd gevraagd om vanaf 2 januari 2007 te Temse op zetel van de firma werken. Willems Mark ging hierop in en nam in januari 2007 bij de politie de resterende verlofdagen van 2006 op. Vervolgens ging hij op de andere dagen late avonddienst verrichten bij de Jeugdbrigade omdat hij tijdens de dag voor de firma FRICON werkte. Vanaf 25 januari 2007 tot en met 9 februari 2007 meldde betrokkene zich bij de politie ziek. Tijdens deze ziekteperiode maakte WILLEMS Mark een onkostennota over aan de firma FRICON met de melding dat hij op 25, 26 en 31 januari 2007 verplaatsingsonkosten aanrekent van 42 km IX-5886-3/13 per dag. Volgens de beheerder van FRICON werkte WILLEMS Mark die dagen op de zetel van de firma te Temse. Betrokkene ontkent dit en verklaarde dat hij op die dagen wel verplaatsingen maakte naar de zetel van de firma om administratieve documenten op te halen om er nadien terug mee naar huis te rijden alwaar hij administratief werk deed. Gezien de blokkering van zijn rug was het toen voor hem niet mogelijk om voor de politie te werken. Op 5 februari werd de samenwerking tussen WILLEMS Mark en de firma FRICON verbroken. Op 6 juni 2007 nam Mark WILLEMS ontslag als zaakvoerder van de firma AKOYA. CP Mark WILLEMS vroeg in het verleden geen toelating om een bijberoep te mogen uitoefenen. WILLEMS Mark verklaarde momenteel geen bijberoep meer uit te oefenen.” Als datum van kennisname van de feiten wordt in het verslag 6 maart 2007 opgegeven. De burgemeester stelt voor om aan de verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing bij tuchtmaatregel gedurende twee maanden op te leggen. 3.5. Op 8 oktober 2007 beslist de burgemeester tot het voorstel van zware tuchtstraf waarbij aan de verzoeker de schorsing bij tuchtmaatregel gedurende tweede maanden wordt opgelegd. 3.6. Op 11 oktober 2007 dient de verzoeker een verzoek tot herover- weging in bij de tuchtraad. Door de inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie wordt een deskundigenverslag neergelegd op de hoorzitting van 11 december 2007 waarin hij besluit dat de tuchtfeiten bewezen zijn doch dat hij van oordeel is dat de straf van “schorsing van twee maanden” niet proportioneel is tot de weerhouden tuchtfeiten. Hij stelt een schorsing van een week voor. 3.7. Op 9 januari 2008 brengt de tuchtraad advies uit. Hij is van oordeel dat de feiten behoorlijk omschreven werden in het inleidend verslag. Hij merkt daarbij wel het volgende op: “Wel dient eraan toegevoegd te worden dat betrokkene, toen aan hem op 24 april 2007 werd gevraagd waarom hij geen toelating om een bijkomende activiteit uit te oefenen had gevraagd aan de hiërarchische overste, betrokkene hierop heeft geantwoord dat hij nooit een officiële aanvraag ingediend heeft richting burgemeester om redenen dat dit onder Lamine niet nodig was voor IX-5886-4/13 hem en ten tweede dat onder Patrick Janssens de toelating niet gegeven wordt en hij geen slapende honden wenste wakker te maken.” IX-5886-5/13 Hij herkwalificeert de feiten derhalve als volgt: “Feit 1: CP WILLEMS dreef zonder voorafgaande toestemming en in strijd met het verbod van de wet 216 N.G.W. handel in voertuigen tussen 1995 en 1999 als zaakvoerder van de firma Anyos zonder voorafgaande toelating te hebben gevraagd. Feit 2: CP WILLEMS was zonder voorafgaande toestemming en in strijd met het verbod opgelegd door art. 134, 2e lid W. G.P., zaakvoerder van de handelsvennootschap AKOYA sedert 2004 en dit ononderbroken tot 6 juni 2007. Tijdens deze periode heeft hij herhaalde handelsdaden gesteld zoals het commercialiseren van producten en het leveren van prestaties als consultant.” De tuchtraad is voorts van oordeel dat de feiten aan de verzoeker toerekenbaar zijn en dat zij een tuchtvergrijp uitmaken, het eerste wegens overtreding van artikel 216 van de nieuwe gemeentewet, het tweede wegens overtreding van artikel 134, lid 2 WGP. De tuchtraad adviseert dat de opgelegde zware tuchtstraf gerechtvaardigd is en evenredig tot de ernst van de begane feiten, ondermeer op basis van volgende motieven: “Belangrijk is daarbij dat (de verzoeker), door op te treden als autohandelaar, handelaar in commerciële producten en uiteindelijk als consultant noodzakelijk het imago van de politie in het algemeen heeft geschaad en die van het korps in het bijzonder omdat de politieman - handelaar noodzakelijk het vertrouwen van de burger in de politie die in wezen neutraal en ongeïnteresseerd dient te zijn, schaadt. Betrokkene kan moeilijk voorhouden dat de derden met wie hij handel dreef niet op de hoogte waren van zijn functie nu het tegendeel overduidelijk uit het tuchtdossier blijkt. De tuchtraad verwijst ten deze naar de voortreffelijke motieven van de Hogere tuchtoverheid in het voorstel tot zware tuchtstraf. Hieraan zou nog kunnen worden toegevoegd dat betrokkene overduidelijk aan een belangrijke normvervaging lijdt die ertoe leidt dat hij zijn taak als politiecommissaris als een broodwinning, gelijk een ander beschouwt die hij ook uitvoert tussen de andere, ditmaal commerciële functies, die hij gedurende vele jaren heeft uitgeoefend. Deze normvervaging leidt ertoe dat betrokkene zijn dienstregeling overduide- lijk opstelt ten zijnen behoeve en niet in het belang van de dienst, waarbij hij er opvallend genoeg in slaagt, ondanks ziekte en opgenomen vakantie, om zijn commerciële functies te kunnen uitvoeren en de maximum toegestane aantal vergoedingsuren bijeen te sprokkelen. Betrokkene dient dan ook een ernstig signaal te krijgen waardoor zijn tuchtoverheid hem duidelijk maakt in het belang van de dienst en in het belang van betrokkene dat zijn functie als politiecommissaris (meer

  1. is)dan zomaar een IX-5886-6/13 broodwinning en dat hij daar al zijn professionele vaardigheden dient aan te besteden behoudens aangevraagde en toegestane afwijkingen.” 3.8. Op 15 januari 2008 neemt de burgemeester, het advies van de tuchtraad volgend, de bestreden beslissing waarbij aan de verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing bij tuchtmaatregel gedurende twee maanden wordt opgelegd. De feiten worden omschreven zoals in het inleidend verslag, met dien verstande dat met betrekking tot feit 2, in navolging van het advies van de tuchtraad, in fine nog het volgende toegevoegd wordt: “Hij (=verzoeker) verklaarde dat (hij) nooit een officiële aanvraag ingediend heeft om reden dat dit onder Lamine niet nodig was voor hem en ten tweede dat onder Patrick Janssens de toelating niet gegeven wordt en hij geen slapende honden wenste wakker te maken.”. In de rubriek, “vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten” wordt het volgende vermeld: “Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier: 5.1 Feit 1: 5.1.1 meen ik dat de feiten vaststaan doordat CP Willems Mark als zaakvoerder op 1 april 1995 de firma ANYOS oprichtte met als activiteit een groothandel in motorvoertuigen. Betrokkene was toen politieagent-brigadier en bevorderde op 29 oktober 1997 tot adjunct-politiecommissaris. Betrokkene pleegde hierdoor een inbreuk op artikel 216 van de nieuwe gemeentewet van 24 mei 1991 die toen van toepassing was op de gemeentepolitie. 5.1.2 meen ik dat deze feiten aan CP Willems Mark kunnen worden toegerekend gezien de vermelding in punt 4.1.1. 5.1.3 meen ik dat deze feiten het volgend tuchtvergrijp uitmaken. CP Willems Mark dreef handel in voertuigen tussen 1995 en 1999 wat onverenigbaar is met zijn ambtsbezigheden. Dergelijk bijberoep kan het vervullen van de ambtsplichten in de weg staan. Betrokkene pleegde een inbreuk op artikel 132 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus dat- het volgende stelt: - ‘Het personeelslid vermijdt elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is.’ 5.2 Feit 2: 5.2.1 meen ik dat de feiten vaststaan doordat CP Willems Mark als zaakvoerder van de vennootschap AKOYA in 2004 een btw-nummer nam voor de vennootschap om gezondheidsproducten van Herbalife te kunnen verkopen. De activiteiten werden later uitgebreid met EUPHONY waarbij betrokkene goedkope formules kon aanbieden om telefoonverbindingen te kunnen realiseren. Er ontstond een IX-5886-7/13 nauwe samenwerking met de firma FRICON gevestigd te Temse waardoor CP Willems Mark vanaf 2 januari 2007 voor de firma FRICON ging werken. Om dit mogelijk te maken nam hij bij de politie het nog resterend verlof op van 2006 en presteerde hij bij de politie late avonddiensten tot 23.00u à 24.00u. Tijdens zijn ziekte- verlof bij de politie van 25 januari 2007 tot 9 februari 2007 werkte betrokkene verder voor de firma FRICON. Dit blijkt uit de onkosten- nota die hij opstelde voor de firma FRICON waarin verplaatsings- onkosten werden aangerekend voor 25, 26 en 31 januari 2007 voor telkens 42 km. Betrokkene verklaarde dat hij op die dagen admini- stratieve documenten was gaan ophalen op de zetel van de firma FRICON zodat hij thuis verder administratief werk kon doen. 5.2.2 meen ik dat deze feiten aan CP Willems Mark kunnen worden toegerekend gezien de vermelding in punt 5.2.1. 5.2.3 meen ik dat deze feiten de volgende tuchtvergrijpen uitmaken: Betrokkene was zaakvoerder van de firma AKOYA met als activitei- ten de verkoop van de producten Herbalife en het aanbieden van goedkope formules voor het realiseren van telefoonverbindingen en dit sedert 2004. Betrokkene pleegde een inbreuk op artikel 134 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus dat het volgende stelt: [...] Aangezien vanaf 2 januari 2007 CP Willems Mark fulltime voor de firma FRICON te Temse begon te werken, paste hij zijn diensturen bij de politie aan om tijd te kunnen vrijmaken voor de firma FRICON. Betrokkene meldde zich bij de politie ziek van 25 januari 2007 tot en met 9 februari 2007. Tijdens deze ziekteperiode bleef hij voor de firma FRICON werken. Dit getuigt niet van een loyale houding van betrokkene tegenover het korps en zijn hiërarchische oversten. Betrokkene pleegde een inbreuk op artikel 132 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus dat het volgende stelt: [...].” De eigenlijke beslissing wordt dan gedragen door de volgende motieven: “Aangezien ik meen dat de feiten vaststaan, dat ze aan CP Mark Willems kunnen worden toegerekend en dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 5 een tuchtvergrijp uitmaken; Aangezien betrokkene een blanco tuchtstraffenblad heeft; Aangezien CP Willems Mark op 1 april 1995 zaakvoerder werd van een groothandel in motorvoertuigen en ondertussen op 29 oktober 1997 bevorderde tot adjunct-commissaris van politie om pas 21 oktober 1999 als zaakvoerder ontslag te nemen; Aangezien CP Willems Mark op 30 april 1994 zaakvoerder werd van de vennootschap AKOYA en vanaf 2 januari 2007 fulltime ging werken bij de firma FRICON; Aangezien CP Willems Mark nu de graad van commissaris heeft en verantwoordelijke was van de Jeugdbrigade, had hij bijgevolg een duidelijke voorbeeldfunctie te vervullen naar zijn personeel toe; IX-5886-8/13 Aangezien CP Willems Mark wist dat hij in de fout ging wanneer hij een bijberoep uitoefende; Aangezien betrokkene geen toelating aanvroeg omdat hij wist dat hij van de burgemeester hiervoor geen toelating zou krijgen en verklaarde geen slapende honden te willen wakker maken; Aangezien betrokkene er zelf over diende te waken dat zijn personeel geen bijberoep uitoefende, zodat het op een neutrale en onpartijdige wijze het ambt kon uitoefenen; Aangezien betrokkene zijn diensturen bij de politie diende aan te passen om zijn bijberoep bij de firma FRICON fulltime te kunnen uitoefenen, zodat de taakinvulling bij de politie kennelijk op de tweede plaats kwam; Aangezien het laakbaar is dat CP Willems Mark bij de politie afwezig bleef wegens ziekte doch wel verder bleef werken voor de firma FRICON;” IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen 4. De verzoeker voert de schending aan van artikel 56, derde en vierde lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende de tuchtregeling van het personeel van de politiediensten (hierna: de tuchtwet), minstens van het beginsel van de schending van de redelijke termijn. Hij stelt dat het eerste tuchtfeit, dat betrekking heeft op de handel in voertuigen tussen 1995 en 1999, wegens het verstrijken van de in artikel 56, derde lid, van de tuchtwet bepaalde termijn van vijf jaar verjaard is. Het gaat immers om een feit dat aanleiding “kan geven” tot een lichte tuchtstraf zoals artikel 56, derde lid, van de tuchtwet aangeeft; de wet bepaalt immers niet dat het overtreden van artikel 132 WGP een zware tuchtstraf tot gevolg moet hebben, wat bijvoorbeeld wel het geval is voor een inbreuk op artikel 8 van de tuchtwet. Hij vervolgt dat, zo de schending van artikel 56 van de tuchtwet niet wordt aangenomen, er in ieder geval sprake is van de miskenning van de redelijke termijn, aangezien “reeds 9 jaar zijn verstreken om een tuchtfeit te vervolgen (
  2. en)het tuchtfeit reeds 9 jaar opgehouden heeft te bestaan”. 5. De verwerende partij antwoordt dat de wetgever de tuchtvergrij- pen die aanleiding geven tot een zware tuchtstraf, uitgesloten heeft van de verjaring en dat de problematiek van de verjaring slechts ter sprake kan komen op het ogenblik dat de strafmaat wordt bepaald. Te dezen heeft de verwerende partij de beide feiten als een geheel beoordeeld en bestraft en ging het in beide gevallen om het sanctioneren van het uitoefenen een commerciële activiteit in cumul met de dienstopdracht. Van de miskenning van de redelijke termijn is ook geen sprake want de feiten zijn slechts ter kennis van de tuchtoverheid gekomen in 2007 en het bestuur is zeker diligent opgetreden. De verzoeker toont overigens niet aan op welke IX-5886-9/13 wijze zijn rechten in het gedrang zouden zijn gekomen door het opstarten in 2007 van de tuchtvervolging en hij zegt ook niet wat de gevolgen moeten zijn van het overschrijden van de redelijke termijn, nu de tuchtvordering niet vervalt door het overschrijden van de redelijke termijn. 6. De verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat artikel 56, derde lid, van de tuchtwet een verjaringstermijn instelt voor feiten die tot een lichte tuchtstraf “kunnen” leiden, wat niet hetzelfde is als feiten die met een lichte tuchtstraf bestraft worden. Aangezien niet bepaald is dat de feiten met een zware tuchtstraf moet worden bestraft, kunnen de feiten die hem verweten worden tot een lichte tuchtstraf leiden en verjaren zij na vijf jaar. Hij stelt ook nog dat het feit dat er slechts één tuchtstraf uitgesproken werd, niet wegneemt dat zij steunt op twee afzonderlijke feiten die elk op hun verjaring moeten worden onderzocht. 7. In zijn laatste memorie herhaalt de verzoeker dat de verjaringster- mijn van artikel 56, derde lid, van de tuchtwet speelt telkens een tuchtfeit tot een lichte tuchtstraf aanleiding “kan” geven, wat het geval is telkens de wet niet bepaalt dat een zware tuchtstraf moet opgelegd worden. 8. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de verzoeker krachtens het toentertijd geldend artikel 216 van de gemeentewet aan een principieel cumulverbod gebonden was en dat het bestuur allerminst verweten kan worden de uitoefening van een bijkomende activiteit door de verzoeker gedoogd te hebben. Zij moest immers zelf niet actief gaan onderzoeken of de verzoeker een cumulactiviteit uitoefende. Voorts stelt zij dat de twee tuchtfeiten met één straf gesanctioneerd zijn, dat dit geen kennelijk onredelijke beoordeling is en dat de omstandigheid dat de verzoeker indertijd onderworpen was aan de nieuwe gemeentewet geen reden moest zijn om een afzonderlijke bestraffing uit te spreken voor de feiten die beiden een inbreuk vormen op de deontologische regels. Beoordeling 9. Artikel 56, derde en vierde lid, van de tuchtwet bepaalt: “In alle gevallen zullen de tuchtvergrijpen die tot een lichte tuchtstraf kunnen leiden, na vijf jaar verjaren. De in het derde lid bedoelde verjaringstermijn gaat in de dag van de voltooiing voor de ogenblikkelijke vergrijpen, de dag waarop de situatie IX-5886-10/13 ophoudt voor de voortdurende vergrijpen en de dag waarop het laatste feit dat de reeks vormt gepleegd wordt in het geval waarin het vergrijp bestaat uit een geheel van afzonderlijke feiten maar die het gevolg zijn van één en hetzelfde opzet.” 10. Die bepalingen, in de tuchtwet ingevoegd bij artikel 34 van de wet van 31 mei 2001, beperken het recht van de tuchtoverheid om tuchtstraffen op te leggen voor tuchtvergrijpen die zich geruime tijd geleden -hier bepaald op vijf jaar- hebben voorgedaan, omdat het risico op fouten bij de wedersamenstelling van de feiten wegens het tijdsverloop te groot wordt. De verjaring wordt evenwel slechts ingevoerd voor tuchtvergrijpen “die tot een lichte tuchtstraf kunnen leiden”. De verzoeker leest die bepaling aldus dat alle tuchtvergrijpen die niet moeten leiden tot een zware tuchtstraf -hij verwijst naar artikel 8 van de tuchtwet- onder de verjaring vallen. Die lezing strookt evenwel niet met de uiteenzetting in de memorie van toelichting bij de nieuwe wetsbepaling, waarin uitdrukkelijk aangegeven is dat “de verjaring evenwel niet van toepassing (
  3. is)op de tuchtvergrijpen die tot een zware tuchtstraf kunnen leiden” (Parl. Doc. Kamer van Volksvertegenwoordigers, 2000-2001, stuk 50-1173/001, p. 15-16). Afgaande op die uiteenzetting van de regering, die overigens overeenstemt met de regels die in de gewone strafrechtspleging gehanteerd worden, kan artikel 56, derde lid, van de tuchtwet niet anders uitgelegd worden dan dat het toepassingsgebied ervan beperkt is tot de tuchtfeiten waarvan de tuchtoverheid, na onderzoek van het bewijs van de feiten en van de ernst ervan, oordeelt dat een lichte tuchtstraf aangewezen is. Vanuit de loutere vaststelling dat de wetgever voor feiten die aanleiding geven tot een zware tuchtstraf geen verjaringstermijn ingesteld heeft en dat hier een zware tuchtstraf opgelegd is, moet de kritiek van de verzoeker op het bestreden besluit verworpen worden. 11. De zware tuchtstraf die aan de verzoeker opgelegd is, steunt evenwel op twee feiten waarvan het eerste zich situeert meer dan vijf jaar vóór de uitspraak van de tuchtstraf. Deze feiten zijn niet met elkaar verbonden; zij hebben wel allebei betrekking op het verbod aan het politiepersoneel om commerciële activiteiten uit te oefenen. De tuchtoverheid heeft voor de twee feiten één straf opgelegd. Artikel 7, eerste lid, van de tuchtwet, dat voorziet in het voeren van één tuchtproce- dure en het opleggen van één tuchtstraf wanneer verschillende tuchtvergrijpen IX-5886-11/13 tegelijkertijd ten laste worden gelegd, verplichtte haar daartoe, maar die wetsbepa- ling stelt haar niet vrij van het voeren van een onderzoek naar de mogelijke verjaring van de verschillende tuchtfeiten, zeker nu de verwerende partij niet aantoont en op grond van de gebruikelijke inhoud van de terminologie ook niet zonder meer besloten kan worden dat de twee tuchtfeiten de uiting zijn van eenzelfde opzet, zodat toepassing kon gemaakt worden van artikel 56, vierde lid, van de tuchtwet. De verwerende partij heeft niet onderzocht of de tuchtvordering voor het eerste aan de verzoeker ten laste gelegde feit verjaard was, hoewel artikel 56, derde lid, van de tuchtwet haar daartoe verplichtte. De omstandigheid dat zij globaal een zware tuchtstraf aangewezen achtte, stelde haar niet vrij van dat onderzoek, dat desgevallend aanleiding had kunnen zijn voor de vaststelling van het verval van de tuchtvordering voor de eerste tenlastelegging hetgeen had kunnen leiden tot een andere benadering van de tweede tenlastelegging, minstens wat de straftoemeting betreft. Het middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van 15 januari 2008 van de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij Marc Willems voor twee maanden tuchtrechtelijk geschorst wordt. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-5886-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5886-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.248 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.