id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.250 Rolnummer: A. 180768/IX-5560 Zaak: Arrest 204250 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/05/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-04 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:47 Fiche Arrest nr 204.250 van 25 mei 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 204.250 van 25 mei 2010 in de zaak A. 180.768/IX-5560 In zake : Erik O bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te Zellik Noorderlaan 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door:
- de minister van Financiën
- de minister van Ambtenarenzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 2 februari 2007, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid (OFO), meegedeeld bij schrijven van 5 december 2006, waarbij Erik O niet geslaagd wordt verklaard voor de test van de gecertificeerde opleiding “Controle van de bedrijfsmiddelen bij een gewone BTW belastingplichtige”. II. Verloop van de rechtspleging
- De beide vertegenwoordigers van de verwerende partij hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft memories van wederant- woord ingediend. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. IX-5560-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 mei
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verzoeker, inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij, en advocaat Emmanuel Jacubowitz, die verschijnt voor de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is ambtenaar bij de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën. 3.
- Na de gecertificeerde opleiding “Controle van de bedrijfsmiddelen bij een gewone BTW belastingplichtige” te hebben gevolgd, legt hij hierover op 3 juni 2006 de door het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid (hierna: OFO) georganiseerde test af. Voornoemde test bestaat uit 40 multiple choice vragen. Uit het protocol nummer 538 van 22 november 2005 waarin de conclusies zijn opgenomen van de onderhandeling in het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten betreffende de nota over de docimologie met betrekking tot de gecertificeerde opleidingen - Principes van het testbeleid van het OFO, blijkt ondermeer dat voor elke multiple choice vraag vier antwoordalternatieven bestaan waarvan telkens slechts één juist is. De score wordt als volgt toegekend: 1 voor een correct antwoord, 0 voor geen antwoord en -0,5 voor een foutief antwoord. Om te slagen voor de gecertificeerde opleiding dient een IX-5560-2/14 deelnemer minstens 60% van de punten te behalen. Bij de test voert het OFO een kwaliteitscontrole “ex ante” en “ex post” uit. De controle “ex ante” gebeurt op basis van drie elementen: het gedetailleerde opleidingsprogramma in combinatie met de specificatietabel en de gefinaliseerde test. De controle “ex post” heeft betrekking op een analyse van de testresultaten zodat bepaalde anomalieën in de antwoorden kunnen gedetecteerd worden. Bij de controle “ex post” van voornoemde test wordt beslist om vraag 27 uit de test te annuleren, daar de vraag niet correct kan worden beantwoord. Daar de verzoeker 28 vragen juist heeft beantwoord, 10 vragen foutief heeft beantwoord en 1 vraag niet heeft beantwoord, behaalt hij een score van 23/39 of 58,97%. Hij wordt aldus als niet geslaagd beoordeeld, wat hem bij brief van 5 december 2006 wordt meegedeeld door de directeur-generaal van het OFO. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Naar aanleiding van deze beslissing vraagt de verzoeker bij e-mail van 8 december 2006 om inzage in zijn examendossier. Met een e-mail van 11 december 2006 wordt de verzoeker uitgenodigd om op 14 december 2006 zijn dossier in te zien. Op voornoemde datum ziet de verzoeker effectief zijn dossier in. In een door hem ondertekend document deelt hij aan het OFO onder meer het volgende mee: “Ik stel vast dat men de volgende voorwaarden stelde: 1) 40 vragen 2) per foutief antwoord -1/2 punt. Ik stel vast dat men zich wel hield aan punt 2 en niet aan punt
- Zie opmerking ‘Vraag 27: De vraag laat niet toe juist te antwoorden’. Door het feit dat ik deze vraag (vraag 27) niet kon beantwoorden, ben ik nadeel berokkend. Ik wens dan ook dat sowieso er voor die vraag 1 punt wordt bijgeteld.” IX-5560-3/14 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Standpunt van de verzoeker
- In haar memorie van antwoord vraagt de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij om buiten de zaak te worden gesteld, daar de bestreden beslissing niet uitgaat van de minister van Financiën, maar wel van het OFO. Hij verwijst in dit verband naar artikel 70bis, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, op grond waarvan het OFO zorgt voor de opleidingen of deze delegeert aan andere opleidingsinstellingen en in beide gevallen de leidinggevende ambtenaar van het OFO de valideringsge- tuigschriften verstrekt, wanneer de opleiding met gunstig gevolg wordt afgesloten. Beoordeling
- Met de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij moet worden vastgesteld dat hij vreemd is aan de bestreden beslissing. Hij is geenszins betrokken geweest bij de totstandkoming van voornoemde beslissing, die uitsluitend tot de bevoegdheid van het OFO behoort, wat blijkt uit artikel 70bis, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel. Dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij geen deel heeft gehad aan de totstandkoming van de bestreden beslissing blijkt trouwens uit stuk 9 van het administratief dossier. In dit stuk met betrekking tot de inzage van het dossier betreffende de test van de betrokken gecertificeerde opleiding wordt namelijk uitdrukkelijk vermeld dat bedoeld dossier een dossier van het OFO betreft en dat de rol van de FOD Financiën beperkt is tot de tussenkomst op materieel vlak. Niets verzet zich dan ook tegen het inwilligen van het verzoek van de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij om buiten de zaak te worden gesteld. IX-5560-4/14 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het koninklijk besluit van 5 september 2002 houdende hervorming van de loopbaan van sommige ambtenaren in de Rijksbesturen met zijn wijzigingen en uitvoeringsbesluiten, van het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende hervorming van de bijzondere loopbaan van sommige ambtenaren van de FOD Financiën, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel en van het algemeen rechtsbeginsel “patere legem quam ipse fecisti”. De verzoeker stelt beoordeeld te zijn op basis van 39 vragen, nadat vraag 27 achteraf werd geannuleerd, terwijl een certificeringstest bestaande uit meerkeuzevragen volgens de door het OFO vastgestelde regels tussen 40 en 60 vragen dient te bevatten. Indien hij beoordeeld zou zijn op 40 vragen in plaats van 39, dan was naar het oordeel van de verzoeker de kans groot dat hij de vereiste 60% zou hebben behaald. Hij meent dat de door het OFO vastgestelde evaluatieregels en puntentoekenning, die zijn uitgelegd bij het begin van de test, niet werden gerespecteerd. Bovendien bleek volgens de verzoeker bij de lezing van de oplossingen dat de antwoorden op sommige vragen heel subjectief waren en voor verschillende interpretaties (en dus ook verschillende antwoorden) vatbaar. De vermoedelijke reden hiervoor is de vertaling van de in het Frans opgestelde test naar het Nederlands, zo stelt hij. Het vermoeden dat de test onzorgvuldig werd opgesteld en geëvalueerd, ziet de verzoeker bevestigd in de omstandigheid dat de uitslag ervan pas na meer dan zes maanden werd meegedeeld aan de deelnemers. De evaluatie van de uitslag van 40 meerkeuzevragen met 4 alternatieven, waarvan slechts 1 correct is, neemt slechts een paar uren of dagen in beslag. IX-5560-5/14
- De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat het verzoekschrift tot nietigverklaring krachtens artikel 2, § 1, 2/, (thans: artikel 2, § 1, 3/) van het algemeen procedurereglement een uiteenzetting van de middelen dient te bevatten. Onder “middel” dient te worden verstaan: “de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of van het geschonden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden”. Te dezen duidt de verzoeker volgens hem weliswaar tal van (grond)wettelijke bepalingen en beginselen aan, doch geeft hij niet aan op welke wijze die regels en beginselen door de bestreden beslissing zouden zijn geschonden. Met uitzondering van het algemeen rechtsbeginsel “patere legem quam ipse fecisti”, is het voor de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij dan ook een raadsel op welke wijze de door de verzoeker aangehaalde rechtsregels en -beginselen zouden zijn geschonden. In die mate is het middel volgens de verwerende partij dan ook onontvankelijk. Voorts stelt de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij dat het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”, krachtens hetwelk het bestuur niet op individuele wijze mag afwijken van haar eigen algemeen reglement, in casu niet van toepassing is. Het akkoordprotocol met de vakorganisaties van 22 november 2005, dat volgens de verzoeker niet is nageleefd, is immers geen daadwerkelijk reglement. Een louter algemene richtlijn mag niet met een daadwer- kelijk reglement worden verward, zo stelt hij. Zelfs in de veronderstelling dat voornoemd akkoordprotocol een daadwerkelijk reglement zou zijn, dan nog is volgens de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” niet geschonden. Dit akkoordprotocol moet immers in zijn geheel worden gelezen: weliswaar wordt er in voorzien dat tussen 40 en 60 meerkeuzevragen zullen worden gesteld, doch ook dat op de gestelde vragen een “ex post” controle zal worden uitgevoerd. Hij merkt op dat nergens bepaald is dat geen enkele vraag mag worden geannuleerd en dat de “ex post” controle ook geen enkel nut zou hebben, indien de vastgestelde anomalieën niet zouden kunnen worden verholpen door geen rekening te houden met vragen die achteraf problematisch blijken te zijn. Door te voorzien in een groot aantal vragen (tussen 40 en 60) is volgens hem voldoende rekening gehouden met het risico dat een aantal vragen achteraf moeten worden geannuleerd, zonder dat de test aan pertinentie verliest. Hij wijst er bovendien op dat te dezen slechts één vraag geannuleerd is. IX-5560-6/14 Verder wenst de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij, voor zover als nodig, op te merken dat de bestreden beslissing wel degelijk uitdrukkelijk en afdoende gemotiveerd is. In de tekst zelf van de bestreden beslissing wordt immers duidelijk vermeld dat de verzoeker 60% moest halen om te slagen en dat hij 28 juiste en 10 foutieve antwoorden heeft gegeven en één vraag niet heeft beantwoord, zodat hij 23/39 heeft behaald (58,97 %). Voor het overige stelt de tweede vertegenwoordiger van verwerende partij vast dat verzoekers bewering dat “sommige vragen heel subjectief waren en voor verschillende interpretaties (en dus ook verschillende antwoorden) vatbaar” op niets steunt. Ten slotte merkt zij nog op dat een eventuele miskenning van de wet van 11 april 1994 op de openbaarheid van bestuur hoe dan ook de wettigheid van de bestreden beslissing niet in het gedrang kan brengen.
- De verzoeker repliceert dat de vereiste dat tussen 40 en 60 meerkeuzevragen moeten worden gesteld niet zomaar teniet kan worden gedaan door een “ex post” controle. Hij is van mening dat het schrappen van vragen enkel toegelaten is indien meer dan 40 vragen worden gesteld en na schrapping nog minstens 40 vragen overblijven. Indien vraag 27 niet juist beantwoord kon worden, dienden volgens de verzoeker alle antwoorden op die vraag als juist te worden aanzien. De verzoeker meent dat zijn examenresultaat dan ook 24/40 moet zijn, ofwel 60%, en dat hij met andere woorden geslaagd is. Voorts betoogt de verzoeker dat uit de “ex post” controle blijkt dat bij 9 van de 40 vragen (22,5 %) problemen werden ontdekt, zodat de stelling van de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij dat verzoekers bewering dat sommige vragen heel subjectief zijn op niets zou berusten, wordt weerlegd. De schending van het gelijkheidsbeginsel blijkt volgens de verzoeker eveneens uit het administratief dossier. Hij merkt op dat na de correcties “ex post” het aantal geslaagden verhoogd werd van 274 naar 298 en meent dat indien de vooropgestelde regels correct waren toegepast, ook hij als geslaagd diende te worden beschouwd. IX-5560-7/14 Dat slechts 40 vragen werden gesteld terwijl het examenreglement minimum 40 vragen vereist, is volgens de verzoeker op zich reeds een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij voert aan dat inmiddels bij nieuwe gelijkaardi- ge proeven meer dan 40 vragen worden gesteld. Krachtens het zorgvuldigheidsbe- ginsel is het volgens hem vereist dat een examen of proef “af” moet zijn en er achteraf niet moet worden nagegaan of de examenvragen wel correct gesteld werden.
- In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat het protocol nr. 538 als dwingende en cumulatieve voorwaarde oplegt dat minimum 40 vragen moeten worden gesteld waarvan telkens van de vier antwoordalternatieven slechts één juist is. Hij merkt op dat nergens in het protocol vermeld wordt dat “initieel” minimaal 40 vragen moeten worden gesteld. Met andere woorden moeten de kandidaten minimum 40 juiste vragen krijgen voorgelegd met slechts één mogelijk antwoord. Vermits te dezen één onjuiste vraag werd gesteld, wijst de verzoeker erop dat initieel geen sprake was van 40 juiste vragen met slecht één correct antwoord. Indien omwille van duidelijkheidsredenen een vraag moet worden weggelaten, moet de overheid er volgens de verzoeker dan ook voor zorgen dat een alternatieve vraag voorhanden is. Hij beschouwt het als “een omkering van oorzaak en gevolg” om te stellen dat het van zorgvuldigheid getuigt wanneer de overheid een vraag supprimeert omwille van een onzorgvuldigheid bij het opstellen van de test. Verder stelt de verzoeker dat wanneer de overheid over een discretionaire bevoegdheid zou beschikken bij het al dan niet toekennen van punten voor een foutieve vraag, dit niet arbitrair mag gebeuren, en op de overheid een versterkte motiveringsplicht rust, gelet op het feit dat de verzoeker die vraag heeft beantwoord in overeenstemming met het modelantwoord. Volgens de verzoeker mag en moet van een zorgvuldige overheid verwacht worden dat wanneer zij een bepaalde vraag niet in aanmerking neemt, ondanks het feit dat verschillende kandidaten deze vraag beantwoord hebben in overeenstemming met het modelant- woord, zij tenminste aangeeft waarom zij een ongelijke behandeling doorvoert van enerzijds personen die deze vraag conform het initiële modelantwoord hebben beantwoord en anderzijds personen die hierop niet hebben geantwoord. Voorts betoogt de verzoeker dat het eigen foutief of onzorgvuldig handelen van de overheid geenszins als valabel argument gehanteerd kan worden ter verantwoording van een onredelijke termijn. Hij meent dat het te dezen om een IX-5560-8/14 administratieve vergissing gaat bij het opstellen van de certificeringtest, die geen vrijbrief kan zijn om het resultaat van een eenvoudige computergestuurde test zes maanden op zich te laten wachten. Beoordeling
- De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij kan niet worden gevolgd waar hij stelt dat het middel onontvankelijk is bij gebrek aan een voldoende duidelijke omschrijving van de wijze waarop de door de verzoeker aangevoerde rechtsregels of -beginselen door de bestreden rechtshandeling worden geschonden. Hij erkent immers dat de verzoeker uiteenzet op welke wijze het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” zou zijn geschonden. Ook wordt in het verzoekschrift op expliciete wijze uiteengezet waarom het opstellen en evalueren van de test een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel zou inhouden. Bovendien slaagt de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij erin het middel te beantwoorden in zoverre de schending wordt aangevoerd van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, zodat zijn rechten van verweer dienaangaande niet zijn geschaad. Aldus heeft de verzoeker in zijn verzoekschrift wel degelijk met betrekking tot minstens één van de door hem aangehaalde rechtsregels en - beginselen een duidelijke omschrijving gegeven van de wijze waarop deze zou zijn geschonden door de bestreden beslissing. Het middel is in die mate ontvankelijk.
- Daargelaten de vraag of het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” te dezen van toepassing is, lijkt de verzoeker met zijn uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift te willen aantonen dat in casu het OFO niet zorgvuldig heeft gehandeld bij het opstellen en evalueren van de voornoemde certificeringstest, doordat de door hem vastgelegde “principes van het testbeleid” niet werden nageleefd. IX-5560-9/14 Naar aanleiding van de gecertificeerde opleiding “Controle van de bedrijfsmiddelen bij een gewone BTW belastingplichtige”, heeft het OFO een test georganiseerd, die uit 40 multiple choice vragen bestond. In het kader van de “ex post” controle werden de testresultaten geanalyseerd en werd uiteindelijk één vraag (vraag 27) uit de test geannuleerd. De resultaten van de deelnemers werden aldus berekend op een puntentotaal van
- Uit de lezing van de bepalingen van het protocol nummer 538 van 22 november 2005, blijkt dat een test met betrekking tot een gecertificeerde opleiding bestaande uit meerkeuzevragen minimum 40 vragen dient te bevatten, wat in casu initieel het geval was. Dat de deelnemers effectief dienen beoordeeld te worden op minimum 40 vragen, zelfs indien naar aanleiding van de “ex post” controle zou blijken dat bij een of meerdere vragen problemen zijn gerezen, blijkt echter niet uit de lezing van het protocol. Hierin wordt wel gesteld dat per vraag vier antwoordalternatieven worden gegeven, waarvan telkens één enkel antwoord juist is en dat bij elke test een kwaliteitscontrole “ex post” wordt uitgevoerd, die betrekking heeft op een analyse van de testresultaten. Uit de lezing van de bepalingen van het protocol in hun geheel blijkt dat het de bedoeling is geweest om via de “ex post” controle anomalieën te vermijden. Indien aldus naar aanleiding van deze “ex post” controle problemen met betrekking tot een bepaalde vraag/bepaalde vragen aan het licht komen, is het dan ook niet onzorgvuldig, integendeel, dat beslist wordt zulke vraag/vragen te annuleren, in zoverre de test dan nog betrouwbaar en valide is. Daar in casu naar aanleiding van de “ex post” controle slechts één vraag (vraag 27) als problematisch werd beschouwd, kan niet worden ingezien dat bij de annulatie ervan afbreuk zou worden gedaan aan de betrouwbaarheid en validiteit van de test, zelfs indien de beoordeling van de kandidaten dan dient te gebeuren op basis van slechts 39 vragen. Dat naar aanleiding van de “ex post” controle met betrekking tot vraag 27 werd vastgesteld dat zij niet toelaat correct te antwoorden, betekent niet noodzakelijk dat alle antwoorden op die vraag als juist dienen te worden beschouwd, zoals de verzoeker voorhoudt in zijn memorie van wederantwoord. Uit het stuk 6 van het administratief dossier blijkt dat aan het OFO de keuze werd gelaten om ofwel het punt voor deze vraag toe te kennen, ofwel deze vraag te annuleren. Het OFO beschikt terzake dan ook over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid en de Raad van State mag zich niet in de plaats stellen van het OFO door te overwegen IX-5560-10/14 dat het punt voor deze vraag diende te worden toegekend. Het is niet onredelijk dat het OFO uiteindelijk heeft geoordeeld vraag 27 te annuleren. Uit het voorgaande blijkt dat het OFO niet in strijd heeft gehandeld met de principes opgenomen in het protocol nummer 538, zodat de verzoeker ten onrechte oordeelt dat het OFO de door hem vastgelegde “principes van het testbeleid” niet zou hebben nageleefd en aldus het zorgvuldigheidsbeginsel zou hebben geschonden. In zoverre de “ex post” controle aangeeft dat mogelijks negen vragen als problematisch dienen te worden beschouwd, wordt vastgesteld dat na nader onderzoek uiteindelijk slechts één vraag effectief problematisch was, en aanleiding gaf tot annulatie. Deze vaststellingen uit de “ex post” controle ondersteunen dan ook geenszins verzoekers stelling dat de vragen voor verschillen- de interpretaties vatbaar zijn. Ook in dit opzicht slaagt de verzoeker er niet in aan te tonen dat het OFO onzorgvuldig zou hebben gehandeld. Het verstrijken van een termijn van zes maanden tussen de datum dat de test werd afgelegd en de kennisgeving aan de verzoeker van zijn uiteindelijk resultaat toont evenmin aan dat het OFO onzorgvuldig zou hebben gehandeld. Gedurende die termijn is immers de “ex post” controle uitgevoerd in overeenstem- ming met het protocol nummer
- Door aan de hand van deze “ex post” controle de testresultaten van de deelnemers te analyseren en zo alsnog anomalieën in de vragen op te sporen en weg te werken, door annulatie van de achteraf gebleken problematische vraag 27, heeft het OFO integendeel blijk gegeven van een zorgvuldige evaluatie van de thans betwiste certificeringstest. De verzoeker slaagt er derhalve niet in aan te tonen dat het OFO onzorgvuldig zou hebben gehandeld bij het opstellen en evalueren van voornoemde certificeringstest. Voor zover de verzoeker de schending van de redelijke termijn aanvoert door het verstrijken van zes maanden tussen het afleggen van de test en de kennisgeving van het resultaat ervan, wordt vastgesteld dat de verzoeker dit middel, dat niet van openbare orde is en waarvan niet blijkt dat het niet in een vroeger stadium van de procedure kon worden aangevoerd, niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de laatste memorie kan aanvoeren. IX-5560-11/14 De verzoeker slaagt er evenmin in aan te tonen dat het gelijkheids- beginsel zou zijn geschonden door in zijn memorie van wederantwoord te stellen dat hij evenzeer als geslaagd diende te worden beschouwd. Zoals vastgesteld, heeft het OFO de “vooropgestelde regels” (het protocol nummer 538) immers nageleefd en correct toegepast. De verzoeker werd aldus terecht beoordeeld als niet-geslaagd. Hij behaalde namelijk een score van 23/39 of 58,97%, terwijl hij overeenkomstig voornoemd protocol 60% diende te behalen om te slagen. Voor zover de verzoeker de schending van de motiveringsplicht aanvoert ingevolge het gebrek aan motivering door het OFO van zijn beslissing tot het al dan niet toekennen van punten voor de foutieve vraag, wordt vastgesteld dat de verzoeker dit middel, dat niet van openbare orde is en waarvan niet blijkt dat het niet in een vroeger stadium van de procedure kon worden aangevoerd, niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de laatste memorie kan aanvoeren. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de verzoeker
- In zijn memorie van wederantwoord voert de verzoeker in een tweede middel de schending aan van artikel 39, § 1, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
- Hij wijst erop dat uit de “ex post” controle van de examenresulta- ten blijkt dat deze enkel in de Franse taal is gebeurd, terwijl hij als ambtenaar van de Nederlandstalige taalrol, recht heeft op het gebruik van de Nederlandse taal bij de behandeling en verbetering van zijn examen. De verzoeker stelt dit middel pas voor het eerst te hebben kunnen inroepen na inzage van het administratief dossier. Beoordeling IX-5560-12/14
- Een schending van de taalwetgeving raakt de openbare orde. Het middel, dat weliswaar voor het eerst wordt aangehaald in de memorie van wederantwoord, is dan ook ontvankelijk.
- Artikel 39, § 1, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt dat de centrale diensten, waartoe de federale overheidsdiensten en het OFO gerekend moeten worden, zich in hun binnendiensten gedragen naar artikel 17, § 1, van die wetten, met dien verstande dat de taalrol bepalend is voor het behandelen van de zaken vermeld in onder meer B, 1/ en 3/, van die laatste bepaling. Artikel 17, § 1, B, 1/, heeft betrekking op de zaken die een ambtenaar van de betrokken dienst betreffen. Artikel 17, § 1, B, 3/, heeft betrekking op de zaken die niet onder B, 1/ en 2/ vallen. Uit de combinatie van de genoemde artikelen volgt dat in de centrale diensten een aangelegenheid die betrekking heeft op een ambtenaar van zulk een dienst moet worden behandeld in de taal van de taalrol waartoe die ambtenaar behoort. Dit betekent dat minstens alle essentiële stukken met betrekking tot de gecertificeerde opleiding en het opstellen en de evaluatie van de daaropvol- gende test moeten worden geredigeerd in de taal van de taalrol waartoe de betrokken ambtenaar behoort, te dezen het Nederlands. Uit het administratief dossier blijkt dat de syllabus van de betrokken opleiding in het Nederlands is opgesteld. De vragenlijst van de test en het antwoordformulier zijn eveneens volledig in het Nederlands geredigeerd. Ook de kennisgeving aan de verzoeker van zijn resultaat op deze test, is in het Nederlands gebeurd. Het stuk met betrekking tot de resultaten van de “ex post” controle blijkt evenwel grotendeels in het Frans te zijn opgesteld. Uiteindelijk wordt naar aanleiding van de “ex post” controle slechts één vraag (vraag 27) als dermate problematisch beschouwd dat zij wordt geannuleerd. De motivering van deze annulatie is wel degelijk in het Nederlands opgesteld. Als motivering geldt namelijk dat “de vraag niet toelaat juist te antwoorden”, wat overeenstemt met de in het Frans opgegeven reden om de vraag te annuleren. De essentiële in het Frans geredigeerde informatie van deze “ex post” controle is aldus eveneens in het Nederlands weergegeven. IX-5560-13/14 Aldus zijn alle essentiële gegevens met betrekking tot de gecertificeerde opleiding en het opstellen en de evaluatie van de betrokken test geredigeerd in de taal van de taalrol waartoe de verzoeker behoort. De verzoeker toont dan ook niet aan dat artikel 39, § 1, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken door het OFO is geschonden. Het middel is derhalve niet gegrond. BESLISSING
- De eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij wordt buiten de zaak gesteld.
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 mei 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5560-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.250 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div